Vier

Tokio/New York


Shoto Wakare ontving zijn gecodeerde instructies terwijl hij onder de douche stond. Toen hij er onderuit stapte, zijn prachtig gespierde, haarloze lichaam glinsterend van de koele druppels water, zag hij de zeven velletjes in de ontvangstbak van zijn draagbare fax-apparaat liggen. Hij liep druipend door het vertrek en staarde naar de series nummers die niemand iets zeiden die niet het elektronische decoderingsapparaat had dat Yoshida hem had gegeven.

Zijn ochtendprogramma was onveranderlijk hetzelfde. Hij stond om vier uur op, trok een trainingspak aan en beulde zijn lichaam vervolgens precies twee uur lang af. Tegen die tijd glinsterde zijn vlees van het zweet en voelde hij zich gerechtvaardigd om vijftien minuten lang zijn opgezwollen spieren te bewonderen, zoals hij ook elke week naar een museum ging om moderne Japanse kunst te bewonderen.

Onder een warme douche schoor hij zijn armen en benen, om zich dan na een ruk aan de kraan onder ijskoud water af te spoelen tot zijn tanden klapperden en de huid onder zijn vingernagels blauw zag. Daarna ging hij altijd, naakt en druipend, voor weer een andere manshoge spiegel staan en staarde naar zijn door de kou gekrompen penis. Dan boog hij zijn knieën en sloeg net zo lang op de gespannen spieren van zijn dijen tot de huid rood werd en hij trilde van de pijn. Wakare aanbad het menselijke lichaam en hij had, in tegenstelling tot de meeste mannen, een open oog voor de erotische uitstraling van de mannelijke vorm. Met een felle klap legde hij zijn handpalm op de rijen nummers die in zijn fax-apparaat op hem lagen te wachten. Toen hij dacht aan zijn beste vriend, Yuji Shian, voelde hij het bloed kloppen in zijn aderen en nadat hij zijn hand weer had weggehaald, bleef, als een stigma, een zweetvlek achter op de strenge getallen van de gecodeerde boodschap. Het was een stigma waarvan hij doodsbang was dat het ook op zijn gezicht zou verschijnen, als hij Yuji over zijn verlangens zou vertellen.

Toch waren het niet alleen mannen op wie Wakare viel; seks in elke vorm fascineerde hem. Hij aanbad bijvoorbeeld de Japanse vrouwenimitatoren, die intelligent, gevoelig en perfect waren. Het waren niet de gemaakte, overdreven acterende acteurs waar westerlingen zich aan verlekkerden. Nee, dit waren artiesten van het hoogste niveau. Alleen een man ontdaan van alle onzuiverheden van de vrouwelijke persoonlijkheid, kon een vrouw zo perfect gestalte geven, en daarmee een ideaalbeeld creëren dat het leven zelf nooit kon scheppen.

Eigenlijk verachtte Wakare het leven, juist omdat het nooit de perfectie bereikte. En hij leefde voor dat schier onhaalbare ideaal. Hij kon dan ook niet anders dan teleurgesteld zijn in zijn lichaam, en in vrijwel alle andere dingen; de chaos van het universum werkte nu eenmaal voortdurend de perfectie tegen, knabbelde aan de schepping die, daarvan was hij zeker, moest zijn begonnen in een door niemand geziene en gekende staat van zuiverheid.

Wakare verlangde er wanhopig naar getuige te mogen zijn van dat verblindende moment van perfectie, dat ene moment vlak voordat de onvermijdelijke drieëenheid van de chaos - tijd, toeval, entropie - zijn vernietigende werking begon. En, terwijl hij langzaam ouder werd, kreeg hij steeds meer de overtuiging dat dat moment hem alleen ten deel zou vallen, en dat het tevens zijn dood zou betekenen. Want de dood was de ultieme zuivering, de uiteindelijke bevrijding van de groep die alle Japanners bond en de verlossing van de toewijding die je aan de groep verschuldigd was. Het kostte hem vijf minuten om de instructies te decoderen en vijfenveertig minuten om het wekelijkse informatiebulletin te coderen betreffende recente acties van de wereldwijd opererende agenten van het Genootschap, en hun standplaats ingedeeld naar land, stad en onderneming. Hij bekeek het overzicht. Het was allemaal heel indrukwekkend, zelfs voor hem. En voor hun tegenstanders zou het ongetwijfeld angstaanjagend zijn. Heel goed. Hij verzond de gecodeerde fax, nam toen de vellen mee naar de badkamer, stak ze in brand en toen de vlammen aan zijn vingers lekten, liet hij de asresten in de w.c. vallen en spoelde ze door.

Hij ontmoette Minako in het theater, waar een groep jonge vrouwen, gekleed als samoerai in training, met engelachtige overgave zong en danste, op een manier die het bijna uitsluitend mannelijke publiek de tranen in de ogen bracht.

Toen de show voorbij was, wandelden Wakare en Minako de door neon verlichte Ginza op, waar ze in het niet vielen bij de enorme uithangborden en reclamezuilen en nog meer bij de overweldigende gebouwen.

'Bedankt dat je me hebt willen ontmoeten. Ik zou niet weten wat ik anders had moeten doen,' zei Minako. 'Als intiemste vriend van mijn zoon Yuji bekleed je een heel bijzondere positie in zijn wereld en dat is ook de reden dat ik je dringend moest spreken.'

'Het is waar dat Yuji-san en ik heel goede vrienden zijn,' zei Wakare voorzichtig, 'maar onze relatie is op zijn best nogal precair. Het verbaast me eigenlijk dat we nog vrienden zijn.'

'Daaruit blijkt al hoezeer jullie met elkaar verbonden zijn.'

Wakare glimlachte. Typisch iets voor een vrouw, dacht hij, om te geloven dat de band tussen ons simpel een kwestie is van ons man-zijn. Tegen Minako zei hij: 'Misschien. Maar ook wij hebben een speciale band, niet? Ik kan me geen andere vrouw voorstellen waarmee ik naar een dergelijke voorstelling zou gaan.' Hij glimlachte. Hij leek het prettig te vinden om zo in het zonnetje te lopen, hoe bleek die ook was midden in de winter, en even weg te zijn van zijn kantoor.

