Hoofdstuk 13
Maddison kreeg klamme handen en ze hield het stuur zo stevig vast dat het in haar handpalmen sneed. Voor haar lag de brug die Cape Cod van het vasteland scheidde.
De brug die haar thuis zou brengen.
Acht jaar geleden had ze het in de achteruitkijkspiegel vaarwel gezegd. Ze had gezworen dat ze nooit terug zou keren. Tot vandaag had ze zich daaraan gehouden.
Maar het was tijd om haar demonen onder ogen te komen, daarna kon ze misschien verder met haar leven. Misschien verdiende ze dan ook eindelijk wat geluk. Haar maag protesteerde en ze haalde een diepe teug adem om de paniek te bedwingen. Zou ze geluk kunnen vinden zonder Kit?
Nee. Dit ging niet om Kit. Dit ging om haar, Maddison, ze moest er eindelijk achter komen wie ze was en waar ze vandaan kwam. Ze moest verder. Ze moest leren om gelukkig te zijn. Als ze nou maar…
De brug scheerde over de smalle strook water die Cape Cod van het vasteland scheidde. Vastberaden hield Maddison haar snelheid constant, over de brug en op de snelweg, die helemaal doorliep naar Provincetown. Ze draaide haar raampje open en rook direct de bekende geur van zout en brem. Ondanks alles ademde ze diep in, ze liet de bekende lucht haar longen vullen. Ondanks alles fluisterde die haar toe dat ze thuis was.
Haar afslag was na vijftig kilometer, waar het land smaller werd. Instinctief nam ze de afslag die haar naar het stadje Bayside bracht.
Bayside was vroeg in de zomer op z’n mooist, als alles klaar was voor de zomergasten die het inwonertal verviervoudigden. De pas geschilderde winkels glommen in de ochtendzon.
Toch waren er ook veranderingen; er waren verschillende fietsenwinkels bij gekomen, met fietshelmen, aanhangers, tandems en een uitgebreid assortiment fietsen. Maddison herinnerde zich hoe ze gepest was omdat ze met haar roestige fiets rondreed, in plaats van in een auto zoals haar klasgenoten.
Er waren nog meer nieuwe winkels, zag ze; nieuwe delicatessenwinkels, koffietentjes, organische cafés en bakkers, die niet misstaan zouden hebben in de Upper East Side of Stoke Newington. In haar jeugd waren er alleen ijsverkopers en hamburgertenten geweest.
Bayside was altijd een verdeeld stadje geweest. Bewoners versus bezoekers. Eigenaren van zomerhuizen versus vakantiegangers die twee weken bleven. En helemaal onderaan bevonden zich de arme mensen, die hier en daar in woonwagens of kleine hutjes woonden, op kaalgeslagen stukjes land die niemand wilde hebben. Dat was Maddisons wereld geweest.
Ze reed het stadje uit en passeerde de smalle, stoffige weg die leidde naar Bill’s Bar, een ruige kroeg waar alleen de lokale bevolking kwam – haar moeders tweede huis. Als ze die weg nam, naar de kroeg, zou ze dan haar moeder aan de bar zien hangen met een biertje voor haar neus? Ze reed snel door naar de Bayside Inn, waar ze een kamer had gereserveerd. Ooit had ze daar om werk gevraagd, maar ze hadden haar weggestuurd.
Twee uur later, na een douche en een kop sterke koffie, zat Maddison weer in de auto. Ze reed verder op de weg langs de kust. Het stadje lag aan een natuurlijke baai met beschutte stranden; het water was warm en veilig, bij laag water kon je einden lopen. Aan de prachtige zandstranden aan de andere kant van de stad plonsden de zwemmers direct in het ijskoude water van de oceaan, waarin je soms zeehonden zag zwemmen. En als je zeehonden zag, waren de witte haaien niet ver.
Vastgoed was aan beide kanten onbetaalbaar en Maddison reed langs elektronische hekken die de toegang bewaakten tot de kasten van huizen erachter.
