Hoofdstuk 1
Piep piep piep.
Hope Mckenzie draaide zich kreunend om en zocht met haar hand de uitknop van haar wekkerradio, of de pauzeknop, een knop, als het maar alsjeblieft ophield. Maar… wacht even… ze had helemaal geen wekkerradio hier in New York, ze gebruikte haar telefoon voor de zeldzame keren dat de zon, het verkeer en de klamme hitte haar niet eerst wekten. Wat was dat geluid dan? En waarom stopte het niet?
Piep piep piep.
Wat het ook was, het begon met de seconde meer te irriteren. Hope duwde zich overeind. Heel haar slaperige lichaam verzette zich toen ze haar benen over het metalen frame van de smalle slaapbank zwaaide en wankelend ging staan. Ze keek op haar polshorloge, halfzes ’s ochtends, de dag was nog niet begonnen. Ze knipperde met haar ogen toen de kleine kamer voor haar ogen draaide. Het licht van de straatlantaarn onder haar enige raam scheen in de roerloos grijze ochtendschemering.
Piep piep piep.
De hoge indringende piep kwam van het ronde tafeltje in de erker. Nee, van haar open laptop die daar stond.
‘Wat…’ Hope strompelde de paar meter naar het tafeltje en draaide de laptop naar zich toe. Het felle licht van het oplichtende scherm verblindde haar. De letters werden wazig. Ze wreef in haar slaperige ogen totdat ze de woorden kon lezen.
Faith belt. Beantwoorden. Afwijzen.
Faith? Op dit uur? Zat ze in de problemen? Was ze gewond? Wacht, waar was ze? Had ze Europa al verlaten? Misschien was ze valselijk beschuldigd van drugssmokkel. Of zou ze bestolen zijn? Waarom had ze Faith dan ook alleen op reis laten gaan? Hoe had ze zelf zes maanden naar New York kunnen gaan terwijl haar kleine zusje daar helemaal in haar eentje zat? Met trillende vingers drukte Hope op de entertoets om het telefoontje aan te nemen. Terwijl ze haar haren uit haar ogen streek en de wijde hals van het oude vaalwitte hemdje dat als nachtgoed diende hoger optrok, tuurde ze ongerust naar het scherm.
‘Faith?’ Hope slaakte een zucht. De paniek van de afgelopen paar seconden maakte plaats voor opluchting toen het lachende bruine gezicht van haar zus het scherm vulde. ‘Is alles goed?’
‘Het is fantastisch! O, heb ik je wakker gemaakt? Wacht, heb ik me in de tijd vergist? Ik dacht dat het nu avond was in New York.’
‘Nee, het is ochtend, we lopen achter, niet voor. Geeft niet,’ zei ze er snel achteraan toen het gezicht van haar zus betrok. ‘Ik ben blij iets van je te horen. Waar ben je?’
Drie maanden geleden was Faith aan boord gegaan van de Eurostar om aan een wereldreis te beginnen, en ondanks haar belofte om regelmatig te bellen, was het contact beperkt gebleven. Eerst zou ze kriskras met de trein door Europa reizen en daarna naar Australië vliegen. Maar in tegenstelling tot haar grote zus liet Faith zich liever door de wind meevoeren dan een zorgvuldig uitgedacht plan te volgen. Wat betekende dat ze overal kon zijn.
Hope was het vroege tijdstip alweer vergeten en lachte naar haar zus. Het was juist goed dat Faith weinig van zich liet horen, dacht ze. Ze was aan het ontdekken en plezier maken. Het laatste waar ze behoefte aan had, was haar overbezorgde grote zus bellen.
‘Ik ben in Praag.’ Faith ging iets opzij om haar de kamer en het uitzicht te laten zien.
Het leek op een zolderetage, met openslaande deuren naar een balkon. Daarachter zag ze vaag een schitterend uitzicht van een rivier en een kasteel. Wauw, jeugdhotels waren een stuk leuker dan ze dacht. ‘Je was toch zes weken geleden al in Praag aangekomen?’