Wakare was onderminister van het Bureau voor Industriële Politiek van het MITI. Het MITI was Japans almachtige ministerie van Internationale Handel en Industrie. Het was onmogelijk MITI's invloed op alle facetten van het leven in Japan te overschatten. Zo was het dit ministerie dat de industriële ontwikkeling in het hele land gedurende de periode van enorme groei vanaf halverwege de jaren vijftig tot in de jaren tachtig had gedirigeerd. Via premies aan bedrijven die bereid waren te investeren in de nieuw opkomende elektronica-en computerindustrie, was MITI in staat geweest Japan op soepele wijze naar de dominante economische positie te leiden die het land tegenwoordig innam.

'Het feit dat ik hoofd ben van de Chosa-ka, de afdeling Onderzoek van het Bureau, en elke uitvinding van Yuji kan maken of breken, is al genoeg om on/e vriendschap in gevaar te brengen,' zei Wakare. 'En dan is er ook nog de kwestie van mijn lidmaatschap van de Toshin Kuro Kosai.'

'Dat feit schept beslist een band tussen ons,' erkende Minako. 'En het is zonder meer de reden dat je tot hoofd van de Chosa-ka werd benoemd.'

'Maar jij persoonlijk hebt ervoor gezorgd dat ik die baan kreeg, Minakosan. Ik ben je daarvoor iets schuldig wat ik je nooit zal kunnen terugbetalen,'

zei Wakare. 'En aangezien we nu toch vrijelijk praten, wil ik ook wel erkennen dat ik me altijd heb afgevraagd of er ook persoonlijke motieven bij mijn benoeming meespeelden. Ik zou Yuji tenslotte enorm van dienst kunnen zijn.'

'Denk je dat ik zo sluw ben?'

Hij haalde zijn schouders op. 'Het doet er ook niet toe. Je zoon is te enen male onkreukbaar. Hij zou net zomin een gunst van mij aannemen als dat hij iemand van een brug zou gooien. Voor hem zijn beide acties even onwettig.'

'Ik hoop oprecht dat je het bij het verkeerde eind hebt,' zei Minako met een zucht. 'Je weet niet half hoeveel moeite het me kost om jou om hulp te vragen. Maar ik heb geen keus. We moeten Yuji op de een of andere manier zover zien te krijgen dat hij zijn krachten bundelt met Nishitsu en zijn Liberaal-Democraten.'

'Natuurlijk zal ik altijd alles doen wat je me vraagt, Minako-san. Maar je weet dat je nu het onmogelijke vraagt.'

'Misschien,' zei ze. Toen boog ze haar hoofd. 'Maar misschien ook niet.'

Haar lippen krulden zich in een flauwe glimlach. 'Dit is mijn voorstel: ik wil dat je een soort samenzwering smeedt met mijn zoon.'

'Ik - Wat? - Ik begrijp het niet.' Wakare leek volkomen overbluft. 'Ik bedoel, dat is niet - ik weet niet of ik wel uit het goede hout gesneden ben voor samenzweringen.'

'Deze zul je wel op prijs stellen,' zei Minako vol vertrouwen. 'Dat garandeer ik je. Ik wil dat je Yuji benadert. Zorg dat het in een neutrale omgeving gebeurt - tijdens een dineetje bijvoorbeeld, of tijdens een show. Als hij dan volkomen ontspannen is, wil ik dat je een bekentenis aflegt.'

Wakare voelde zijn hart in zijn keel kloppen. 'Wat voor bekentenis?'

'Dat je lid bent van het Genootschap van het Zwarte Zwaard.'

'Wat? Vergeef me, Minako-san, maar dat zal zeker het einde van mijn vriendschap met Yuji betekenen.'

'Als je dat gelooft, onderschat je mijn zoon ernstig,' zei Minako. 'Ga eens na, Shoto-san, hij kent je bewondering voor Yukio Mishima, de samoeraidichter die hara-kiri pleegde uit protest tegen het morele verval van Japan

- en ik denk dat hij er respect voor heeft. Hij weet dat je hart rein is, en dat is het enige wat voor hem telt.'

'Maar als ik hem vertel dat ik Toshin Kuro Kosai ben -'

'Zal hij geïntrigeerd zijn,' zei Minako, de zin voor hem afmakend. 'Je moet begrijpen dat Yuji in vele opzichten nog heel naïef is. Voor hem is het Genootschap een puur politieke organisatie waarvan het lidmaatschap geheim is. Hij heeft er geen idee van dat alleen diegenen die de Gave hebben lid zijn - en hopelijk zal hij daar ook nooit achter komen.'

'Maar zelfs als zuiver politieke organisatie zal Yuji de reactionaire standpunten van het Genootschap verachtelijk vinden, om niet te zeggen een gevaar voor alles waarin hij gelooft.'

'Daar reken ik ook op,' zei Minako. 'Denk je eens in hoe geïntrigeerd hij zal zijn als je hem eenmaal hebt verteld van je plan om Nishitsu door jezelf te vervangen.'

'Ik zou wel gek zijn om zoiets te doen!'

'Tegenover ieder ander dan Yuji wel, ja,' zei Minako. 'Maar het tegen hem vertellen is hetzelfde als het tegen een dode vertellen.' Ze wachtte even tot een aantal punks met hun zwarte, kletterende laarzen en gekleurde hanekammen voorbij was gerend. 'En als je hem dan vertelt dat je hem ook de Toshin Kuro Kosai wil binnenloodsen, zal dat al niet meer zo gek klinken. Jullie twee samen zullen genoeg macht hebben om veranderingen in de samenleving te bewerkstelligen. Dat zal hij direct begrijpen.'

'Maar om dat te doen, zal ik Nishitsu's betrokkenheid bij het Genootschap moeten onthullen.'

'Opnieuw vraag ik je vertrouwen te hebben in je vriend, Yuji. Hij is een machtig man met een grote intelligentie. Juist het feit van Nishitsu's betrokkenheid zal als een magneet op hem werken.' Minako zweeg even en keek Wakare aan. 'Vertrouw op me, we zullen Yuji en Nishitsu bij elkaar brengen. Yuji zal geloven dat hij jou helpt bij het ten val brengen van Nishitsu, en Nishitsu zal tevreden zijn met Yuji's aanwezigheid.'

'Zolang het duurt,' zei Wakare aarzelend.

Minako knikte. 'De gebeurtenissen volgen elkaar op dit moment snel op. Het geeft ons precies de tijd die we nodig hebben.'

Toen Wolf uit Washington op zijn bureau terugkeerde, was er een schilderploeg bezig het met bloed besmeurde pleisterwerk te verwijderen en een nieuwe laag aan te brengen. Het was even over zevenen en hij zou om tien uur Amanda ophalen voor het feest dat haar zus in een café in het centrum gaf. Hij wilde haar net opbellen om af te zeggen, toen hij zich bedacht. Hij was moe, maar te opgewonden om te slapen. En misschien had Amanda wel gelijk, een beetje ontspanning voordat de hel zou losbarsten, leek hem geen onprettig vooruitzicht.

