Het heiligdom
Tokio/New York
De Waterspin stak de kleine, kalme vijver over; zonder geluid of ook maar een gevoel van beweging ging hij van rots naar rots. Het verschijnen van de Waterspin vanuit de blauwe winterschaduw aan de overkant van de vijver was prachtig om te zien - en behoorlijk angstaanjagend. De platte, grijze stenen waren bedekt met mos, dat er in dit jaargetijde bruin en korrelig uitzag, maar de Waterspin leek het levende tapijt nauwelijks te beroeren. De vijver lag in een kleine, maar uiterst zorgvuldig ontworpen tuin, die aan alle kanten was omgeven door de als een futuristisch bos omhoog stekende staalconstructies van Tokio's wolkenkrabbers. Er bevonden zich twee mensen in de tuin: een man gekleed in een donkergrijs krijtstreepkostuum, met zwarte instapschoenen en een dun gouden polshorloge; en een vrouw in een zijden kimono. De man stond vlak naast een grote zwerfkei die op de kop van een bloembed met slapende azalea's lag. Achter hem en iets naar rechts, zat de vrouw in de kimono geknield, haar hoofd gebogen en haar sneeuwwitte handen onderdanig in haar schoot gevouwen, haar ogen gesloten alsof ze in een zelfde winterslaap verkeerde als de azalea's. Voor haar stond een zwart gelakt dienblad met daarop de ingrediënten voor de chado, de formele theeceremonie. De kimono, die soepel om haar lichaam viel, was van een zilver dat opgloeide in het bleke zonlicht. Hij was geborduurd met feniksen, wier rode en zwarte pluimage bij de minste beweging tot leven kwam.
Nishitsu wist altijd weer mooie vrouwen om zich heen te verzamelen, dacht de Waterspin.
Naoharu Nishitsu was een slanke, gespierde man van begin zestig met een keurige snor, zware wenkbrauwen en een ijzeren gestel. De iris van zijn rechteroog was volkomen wit - niet melkwit, zoals je weieens bij blinden ziet, maar meer het luisterrijke wit van een parel.
Achter Nishitsu en zijn vrouwelijke gezelschap, in de tatami-kamer die uitkeek op deze onberispelijke stadsoase, liepen mannen in donkere pakken en met zonnebrillen op rusteloos heen en weer. Ze waren ongetwijfeld gewapend en hadden de broedende blikken van de beroeps. Nishitsu was nooit zonder een handvol lijfwachten, zelfs hier in Verboden Dromen, waar zijn woord wet was.
Er werd gezegd dat de man nooit zijn stem verhief, maar ja, daar had hij ook geen reden voor; zijn woede manifesteerde zich wanneer nodig op een voelbaar fysieke manier. Dat mocht dan voor een deel Nishitsu's angstaanjagende voorkomen uitmaken, het was ook waar dat er een intensiteit van hem uitging die nog het best te vergelijken was met de opeenhoping van zwaartekracht rond een zwart gat.
'U heeft me ontboden en ik ben gekomen,' zei de Waterspin, toen hij voor Nishitsu tot stilstand kwam. Zijn naam was Mizusumashi Kafu, hetgeen letterlijk 'waterspin' betekende, maar bij zijn vrienden stond hij bekend als Suma. Hij had het gezicht van een roofvogel, een schepsel dat zich buiten de grenzen van de zwaartekracht bewoog en dat alleen door wind, zout en zon werd belaagd. Zijn scherpe gezicht werd omlijst door zout-en-peperkleurig haar en onder de zware wenkbrauwen lagen ogen die, omdat ze nooit schenen te bewegen, meer op gaten in het vlees leken. Toch namen ze alles uit zijn onmiddellijke omgeving in zich op.