Het plan was dat Faith maar een paar dagen in elke plaats zou blijven. Hope wist bijna zeker dat ze begin juli vanuit Praag een tekstbericht van haar zus had gekregen.
‘Klopt. Ik ben nooit weggegaan. O, Hope, het lijkt hier wel een sprookje. Je zou het prachtig vinden.’
‘Zeker weten.’ Niet dat ze ooit in Praag was geweest – of in Parijs of Barcelona of welke Europese hoofdstad ook buiten Londen. Hun ouders waren liefhebbers van Britse vakanties aan zee geweest, met regen en al. En na hun dood was er nauwelijks geld om op vakantie te gaan. ‘Waarom ben je daar gebleven? Ik dacht dat je zoveel mogelijk plaatsen wilde zien.’
‘Dat wilde ik inderdaad, maar… o, Hope. Ik heb iemand ontmoet. Hij is zo fantastisch en…’
Hope tuurde naar het scherm. Bloosde Faith nou? Haar ogen hadden tranen en haar gezicht straalde op een manier die niets te maken had met de kwaliteit van het hd-scherm van haar laptop.
‘Ik wil dat je blij voor me bent, oké? Ik ben zielsgelukkig, Hope, ik ga trouwen!’
‘Trouwen?’ Dat had ze vast niet goed verstaan. Haar zusje was nog maar negentien. Ze moest nog gaan studeren, jee, ze was nauwelijks aan haar reis begonnen! En daarbij, Faith kon haar eigen rekeningen nog niet eens betalen of iets ingewikkelders koken dan pasta met pesto – en die liet ze vaak nog aanbranden. Hoe kon zo’n kind gaan trouwen? Ze wist maar één vraag te verzinnen: ‘Met wie?’
Haar zus antwoordde niet maar keek achterom na een klap van een deur. ‘Hunter! Ik heb me vergist in de tijd. Het is nog vroeg in de ochtend in New York.’
‘Dat weet ik, lieverd. De zon is daar zelfs nog niet op. Heb je je zus wakker gemaakt?’
‘O, dat vindt ze niet erg. Kom even gedag zeggen. Hope, dit is Hunter, mijn verloofde,’ zei Faith trots. Liefdevol keek ze op naar de lange man die naast haar kwam staan.
Hope kreeg een brok in haar keel. Haar zus had al heel jong een normaal gezin moeten missen, geen wonder dat ze verlangde naar een eigen nestje. Ze had haar best gedaan, maar Hope wist heel goed dat ze maar een gebrekkige plaatsvervangster was geweest. Ze was toen jonger dan Faith nu. ‘Hoi Hunter.’
‘Hoi, wat leuk om je eindelijk te zien. Ik heb veel over je gehoord.’
Snel nam ze hem in zich op. Amerikaans, blond, blauwe ogen, verzorgd uiterlijk en een innemende lach. Jong. Ietsje ouder dan Faith, misschien begin twintig. Ze slikte de woorden in die haar op de lippen lagen – Trouwen? Jullie zijn nog kinderen! – en lachte geforceerd in de hoop dat haar boze gedachten niet van haar gezicht te lezen waren. ‘Hoe hebben jullie elkaar ontmoet?’
‘Hunter is kunstenaar,’ zei Faith trots. ‘Ik liep over de Karelsbrug waar hij portretten maakte en toen bood hij aan om me gratis te tekenen.’
‘Ik had nog nooit zo’n knap gezicht gezien,’ zei Hunter. ‘Hoe had ik er iets voor kunnen vragen, terwijl ik alleen maar naar je wilde kijken?’
‘Dus bood ik hem als bedankje een drankje aan, en zo is het begonnen.’ Faith keek dromerig uit haar donkere ogen en om haar mond lag een tedere glimlach. ‘Binnen het uur wist ik het. Sinds die tijd zijn we onafscheidelijk.’
