Hoofdstuk 9

 

 

 

De morgen na de afgelopen nacht. Normaal was het geen probleem. Hij maakte altijd van tevoren duidelijk hoe het zat – geen verplichtingen, geen emotionele band, geen verwachtingen. Gewoon twee mensen die samen zijn en genieten van het moment. En als de ander dan toch meer wilde, had hij een zuiver geweten. Hij was niet degene die van gedachten was veranderd.

Maar deze keer waren er geen regels afgesproken. Geen helderheid. Een overweldigend verlangen had alle verstandige gedachten verdrongen. Hij had haar daar op die heuvel kunnen nemen, zonder zich om de modder of andere wandelaars te bekommeren. Gelukkig had hij dat kunnen voorkomen.

Maar hij had het niet helemaal kunnen tegenhouden.

Kit greep het stuur zo stevig vast dat zijn knokkels helemaal wit werden. Verlangen betekende zwakte, een band. Daar deed hij niet aan. Hij ging alleen om met vrouwen voor wie hij nooit zou vallen. Dat was de regel.

Maddison Carter overtrad alle regels.

Maar zij was ook niet op zoek naar iets serieus. Maddison was op zoek naar haar perfecte huwelijk met de perfecte man die haar het perfecte gezin zou geven. En hij was bepaald niet perfect.

Dit was vast ook voor haar niet meer dan een tussenfase. Zij maakte er net zomin iets meer van dan hij.

En dat maakte haar in allerlei opzichten de perfecte vrouw.

Hoewel het niet echt een goed idee was om haar na een passievolle nacht mee te nemen naar zijn familie. Zelfs de nuchterste vrouw van de wereld zou daar nog van in de war raken.

En zij niet alleen.

Kit richtte zijn aandacht weer op de weg. De meeste mensen gingen vanaf Loch Lomond naar het noorden via Fort William, naar de Schotse Hooglanden. Maar voor Kilcanon nam Kit een eerdere afslag vanaf het loch, zodat hij via het lange schiereiland naar de kust kon rijden. De weg slingerde zich door hooggelegen bossen, waar adelaars boven zweefden, om vervolgens weer af te dalen. Glasgow, op slechts anderhalf uur rijden, leek nu net zo ver weg als Londen of New York. Deze wilde, natuurlijke schoonheid had niets gemeen met een drukke stad.

En Kilcanon was misschien wel het wildste, mooiste gebied van allemaal. Het familielandgoed van de Buchanans lag op de punt van het schiereiland, waar land en zee elkaar ontmoetten. De weg die voor hen lag, was hem pijnlijk vertrouwd, de eerste glimp van thuis. Elke keer voelde hij weer een scherpe steek in zijn hart.

‘Daar is het, Castle Kilcanon.’ Het waren de eerste woorden tussen hen in meer dan een uur. Hij remde af, zodat Maddison een blik kon werpen op het water in de diepte en het ronde, grijze kasteel dat als een wachter in het landschap stond.’

‘Dat is jouw thuis?’ Ze ging rechtop zitten en staarde naar de donkere, ronde burcht. ‘Waar zijn de vlaggen op de torens en de ridders die over de ophaalbrug galopperen?’

‘De ridders zijn niet fulltime in dienst.’ Het dorpje lag verspreid langs de baai, in de haven lagen kleine bootjes te dobberen, het kasteel lag aan de overkant van de baai. Het weer was wat opgeklaard en hoewel aan de horizon het grijs van de zee het grijs van de lucht raakte, zag hij de grillige, groene eilandjes, sommige dichtbij, andere half verscholen in de mist.

‘Daar is een uitkijkpunt. Kunnen we daar stoppen?’

Kit gaf geen antwoord, maar stuurde de auto naar de kant. Hij bleef even zitten, terwijl zij uitstapte en naar de reling liep. Ze leunde eroverheen om het schitterende uitzicht te bewonderen. Ooit zou hij haast hebben gehad om het laatste kwartiertje van de weg af te leggen, omlaag naar het dorpje toe, maar nu niet meer. Nu was hij blij met een paar minuten extra vertraging.

In Londen kon hij de herinneringen verdringen door hard te werken, maar zodra hij in Kilcanon was, zouden zijn spoken hem weer toefluisteren dat het allemaal zijn schuld was. Eeuwige schuld. Eeuwige straf.

Maddisons haar wapperde in de wind, de rossige kleur stak af tegen al het groen om haar heen. Hij stapte uit, liep naar de reling, en ging naast haar staan. ‘Prachtig, hè?’