Suma was gekleed in een zwarte broek, schoenen met papierdunne zolen en een strak T-shirt dat zijn-gewelfde borst goed deed uitkomen. Het buitengewone aan hem was dat hij zo goed het gevoel van dreiging kon maskeren, dat andere keren zo tastbaar was dat het bijna pijn deed. Misschien had het iets te maken met zijn afmetingen; hij was zelfs voor een Japanner erg klein. Hij had zijn gebrek aan lengte altijd in zijn voordeel weten te gebruiken en Nishitsu was van mening dat de Waterspin zijn kleinheid koesterde omdat het iets vrouwelijks had. De Waterspin bezat die zeldzame combinatie van koha - de gretigheid om de spirituele beproeving van het man zijn te ervaren - en ninkyo - een persoonlijke erecode. Ninkyo was totaal iets anders dan de Westerse definitie van rechtvaardigheid, die onpersoonlijk was, objectief; ninkyo was uitsluitend gebaseerd op zijn banden met het Genootschap van het Zwarte Zwaard.
De thee kwam er aan, een lang, complex en ontspannend ritueel voor de twee mannen, omdat het, meer dan woorden ooit konden, het respect dat zij voor elkaar hadden bevestigde. Hoewel de Waterspin geen man was voor sociale beleefdheden, schiep hij toch net als Nishitsu genoegen in deze ceremonie van eerbied. Ook kon hij waardering opbrengen voor de nauwgezette, vaardige manier waarop de vrouw de thee zette, haar opdiende, zich als een origami vouwde en zwijgend wachtte tot ze hun kopjes geleegd hadden, om ze dan ongevraagd weer te vullen. Hij benijdde Nishitsu deze vrouw; de manier waarop ze zichzelf volkomen wegcijferde, was zeldzaam in deze moderne wereld.
'De Toshin Kuro Kosai - het Genootschap van het Zwarte Zwaard verwelkomt je in haar midden, Suma-san.' Nishitsu zette zijn kopje neer. Suma boog zijn hoofd net iets meer dan Nishitsu, precies genoeg om zijn eerbied te tonen. 'U heeft me hierheen geroepen,' zei hij. 'Er is iets gebeurd.'
'Dat kun je wel zeggen,' zei Nishitsu.
Welke buitenstaander kon bevroeden wat voor enorme macht in dit heiligdom schuilging, dacht Nishitsu. De Toshin Kuro Kosai - het Genoot-schap van het Zwarte Zwaard - was onzichtbaar voor de wereld daarbuiten, volkomen afgeschermd, terwijl wij, de bevoorrechte mensen in zijn midden, druk bezig zijn ons web van macht te spinnen en in de schaduwen de verovering van de wereld voor te bereiden. Geen mens zou het ooit begrijpen, en dat was ook de uiteindelijke kracht van ons genootschap. Geen inmenging van buitenaf, niemand die tegen ons opstond.
Zelfs voor ons lijken nu de tijden te veranderen. Ooit hadden we volop tijd gehad - veel meer dan alleen maar een mensenleven - om het perfecte plan te ontwikkelen om de vleugels van onze invloed tot het uiterste te spreiden, ondenkbaar voor beperktere geesten dan de onze. Nu was Tijd - een eindig begrip waarvan we de grenzen vanouds hadden verlegd - een factor geworden, een verraderlijk spook dat ons belaagde alsof we gewone stervelingen waren. De implicaties waren angstaanjagend. Al onze dromen, eeuwenlang in duisternis gekoesterd, zouden tot stof worden als de zeis van de tijd ons velde.
Niets van dit alles werd natuurlijk aan Suma verteld. Wat Nishitsu zei, was: 'Suma-san, het lijkt erop dat we je vaardigheden in Amerika nodig hebben.'
Er klonk een gezoem als van krekels, maar het was winter en er waren geen insekten. Direct daarop begreep Nishitsu dat het gezoem van Suma afkomstig was.
'U hoeft het maar te vragen,' zei de Waterspin.
'Het is een complexe opdracht,' zei Nishitsu. 'Het kan wel enige maanden in beslag nemen.'
'Des te beter,' zei Suma. Hij zag eruit of hij zijn lippen zou gaan aflikken.
'Er is één probleem,' zei Nishitsu. 'Je zult moeten samenwerken met een agent die reeds ter plekke is.'
Suma keek hem fronsend aan. 'Dat is niet mijn methode.'