Een straatartiest. De moed zonk Hope in de schoenen. Hoeveel talent hij ook had, het klonk niet erg hoopvol. En Faith had geen baan en wist nog totaal niet wat ze wilde als dit jaar voorbij was.
Opnieuw dwong ze zichzelf te lachen. Ze had negen jaar geleden gezworen alles te doen om Faith gelukkig te maken – en haar zusje had er nog nooit zo gelukkig uitgezien. ‘Wat romantisch. Ik popel om het portret te zien – en om Hunter persoonlijk te ontmoeten, natuurlijk.’
‘Dat kan! Over twee weken al. Want dan willen we trouwen! In New York, en…’ Faith keek haar smekend aan. ‘…ik hoopte dat je een paar dingetjes wilde regelen voor me.’
Hope verstarde. Ze wist wat ‘een paar dingetjes regelen’ betekende als het uit Faiths mond kwam. Het betekende alles regelen. Normaal gesproken zou ze dat met liefde doen. Alleen, dit was de eerste keer in negen jaar dat ze verlost was van haar verantwoordelijkheden. Deze maanden zou ze eindelijk gaan leven.
Toegegeven, ver was ze daarmee nog niet gekomen. O ja, tijdens haar eerste week hier had ze handenvol geld uitgegeven aan nieuwe hippe kleren en een leuke coupe in haar haren laten knippen. Toch voelde ze zich nog steeds dezelfde saaie Hope. Maar er waren nog drie maanden over van haar banenruil. Er was nog volop tijd voor spannende nieuwe dingen. Ze moest er alleen nog aan beginnen.
‘Dingetjes?’ vroeg ze voorzichtig.
‘Hunter en ik willen een kleine, intieme bruiloft in New York – met de naaste familie en een paar vrienden. Een paar dagen later geeft zijn moeder een receptie, en Hunter zegt dat ze dat groots gaat aanpakken, dus denk ik dat de trouwdag heel eenvoudig moet blijven. Alleen een ceremonie, etentje en misschien een klein feestje? Dat kun je toch wel, hè? Ik kom een paar dagen voor de bruiloft. Hunter is nog niet klaar met zijn cursus, en ik wil hem niet achterlaten. Bovendien ben jij veel beter in organiseren dan ik. Jij weet van alles iets bijzonders te maken.’
Hope voelde zich week worden na die laatste zin; ze had heel erg haar best gedaan om Faith een fijne jeugd te geven. ‘Faith, lieverd, ik wil dolgraag helpen, maar waarom zo snel? Waarom stel je het niet even uit om het zelf te organiseren? Ga eerst reizen, zoals je van plan was.’ Leer elkaar eerst beter kennen, voegde ze er in stilte aan toe.
‘Omdat we van elkaar houden en we zo snel mogelijk samen willen zijn. Ik ga op reis – maar dan met Hunter. Naar Australië en Bali en Nieuw Zeeland en Thailand. Het wordt de langste en meest romantische huwelijksreis die je je voor kunt stellen. Dank je wel, Hope, ik wist dat ik op je kon rekenen. Ik zal wat ideetjes naar je sturen, oké? Jurken, bloemen, kleuren, dat soort dingen. Mijn smaak ken je. Ik weet dat wat jij uitkiest perfect zal zijn.’
‘Oké, komt helemaal goed.’ Hope probeerde enthousiast te klinken, maar vanbinnen rees de paniek. Hoe moest ze in vredesnaam met een twaalfurige werkdag zoals het kantoor van haar verwachtte een bruiloft in twee weken organiseren? ‘Het punt is dat ik een baan heb, liefje. Ik heb niet veel tijd, en ik ken New York nog niet zo goed. Weet je wel zeker dat ik hier de aangewezen persoon voor ben?’ Ze kende de weg van haar appartement naar het kantoor, een leuke wandelroute door Central Park, ze had een goede boekwinkel ontdekt en wist waar je de lekkerste koffie kon krijgen. Allemaal niet zo nuttig waarschijnlijk in deze situatie.