‘Ik heb nog nooit zoiets gezien.’

‘Het spijt me van gisteren.’

Haar groene blik gleed over hem heen, een glimlachje om haar mond, en hield hem vast. ‘Waarom?’

‘Het had niet mogen gebeuren. Ik ben je baas en je zat er helemaal doorheen. Ik heb misbruik van je gemaakt.’

‘Nee, je hebt me opgevrolijkt. Ik voelde me begeerd, terwijl ik alleen met afschuw naar mezelf kon kijken.’ Ze draaide zich naar hem om en legde een slanke hand over die van hem. ‘Kit, het is prima. Ik ben geen Camilla. Ik verwacht niet dat je op één knie gaat, omdat we samen een nacht hebben doorgebracht, hoe fantastisch die nacht ook was. Ik weet dat je daar niet naar op zoek bent, en ik…’ Ze aarzelde, vlocht haar vingers door die van hem, haar warme hand op zijn ijskoude. ‘Ik weet niet wat ik wil, niet meer. Het was een paar weken geleden allemaal zo duidelijk. Eigenlijk een paar dagen geleden nog.’

‘Vier kinderen en een rijke echtgenoot?’

Ze gaf hem een speels zetje. ‘Ja. Nou ja, huwelijk, gezin, zekerheid. Dat is echt belangrijk, hoewel ik misschien nog eens moet evalueren hoe ik dat ga bereiken. Maar wat er ook gebeurt, ik moet eerst eens gaan leven, niet alles zo uitstippelen. Dus je gaat vrijuit, niemand heeft iemand misbruikt. Het hoeft niet weer te gebeuren, hoewel,’ voegde ze toe, zijn vingers strelend, ‘ik daar geen bezwaar tegen zou hebben.’

‘Herinner me daar nog maar eens aan,’ zei hij zachtjes. Hij voelde hoe ze even huiverde.

Hij staarde naar de zee, die vandaag kalm was. ‘We raceten met die bootjes altijd naar het eiland, alleen op het zeil, zonder motor. We visten vanaf de pier, roeiden de haven over. Alles was een wedstrijd, alles. Zelfs de liefde.’

‘Je mist hem.’ Het was geen vraag.

‘Ontzettend. In Londen voel ik het niet zo. Daar kwam hij me nooit opzoeken, de stadslucht was slecht voor zijn astma. Maar hier, aan zee, voelde hij zich goed. Elke keer dat ik hier weer kom, raakt het me dat hij er niet is. En vanavond moet ik toezien hoe zijn vrouw met iemand anders trouwt. Alsof Euan nooit bestaan heeft.’

‘Het is drie jaar geleden, Kit. Ze moet ook verder met haar leven.’

‘Misschien heb je gelijk.’ Hij maakte zijn hand los en ging achter haar staan, zijn armen strak om haar middel, zodat ze hem in het hier en nu kon houden. ‘Een van ons moet verder met het leven. We kunnen niet allebei een eeuwige wake houden.’

‘Jij mag ook verder met je leven. Dat zou hij gewild hebben.’

Ze moest eens weten. Hij dacht niet dat hij zich ooit zou kunnen bevrijden van zijn schuldgevoel en verdriet. En als hij het zou kunnen, zou hij dat dan willen? Verdiende hij dat? Euan was dood en hij leefde, en niets zou dat veranderen.

‘Kom.’ Hij plantte een kus op haar haren, haar frisse geur inademend, blij dat ze hier was met haar levendigheid en warmte, om de schaduwen te verjagen die hem bij elke stap volgden. ‘We moeten de familie begroeten en een bruiloft bijwonen. Klaar?’

‘Zeker weten. Ik ben goed met ouders. Ga maar voor.’

Kit haalde een diepe teug adem. Hij kon nu niet meer terug. Maar deze keer was hij in ieder geval niet alleen.

 

Ze reden richting het kasteel de oprijlaan op. Die was bedekt met een dikke laag gravel, grijs als de lucht boven hen en de zee achter hen. Ondanks haar goede voornemens rilde Maddison even. Ze wees naar de torentjes van het kasteel. ‘Sliep je daar vroeger?’ Ze hield haar hoofd schuin en keek omhoog naar de burcht, de raampjes waren niet meer dan spleten in de steen. Het moest daarbinnen donker zijn, vochtig. Er liep een rilling over haar rug toen ze een klein kind voor zich zag, met een donkere kuif en blauwe ogen, verloren in een ronde, vreugdeloze kamer.

