Elf

New York/Washington/Tokio


'Hij komt eraan,' zei Suma tegen de zwarte man met de kromme benen.

'Bent u klaar om te sterven?'

Hayes Walker Johnson zei niets. Hij lag uitgespreid op de kloostertafel in zijn keuken. Hij was naakt, op een kapotgeknipte Calvin Klein boxershort na, die alleen zijn kruis bedekte, en bedacht hoe vernederend het was om door vreemden zo in je eigen keuken te kijk te worden gezet. Hij voelde zweet, dat als de vinger van een minnares tussen zijn naakte billen gleed. De polsen en enkels van de hoofdcommissaris waren aan de tafelpoten vastgebonden en hij verlangde hevig naar een handdoek of iets dergelijks om zijn naaktheid mee te bedekken. Dat was op een moment als dit natuurlijk een belachelijke gedachte, of misschien ook niet, gegeven het feit dat ietsje verderop op de glimmende tegels zijn vrouw zat, met haar rug tegen de ingebouwde koelkast. Haar hoofd was iets omhoog geheven en haar mond hing open, en er was zoveel bloed dat het zelfs voor Hayes Walker Johnson onmogelijk was om haar nog langer mooi te vinden. En dat leek een belediging voor hem, een nog ernstiger bedreiging dan de dood, want daarmee verloor hij iets waarvan hij altijd had geloofd dat het exclusief van hem was.

'Mr. Kamiwara is mijn speciale gast,' zei Suma, op de compacte Japanner naast hem wijzend. 'Hij is gek op commissarissen.'

Hayes Walker Johnson draaide zijn hoofd om. 'Waar houdt mr. Kamiwara nog meer van ?' vroeg hij, wetend dat je in dit soort gijzelingstoestanden altijd tijd moest zien te winnen. Hij wilde maar liever niet aan dat andere denken: dat, als ze hem echt hun eigen namen hadden gegeven, ze dus de bedoeling hadden hun dreigement om hem te doden ten uitvoer te brengen.

'Aan bijna alles wat je je maar kunt bedenken,' zei Kamiwara, met een stem vol dreiging. Hij raakte Johnsons billen aan. 'Maar persoonlijk houd ik toch het meeste van drugs bij mijn seks.'

'Hij wil het liefst overal drugs bij,' bevestigde Suma. 'Daar krijgt hij een kick van.'

'Als hij maar komt,' zei Kamiwara, nu tegen Suma.

'Hij komt,' zei Suma. 'Dat heb ik je al gezegd.'

Johnson, die niet aan de verschrikkingen daar verderop in de keuken wilde denken, dwong zijn mond te praten. 'Heb je ook voorkeuren? Wat die drugs betreft, bedoel ik?'

Suma lachte. 'En dat vraagt een politiecommissaris.'

Kamiwara haalde zijn schouders op en zei: 'We zijn hier met vrienden onder elkaar,' en Johnson had hem op dat moment het liefst in elkaar getrapt. Kamiwara draaide zich weer naar hem om en het viel Johnson nu op dat hij eigenlijk maar een heel gewoon gezicht had. 'Aconitine napellus, monnikskap,' zei de compacte Japanner.

Johnson knipperde met zijn ogen. 'Is dat geen vergif?'

'Vergif, verdovend middel of afrodisiacum,' zei Kamiwara. Zijn ogen gingen in een flits naar Johnsons kruis. 'Het hangt er maar van af hoeveel je ervan gebruikt en waar je het mee mengt. Allemaal een kwestie van vakmanschap.' Zijn lippen krulden zich in een akelige parodie op een glimlach. Op dat moment bewoog Kamiwara zijn ogen - en alleen maar zijn ogen

- tot ze op Johnson gecentreerd waren. Johnson kreeg de vreemde sensatie dat hij in ijskoud water werd ondergedompeld, dat het bloed in zijn aderen bevroor, zijn hartslag vertraagde en zijn zenuwen werden verlamd. Doodsbang probeerde hij een andere kant op te kijken - maar kon het niet. Iets blokkeerde die beweging. Hij kon eraan denken, maar verder ook niet. De onnatuurlijk trage hartslag was zo zwaar dat het letterlijk pijn deed en hij dacht in Kamiwara's ogen nu iets van licht te zien, een paar vleugels of boogjes die als kringeltjes groen vuur in de onderste regionen van zijn zwarte irissen opflakkerden. De Japanner stond op een afschuwelijke manier naar hem te glimlachen, alsof ze samen een geheimpje deelden, alsof hij Johnson in zijn vorm van eeuwigheid kon verduurzamen.