Maddison stopte bij de inrit van een van de oudste huizen: een bescheiden huis van twee verdiepingen, met witte dakspanen. Op een andere plek zou dit huis met vijf slaapkamers, een prachtige veranda rondom en een zwembad en uitzicht over het strand vanuit alle kamers behoorlijk indrukwekkend zijn, maar het had geen helipad of gastenverblijf, zoals zijn buren. Aan een kant stond een dubbele garage, en Maddison keek naar het appartement erboven, het gevoel van thuiskomen werd nog sterker. Dit was de eerste plek waar ze zich ooit veilig had gevoeld.
Ze belde aan en wachtte, haar handen afvegend aan haar rok. Geen reactie. Maddison keek om zich heen, de moed zonk haar in de schoenen. Waarom had ze ook niet eerst gebeld? Misschien was het huis wel verkocht, of was er niemand thuis. Deze onbezonnen reis was zinloos, pure tijdverspilling uit nostalgie. Ze wilde net weggaan, toen ze een sleutel hoorde omdraaien. Tot haar opluchting ging de deur open en zag ze een vertrouwd gezicht. Mrs. Stanmeyer. Wat ouder, maar nog steeds onberispelijk gekapt, elegant, gekleed in een linnen broek en witzijden bloes.
‘Waarmee kan ik u…’ Haar stem stierf weg. ‘Maddison? Maddison Carter? Ach, lieve schat.’
Op het gezicht van Mrs. Stanmeyer verscheen een hartelijke glimlach en ze stapte met open armen naar voren, om Maddison te omhelzen.
De zware last die sinds haar achttiende op haar drukte en die ondraaglijk had geleken sinds ze Schotland had verlaten, voelde iets lichter. Draaglijk.
‘Maddison, ach lieverd, kom binnen. Wat ben ik blij om je te zien.’
Maddison werd meegetroond, de ruime hal in. Opgelucht constateerde ze dat er niet veel veranderd was aan de inrichting in diverse tinten crème en blauw. Praktisch voor een huis waar kinderen vanaf het strand binnen kwamen rennen, en waar het grootste deel van de tijd buiten werd doorgebracht. Mrs. Stanmeyer nam haar mee naar het terras, waar drie uitnodigende houten bankjes stonden.
‘Wat fijn dat je er bent,’ zei Mrs. Stanmeyer toen ze zaten. Op de tafel voor hen stond een kan ijswater met citroen. ‘Ik heb me vaak afgevraagd hoe het met je ging.’
Voor het eerst in acht jaar voelde Maddison zich schuldig. Hoe had ze zich zo volkomen voor iedereen kunnen afsluiten, terwijl sommigen haar altijd gesteund hadden?
‘Dit is de eerste keer dat ik terug ben,’ gaf ze toe, haar ogen gericht op de duinen en een glimp van de blauwe zee erachter. ‘Het spijt me dat ik u niet heb gebeld of gemaild. Dat had ik moeten doen. Ik wilde alles achter me laten en opnieuw beginnen.’
‘En is dat gelukt?’
‘Ik dacht dat het perfect ging, dat ik mezelf opnieuw had uitgevonden, dat niets me kon raken.’ Ze trok een gezicht. ‘Maar ik bleef op mezelf neerkijken, ik vond dat ik niets waard was. Daarom heb ik misschien de laatste jaren de verkeerde dingen nagejaagd.’ Ze slikte eens flink, de brok in haar keel maakte het lastig om te praten. ‘En nu is het te laat. Ik ben bang dat het te laat is.’ Ze legde een hand over haar bevende mond.
‘Kindje toch, het is nooit te laat. Dat meisje van vroeger, dat op haar veertiende al drie baantjes had? Het meisje dat zichzelf onderhield toen ze zestien was en toch als beste van haar klas slaagde? Zij wist dat.’
Daar keek Maddison van op. Was dat hoe Mrs. Stanmeyer haar zag? Geen sneu geval, maar een doordouwer? ‘Ik heb mezelf onderhouden en ben geslaagd dankzij u. Als u me geen baantje had gegeven, en een kamer, en niet had gezorgd voor een studiebeurs voor Martha George, weet ik niet wat er van mij geworden was.’
De oudere vrouw legde een hand op Maddisons arm. ‘Ik heb niets gedaan. Ik voelde me schuldig dat ik niet meer kon doen. Een meisje van jouw leeftijd, de hele winter hier alleen, mijn huis schoonhouden. Maar je was zo vastberaden en zo trots, ik wist dat je geen liefdadigheid zou aannemen. En wat die beurs betreft, ik heb alleen een aanbeveling voor je geschreven. De rest heb je zelf gedaan.’