‘O nee, ik sliep in de kerkers. Kinderen horen achter tralies, dat is ons familiemotto.’ Kit hield het stuur stevig vast, maar hij knipoogde plagend naar haar.

‘Tuurlijk, op een bed van stro, met een emmer in de hoek.’

Tot haar verrassing stopte de oprijlaan niet bij de imposante ingang, maar liep hij om het kasteel heen, eindigend in een halve cirkel voor een oogverblindend groot huis, gelegen op een lichte helling op zo’n tweehonderd meter voorbij het kasteel. Het huis was gebouwd van dezelfde grijze steen als de burcht, maar hier leek het zachter, misschien doordat het begroeid was met blauweregen, of door de twee slanke torentjes aan weerszijden en de hoge ramen, die een licht en luchtig interieur beloofden. Hoe dan ook, het maakte een geloofwaardiger indruk van een thuis dan het eeuwenoude kasteel.

Kit zette de auto stil en wees naar de bovenste etage. ‘Die etage was voor de kinderen. Euan, Bridget en ik hadden allemaal een eigen kamer en er was een grote speelkamer.’

Ze hoorde hem amper, haar mond hing open van verbazing. ‘Het is… gigantisch!’ Het oude landhuis was nog veel imposanter dan het kasteel. Maddison keek om zich heen en zag hoe het huis volkomen afgezonderd lag, veilig voor nieuwsgierige blikken, maar tegelijk een prachtig uitzicht had tot aan de zee. Achter het huis lagen grasvelden, bloemrijke terrassen, boompartijen, patio’s en zomerhuisjes. Ze keek Kit beschuldigend aan. ‘En jij liet me geloven dat jullie nog in het kasteel woonden.’

Hij grinnikte. ‘Veel mensen denken dat, maar het staat al jaren leeg. Volgens de overlevering was het er altijd koud en ongezellig, en onze achttiende-eeuwse voorouders waren het zat om te bibberen. Na de jakobietenopstand hadden ze geen dikke muren meer nodig, toen hebben ze het grote huis gebouwd, zoals het nog steeds genoemd wordt. Maar het oude kasteel is nog steeds officieel Castle Kilcanon, huis van de Clan Buchanan.’ Hij klonk meer als een documentairemaker dan als een zoon die terugkeert naar huis.

‘Het grote huis?’ Maddison had het Engelse gevoel voor understatement nooit begrepen. Bij dit huis vergeleken waren de landgoederen van haar studiegenoten klein – en ordinair – hoewel sommige ervan veel meer hectaren omvatten. Ze voelde aan dat hier geen filmzaal was, of een bowlingbaan, geen zwembad of fitnessruimte. Dit had echte klasse, echt oud geld. Ze had geen idee hoe ze hier ooit tussen zou passen.

Voor het eerst in jaren werd ze bevangen door twijfel. Ze rilde weer toen er een raaf landde op de burcht, een slecht voorteken.

‘Kit!’ Maddison had geen tijd meer voor paniek, want de enorme voordeur vloog open en een knappe meid van begin twintig rende het imposante bordes af. Ze droeg een oude trui en een spijkerbroek, haar donkerrode haar zat in een staart en er was geen spoortje make-up te bekennen op haar gezicht vol snoezige sproeten. Maddison trok haar kasjmier trui glad, twijfelend over haar kleding. Was het te bedacht, kunstmatig?

‘Kit! Je bent er! Wat zijn jullie laat, mam heeft het niet meer. Ze was ervan overtuigd dat jullie niet meer kwamen, dat je op het laatste moment een smoes zou verzinnen. Ik zou je geen ongelijk geven, het is dat ik geen keuze heb, maar anders zou ik hier ook niet bij willen zijn. Het klinkt ontzettend saai.’

‘Hé, Bridge.’ Kit stond naast de auto voor ze bij hen was, pakte haar op en zwaaide haar rond. Maddisons borst trok samen. Ze zou er alles voor over hebben als iemand haar met zoveel ongeremde vreugde begroette. ‘Ik heb nog tijd zat. De bruiloft begint pas om vijf uur.’

‘Weet ik.’ Het meisje trok een gezicht. ‘Vanavond is er een galadiner in avondkleding. Zo afgezaagd. Ik geef Angus de schuld.’

‘Ik denk niet dat Angus veel keus had,’ zei Kit droogjes.