'Vind je dit spelletje net zo leuk als ik?' zei Kamiwara, met een stem die als glasscherven binnen in Johnson leek te vibreren.

Suma, die zich totaal niet bewust leek van wat er gebeurde, staarde naar buiten, de achtertuin in. Kamiwara liet zijn blik zakken en Johnson voelde zich op hetzelfde moment bevrijd van die duivelse greep. Het bloed stroomde weer normaal door zijn aderen en bracht een blos op zijn wangen en schouders. Hij had zich daarnet zo koud gevoeld, gevangen in het vreemde zwarte ijs dat door de kleine Kamiwara was geproduceerd, dat hij nauwelijks adem leek te hebben gehaald.

'Houdt mr. Kamiwara ook van coke?' vroeg Johnson met schorre stem, alsof hij een verkoudheid had opgelopen.

Kamiwara keek hem aan met een glimlach die hem inwendig deed huiveren. 'Zoals ik al zei, ik wil alles proberen.'

Johnson wendde zijn hoofd af, maar daarbij viel zijn blik op het lijk van zijn vrouw. Vol afschuw voelde hij het soort morbide fascinatie dat mensen ook tot dodelijke ongelukken aantrok. Het gaf hem ongewild het opgeluchte gevoel dat hij nog in leven was.

Kamiwara had lijntjes coke op het aanrecht uitgelegd en toen hij zich omdraaide om ze op te snuiven, ging Johnson verder met het loswrikken van zijn rechterhand. Hij kon zijn rechterpols langs de onderkant van de tafel wrijven, waar verhuizers een klein stukje versplinterd hadden. Nadat zijn vrouw een van haar duurdere jurken eraan had opengehaald, had ze hem maanden aan zijn kop gezeurd om de tafel te repareren; nu kon die beschadiging weieens zijn redding worden. Hij bewoog zijn pols heen en weer en zaagde zo langzaam het koord door waarmee hij vast zat.

'Je kunt beter ook even een lijntje komen snuiven, anders is alles op,' zei Kamiwara tegen Suma. Hij veegde met zijn duim langs zijn neus en likte de restjes poeder eraf. 'Eén ding is zeker, dit is eersteklas spul.'

Suma bleef onbewogen uit het keukenraam turen.

Kamiwara trok een gezicht en wendde zich tot Johnson. 'Jij een beetje dan?'

Johnson hield op met wrijven en zei niets.

Kamiwara keek hem aan met ogen waarvan de pupillen nu wijd openstonden. 'Je zult niet weten wat je meemaakt.' Hij draaide zich weer om naar het aanrecht. 'Coke zal echter niet genoeg zijn om onze komende misdaden ten uitvoer te brengen,' zei hij. 'We zullen een heel wat krachtiger medicijn nodig hebben om ons daarop voor te bereiden.' Hij haalde een zakje bleek oranje poeder te voorschijn en mengde dat in een glas met wat water en een aantal andere vloeistoffen die hij op een rijtje voor zich op het aanrecht had gezet.

Johnson voelde het koord van zijn rechterpols vallen. Met zijn ogen op de twee mannen gericht schoof hij zijn hand centimeter voor centimeter naar de la in de tafel en trok hem open. Hij voelde het koele heft van het vleesmes tegen zijn handpalm en trok het er uiterst voorzichtig uit. Hij had het nu vast, met de punt naar beneden, door de tafel aan het zicht onttrokken.

'Drinken,' zei Kamiwara en drukte lachend de rand van het glas tegen Johnsons lippen. Toen hij het voor de helft op had, dronk Kamiwara de rest op.