Hij meldde zich bij Squire Richards, die hem bijpraatte en hem de telefoontjes doorgaf die voor hem waren binnengekomen. Het enige waar hij echt op zat te wachten, dat van Harrison, de patholoog-anatoom, was er echter niet bij. Hij probeerde hem te bellen, maar kreeg te horen dat Harrison niet in het gebouw was, maar waarschijnlijk wel spoedig zou terugkeren. Wolf liep door de met lakens afgedekte gang terug naar de douche die hij in het ruime herentoilet had laten aanleggen. Ook hier waren ze aan het schilderen. Jezus, ze zaten werkelijk overal, Hayes Walker Johnson had duidelijk met zijn spierballen gerold om dit voor elkaar te krijgen. De eenzame schilder hier was een Japanner, compact en zwaargebouwd als een miniatuur sumo-worstelaar, die hoog boven op een met witsel bedekte ladder stond. Hij droeg een versleten overall, waarvan de banden over zijn naakte, gespierde schouders liepen. Hoewel zijn blauwgrijze haar en de lijnen in zijn gezicht aangaven dat hij decennia ouder was dan zijn collega's, leek zijn lichaam leeftijdloos. Hij knikte Wolf toe en richtte vervolgens zijn aandacht weer op het smerige stucwerk tegen het plafond. Wolfs douchebad werd gelardeerd met het geplof van naar beneden vallend stucwerk dat op het laken terechtkwam dat speciaal daarvoor op de zwartwit betegelde vloer was gelegd.

Terwijl hij zich afdroogde en schone kleren uit zijn kastje haalde, keek hij op naar de schilder en bedacht dat hij nooit meer met dezelfde ogen naar een Japanner zou kijken.

'Werkje al lang voor ons?' riep hij.

De schilder hield op met zijn werk en keek omlaag naar Wolf. 'Nog niet zo lang,' zei hij, en vervolgens: 'Hoezo, heeft u daar problemen mee?'

'Hoe lang?' vroeg Wolf.

De Japanner legde zijn gereedschap neer en kwam de ladder af. 'Ziet u mij soms als een potentieel risico,' zei hij, zijn handen schoonvegend aan zijn overall. 'En is dat misschien omdat ik een Japanner ben?' Hij draaide zich om en begon op te ruimen. 'Nou ja, zo gaat het altijd. Dat maakt het nog niet goed, maar ik neem aan dat ik ermee moet leren leven als ik in Amerika wil blijven wonen.'

Wolf moest aan zijn moeder denken, een Wind River Shoshone, aan zijn eigen jeugd, en schaamde zich plotseling verschrikkelijk. Zijn gesprek met Shipley had hem paranoïde gemaakt - hij was vergeten dat de nabijheid van een stille die uitwerking op hem had. Het had hem ook behoorlijk de stuipen op het lijf gejaagd, bedacht hij nu. Was het een wonder dat hij overal spoken zag? Hij moest zichzelf een beetje in de gaten houden.

'Zand erover,' zei hij. 'Ik was alleen maar nieuwsgierig. En het heeft niets van doen met je Japans zijn.'

De schilder draaide zich weer naar hem om, veegde zijn handen af aan de pijpen van zijn overall en maakte een beweging met zijn hoofd, net iets meer dan een knik, die misschien moest doorgaan voor de moderne versie van een formele buiging. 'Is het dan goed als ik weer aan mijn werk ga?'

'Natuurlijk,' zei Wolf, terwijl hij zijn vochtige handdoek in de metalen bak langs de muur gooide. 'Laat je door mij vooral niet storen.'

Hij liep terug naar de centrale hal, nog steeds wat in de war door zijn nieuw verkregen vooroordeel, en kwam Squire Richards tegen, die hem liep te zoeken. 'Ik heb een bericht voor je, inspecteur,' zei hij, met hem oplopend.

'Tony heeft de zwarte Firebird gevonden.'

Tony Driemaal stond op hen te wachten op een pier bij West 43rd Street. De olie-achtige, donkere Hudson sloeg tegen de rottende pilaren en de lucht was doortrokken van de geur van zwavel. Wolf keek over het water en zag hoe gelige sneeuwvlokken er in verdwenen alsof ze in een vat zoutzuur terechtkwamen.

Achter hem rezen half uitgebrande flatgebouwen op, wachtend op de loden kogel van een sloper. Tot die tijd waren ze tot de nok toe gevuld met verwaarloosde, ontheemde gezinnen die de hoop op de Amerikaanse droom allang hadden opgegeven.

Tony Driemaal ging hen voor de pier op, waar de zwarte Firebird als een prehistorisch monster opdoemde. Het interieur was verbrand en ook de motorkap en het dak waren door de hitte aangetast.

'Het lijkt erop dat iemand hem in brand heeft gestoken nadat hij hier is gedumpt, inspecteur,' zei Tony Driemaal, terwijl hij met zijn zaklantaarn op de wagen scheen.

'Natuurlijk weer zo'n stelletje aan drugs verslaafde kinderen,' zei Squire Richards, die nu ook zijn zaklantaarn aanknipte.

'Misschien,' zei Wolf. Maar als het kinderen waren geweest, waarom hadden ze dan niet eerst zoiets kostbaars als de banden verwijderd? Het had ze trouwens waarschijnlijk een grotere kick gegeven om er met honderdvijftig per uur mee langs de Sawmill River Parkway te scheuren. Hij snoof en dacht onmiddellijk aan Bobby Connors verhaal over een blauwe vuurbal, de hitte die van Arquillo's dode gezicht afstraalde, de spookachtige glimp van een vlam langs zijn kaken. Hij snoof opnieuw, maar ving geen sporen op van benzine of iets dergelijks, meestal de eerste tekenen van brandstichting.

Hij haalde een stalen stift uit zijn pilotenjack en porde daarmee in de geblakerde voorzitting en in het dashboard. Het handschoenenkastje was door het vuur dichtgesmolten, dus vroeg hij Tony Driemaal, die er een specialiteit van had gemaakt om in afgesloten ruimtes te komen, om het open te wrikken.