Faith leek de subtiele hint van haar zus niet op te merken en babbelde enthousiast verder. ‘Er is geen budget, Hope, je mag doen wat jou het leukst lijkt. Geen zorgen om geld.’
Hope slikte. ‘Geen budget?’ Hoewel ze nooit echt armoede hadden gekend, hadden ze het jarenlang niet breed gehad. Hun ouders waren goed verzekerd geweest, waardoor de hypotheek op hun Victoriaanse rijtjeshuis in Noord-Londen na hun dood was afbetaald. Maar ze hadden rond moeten komen van haar loon – en op haar achttiende met weinig werkervaring was dat loon behoorlijk karig geweest.
‘Faith, ik weet dat je nog geld hebt van papa en mama, maar ik denk niet dat het voldoende is voor een dure bruiloft.’ Verwachtte Faith dat zij zou bijdragen? Ze wilde met liefde de trouwjurk voor haar zus betalen, maar van de woorden geen budget kreeg ze rillingen over haar rug.
‘O, Faith hoeft niet aan haar geld te komen – ik zorg voor alles,’ zei Hunter, die weer achter Faith verscheen. ‘Ik heb een creditcard naar je toegestuurd, voor alle kosten en aanbetalingen en zo.’
Hopes ogen werden groot bij zijn achteloos uitgesproken woorden. ‘Een creditcard naar me toegestuurd?’ herhaalde Hope, niet in staat om het te bevatten. ‘Maar…’
‘We willen alleen het beste,’ ging Hunter verder alsof ze niks had gezegd. ‘Als iemand moeilijk doet, noem je mijn naam – of die van mijn moeder, Misty Carlyle. Dan draaien ze wel bij.’
‘Jouw naam noemen, oké.’ Ze leek alleen maar te kunnen herhalen, maar de hele situatie werd dan ook steeds gekker. Hoe kon een straatartiest in Praag zonder een spier te vertrekken een creditcard voor een dure bruiloft sturen? Met wie trouwde Faith eigenlijk? Een Kennedy?
‘Je kunt het beste contact opnemen met mijn stiefbroer Gael. Gael O’Connor. Hij woont een paar straten bij jou vandaan en kent iedereen. Ik zal je zijn adres en telefoonnummer mailen.’ Hij straalde alsof alles al was geregeld.
Wat Faith en hem betreft vermoedelijk wel. Zij konden op hun zolderetage met schitterend uitzicht op een middeleeuws kasteel heerlijk doorgaan met verliefd zijn, terwijl Hope de hitte in New York moest trotseren om voor hen een bruiloft te organiseren.
Maar ze had het ervoor over. Ze zou het perfect voor haar zus maken, mede dankzij Hunters verrassende gulheid. Zodra het een respectabel uur was, zou ze naar Mr. Gael O’Connor gaan en zijn hulp vragen. Hem dwingen desnoods. Het maakte haar niet uit welke van de twee, zolang Faith maar haar sprookjesbruiloft kreeg.
Gael O’Connor keek op zijn horloge en probeerde niet te zuchten. De vorige keer dat hij had gekeken had zuchten niet geholpen, en ijsberen of vloeken ook niet. Maar als je een professional inhuurde, verwachtte je professioneel gedrag en niet dat iemand dik twintig minuten te laat kwam.
Hij draaide zich om naar het raam dat even breed was als zijn studio. Meestal maakte het uitzicht over Manhattan hem rustig of kreeg hij er inspiratie van, afhankelijk van zijn behoefte. Het herinnerde hem eraan dat hij dit huis had verdiend, dat hij ertoe deed. Maar vandaag maakte het hem bewust van het enorme risico dat hij nam met zijn carrière en zijn reputatie.