'Andere tijden vragen om andere methoden,' zei Nishitsu streng. 'Het is onze plicht ons aan te passen, zoals de wilg zich aanpast aan het veranderende weer.'
'Hai!' Suma boog. 'Ik begrijp het.'
'Dat hoop ik oprecht,' zei Nishitsu, 'want ons wacht stormachtig weer. Door omstandigheden die we niet zelf in de hand hebben, zijn we in de finale fase gekomen en elke stap die we nu zetten, is cruciaal.'
'Ik zal u niet teleurstellen, Nishitsu-san.'
'Nee,' zei Nishitsu, terwijl hij naar het gebogen hoofd van de Waterspin keek. 'Dat denk ik ook niet.'
Lawrence Moravia lag op een tapijt, waarvan de prijs het jaarsalaris van menigeen te boven ging. Dat kon hem niets schelen, want hij zag het als een symbool, een van de vele die hij verzamelde, als een keurbende van persoonlijke bewakers. Hij was vele malen miljonair en voelde het als een diepe plicht om het steeds kleiner wordende aantal echte kunstenaars en ambachtslieden aan het werk te houden.
Als self-made miljonair had hij geleerd dat het hebben van zoveel geld je buiten het normale dagelijkse leven plaatste. Mensen, onaantrekkelijk en corrupt, mooi en roofzuchtig, kwamen op de geur van het geld af als een beer op de honing. Hij nam maar aan dat ze het ook niet konden helpen; net als de honden van Pavlov waren ze zo geprogrammeerd, verslaafd aan het idee van rijkdom.
Hij had afdoende met deze haaien afgerekend, zoals hij dat ook had gedaan met het veranderende aanzicht van zijn beroep, projectontwikkelaar. Van alle grote projectontwikkelaars in New York had alleen Lawrence Moravia de voorzienigheid gehad om in de bloeiende jaren tachtig enorme hoeveelheden geld weg te zetten voor wat hij al voorzag als de magere jaren negentig. Aan elk feest komt een eind, dat was de eerste en enige regel die hem was ingehamerd door de man die hem wegwijs had gemaakt in de stedelijke projectontwikkeling.
Terwijl het zakelijk leven van de andere ontwikkelaars aan een zijden draadje hing of ze hun toevlucht zochten in de troebele wateren van een faillissement, ging Moravia gewoon door met geld verdienen. Geld. Het was heel gemakkelijk om te zeggen dat geld je niets deed als je er zoveel van had dat je het onmogelijk tijdens je eigen leven kon opmaken. Enkele jaren geleden was hij echter toch tot het besef gekomen dat datgene waarmee hij bezig was niet langer een vonk deed overspringen. Dat had het aanbod uiteindelijk zo intrigerend gemaakt, want hij had direct ingezien dat waar hij zich dan mee in zou laten de opwinding zou brengen waar hij naar hongerde. En hij kon ook hun standpunt begrijpen: hij was de ideale man voor de klus die zij in gedachten hadden. Hij was een man met een onschuldig bedrijf, die vele jaren in Japan had gewoond, de taal vloeiend sprak, er vele contacten en vrienden had, Japanse produktie-en marketingtechnieken had toegepast en dus helemaal was afgestemd op de Japanse manier van denken. Hij was tevens rijk genoeg om de aandacht van de juiste mensen te trekken en daarmee een uitnodiging te krijgen voor Verboden Dromen.
Natuurlijk was het belangrijkste dat hij Naoharu Nishitsu, de leider van Japans machtige en ongelooflijk rijke Liberaal-Democratische Partij, al kende. De twee hadden een aantal zakelijke contacten gehad die mede hadden bijgedragen aan Moravia's rijkdom en die Nishitsu toegang hadden gegeven tot bepaalde contacten in New York, waar hij het vandaag de dag vaak moelijk vond om zaken te doen.