Binnenin trof hij verbrande snippers papier en stukjes van de bekleding. Hij porde er met de stift in, tot hij de achterwand raakte. Niets in de rechterhoek, niets langs de zijkanten, maar de punt van de stift raakte wel iets wat in de linkerhoek weggestopt zat. Hij trok het eruit en hield het in de besneeuwde buitenlucht omhoog. Tony Driemaal bescheen het met zijn zaklantaarn.

'Wat is dat in vredesnaam?' zei Squire Richards.

'Een stukje stof,' zei Wolf, het vierkante lapje om en om draaiend. Eén kant was verschroeid, dat wel, maar de rest was, hoewel stinkend naar rook, duidelijk van hetzelfde materiaal als dat wat de Japanse artieste Chika voor haar sculpturen gebruikte.

Yuji Shian ondertekende een memo dat tot de produktie van 100 000 Shian Kogaku-telefoonkaarten zou leiden. Deze plastic chips zouden verspreid worden onder de grootste klanten van de onderneming en onder politieke en bureaucratische bondgenoten, die daarmee op kosten van het bedrijf vanuit publieke telefooncellen konden bellen. Een hologram van het Shian Kogaku-logo vulde het midden van het kaartje en als de telefoontijd was opgebruikt, zou dat ze tot een waardevol collecter's item maken. Een fantastisch marketing-idee, dacht Yuji, en weer een demonstratie van onze slagzin: SHIAN KOGAKU, WE ZIJN ER VOOR u.

Yuji beantwoordde achtereenvolgens telefoontjes uit Singapore, Taipei, Silicone Valley en ten slotte Hongkong.

Toen hij daarmee klaar was, duwde hij zijn stoel naar achteren, vlocht zijn vingers achter zijn nek in elkaar en staarde naar de glanzende torens van Tokio. Hoewel Yuji zo hoog zat dat hij nog steeds de zomerzon kon zien, bleek en rood door de luchtvervuiling, lagen de straten rond het Hammacho Station al in de schaduw, die zo diep was dat de horden mensen die daar beneden rondrenden ongetwijfeld het gevoel hadden dat het avond was.

Yuji maakte een grommend geluid. Hij vroeg zich af hoe het was daar beneden in dat kunstmatige schemerlicht, almaar voortijlend, nooit rust; hoe het was om met drie anderen een kamer te delen, bij elke maaltijd soba noedels van boekweit - te moeten eten van stalletjes langs de straat, omdat dat het enige was wat je je kon veroorloven, en sommige avonden zelfs dat niet.

Het had hem vele jaren gekost om te begrijpen dat dit de basis was voor zijn vriendschap met Shoto Wakare. 'Hoewel het al heel lang geleden lijkt dat ik zelf zo'n berooid wrak was, ben ik nooit vergeten wat het is om arm te zijn in Tokio,' had Wakare hem eens verteld, toen ze een nacht aan het doorzakken waren. 'Ik zal altijd de les onthouden die ik toen geleerd heb:niets hebben, bereid je voor op niets, behalve op het opnieuw niets hebben.'

Niets hebben was nooit Yuji Shians probleem geweest. Hij was opgegroeid in een familie met een florerende, al generaties oude handelsonderneming die van zijn moeder Minako's kant van dochter op dochter was overgedragen. Deze matriarchale firma's werden traditioneel achter de schermen door vrouwen geleid, terwijl de mannen waarmee ze hadden verkozen te trouwen, hen naar buiten toe vertegenwoordigden. Dat ging zelfs zover dat ze de familienaam van de vrouw gingen dragen. Yuji's vader was min of meer een uitzondering geweest. Hij was bankier van beroep en had erin toegestemd met Minako te trouwen en haar naam, Shian, aan te nemen. Maar hij was al snel ontevreden geraakt over de beperkingen die inherent waren aan een middelgrote handelsonderneming. Hij had daarom voorgesteld Shian Kogaku van Osaka naar Tokio te verplaatsen, waar hij een bijna failliete handelsbank kon overnemen die als hun centrale kobun - onderneming - zou dienen. Toen die eenmaal draaide, kocht hij nieuwe kobun, totdat Shian Kogaku ten slotte een keiretsu van de eerste orde was.

Minako, die al even ambitieus was als haar echtgenoot, had erin toegestemd, maar achteraf, nadat alles zijn bekomst had gekregen en al haar tegoeden in de bank waren gepompt om die te redden, vertelde Yuji's vader haar dat ze Shian Kogaku niet langer mocht leiden, zelfs niet achter de schermen. Zelfs de geringste aanwijzing dat zij erbij betrokken was zou het einde van de onderneming betekenen, zo hield hij haar voor. Niemand zou zaken willen doen met een onderneming die geleid werd door een vrouw; niemand zou een dergelijke onderneming serieus nemen.

Minako stamde uit een lange traditie van zakenvrouwen die heel wel hun eigen zaken konden regelen, zonder tussenkomst van mannen. Misschien dat er enkelen waren die hadden gedacht dat dit de genadeklap voor haar zou zijn, maar dat was niet zo. Haar hele leven lang al hadden mannen, zelfs degenen die het dichtst bij haar stonden, haar onderschat. Haar mooie, tere uiterlijk verborg een taai en scherpzinnig innerlijk, een innerlijk dat veerkrachtig was en zijn eigen geheimen kende.

'Ik begrijp het, 'had Minako plichtsgetrouw gezegd, toen haar man haar zijn beslissing meedeelde, en zonder een woord van protest had ze al haar banden met haar eigen onderneming verbroken.

'Dit was mijn straf voor het feit dat ik een vrouw ben,' had Minako ooit tegen Yuji gezegd. Maar jaren later besefte Yuji dat ze haar straf niet gelaten over zich heen had laten komen. Van die dag af was haar relatie met haar echtgenoot drastisch veranderd. En toen hij ten slotte aan een hartaanval overleed, nadat zijn droom betreffende Shian Kogaku was uitgekomen, wist Yuji niet zeker wat hem nu eigenlijk had gedood: zijn overwerktheid of de kilheid van zijn vrouw. Minako vergoot trouwens geen traan om hem, en hijzelf had, jaren voor zijn vroegtijdige dood, eens in een dronken bui tegen Yuji gezegd: 'Vertrouw een vrouw en ze zal je vroeg of laat openrijten.'