Vijfentwintig minuten te laat. Hij wilde geen seconde langer verkwisten. Hij draaide zich om naar de rode fluwelen chaise longue, die hij zorgvuldig in het midden van de kamer had neergezet, en keek hoe het ochtendlicht erop viel. Het was het enige meubelstuk in de grote studio, zijn bed stond in de opkamer, de keuken en badkamer bevonden zich achter een onopvallende deur.
Maar er was niets om zich op te concentreren, alleen de wegtikkende seconden.
Gael begon weer te ijsberen. Nog vijf minuten zou hij haar geven, als ze er dan nog niet was, zou hij er persoonlijk voor zorgen dat ze nooit meer werk kreeg in deze stad. Wacht. Was dat de zoemer? Nog nooit had die zo mooi geklonken. Snel liep hij door de kamer. ‘Ja?’
‘Er is hier een jonge vrouw voor u, meneer. Haar naam…’
‘Stuur haar naar boven.’ Eindelijk. Gael liep terug naar het raam en zoog het uitzicht in: de wolkenkrabbers die het silhouet van de stad bepaalden, de vertrouwde statige huizen in Upper East Side aan de overkant van zijn bomenlaan. Hij wipte van zijn ene op zijn andere voet. Hij wilde deze rusteloze energie gebruiken, niet verspillen aan frustratie.
Het geluid van de lift waarschuwde hem dat zijn bezoekster er dadelijk zou zijn. Er was geen hal, niet als je het penthouse had, de lift opende in de studio.
En hij had het penthouse. Het was geen familie-erfgoed, hij had het van zijn eigen verdiende centen gekocht. Geen van zijn vrienden begreep de vrijheid die hem dat gaf.
De deuren schoven open, daarna tikten er hakken aarzelend op de houten vloer. ‘Eh… hallo?’
Engels. Dat had hij niet verwacht. Niet dat het hem iets uitmaakte; hij had geen interesse in een gesprek met haar.
‘Je bent laat.’ Gael nam niet de moeite zich om te draaien. Gewoonlijk begroette hij de vrouwen en stelde hij ze op hun gemak voor ze begonnen, maar vandaag had hij daar geen geduld voor. ‘Er ligt een badjas op de chaise longue. Je kunt je in de badkamer uitkleden.’
‘Pardon?’
‘De badkamer.’ Hij gaf een knikje naar de andere kant van de studio. ‘Er hangt een hanger voor je kleren. De badjas kun je als je wilt aanhouden totdat ik je in de juiste positie heb gelegd.’ Sommigen wilden dat, anderen hadden er geen moeite mee om naakt naar de chaise longue te lopen. Het maakte hem niets uit.
‘Mijn kleren? U wilt dat ik ze uittrek?’
‘Ja. Daarvoor ben je hier, toch?’ Tegelijk met haar gechoqueerde reactie draaide hij zich om.
‘Nee! Natuurlijk niet. Waarom denkt u dat?’
Wie was zij nou weer? Donkere haren en ogen, klein en een boos, verbijsterd gezicht. Ze was best aardig om te zien, knap zelfs – als je van het type hield met grote donkere ogen in een wit gezichtje. Maar hij wilde een vurige roodharige met een zelfbewuste glimlach, en wie of wat dit meisje ook was, maar dat beslist niet.
‘Omdat ik iemand verwachtte die dat zou doen.’ zei Gael droog. ‘Maar jij bent niet degene die ik heb besteld. Om te beginnen ben je te klein, hoewel je een interessante mond hebt.’
‘Besteld?’ Haar wangen kleurden terwijl ze steeds bozer werd. ‘Het spijt me dat ik niet uw callgirl ben, maar ik denk dat u beter eerst kunt checken voor u wildvreemden vraagt zich uit te kleden.’
‘Ik ben niet onuitgenodigd langs de portier geglipt. Wie ben je? Heeft Sonia je gestuurd?’