Voor het eerst voelde ze iets van trots gloeien. Ze hád hard gewerkt, hard gespaard, hard gestudeerd. Ze wilde zich niet laten tegenhouden door haar afkomst. Maar zonder Mrs. Stanmeyer zou het veel lastiger zijn geweest.
‘Ik vroeg me af…’ Maddison zocht naar de juiste woorden. ‘Ik vroeg me af waarom u me hielp, of het misschien… of ik misschien…’ Ze staarde door de openstaande deuren naar een groot dressoir, waar de familiefoto’s uitgestald stonden. Die had ze vaak genoeg afgestoft, zoekend naar een gelijkenis tussen haarzelf en de twee blonde, elegante dochters en de knappe zoon. Er stonden nu nog meer foto’s, van baby’s en kleine kinderen die in het zand speelden. ‘Hebt u me geholpen omdat uw zoon… Is hij mijn vader?’
De glimlach verdween van Mrs. Stanmeyers gezicht. ‘Ach, lieverd. Als je mijn kleindochter was, had ik wel meer voor je gedaan dan een baantje en een dak boven je hoofd. Ik denk niet dat Frank je moeder kende. Hij was niet hier in de zomer dat je bent verwekt.’
Tegenstrijdige emoties overspoelden haar, teleurstelling omdat ze nooit deel zou uitmaken van deze familie, gemengd met opluchting dat ze niet uit schuldgevoel weggestopt was in het bediendenkamertje. ‘Weet u wie het was? Wie mijn vader is?’
Mrs. Stanmeyer schudde haar hoofd. ‘Nee, maar ik kende je moeder. Je lijkt op haar, hetzelfde haar, dezelfde ogen, dezelfde ambities. Ik kende je oma al heel lang, maar ik leerde Tanya kennen in de zomer voordat jij geboren werd. Ze hoopte ook op een beurs voor Martha George, en ik zat al in de toelatingscommissie.’
Haar moeder had ook naar de kunstacademie gewild? Ze had haar nog nooit zien lezen, laat staan studeren. Zeker niet nadat haar oma overleden was.
‘Mijn moeder?’ Haar stem sloeg over en ze viel stil. Het zou haar niets moeten schelen.
Mrs. Stanmeyer knikte. ‘Het was een schandaal toen ze zwanger was van jou. Iedereen zei dat het zonde was. Sommigen beschouwden het als een straf. Ze was altijd zo’n vrije geest, dacht dat ze alles kon. Ze zei dat het haar niet kon schelen wat de mensen zeiden, dat ze jou zou opvoeden en ’s avonds zou studeren. Ze was erg onafhankelijk, net als jij. Ze verliet het huis van je oma en ging in een woonwagen wonen toen je nog een baby was, ze wilde je oma niet om hulp vragen. Ze hadden vaak onenigheid.’
‘Klopt, maar ze hielden ook van elkaar,’ gaf Maddison toe. ‘Ze was verdrietig toen oma overleed.’ Ze nam een slok ijskoud water en probeerde haar moeder voor zich te zien als een ambitieuze tienermoeder. ‘Wat ging er mis? De vrouw die ik ken, had geen ambities. Ze was alleen op zoek naar haar volgende biertje, haar volgende vriendje.’
Mrs. Stanmeyer schudde haar hoofd. ‘Ik wilde dat ik het wist. Ik zag haar soms toen je baby en kleuter was, en het leek goed te gaan. Ik was al sinds onze schooltijd bevriend met je oma, en ik heb me het lot van je moeder altijd aangetrokken. Het viel niet mee om genoeg geld te verdienen, haar studie bij te houden en jou op te voeden, maar ze was altijd optimistisch. Ze had het zwaar met de ziekte van je oma, maar ik was druk met de opvoeding van mijn eigen dochters en heb haar, of jou, een paar jaar niet gezien. Ik hoorde natuurlijk weleens wat, maar deed dat af als roddels. Toen ik haar weer zag, leek er iets in haar gebroken. Het leek alsof ze het had opgegeven. Ik probeerde te helpen, maar ze duwde me steeds weer weg.’