Nishitsu was duidelijk meer dan hij leek; hij was in feite de sleutel tot de wereld die Moravia in het geheim zou moeten gaan onderzoeken. Hem was voorgesteld spion te worden; een aanbod dat hij onweerstaanbaar vond. Bovendien zag hij er geen enkel bezwaar in om samen te spannen teneinde Nishitsu ten val te brengen. Nishitsu had zo veel mensen vernietigd dat het niet langer mogelijk was ze te tellen. En bovendien had hij via zijn enorme invloed op het politieke klimaat van zijn land de levens van talloze anderen in de war gegooid, zelfs zonder dat ze zich daar ooit bewust van werden. Nishitsu had een geheim leven, net als Moravia zelf, en nu werd aan Moravia gevraagd die geheimen aan het licht te brengen. Het was gevaarlijk werk, zonder meer, maar daardoor juist des te opwindender. Moravia keek nu toe terwijl een mooie Japanse vrouw, bijna een meisje nog, hem een nieuw glas drank kwam brengen. Ze deed dat zonder dat hij erom gevraagd had. Dat was de Japanse manier, een van de redenen dat hij zich als jongeman zo tot Japan aangetrokken had gevoeld. Terwijl ze, naakt, naast hem kwam zitten in de kleine, raamloze kamer, werd ze een van de kunstwerken waarmee deze kamer was ingericht. Ze glimlachte die oprechte maar lege glimlach die het symbool was van het moderne Japan. Hij ging voor zichzelf na in hoeverre ze leek op dat eerste Japanse meisje dat hij als jongeman in New York ontmoet had. Ze had zo'n fris gezicht gehad, terwijl ze in de arena van de seks alles had gedaan wat hij verlangd had. Ze had hem betoverd, hem mee teruggelokt naar Japan, en ze had hem bijna zover gekregen dat hij met haar getrouwd was. Maar net op tijd was hij teruggekrabbeld en sindsdien had hij een huwelijk nooit meer overwogen.
Ooit had hij gedacht dat het zijn grote rijkdom was die in de weg stond van een langdurige relatie met een vrouw. Nu wist hij wel beter. Het was zijn geheime leven, het leven dat zich 's nachts voor hem opende als een papaver, wiens kus al zijn heerlijke dromen tot leven kon brengen. En er was geen betere plek dan Tokio om onder te gaan in zijn hang naar seksuele overdaad.
Hij pakte het rode zijden koord en wikkelde het om zijn hand. Zachtjes trok hij eraan en de vrouw, met het andere uiteinde van het koord om haar enkel gebonden, werd dichter naar hem toegetrokken. Hij stond op, stapte weg van de behaaglijke sofa en bracht haar naar de ingetogenheid van een harde, armloze stoel met lattenrug. Hij gaf een ruk aan het zijden koord en ze ging schrijlings op de stoel zitten, met haar gezicht naar de rugleuning. Hij knielde, bond toen één enkel en daarna de andere aan de stoelpoten vast. Nu begon hij aan het prettigste werk, gebruikmakend van nog meer stukken zijden koord. Toen hij klaar was, was ze rond haar nek, polsen, middel, borsten, rond haar ogen en geopende mond vastgebonden in een ingewikkeld geheel van strakke lussen en knopen dat samen met haar gladde, stevige vlees een soort kunstwerk vormde, een levende sculptuur die zowel esthetisch aangenaam als seksueel opwindend was. Haar hulpeloosheid - en haar plezier daarin - oefende een onweerstaanbare erotische aantrekkingskracht op Moravia uit. Hij stond naakt achter haar, zijn handen op haar schouders, in het besef dat ze zich niet kon bewegen, zelfs al zou ze dat willen. Natuurlijk wilde ze dat niet. Zijn handen gleden langs haar gebonden rug omlaag, streelden de zijkanten en grepen toen haar bekken beet. Zijn knieën gebogen tot hij de juiste hoogte had, trok hij aan de strak gespannen koorden en ging bij haar binnen.