‘Sonia? Ik ken geen Sonia. Hier is duidelijk sprake van een misverstand. U bent toch Gael O’Connor?’ Ze deed behoedzaam een stap naar achteren alsof hij haar ieder moment kon aanvallen.
Hij negeerde haar vraag. ‘Als jij Sonia niet kent, waarom ben je dan hier?’
Ze haalde diep adem. ‘Mijn zus gaat trouwen en…’
‘Fijn. Gefeliciteerd. Luister, ik doe geen bruiloften. Het maakt me niet uit hoeveel je biedt. Nou, ik heb het erg druk, dus als je me wilt excuseren. Ik moet bellen. Je weet vast wel de weg terug te vinden. Je leek ook geen problemen te hebben om naar boven te komen.’
De donkerharige vrouw staarde hem ongelovig aan. Hij negeerde zijn ongewenste bezoekster, haalde zijn telefoon uit zijn broekzak en begon door zijn eindeloze stroom e-mails en tekstberichten te scrollen. Hij perste zijn lippen op elkaar. Niets van het bureau. Geïrriteerd vond hij het telefoonnummer en belde. Hopelijk hadden ze een goed excuus.
Twee, drie keer ging de telefoon over. Ongeduldig tikte hij met zijn voet op de grond, toen hoorde hij op zangerige toon: ‘Unique Models, waarmee kan ik u helpen?’
‘Met Gael O’Connor. Het is nu…’ Hij keek op zijn digitale klok tegen de strak grijze muur. ‘…negen uur ’s ochtends en het model dat ik heb geboekt voor halfnegen is nog niet verschenen.’
‘Gael, goed dat ik je spreek. Het spijt me heel erg, ik had je willen bellen, maar ik had er letterlijk de tijd niet voor. Het is waanzinnig, je zult het niet geloven.’
‘Probeer het maar.’
‘Sonia werd gisteren gevraagd voor een internationale reclamecampagne. Ze moest op het laatste moment voor iemand invallen, dus ze heeft meteen haar koffers gepakt en ik heb haar persoonlijk naar het vliegveld gebracht. Het is een groot parfummerk, een enorme kans. Vooral voor een model met…’ De modelmanager dempte haar stem. ‘…een maatje groter. Dus uw boeking moeten we verzetten. Het spijt me heel erg. Of kan ik iemand anders sturen? We hebben een aantal prachtige roodharigen als u wilt, of was u op zoek naar het vollere figuur?’
Gael slaagde er met enige moeite in om niet te vloeken. Iemand anders sturen? Hij haalde zich Sonia voor de geest: de uitdagende blik in haar groene kattenogen, precies de juiste mate van zelfbewuste koketterie die hij nodig had voor het meesterwerk van zijn eerste solotentoonstelling. ‘Nee. Ik kan haar niet simpelweg vervangen, en de datum kan ook niet verzet. Ik heb er nu tijd voor vrijgemaakt.’ De tentoonstelling was al over vijf weken.
‘Sonia komt over een paar dagen terug. Ik kan niet meer doen dan mijn verontschuldigingen aanbieden en…’
Hij liet haar niet uitspreken en verbrak de verbinding. Sonia was onbruikbaar geworden. In tegenstelling tot zijn foto’s kon Gael voor zijn schilderijen geen bekend gezicht gebruiken. Het ging juist om hun anonimiteit. Hij had zich al veel te lang beziggehouden met de glamourwereld. Nu was hij op zoek naar puurheid.
Hij balde zijn hand tot een vuist. Het belangrijkste werk voor zijn allereerste tentoonstelling moest nog geschilderd worden, maar hij had geen model. Hij dacht aan alle meisjes die hij kende, maar er schoot hem niemand te binnen die geschikt was. De meesten waren mager, perfect voor fotografie, volstrekt nutteloos hiervoor.
Wat nu?
‘Mr. O’Connor.’