Maddisons ogen brandden en de druk op haar borst was bijna ondraaglijk. Ze had zo lang alleen maar boosheid gevoeld als ze aan haar moeder dacht, maar ze zag nu een ploeterende jonge vrouw voor zich die kapot dreigde te gaan. Nu ze zelf een sombere toekomst voor zich zag, zonder Kit, begreep ze haar moeder iets beter.
Misschien was die somberheid op haar gezicht te lezen, want Mrs. Stanmeyers stem klonk heel behoedzaam. ‘Wat heeft je thuisgebracht, na al die tijd?’
Ze knipperde verwoed om de brandende tranen tegen te houden, die ze al had ingehouden sinds ze uit Kilcanon was weggereden. ‘Ik dacht dat ik alles netjes gepland had, maar ik ben verdwaald. En ik weet niet hoe ik de weg weer moet vinden.’
‘Heb je plannen voor vandaag, lieverd?’ Mrs. Stanmeyer, of Lydia, zoals Maddison haar nu moest noemen, zette een bord pannenkoeken met bacon en ahornsiroop voor haar neer. ‘Hier, je bent veel te mager.’
De afgelopen vierentwintig uur waren verlopen als een soort lievelingsdroom. Mrs. Stanmeyer had erop gestaan dat ze haar hotelkamer annuleerde en bij haar logeerde. Ze sliep in de witgepleisterde hoekkamer met uitzicht over zee. Toen Maddison hier als hulp in de huishouding woonde, had ze zich altijd ingebeeld dat dit haar kamer was. Het was niet het grootste of het mooiste, maar het uitzicht was fantastisch en het schuine plafond gaf het iets ouderwets.
‘Dank u.’ Maddison pakte haar vork en begon te eten. Misschien was het de zeelucht, maar de afgelopen nacht had ze beter geslapen dan in jaren. Ze was wakker geworden met een flinke trek. ‘Dit ziet er heerlijk uit, maar u had niet zoveel moeite moeten doen.’ Maar ja, nu het voor haar stond… Maddison genoot van haar ontbijt. ‘Ik moet even naar kantoor bellen om officieel vrije dagen op te nemen. Ik ben gewoon weggegaan…’
Had ze nog wel een baan? Ze was tenslotte zonder verlof afwezig; en voor een denkbeeldige familiecrisis kreeg ze waarschijnlijk geen zorgverlof. Ze was zomaar weggelopen. Zou ze straks nog wel een werkplek hebben in New York? Ondanks de zon op haar schouders rilde Maddison even. Ze had alles vergooid toen ze er zo onbezonnen vandoor was gegaan.
De bel ging en Maddison schoof automatisch haar stoel naar achteren. ‘Blijf zitten, meisje.’ Lydia duwde haar terug en liep de hal in.
Maddison schoof nog wat eten op haar vork, maar stak het nog niet in haar mond. Ze zou hier doen wat ze moest doen, en dan? Haar werksituatie uitzoeken. Contact opnemen met Kit.
Had ze Kit moeten verlaten zonder te zeggen wat ze voor hem voelde?
Maar hoe had ze het hem kunnen vertellen, als ze het zichzelf amper durfde te bekennen?
‘Maddison!’ Ze keek op toen Lydia riep. Haar stem klonk een beetje vreemd. ‘Er is iemand voor jou.’
Voor haar? Wie kwam hier nu voor haar? Haar maag kromp ineen, het zou toch niet haar moeder…
Maddison stond op, zocht even steun aan de tafel en liep langzaam de hal in. Ze knipperde met haar ogen om een helder beeld te krijgen van de lange, wat verkreukelde man die daar stond. ‘Kit?’ Ze wist niet of ze het hardop gezegd had. ‘Wat doe jij hier? Je ziet er moe uit,’ voegde ze eraan toe toen het beeld opklaarde. Zijn huid was grauw, zijn ogen bloeddoorlopen en zijn kin door extra stoppels donkerder dan normaal.
‘Ik heb de hele nacht gevlogen. Ik ben gistermiddag uit London vertrokken, moest een paar uur wachten in Toronto en ben…’ Hij keek even op zijn horloge. ‘…drie uur geleden geland in Boston.’