Ze snakte door de zijde heen naar adem en liet haar hoofd achterover op zijn borst vallen. Ze was ademloos en voelde hem daarom des te dieper in zich. Maar een dergelijk verhoogd genot kon niet lang duren en het was voor beiden te snel voorbij. Nou ja, dacht hij, terwijl hij haar borsten met de harde tepels vastpakte, na de nu eenmaal onvermijdelijke rustpauze zou er meer volgen - hij wist dat zij gereed was om direct verder te gaan. Moravia, die net terug was van een bezoek aan Tokio, werd besprongen door herinneringen aan zijn laatste nacht daar, die hij had doorgebracht met een meisje met de naam Evan. Hij realiseerde zich dat hij daarnet in alle opzichten geprobeerd had zijn ervaringen met de buitengewone Evan te herhalen. Ze hadden te zamen zijn nieuw hervonden uithoudingsvermogen tot in de kleine uurtjes gevierd. Pas toen hij eindelijk volkomen verzadigd was, had een discreet klopje op de fusuma de komst van Naoharu Nishitsu aangekondigd.
Het viel Moravia op dat Evan zo diep boog toen Nishitsu binnenkwam, dat haar voorhoofd de tatami raakte, alsof Nishitsu de sjogun van het feodale Japan was. Toen ze haar hoofd weer omhoog bracht, gaf Moravia haar een teken defusumate sluiten. Tot zijn niet geringe ergernis had ze Nishitsu aangekeken ter bevestiging van zijn opdracht. Een minieme buiging van zijn hoofd, en ze deed de schuifdeur dicht.
De ongerijmdheid van de situatie was Moravia niet ontgaan: Nishitsu, de traditionalist, in een keurig Westers pak met das, en hij, de westerling, in een traditionele zijden kimono.
Nishitsu keek met zijn spookachtige, melkglazen oog Moravia aan en ze wikkelden het ritueel van de formele begroeting af. Evan bracht thee. Hoewel het geen groene thee was en hij niet met de hand tot schuim geslagen was, accepteerde Nishitsu toch vol dank het kopje.
'Moravia-san, mijn vriend,' zei hij, toen ze hun kopje leeg hadden en Evan ze weer had bijgevuld, 'ik bied je mijn verontschuldigingen aan voor het onderbreken van je geneugten, maar ik heb vernomen dat je over een paar dagen je verjaardag viert.'
'Dat is zo, Nishitsu-san,' zei Moravia, op zo eerbiedig mogelijke toon.
'Het verbaast me echter dat zo'n onbetekenend feit u interesseert.'
Nishitsu had zo stil en kaarsrecht als een soldaat gezeten. Het theekopje ging verscholen in de palmen van zijn eeltige handen. Voor iemand die wat meer van Japan af wist, was het duidelijk dat die handen jarenlang karatetraining op hout, metaal, steen en heet zand achter de rug hadden.
'Zoals u ongetwijfeld weet,' had Nishitsu gezegd, 'hechten we in Japan grote betekenis aan tijdsmarkeringen. En welke markering is belangrijker dan de dag van je geboorte? We zullen hem vieren.'
Moravia boog, oprecht ingenomen. 'Dank u, Nishitsu-san.'
Nishitsu maakte een nauwelijks merkbare buiging, stond toen op en verliet de kamer, waarna de atmosfeer nog enige tijd doortrokken bleef van zijn indrukwekkende aanwezigheid.
Wat een feest was die laatste nacht in Tokio geweest! Evan was slechts het voorgerecht geweest. Hij had de hele avond zitten eten en drinken en feestvieren met Nishitsu en enkele intimi uit Verboden Dromen. En toen ten slotte de hemel van roze-zwart naar paarlemoer kleurde en de andere leden van het gezelschap vertrokken of stomdronken waren, had Nishitsu hem overeind getrokken en gezegd: 'Het feest is nog niet voorbij, Moraviasan.'
Hij en Nishitsu hadden hun overjassen omgeslagen en waren de straat opgelopen. Er stond een taxi op hem te wachten en hij klom door de automatisch geopende deuren naar binnen. Half dronken had hij zich omgedraaid, om Nishitsu op de stoep te zien staan.
'Gaat u niet mee?'
'Deze keer niet.' Nishitsu had hem een van zijn zeldzame glimlachjes geschonken. 'Geniet er maar van, Moravia-san. Prettige verjaardag!'