Gefrustreerd keek Gael op. ‘Ik dacht dat je weg was,’ zei hij bars tegen zijn ongenode gaste. Ze stond krampachtig naast de lift, er iets naar toegebogen alsof ze het liefst weg wilde vluchten – hoewel niemand haar tegenhield, integendeel. Gael bekeek haar met een keurende blik. Eerder had hij alleen gezien dat ze niet het model was dat hij verwachtte. Ze was veel kleiner, tenger zonder opvallende rondingen, ijs in vergelijking met Sonia’s vuur. Ze droeg haar fleurige kleren als een kostuum, haar donkere haren lagen netjes gekamd rondom haar schouders en haar grote, donkere ogen hadden een behoedzaamheid die er voor altijd in leek te staan.
Ze deed een stap naar achteren. ‘Hallo?’
‘Dit is mijn studio…’ zei hij lijzig. Nou werd het beter; haar verontwaardiging bracht wat meer kleur op haar wangen en maakte haar lippen roder.
‘Ik ben geen schilderij waar u op die manier naar kunt kijken. Alsof… alsof…’ stamelde ze.
Hij wist precies wat ze wilde zeggen en maakte haar zin af. ‘Alsof je naakt bent.’
Hij had de lont aangestoken en ze stelde niet teleur; haar ogen schoten vuur, haar wangen waren nu donkerrood. Het zou met haar een ander meesterwerk worden dan hij van plan was, maar hij kon wel iets met die ogen en de onschuldige sensualiteit, de volle mond.
Hij knikte naar haar. ‘Kom, ik wil je iets laten zien.’
Hij wachtte niet totdat ze zou volgen, maar liep naar de andere kant van zijn studio en draaide de vier doeken om die tegen de muur stonden. In totaal zouden er twintig werken komen. Tien waren er al ingelijst en opgeslagen in de galerie, nog eens vijf lagen bij de lijstenmaker. Deze vier, zijn nieuwste werken, stonden klaar om ingelijst te worden.
Achter zijn rug hoorde hij haar scherp inademen. Hij deed een stap naar achteren om naast haar te gaan staan en probeerde de schilderijen door haar ogen te zien, al kende hij elke penseelstreek uit zijn hoofd.
‘Waarom liggen alle vrouwen in dezelfde houding?’
Gael draaide zijn hoofd naar de rode chaise longue in het midden van de studio. Hij wist dat haar ogen zijn blik volgden en dat ook zij in gedachten alle vrouwen daar kon zien liggen, met hun haar opgestoken en alleen sieraden om, hun blik uitdagend, zich bewust van hun eigen sensuele kracht.
‘Ken je Olympia?’
Er verscheen een rimpel in haar voorhoofd. ‘Het huis van de Griekse goden?’
‘Nee, het is een schilderij van Manet.’
Ze schudde haar hoofd. ‘Ik geloof het niet.’
‘In die tijd werd het heftig veroordeeld. Het model poseerde naakt, in dezelfde houding als deze vrouwen,’ zei hij, wijzend naar zijn naakten: roze, roomkleurig, koffiebruin, zwartbruin. ‘Het was niet haar naaktheid die het negentiende eeuwse Frankrijk schokte, het was haar seksualiteit. Ze was geen godin, ze stelde een prostituee voor. Naakten waren in die tijd zinnebeeldig, geen sensuele personen van vlees en bloed. Met Olympia veranderde dat. Ik moet nog één schilderij maken voor mijn tentoonstelling voor over een maand.’ Zijn mond beefde bij de gedachte. ‘Maar zoals je vast begrepen hebt, is mijn model niet komen opdagen, en ik heb geen tijd meer. Ik wil dat jij voor me poseert. Doe je dat?’
Haar ogen waren enorm, de verbazing straalde ervan af. Maar, zag hij ongemakkelijk, met een verborgen angst erin.
‘Ik? Je wilt dat ik poseer? Voor jou? Op die bank? Zonder kleren? Nooit!’