'Kus me.'

Kamiwara's hoofd kwam op hem af en toen hij vlakbij was, spoog Johnson het vocht in zijn gezicht en bracht tegelijkertijd het mes omhoog en weer omlaag, zodat hij Kamiwara's hand aan het tafelblad vastpinde. Kamiwara's mond ging wijd open, maar voor hij een kik kon geven, propte Johnson zijn onderbroek in Kamiwara's keel. Het was echter Johnson die een kreet slaakte. Hij zat nu rechtop en staarde naar Kamiwara's hand, waar het vleesmes dwars door bot, pezen en zenuwen heen stak. Het was onmogelijk, dacht hij, maar er kwam geen druppel bloed uit de wond. En nu tolde Kamiwara's hoofd rond alsof het op een kogelgewricht zat en veranderden die zwarte, dode visse-ogen opnieuw van kleur, net als toen ze hem bevroren hadden. De groene boogjes leken zijn gezicht in een soort duivelse energie op te lichten. Hij kotste de onderbroek uit. Plotseling leek de hele sfeer in de kamer te veranderen, alsof hij tot leven was gekomen, alsof Johnson zich zojuist bewust was geworden van een andere aanwezigheid, diep weggedoken in de schaduwen.

Die ogen hingen nu als zonnen boven hem en hij voelde er een vreemde straling van uitgaan die zijn huid deed prikkelen, door de lagen vlees heen sijpelde en in zijn hersens doordrong.

Johnson snakte naar adem en zakte met heen en weer wiegend bovenlichaam op de tafel ineen. Diep uit zijn binnenste kwam een scheurende pijn en alle lucht leek uit zijn longen te worden weggenomen. Hij deed een wanhopige uitval naar het mes, wilde het alleen nog maar diep in Kamiwara's hart steken.

'Wil je dit soms?' vroeg Kamiwara. 'Hier, pak aan.'

Johnson begon te trillen en zijn ogen puilden bijna uit hun kassen. Het vleesmes kwam omhoog en bewoog nu op eigen kracht, tot het met de punt op Kamiwara's vlees gericht in de lucht bleef hangen.

'Jezus Christus!'

Kamiwara lachte.

Johnson kneep zijn ogen dicht en schudde krachtig zijn hoofd, in een vruchteloze poging helder te worden. Wat Kamiwara net bij hem naar binnen had gegoten, moest wel heel sterk spul geweest zijn. Hij probeerde te ademen, maar leek niet meer te weten hoe dat moest. Er kwamen vlekken voor zijn ogen en zijn stofwisseling leek te zijn verdubbeld, verdriedubbeld. Zijn mond ging open en dicht, met een vreemd, akelig geluid, als van een vis op het droge.

Hallucinaties. Hij had een klein beetje van kleine Kamiwara's giftige mengsel binnengekregen en dit moest het resultaat daarvan zijn - het moest!

Het was de enige verklaring die hij aankon. Hij was high en dit waren hallucinaties die Johnson probeerde nog één keer te schreeuwen toen de interne voorraad zuurstof opraakte. Zijn mond ging wijd open, happend naar lucht, maar niets werkte meer - het was alsof hij uit een ruimtecapsule in de luchtloze ruimte was gestapt.

Wolf en Chika draaiden First Avenue op en reden in westelijke richting naar de omgeving van 80th Street. Ze parkeerden één blok zuidelijk van het huis van de commissaris.

Net zoals eerder met Bobby ging Wolf Chika voor naar de kelder van het pand dat aan de achterkant op Johnsons achtertuin uitkeek. Het zwarte ijzeren hek was op slot, maar Wolf wrikte het slot open en deed hetzelfde met dat van de deur aan de andere kant van de minuscule betonnen binnenplaats. Binnen was het stil. Hij leidde haar door de lange gang de achtertuin in. Aan de andere kant van de tuin bleven ze even staan, net naast het vier meter hoge hek waarachter zich de tuin van de hoofdcommissaris bevond. Wolf duwde het hek open en liep, met Chika vlak achter hem aan, de tuin in.