De deur schoof dicht en de taxi reed weg. De wind, die door de half geopende raampjes naar binnen woei, bracht hem weer enigszins bij zijn positieven en tegen de tijd dat de taxi stopte, voelde hij zich een stuk opgeknapt. Hij stapte uit en zag dat hij zich in een pakhuisdistrict vlak bij de rivier de Sumida bevond. Er hing een sterke geur van vis, felle lichten bestookten de lichter wordende hemel boven de daken van de pakhuizen en hij nam aan dat hij in de buurt van Tsukiji was, Tokio's enorme vismarkt. In de ingang van een van de pakhuizen stond een vrouw op hem te wachten. Een kale peer liet gouden licht over haar voeten vallen.
'Lawrence-san.'
Hij liep op de vrouw af en herkende haar toen. 'Minako-san.' Ze was een prachtige vrouw van onbestemde leeftijd, die Nishitsu hem ongeveer een jaar geleden in een schitterend restaurant hoog boven de Ginza had voorgesteld. Ze leek ongebonden en heel nieuwsgierig om nu eens uit de eerste hand een Amerikaan te leren kennen. Hij had zich gevleid gevoeld en ze waren, op de Japanse manier, vrienden geworden. Er was tussen hen geen seks geweest, maar meer het genot van geborgenheid ver van huis. Minako lachte toen ze zijn verwilderde blik zag. 'Arme Lawrence-san,'
zei ze. 'Van het kastje naar de muur gestuurd.' Ze nam hem gemoedelijk bij de arm en leidde hem het pakhuis in. 'Hoe is je verjaardag geweest?'
'Gedenkwaardig,' mompelde hij.
'Goed. Dan mogen we je nu dus vooral niet teleurstellen.'
Ze stapten in een gigantische, chroomstalen lift die hen vrijwel geruisloos omhoog bracht. Hij rook olie en ontsmettingsmiddel en vroeg zich af waar hij was.
De lift bracht hen naar de derde verdieping, waar Minako hem door een gang leidde die naar zaagsel en warme machines rook.
In een kamer die kleiner was dan hij in een dergelijk gebouw verwachtte, zag hij een matzwarte kubus op een verrijdbaar plateau. Het deed hem vreemd genoeg denken aan een illustratie die hij eens had gezien van Humpty Dumpty op zijn muur. De kubus zat vol met allerlei interfaces en had aan de voorkant een soort computerscherm.
'Lawrence-san,' zei Minako, 'mag ik je voorstellen aan het Orakel.' Na deze woorden drukte ze op een kleine afstandbediening en, als beroerd door de hand van een ongeziene goochelaar, kwam het Orakel tot leven.
'GEGROET, MORAVIA-SAN,' klonk een stem die ontegenzeglijk uit de matzwarte kubus opsteeg. '!K HEB AL ENIGE TIJD NAAR DIT MOMENT UITGEZIEN.'
Moravia had geprobeerd niet verbaasd te kijken. Uit zijn ooghoek kon hij zien hoe een flauwe glimlach Minako's op elkaar geklemde lippen krulde. Toen gromde hij, geïrriteerd door zijn kortstondige onbehagen. 'Zeker een voorbespeeld bandje.'
'IK MOET DEZE VERONDERSTELLING RECHTZETTEN,' zei het Orakel. 'HOEWEL IK IN STAAT BEN GESPREKKEN OP TE NEMEN EN ZE OP VERZOEK WEER TE GEVEN.'
Moravia staarde naar het ding in een poging het te doorgronden. Maar het kwam erop neer dat hij probeerde het onkenbare te kennen. Hij was erop af gelopen. 'Vertel me eens wat meer over dit ding,' zei hij tegen Minako.
Het Orakel gaf hem zelf het antwoord. '!KKOM VOORTUITEEN COMBINATIE VAN HEURISTISCHE NEUROLOGISCHE CIRCUITS EN EEN TOTAAL NIEUWE TECH-NIEK, GENAAMD LAPID. LAPID IS EEN ACRONIEM VOOR LlCHTCHIP/PRISMA GESTUURDE DATABANK. MET ANDERE WOORDEN -.'
'Genoeg!' zei Minako scherp, maar liet er vervolgens glimlachend op volgen: 'Als je hem z'n gang laat gaan, blijft hij bezig met dit soort saaie uitleg.'