Yuji huiverde toen hij eraan dacht hoe het gif van die woorden zijn eigen leven had beïnvloed. Hij was met een vrouw getrouwd die net zo zwak was als zijn moeder sterk. Hij zag de ironie daarvan heel goed in, maar voelde zich machteloos om er wat aan te veranderen. Was hij zelfs ooit maar verliefd op haar geweest? Wie zou het zeggen, Yuji ging volkomen op in zijn werk. Hij genoot van de wetenschap dat hij zijn liefde voor de biogenetica in dienst had weten te stellen van het levenswerk van zijn vader. Shian Kogaku kon zich nu beroemen op succesvolle kobun op het gebied van computer hardware, geavanceerde laser-technologie en de opkomende biowetenschappen. Yuji's vrouw was heel mooi, bijna fragiel, een porseleinen pop die hij kon bewonderen, zoals al zijn zakenpartners haar bewonderden. Ze stamde uit een belangrijke samoerai-familie die terugging tot Edo, de hoofdstad in de zeventiende eeuw, en ze was daarmee min of meer een symbool voor al zijn successen.

Yuji had slechts één kind gehad, een zoon. En bijna vanzelfsprekend werd ook die aangezet tot intensieve studie, zoals hij zelf altijd door zijn vader was aangespoord. Hij was opgegroeid tot een sterke, knappe jongeman, die weliswaar nog niet de beste van zijn klas was, maar Yuji had goede hoop dat hij dat tegen zijn afstuderen wel zou zijn.

Maar vorig jaar waren Yuji en zijn vrouw plotseling op de school ontboden. De directeur ging hen met een lijkbleek gezicht voor naar de intensive care-afdeling van het nabijgelegen ziekenhuis, waar Yuji's zoon in coma lag; hij had geprobeerd zelfmoord te plegen door zich aan een balk in zijn kamer op te hangen.

Het kostte hem drie weken om te sterven; het kostte Yuji's vrouw drie maanden. Verdriet kan dat bewerkstelligen, had hij weieens gelezen. Hij had het echter nooit geloofd, tot hij het bij zijn vrouw zag gebeuren. Ze stapte tijdens het spitsuur voor de metro.

Het was een tragisch ongeluk, had de politie gezegd, maar Yuji wist wel beter. Ze was van het perron gestapt, zo zeker als hij hier naar de smog boven Tokio zat te kijken. Zoveel macht, en hij had niets kunnen doen om haar te redden.

Tijdens haar begrafenis overdacht hij dat hij zich er tot dan toe niet van bewust was geweest hoezeer ze haar eigen leven kon bepalen. Voor het eerst herinnerde ze hem aan zijn moeder, en hij haatte haar om die verraderlijke kracht die ze als een giftige adder in haar boezem had gedragen. In de weken en maanden daarna raakte hij in de greep van een vreemde, manische stemming die hij niet kon kwijtraken. Hij ging alle bars af, dronk, gokte, hoereerde. En waar hij ook gesignaleerd werd, hij had altijd twee huwbare vrouwen aan zijn arm. Zijn halfzuster Hana zag wat hij zelf niet inzag: dat zijn manische gedrag alleen maar een manifestatie was van de schuld en zelfverachting die hij voelde, maar niet onder ogen wilde zien, voor zijn aandeel in de dood van zijn zoon. Ze vertelde hem dat pas later, toen zijn manie zichzelf opbrandde en ze hem eindelijk psychisch durfde te benaderen zonder bang te hoeven zijn dat ze daar zelf aan onderdoor zou gaan.

Hana had hem van zichzelf gered; Hana en zijn werk aan het Orakel.

'Hana,' had hij op een avond vol zelfbeklag gevraagd, 'wat vond jij van mijn vrouw?'

Hana hief langzaam haar hoofd op en keek hem aan. 'Vanaf de eerste dag van jullie huwelijk had je vrouw haar leven en jij het jouwe, 'had ze gezegd, op die directe manier van haar die hij bijna ondraaglijk vond.

'Waren we echt al vanaf het begin van elkaar vervreemd?'

'Zo wilde je het nu eenmaal.'

'Nee,'zei hij langzaam, 'dat is niet zo. Ik kon niet anders.'

'Je schijnt te vergeten dat jij altijd krijgt wat je wilt, Yuji-san.'

Hij had daar even over nagedacht, terwijl haar hand warm en kloppend in de zijne lag. 'Maar ze was erg mooi, niet?'

'Schoonheid,'had. Hana gezegd, 'is als een gordijn, eenfafade, niet meer dan een aanwijzing van wat er onder het oppervlak leeft.'

'Jij begrijpt dat soort dingen. Ik wou dat je me kon vertellen hoe het is om het leven op die manier te absorberen.'

'Ik denk dat het onmogelijk is om dat over te brengen, in welke taal dan ook,' zei ze. 'Maar eigenlijk doet dat er ook niet toe, want jij bezit tenslotte de Gave, het "tweede gezicht".'

'Mijn vloek.'

'Waarom noem je je gave een vloek?'

'Is het dat dan niet?'zei hij. 'Ik heb daarmee niet de... dood van mijn zoon of van mijn vrouw kunnen voorzien. Ik kan de toekomst voorzien noch voorspellen. Ik kan bij gelegenheid mogelijkheden zien, de vele paden die zich vertakken vanuit dat ene moment van het heden. Begrijp je dan niet dat zoiets je gek kan maken ?'

'Als je naar je leven kon kijken vanaf de dood naar de geboorte, zou dat je waarschijnlijk ook gek maken,' zei ze. 'Maar stel je nu eens voor dat je je gave verkeerd interpreteert?'

'Wat bedoel je?'

'Denk je eens in dat het heden eigenlijk niet dat "ene moment" is, zoals jij het definieerde, maareen veelvoud aan keuzes, een elke fractie van een seconde voorkomende explosie. In dat geval zou het zien van de vele paden die door dergelijke explosies ontstaan een zekere logica hebben en als je eenmaal het idioom van die logica had leren kennen, zouden ze misschien zelfs betekenis voor je beginnen te krijgen.'

'Ik begrijp het niet.'

'Nu nog niet.'

Wat moest hij zonder haar beginnen? Yuji wreef in zijn ogen en wierp een blik op de klok. Toen pakte hij zijn jas en verliet het gebouw. Hij schoot in zijn wachtende BMW en zei tegen zijn chauffeur: 'Naar Hana.'