Terwijl ze tussen de acacia's doorliepen, raakte Chika Wolfs arm aan en zei: 'Er is daarbinnen iets goed mis.'

Ze renden het trapje op, drongen de keuken binnen en hoorden Johnsons vertwijfeld naar adem happen. Wolf zag het asgrauwe gezicht van Johnson en nam op vrijwel hetzelfde moment de hele situatie in zich op: de commissaris naakt op de tafel, de dode vrouw tegen de ijskast en de Japanner die op zijn gemak het lemmet van een vleesmes uit zijn hand loswrikte.

'Christus nog aan toe!'

Hij keek recht in het gezicht van de Japanse schilder waarmee hij had staan praten in het toilet van zijn bureau. Nu begreep Wolf het. Hij zag de pupillen van de nepschilder zich verwijden en een smalle boog van fel groen in de irissen verschijnen en dacht: O God.

'Kamiwara!' zei Chika. En toen tegen Wolf: 'Ga terug. Laat dit aan mij over!'

'Nee,' zei hij. 'Deze schoft schaduwt me al de hele tijd. Hij is voor mij.'

Kamiwara draaide om zijn as en verdween in de ingewanden van het huis. Wolf rende op volle snelheid de onverlichte hal in.

'Blij je weer eens te zien, schijtluis,' zei Kamiwara, en schopte hem tegen de bovenkant van zijn heup.

Wolf gromde toen hij de pijn door zijn been voelde schieten. Hij tolde met de klap mee, alsof hij uit zijn evenwicht was, zag de dolle grijns op Kamiwara's gezicht en bracht, zich afzettend tegen de muur achter zich, met volle kracht de zijkant van zijn hand omhoog.

Hij raakte Kamiwara onder aan zijn ribbenkast. De Japanner jankte even, maar gaf verder geen enkel teken dat hij gewond was. Maar er was nu iets in zijn hand waarmee hij gooide. Wolf dook opzij en hoorde een zacht zoevend geluid toen het dunne werpmes langs zijn gezicht vloog. Hij hoorde Kamiwara's krankzinnige gelach toen hij een tweede werpmes op Wolf richtte. Wolf schoot uit met zijn voet en bracht Kamiwara's hand net genoeg uit balans om de worp naar boven af te buigen. Daarna draaide hij om zijn as en dreef een elleboog in Kamiwara's maag, in het weke vlees net onder zijn ribben.

Toen sloeg een duistere kracht hem zo hard tegen de muur dat hij even van de kaart was. Hij schudde zijn hoofd en keek om zich heen, maar Kamiwara was verdwenen. Chika wilde net achter Wolf aan gaan, toen Suma verscheen. Ze bleef als aan de grond genageld staan en staarde naar de nietige gestalte van de Japanner. Langzaam stak ze haar hand uit, de vingers gekromd, terwijl groen vuur in haar ogen danste. De Japanner bewoog niet; het vleesmes hing nog steeds in de lucht boven de kloostertaf el.

Het vertrek werd nog donkerder, alsof er iets onnoembaars, iets nauwelijks waarneembaars was, als het kringelen van rook. Een moment later leken er vlammen in Chika's gekromde handpalm te ontspringen, waar ze sisten alsof er water overheen werd gegooid. Toen waren ze weer verdwenen. Johnson lag op de tafel, verkreukeld als een oude regenjas; er was geen lucht meer in hem.

Boven het lijk hing het vleesmes, als een uitroepteken op een onzichtbare bladzij.

'Wat doet Kamiwara hier verdomme?' vroeg Chika op hoge toon. Suma boog zijn kogelachtige hoofd. 'Wat hij het beste kan. Ravage aanrichten.' '

'Wiens orders volgt hij op?'

Suma zei niets.

'Je hebt nieuwe instructies ontvangen, niet?' zei ze bitter. 'En ik weet niet welke dat zijn.'

'Dan zal ik het je vertellen,' zei hij. 'We weken Matheson langzaam maar zeker los uit zijn, hoe zal ik het zeggen, matrix.'

'Door iedereen op te ruimen die hem na staat.'

'Dat is nu eenmaal de manier.'