Moravia deed nog een stap naar voren en tuurde nu in het gezicht van de kubus. 'Maar wat ben je!'
'PRECIES WAT JE DENKT,' zei het Orakel. 'EEN LEVENSVORM.'
Na een korte stilte zei Moravia: 'Ik ben een levensvorm. Jij niet.'
'IK MAG ER, NEEM IK AAN, VAN UITGAAN DAT JE NIET LANGER DENKT DAT JE MET EEN SOORT TAPE-RECORDER SPREEKT.'
Moravia wist niet of hij moest lachen in stille pret of vanwege zijn eigen begerigheid. Hij staarde zwijgend naar het Orakel.
'HOE HET OOK ZIJ, HET LIJKT IN IEDER GEVAL DUIDELIJK DAT WE EEN GESPREK VOEREN,' zei het Orakel op vriendelijke toon.
'Een gesprek, ja.'
'MAAR MET WAT?'
Moravia, die stomverbaasd was dat het Orakel hem te slim af was, kon even geen woord uitbrengen.
'PRAAT JE MET EEN ROTS, EEN BOOM, EEN GRASSPRIET, MORAVIA-SAN ? BEN
JE MISSCHIEN GEK AAN HET WORDEN?'
'Doe niet zo belachelijk,' had Moravia gezegd. Het was eruit voor hij er erg in had. Hij beet op zijn lip, zijn gezicht gespannen door de implicaties van deze discussie.
'!K BEN EEN LEVENSVORM,' zei het Orakel.
'Maar je bent niet levend,'' had Moravia gezegd. 'Je hebt geen levend weefsel of organen in je binnenste.'
'!K DENK, DUS IK BESTA,' had het Orakel met een simpele maar onweerlegbare logica geantwoord. 'JE HEBT TROUWENS OOK DEZE KEER ONGELIJK, MORAVIA-SAN. DE VOOR MIJ ONTWIKKELDE LAPID-TECHNOLOGIE OMVAT OOK EEN HOEVEELHEID MENSELIJK DNA, DIE IK VOORTDUREND AFBREEK EN ANALYSEER. DUS ZOALS JE MERKT, HEB IK OOK LEVEN ZOALS JIJ DAT KENT.'
'Fladderend als een vlinder in een jampot,' had Moravia zachtjes gezegd.
'Wat?' zei Minako, die het niet goed verstaan had.
'PRECIES,' zei het Orakel, dat het wel had gehoord.
Nu glimlachte Moravia. 'Goed dan,' zei hij, als een sumo-worstelaar voor het apparaat staand, 'wat denk je voor me te kunnen doen?'
'WAT JE WILT, is AL GESCHIED,' zei het Orakel, op de toon van een ondeugend kind. Nu was hij terug in New York, een spion in wanhoop, vastgeklampt aan heerlijk warm vlees, wachtend op de roep van zijn meester en ondertussen het beste ervan makend. Nishitsu had ongewild de deuren naar een verborgen heiligdom geopend en Moravia had alle informatie in zich opgenomen die hij kon. En er was almaar meer geweest! Zo veel, in feite, dat hij een gecodeerde fax had gestuurd met het verzoek tot een informatief gesprek onder vier ogen. Dat was een gevaarlijk precedent dat tegen alle regels inging die hem bij zijn indiensttreding waren geleerd, maar, zo voelde hij het, gerechtvaardigd gezien de buitengewone aard van zijn nieuwste gegevens betreffende het Orakel. Dat was het moment dat hij iets, niet meer dan een schaduw, in de uiterste hoek van zijn blikveld opving. Het had veel weg van de sensatie die iemand ondergaat als hij midden op de dag in slaap valt en 's nachts wakker wordt. Misschien voelde hij de prik van een naald, maar als dat al zo was, dan leek het zacht en ver weg, alsof het niets met hem te maken had. Zijn ogen, half geloken, de blik wazig in de naweeën van zijn vrijpartij, ontwaarden slechts een vage duisternis, alsof hij, zwemmend in diep water, plotseling omlaag was getrokken naar een duisternis die dikker en stiller was dan hij zich ooit had kunnen voorstellen.