Het was donker toen Wolf bij het met graffiti bekladde bakstenen appartementengebouw aan East Sixth Street, vlak bij Avenue C, arriveerde. De sneeuw was overgegaan in motregen en toen weer in sneeuw. Op de begane grond bevond zich een kledingzaak genaamd La Mort C'est Moi. Heel leuk gevonden. Wolf tuurde vanuit zijn auto door de tralies voor de ramen - elk kledingstuk in de etalage was zwart en zag er uit alsof het speciaal voor het monster van Frankenstein ontworpen was. Misschien was de zaak gesloten omdat niemand die troep meer wilde dragen, maar hij betwijfelde het. Hij reed door, sloeg de hoek om, trapte het gaspedaal even flink in, sloeg in westelijke richting East Fifth in en toen in noordelijke richting naar de hoek van East Sixth. Daar parkeerde hij zijn auto, deed motor en lichten uit en liep op zijn hoede terug naar het flatgebouw.

Er brandde licht in het appartement dat volgens Moun aan Chika toebehoorde, maar Wolf kon niets zien door de ondoorzichtige rolgordijnen. In de schaduw blijvend liep hij naar de ingang van het flatgebouw. Hij duwde de deur open en ging naar binnen.

De hal van het flatgebouw werd verlicht door een met vliegen bevuilde vijftien watt-lamp. Het zwakke licht, de diepe schaduwen en duistere hoeken verborgen meer dan ze onthulden. De stank van urine en uitwerpselen was overweldigend. Een enorm grote, oude Duitse herder met het ergste geval van schurft dat Wolf ooit had gezien, lag opgerold aan de voet van de trap en likte de kale, roze plekken op zijn flanken. Zijn kop kwam omhoog en hij staarde Wolf met geel oplichtende ogen aan. Wolf zag zijn neusgaten opensperren toen de hond hem rook; toen ging zijn kop omlaag, de tong kwam naar buiten en hij ging verder met zijn werk, een ritmisch, slobberend geluid dat op je zenuwen werkte.

Hij stapte over de hond heen en liep de smerige trap op. De leuning was vettig en op de eerste overloop zag hij op de muur donkere bruine vlekken die verdacht veel op opgedroogd bloed leken. Hij vroeg zich af wiens hoofd hier tegen de muur was geslagen en door wie.

Er kwamen slechts twee deuren op de overloop uit die, zo leek het, naar twee enorme appartementen leidden, hetgeen nogal vreemd was voor een flat in een afbraakbuurt als deze. Hij controleerde het ene, smerige raam, dat op een ijzeren brandtrap uitkwam. Toen hij zijn hand over de ruw gepleisterde muren liet glijden, kon hij de plekken voelen waar vroeger deuren naar andere appartementen hadden gezeten; ondanks de stank en smeerboel beneden was er heel wat geld in de renovatie van dit gedeelte gestopt. Hij bleef even staan en nam de geluiden van het oude gebouw in zich op. Het was belangrijk om een idee te krijgen van de natuurlijke geluiden van de omgeving, zodat wanneer zich een nieuw geluid aandiende, hij dat er onmiddellijk uit kon pikken.

Hij liep naar de voordeur van Chika's appartement, legde zijn oor tegen de deur, maar hoorde niets. Ooit zou hij gewoon aangeklopt hebben en dezelfde smoes hebben gebruikt als bij Moun. Maar niet na Washington, niet nadat hij Chika in het gezelschap van Suma, de Waterspin, had gezien, en zeker niet nadat hij een stuk van haar werkmateriaal had gevonden in de zwarte Firebird uit '87.

Als zij de vluchtauto voor Suma had gereden, of, nog erger voor hem, als zij degene was geweest die Junior Ruiz en Arquillo te pakken had genomen, wilde hij haar niet open en bloot tegemoet treden. Ze zou al weten wie hij was - en, bracht hij zichzelf in herinnering, als zij echt verantwoordelijk was geweest voor de dubbele moord, zou hij haar aura niet kunnen lezen. Hij liep van de voordeur vandaan; hierlangs kon hij niet naar binnen. Hij legde zijn oor tegen de deur van het achterste appartement en hoorde het geluid van een platenspeler of iets dergelijks. Ook hier moest hij niet zijn.

Plotseling kromp hij in elkaar, liet zich op één knie zakken en trok zijn revolver, die hij op het donkere gat van de trap richtte. Hij hoorde iets: zachte geluiden die langs de trap omhoog kwamen. Hij probeerde een aura te voelen, maar slaagde er niet in. Suma?

In elkaar gedoken, tot het uiterste gespannen, dacht hij aan Suma's gezicht, aan de ogen van de Waterspin die eruitzagen als gaten in de oneindigheid. Hij knipperde even en concentreerde zich op het trapgat, zijn vinger om de trekker. Hij wachtte op Suma.

Kom op, smerige klootzak, dacht hij, kom naar boven, zodat ik een kogel door je hart kan jagen.

Een moment later kwam de oude herder moeizaam de overloop op waggelen. Een van zijn achterpoten moest ooit gebroken zijn geweest, want de hond hinkte erbarmelijk. De herder keek hem aan en begon toen de loop van zijn dienstrevolver te likken.

Hij slaakte een diepe zucht en zijn mond vertrok in iets wat in de verte op een glimlach leek. Toen stopte hij zijn revolver in de holster en concentreerde zich weer op zijn werk. Hij wrong het raam naar de brandtrap open, klom de bedompte nacht in en bleef even staan luisteren naar de geluiden van de stad om hem heen.

De vettige sneeuw was op de ijzeren treden van de brandtrap blijven liggen en hij moest uitkijken dat hij niet uitgleed. Wat er van de straat af uit had gezien als rolgordijnen, bleek nu een soort kleurstof die aan de binnenkant op het glas van de nieuwe ramen was gesmeerd. Wolken van iriserende zwarte verf hadden het glas slechts naar één kant doorzichtig gemaakt: het licht stroomde naar buiten, maar het was onmogelijk om in detail te zien wat of wie er binnen was.

Wolf hurkte neer en probeerde het ene raam na het andere. De eerste drie zaten dicht, maar de laatste stond op een kiertje. Hij schoof het raam centimeter voor centimeter verder open; het maakte geen geluid. Toen gleed hij horizontaal het appartement binnen.

Hij bevond zich in een donkere kamer. Eerst hoorde hij niets, maar toen, langzaam, alsof zijn oren zich moesten aanpassen aan een andere omgeving, hoorde hij de diepe dreun van een motor of compressor. Langzaam en op zijn hoede liep hij het vertrek door. Hij was zich bewust van vormen, als van grote meubels bedekt met lakens, zoals wanneer je een kamer schildert of voor langere tijd weggaat. Voorzichtig tilde hij de hoek van een laken op en zag gekartelde stukken gebrand metaal, bekleed met linnen. Sculpturen in de maak.

Voorzichtig, dacht hij. Geduld.