Maddison stapte uit, nog stijf van de lange rit, en liep om de auto heen naar hen toe. Ze had gedacht dat het haar niet uitmaakte wat de familie van Kit van haar vond, maar ze wilde graag dat dit zusje, op wie Kit duidelijk dol op was, haar zou mogen. Dat ze goedgekeurd werd.

Goedgekeurd waarvoor, dacht ze. Eén nacht betekent nog geen toekomst. En dat wil je ook niet, weet je nog?

Kit legde een arm om haar heen en nam haar mee. ‘Maddison, dit is mijn kleine zus Bridget. Bridge, dit is Maddison.’

‘Leuk om je eindelijk te ontmoeten.’ Bridget stak een hand uit. ‘We hebben elkaar zo vaak aan de telefoon gehad, maar het is leuk om je nu in het echt te zien. We moeten zo eerst eens lekker roddelen over al Kits geheimen die je kent en of hij een strenge baas is.’ Ze keek haar broer aan. ‘Thee en scones in de salon. En nee, je kunt niet meer ontsnappen. Gedraag je.’

‘We hadden er nog langer over moeten doen.’ Kit gaf Maddison een kneepje in haar schouder. ‘Klaar om mijn moeder onder ogen te komen?’

Bridget gaf hem een por. ‘Ze is heel aardig, hoor,’ stelde ze Maddison gerust. ‘En de scones zijn lekker.’

Maddison hield Kits hand stevig vast toen ze bij de voordeur kwamen. Ook al had het grote huis geen slotgracht, ze had wel het gevoel dat de ophaalbrug achter haar werd opgehaald.

Bridget leidde hen door een enorme hal met zware houten deuren en portretten van streng kijkende mannen in kilts en nog strenger kijkende dames met ingewikkelde kapsels. Op bijna elk portret stond wel een hond, en op de achtergrond een dreigende zee. Halverwege leidde een enorme trap naar de volgende verdieping, de glanzende trapleuning was versierd met houtsnijwerk. Ze slikte even toen haar blik over antieke gouden spiegels en vazen gleed.

‘Dit is wel erg formeel.’ Kit kneep even in haar hand. ‘Bridge wil vast een goede indruk op je maken. Meestal gaan we achterom.’

‘Ik dacht dat Maddison misschien liever niet wilde struikelen over dertig paar regenlaarzen, twintig hengels, allerlei regenkleding en hondenspeeltjes,’ zei Bridget. Ze lachte verlegen naar Maddison. ‘Maar Kit heeft gelijk, de voordeur is normaal alleen voor gasten. Het is veel te lastig om hem open te maken en je kunt je jas nergens kwijt.’

Haar jas uittrekken? Daar kon Maddison zich helemaal niets bij voorstellen. Het was hier net zo koud als in een duur New Yorks advocatenkantoor, alleen kwam het hier niet door de airconditioning. Hier was het puur natuur. ‘Het is prachtig,’ zei ze. ‘Heel…’ Ze keek naar het dichtstbijzijnde portret voor inspiratie. Het was van een boos kijkende man met een witte pruik en een dreigend zwaard. ‘Heel oud.’

‘Vroeger gleden we altijd van die trapleuning af,’ zei Kit. ‘En als mijn ouders niet thuis waren, oefenden we curling op deze tegels. Er is geen verwarming in deze hal, dus ’s winters werd het lekker ijzig.’

Maddison had geen idee waar hij het over had, maar één ding wist ze wel. Ze kon zich niet laten meeslepen, kon haar toekomstplan niet veranderen, mocht niet hopen dat dat echt was, wat er gisteren ook gebeurd was. Ze zou hier nooit thuishoren, dat besefte ze maar al te goed. Dan kon ze zich maar beter ontspannen en ervan genieten. Het was gewoon een leuk intermezzo voordat ze weer naar New York ging en een besluit zou nemen over wat ze ging doen met de rest van haar leven.

Het probleem was dat haar gouden trofee niet meer zo mooi glansde als voorheen. Niet dat ze geen zekerheid wilde. Dat had ze nog steeds net zo hard nodig als lucht en water. Ze wilde nog steeds kinderen die elkaar plaagden, zoals Kit en Bridget, kinderen die werden opgevoed met de liefde die Kit vanzelfsprekend leek te vinden. Die dezelfde kansen kregen. Ze wilde alleen net iets meer.

Ze wilde het allemaal. Zekerheid, liefde en respect. En door de inzet te verhogen, was haar hele onderneming misschien wel gedoemd te falen.