Hij zei het alsof het volkomen normaal was dat hij hier kwam opduiken. Ze knipperde. ‘Maar waarom?’
‘Als ik jou was, zou ik die arme meneer Buchanan meenemen naar de keuken en hem koffie en pannenkoeken geven, voordat je hem verder ondervraagt. Ik ben de rest van de dag weg, dus jullie hebben het huis voor jezelf. Er liggen badpakken en handdoeken in de droogkamer, als jullie naar het strand willen. Pak wat je nodig hebt.’
Voordat Maddison iets kon zeggen, was Lydia weg, hen samen achterlatend. Ze bleef naar Kit staan staren. Ze wilde hem aanraken, om te zien of hij wel echt was, maar ze durfde toch niet.
‘Zei iemand koffie?’ vroeg Kit hoopvol. ‘Ik heb in Boston wel een paar liter gedronken, voordat ik de huurauto ging ophalen, maar ergens bij Plymouth was het uitgewerkt.’
‘Koffie? Ja, kom binnen.’ Het móést wel een droom zijn, besloot Maddison toen ze hem voorging naar de keuken. Maar ze ging er wel in mee, het was in ieder geval de prettigste droom die ze ooit had gehad.
Er waren nog warme pannenkoeken en bacon en ze schepte een bord voor hem vol. Ze gaf hem het bord en een grote mok koffie.
Hij inhaleerde de koffie zo ongeveer en schrokte de helft van de pannenkoeken achter elkaar naar binnen. Toen leunde hij tevreden achterover. ‘Het smaakt me prima. Ik kon geen businessclass meer boeken, dus ik had geen beenruimte, en plastic voer. Voor deze pannenkoeken zou ik naar Australië vliegen.’
‘Maar je bent hier niet gekomen voor pannenkoeken.’ Maddison schoof haar bord weg, haar eetlust was verdwenen.
‘Nee.’
‘Hoe heb je me gevonden?’
‘Maar goed dat ik gek ben op speurtochten, je hebt niet veel sporen achtergelaten.’ Hij schonk nog een grote mok koffie in. ‘Ik had eigenlijk niet verwacht je hier te vinden. Dit adres was mijn eerste en enige aanwijzing.’
Maddison zocht naar woorden die het goed zouden maken. Zodat ze deze man, die de halve wereld overgevlogen was om haar te vinden met niets meer dan een oud adres, waard was. Maar ze had geen woorden.
‘Waarom?’
‘Ik wilde zeker weten dat je in orde was.’
Ze keek hem ongelovig aan. ‘Je wilde zeker weten dat ik in orde was? Dus je bent via Toronto naar Boston gevlogen en toen hierheen gereden om te kijken hoe het met me is?’
‘Daar komt het wel op neer,’ beaamde hij. ‘Ik maakte me zorgen. Ik heb het in Schotland niet goed aangepakt.’ Zijn ogen glansden warm en ze zag nog iets, iets dat ze niet eerder had gezien. Toch herkende ze het meteen.
Maddison voelde zich plotseling verlegen. Ze wist niet of ze klaar was voor wat hij kwam zeggen, nog niet. Niet voordat ze had gedaan waarvoor ze hier was gekomen. ‘Hoe moe ben je?’
‘Weet ik niet. Ik heb zoveel cafeïne op dat ik wel een marathon zou kunnen rennen, maar aan de andere kant heb ik het gevoel dat ik honderd jaar zou kunnen slapen. Hoezo?’
‘Ik vroeg me af of je mee wilt gaan op een speurtocht. Met mij.’
Een trage, lieve glimlach wiste de vermoeidheid van Kits gezicht. Haar hart maakte een sprongetje toen ze zijn ogen weer zag schitteren. ‘Een speurtocht? Wat kan ik winnen?’
Ze wilde ‘mij’ zeggen, maar hoe kon ze denken dat hij haar wilde hebben, dat hij haar beschouwde als een soort beloning? Hij was hier dan wel naartoe gevlogen, maar hij had haar niet aangeraakt, had niets gezegd over liefde. Misschien was het uit wrok of boosheid dat hij haar had gezocht.
‘Weet ik niet zeker,’ zei ze daarom. ‘Maar daar komen we vanzelf achter.’