Hij sloop naar een deur toe. Daarachter was de woonkamer; hij zag niemand en stapte het vertrek binnen. De muren van de woonkamer waren kaal, op één schilderij met een bewerkte, vergulde lijst na. Het was een groot doek en onder in een hoek van de lijst was een koperen plaatje aangebracht met de titel ervan, De Salon in de Rue des Moulins. Wolf bekeek het schilderij, krachtig en erotisch, van de hoeren van Parijs. In de sjofelheid, de ongedwongenheid - de natuurlijkheid - van hun naaktheid, de aanvaarding van hun beroep, school hun menselijkheid. Hij had nog nooit eerder hoeren als menselijke wezens afgebeeld gezien, nooit eerder beseft dat moederschap en liederlijke seks in één persoon verenigd konden zijn, en hij voelde zich aangetrokken tot de morele paradox die het schilderij uitbeeldde. Ten slotte trok de signatuur in de hoek van het schilderij zijn oog: Henri de ToulouseLautrec. Jezus, dacht hij, zou dit het origineel zijn? Hij keek nog wat beter, maar hij was geen kunstkenner. Wat zou het waard zijn als het echt origineel was? Miljoenen? Tientallen miljoenen zou meer in de buurt komen. Hij verliet de woonkamer.

In de keuken vond hij de bron van het gedreun: een enorme generator. Achter een deur zonder knop of slot trof hij een professioneel ingerichte donkere kamer, een verzameling Nikons, Leica's en Hasselblads, lenzen, statieven en fotolampen. In een kleine koelkast werden filmpjes bewaard; erbovenop stonden plastic dozen met de meest uiteenlopende filters. Wolf dacht aan de foto's in Moravia's hok. Zou Chika misschien de fotografe zijn geweest; zou zij het model zijn geweest; zou ze misschien beiden zijn geweest?

Hij liep op de buitenkant van zijn zolen terug door de woonkamer. De pas gelegde houten vloer glansde nog zó dat hij zich er vaag in weerspiegeld zag.

Nog een deur, dit keer half geopend. Wolf ging zo staan dat zijn schaduw niet over de drempel zou vallen. Op die manier kon hij een behoorlijk stuk van de kamer erachter zien. Er hing een uitgesproken geur in de kamer. Hij kwam Wolf vagelijk bekend voor, maar hij kon zich niet herinneren waar hij hem eerder geroken had.

Plotseling was er beweging en hij kon met moeite de neiging onderdrukken om zelf ook te bewegen. Hij voelde een prikkeling langs zijn ruggegraat trekken toen hij het silhouet van de prachtige Japanse vrouw zag, die hij eerder aan de overkant van de straat bij Urban Decay had gezien en die samen met Suma op de foto van het ministerie van Defensie stond. Dit was Chika, de kunstenares die zich op de een of andere manier in Lawrence Moravia's leven had weten te dringen. Was ze een onschuldige die gewoon op het verkeerde moment op de verkeerde plek was geweest, of was ze de moordenaar die het Genootschap van het Zwarte Zwaard hierheen had gezonden om met Moravia af te rekenen?

Hij bleef als gebiologeerd staan kijken. Ze staarde naar iets in het vertrek dat voor Wolf niet zichtbaar was. Ze draaide haar lichaam en het silhouet loste op in driedimensionaal vlees. Warm lamplicht gleed traag, bijna golvend, over Chika's flanken en benadrukte nog eens extra haar hoge, harde borsten. Ze strekte haar benen alsof ze zich voorbereidde op een inspannende training. Ze was naakt. Het licht was vreemd, alsof het door mist of stroop heen scheen, alsof Wolf het letterlijk kon zien bewegen. Ze liet nu een hand over haar borsten glijden, langs haar ribben en over haar vlakke buik. De hand ging nog lager en verdween in een driehoekig woud van schaduw.

Hij rook weer die geur, vreemd en toch min of meer vertrouwd. Hij dronk hem in en probeerde zich te herinneren waar hij hem voor het eerst geroken had. Haar lippen gingen van elkaar en ze veranderde heel subtiel van houding; het was nu erotischer, alsof ze zich op de een of andere manier opende. Toen drukte ze met haar andere hand op een plekje onder aan haar ruggegraat en kantelde haar heupen naar voren; haar hand bewoog en bewoog en ze uitte een licht gekreun.

Wolf voelde zijn hart bonken. Hij wist dat hij zich nu moest omdraaien en weggaan, maar hij kon zich niet bewegen. Hij stond als aan de grond genageld en het leek wel of zijn longen vloeibare zuurstof ademden. Dit was pure seks, sterk en magnetisch, maar hij wist dat er meer was, een verborgen aspect dat even veelbetekenend als verleidelijk was. De hele toestand had iets van een optreden - even verwarrend als de foto's met gebonden vrouwelijk naakt, als de sculpturen - maar voor wie, en waarom?

Die dijen. Heerlijk vlees dat bewoog onder een strakke huid met de kleur en intensiteit van brons. De lange, goed ontwikkelde spieren begonnen zich te spannen en plotseling lag er ook iets van gespannenheid in haar nek. Vreemd genoeg voegde deze verstoring - als een soort litteken - een extra dimensie toe aan zijn opwinding, alsof Wolf een geheim deel van haar zag dat voor de buitenwereld niet toegankelijk was.

Die dijen trilden nu, terwijl Chika bijna heen en weer wiegde op de golven van haar zelf opgeroepen extase. Hij hoorde het zachte 'uh-uh-uh!' toen de primitieve geluiden door haar middenrif omhoog werden gestuwd en aan haar mond ontsnapten.

Haar oogleden trilden, maar haar blik bleef onbewogen. Wolf, verrukt als hij was, wilde nog steeds weten wat zij zag, wat ze dacht, trachten de aard van haar optreden te begrijpen - als het al een optreden was. Wat zouden de antwoorden hem vertellen?

En toen, abrupt als de rugvin van een haai die boven water kwam, onderging hij het waanzinnige gevoel dat Suma in die kamer was, dat ze hem samen hierheen hadden gelokt om hem te vermoorden. Plotseling voelde hij zich hier, in dit vreemde appartement, met deze spookachtige Japanse vrouw tot wie hij zich onbegrijpelijk krachtig voelde aangetrokken en voor wie hij een onverklaarbare angst voelde, naakter dan zij, zo kwetsbaar dat hij huiverde. Hij had in staat moeten zijn om het aura van Suma - of van wie dan ook - te voelen, maar hij ontmoette slechts ondoordringbare duisternis. Overweldigd door de wee makende stank van de chaos die zijn begrip van de wereld deed ineenstorten, trok hij zich terug op de met sneeuw bedekte brandtrap en schoot toen de overloop weer op. Hij legde zijn hand op de zwetende trapleuning - of misschien was het zijn hand wel die zweette

- en liep de trap af naar buiten.