Hij werd duizelig en misselijk wakker. Hij had in zijn leven genoeg drugs geprobeerd om te weten dat er iets heel krachtigs in zijn aderen zwom. Hij probeerde zich ertegen te verzetten, maar het was nutteloos. Hij draaide zijn hoofd om en merkte toen loom dat hij niet langer thuis was, maar naar zijn kantoor was gebracht. Ontvoerd - maar je kon iemand toch niet ontvoeren naar een plek die van diegene zelfwas?
Hij werd zich bewust van een beweging, draaide zijn hoofd in die richting en werd beloond met een duizelig makend gewiebel van richting en dimensie. Hij werd inderdaad misselijk. Hij kokhalsde, probeerde te kotsen, maar had zelfs daar de kracht niet voor. Het was een wonder dat de lucht nog in en uit zijn longen stroomde.
Hij zag iemand als een rog op hem af komen zwemmen. 'Wie -?' Grote vleugels ontvouwden zich, een gemene, van weerhaken voorziene staart ging op en neer, op en neer. Moravia probeerde te schreeuwen, maar er zat iets in zijn keel - nee, in zijn mond, zacht katoen, zoveel dat hij het niet weg kon bijten. Hij probeerde het eruit te krijgen, kokhalsde weer onwillekeurig, maar slaagde er niet in zich ervan te ontdoen.
'Hoe voelt dat?' zei een stem - mannelijk? vrouwelijk? hij kon het met geen mogelijkheid zeggen. 'Om zo hulpeloos te zijn?'
Moravia sloot zijn ogen en probeerde iets van zijn nieuwe kracht, vitaliteit, uithoudingsvermogen te gebruiken om de innerlijke banden te breken die hem op de een of andere manier vasthielden, maar het enige dat hij ermee bereikte was dat zijn hart zo snel ging kloppen dat de spier pijn begon te doen. Hij tuurde met toegeknepen ogen naar de enorme, dreigende vorm van de rog, almaar met zijn ogen knipperend om een helderder beeld te krijgen.
'Hier, laat me je helpen.' Hij werd opgetild als een baby, zijn hoofd in een schoot. 'Wil je weten wie ik ben, Moravia? Dan zal ik het je vertellen, zoals ik het tegen allemaal zeg.' Hoezo allemaal, dacht Moravia wazig. 'Elke ochtend bid ik tot de goden om verlichting, want verlichting schept succes. Er zijn er die beweren dat de goden me afwijzen omdat ik onrein ben, bevlekt als ik ben door het bloed dat ik met eigen handen heb veroorzaakt. Tegen hen zeg ik: laat de goden maar doen wat ze willen - ik heb geen controle over wat ze denken of doen. Maar ik zal niet ophouden te bidden; wat dat betreft ben ik puur.' Een hand streelde zachtjes over zijn gezicht. 'Én ik heb het bij het rechte eind, Moravia, want ik heb niets dan succes gekend.'
Hij werd heen en weer gewiegd zoals toen hij nog een kind was. 'Dit is alles wat ik ben, wat ik je net verteld heb. De rest is alleen maar versiering, twee boogjes rouge aangebracht op de wangen voordat de belangrijke zaken in het leven aan de orde komen -' Een veegje, delicaat als de aanraking van een vlinder, langs het ene jukbeen, dan het andere.'-Iemands verjaardag bijvoorbeeld... of iemands dood.'
Lippen, zacht als boter, koel als een dauwdruppel, drukten zich op de zijne en toen greep iets zo concreets als een vuist zijn hart beet en rukte eraan met de kracht van een god.
Moravia schreeuwde - probeerde het althans. Zijn geest, die brak als de wolken in een kille noorderwind, beval hem te schreeuwen, maar niets leek meer te werken. Er was alleen pijn, en nu een enorme druk - van binnen naar buiten, onverdraaglijk - die, achtereenvolgens, elk element in zijn machteloze omhulsel dat pompte, ademde, klopte stil legde, en ten slotte ook zijn gedachten.