Hij huiverde; de kou leek plotseling tot in zijn diepste binnenste door te dringen. Maar toch kon hij nog niet vertrekken. Hij staarde naar Chika's appartement. Zijn instinct zei hem dat hij een heel knap opgezette val had weten te ontwijken en dat hij nu een unieke kans had om zijn belagers in hun eigen val te laten lopen.

Wacht, dacht hij, geduld. Kijk wie er naar buiten komt.

Binnen twintig minuten gingen de lichten in het appartement uit en vlak daarop kwam Chika het gebouw uit. Er was niemand bij haar en hij was er nu plotseling van overtuigd dat ze daar alleen binnen was geweest. Het was alsof hij, met haar op straat, geen enkel probleem meer had om het appartement af te tasten en het ontbreken van een aura te voelen. Ze was ongeveer hetzelfde gekleed als gisteren: hoge hakken, een zwart microjurkje, een oversized pilotenjack. Ze had haar zwarte leren tas over haar schouder gegooid en ze zocht er nu even in alvorens in oostelijke richting weg te lopen, weg van waar Wolf in de schaduw van een portiek verborgen stond. Haar hakken maakten doffe geluiden op het met smeltende sneeuw bedekte trottoir.

Hij ging achter haar aan. De sneeuw viel nu weer in dichtere vlokken en de lucht zag er fragiel en poederachtig uit - oud tandvlees met daarin losjes de rottende tanden van Manhattans afbrokkelende gebouwen. Toen hij de hoek omsloeg, zag hij haar twee blokken verder over de Avenue stappen. Ze liep dwars door de stoomwolken heen die uit de rioolputten opdwarrelden, zodat ze af en toe alleen nog een silhouet was. Hij hoefde haar niet in het zicht te houden; het geluid van haar verchroomde hakken op het trottoir was voldoende om hem te leiden.

Bij East Second Street sloeg ze in westelijke richting af. Hij was onder de indruk van haar zelfverzekerde houding, alsof ze niets en niemand te vrezen had in deze omgeving. Hij merkte dat de afstand tussen hen kleiner werd en liet zich wat terugvallen.

Toen hij haar weer zag, bleek dat ze door een paar schoffies was staande gehouden. Ze droegen honkbaljacks, basketballschoenen en zwarte spijkerbroeken - het uniform van de straat. De zijkanten van hun hoofd waren geschoren, maar verder hadden ze hoog, borstelig haar dat glansde van de gel. Een van hen had een slagersmes met een dertig centimeter lang lemmet, de ander een hockeystick waaraan met zwarte tape scheermesjes waren bevestigd.

De jongen met de bewerkte stick sloeg er ongeduldig mee op het trottoir, terwijl zijn maat het mes in een boog langs haar borsten en vervolgens langs haar onderbuik liet dansen. De jongens lachten uitgelaten. Wolf vroeg zich af wat voor combinatie van drugs zij nu weer hadden geslikt. De knapen stonden nu vlak bij Chika en Wolf wist dat hij een beslissing moest nemen. Hij wilde zich niet laten zien, maar hij kon ook niet toelaten dat die kleine klootzakken haar zouden verwonden. Hij stond net te bedenken wat voor smoes hij zou kunnen verzinnen om haar te helpen, toen ze de beslissing voor hem uit handen nam.

Chika haalde haar linkerhand uit haar jaszak en Wolf zag de glinstering van een pistool. Het was van geblauwd staal, het vertrouwde, ambachtelijke model van de beroeps. Het was duidelijk, uit de manier waarop ze stond, haar benen gespreid, het pistool eerst op het hoofd van de een, dan van de ander gericht, dat ze precies wist wat ze deed. Ze zei iets tegen de jongens dat hen kennelijk nog meer de stuipen op het lijf jaagde dan het wapen, want de knaap met de hockeystick liet zijn wapen vallen en ze gingen er beiden als dollen vandoor.

Ze bleef in haar positie staan tot ze er zeker van was dat de schoffies niet terug zouden keren, stopte het pistool toen terug in haar jaszak, maar bleef haar hand erop houden. Wolf besefte nu dat ze haar hand er al op had gehouden sinds ze het gebouw aan East Sixth Street was uitgekomen. Hij volgde haar weer en zag haar in noordelijke richting afslaan toen ze op Second Avenue kwam. Ze hield stil voor de gevel van een begrafenisondernemer. De naam op de ruit was onleesbaar; ze waren hier midden in het Oekraïense district. Door het dikke, gele, gebobbelde glas aan weerskanten van de houten voordeuren stroomde licht naar buiten. Het trottoir stond vol zwervers, die schuifelend, mompelend, voor zich uit starend in een slordige rij stonden die eindigde bij de voordeuren van de rouwkamer. Daar stond een corpulente, zwetende begrafenisondernemer voedsel aan hen uit te delen. Wolf sloeg de man enkele ogenblikken gade en zag allerlei gevoelens over zijn vlakke gelaat trekken: afkeer, medelijden, opluchting, voldoening. Het was vreemd, zo'n man die overdag de doden verzorgde en dan 's nachts de levenden voedde, maar het had een wrede symmetrie die precies bij deze keiharde stad paste, een rauw soort gerechtigheid. Wolf trok zich terug in de schaduwen van een portiek, vlak voordat Chika snel om zich heen keek. Hij vloekte toen hij over een man struikelde die daar gehuld in kranten en in een walm van alcohol lag te slapen.

'Mijn huis uit,' gromde de man in de kranten hees. 'Zoek zelf maar een plekje.'

Wolf keek de straat in en zag nog net hoe een lijkwagen zonder nummerbord voor de begrafenisonderneming tot stilstand kwam. Het was een gloednieuwe auto, zwart met veel chroom, en hij glom als een biljartbal in het schrille, gelige licht.

De krantenman begon nu enigszins krachteloos naar Wolfs schenen te trappen. Chika stapte elegant van de stoep, opende tot Wolfs verbazing de achterdeur van de lijkwagen en klom naar binnen. De lijkwagen trok op.

'Klootzak,' zei Wolf, het portiek uit stappend terwijl de wagen in het vrachtverkeer verdween dat ronkend de stad inreed.