'Maar het is zo barbaars, zo definitief.'

'Definitief, ja,' zei Suma. 'Een heel toepasselijke term.' Zijn ogen verwijdden zich en het vleesmes trilde als door een onmerkbare wind bewogen.

'Houd ermee op. Ik kan hem op een veel simpeler manier in Tokio krijgen. Hij vertrouwt me.'

'Misschien,' zei Suma. 'Maar zeker weten doen we dat niet. Niemand van ons kan hem lezen zoals we anderen kunnen lezen en dat is gevaarlijk. Bovendien moet hij, als hij Amerika verlaat, het gevoel hebben dat er hier niets meer voor hem is.'

'Waarom?'

'Omdat we een klus voor hem hebben.' Een trage glimlach gleed over Suma's gezicht; het was de glimlach van een vrouw, van een sirene, vol bedrog en onvertelde geheimen. 'Een definitieve klus.'

'Wat dan wel?'

'Ik heb je al meer verteld dan je hoeft te weten.'

'Dan heb je dus nooit de bedoeling gehad om hem te doden.'

'Matheson doden? Nee.' Het vleesmes kwam in beweging, alsof het ongeduldig werd. 'Maar wel alles te vernietigen waar hij aan gehecht is, zijn mogelijkheden aftasten, hem de maat nemen. Dat is het globale idee.'

Thornburg Conrad III ontmoette Brosnian Lenfant eenmaal per week. De dag en tijd van hun afspraken wisselden steeds, zoals ook de plaats van samenkomst. Brosnian Lenfant, de voormalige senator van Louisiana die voor een mooi rond bedrag zijn naam had geleend aan Lenfant Lenfant, Ham en Yoshida's officiële kantoor aan K Street, was een van de mensen uit Thornburgs kring van invloedrijke mensen. Thornburg mocht hem heel graag. Lenfant stamde uit een heel doortrapte politieke cultuur en kende daarom alle kneepjes van het vak, plus nog een aantal extra. Hij had voor het eerst Thornburgs aandacht getrokken toen hij nog officier van justitie voor de staat Louisiana was en erin geslaagd was een even walgelijke als machtige man, de toenmalige burgemeester van New Orleans, die op zijn baantje aasde, te slim af te zijn. Dat had hem veel populariteit opgeleverd en vier jaar later werd hij dank zij de niet geringe financiële steun van Thornburg voor het eerst in de senaat gekozen. Lenfant was niet iemand om dergelijke gunsten te vergeten en hij was het die op deze ontmoeting had aangedrongen, nog geen drie dagen na hun laatste afspraak. Lenfant was niet bepaald groot. Zijn grote hoofd werd gedomineerd door iets te grote bruine ogen, een hoog voorhoofd, door een v-vormige haarlok in tweeën gedeeld, en een glimlach zo breed als de Mississippi. Hij had smalle schouders en, tegenwoordig, een aankomend buikje. Hij was een zwierige verschijning, op en top de zuidelijke gentleman, hetgeen betekende dat hij wist hoe hij het Washingtonse machtsspel moest spelen. Vandaag droeg hij een donkerblauw wollen kostuum met een crèmekleurig vest en een kastanjebruine stropdas onder een trenchcoat. In zijn hand hield hij een attachékoffertje van struisvogelleer.

De twee mannen ontmoetten elkaar in de lobby van het CIA-hoofdkwar-tier in Langley. Thornburg vond het een prettige omgeving, met zijn bleek marmeren muur waarin drieënvijftig sterren waren gegraveerd. Elk van deze sterren gedacht een agent die bij het uitoefenen van zijn plicht was gevallen. Maar in het open boek eronder werden er slechts drieëntwintig met name genoemd. De rest had geen naam - tenminste, niet voor het grote publiek. Hun namen zaten diep weggeborgen in het centrale archief van de CIA. Voor Thornburg was deze vorm van publieke geheimhouding bij uitstek wat Washington definieerde. Dit is onze macht, leek het gedenkteken te zeggen. We kunnen u de waarheid onthouden.

De beide mannen bleven even voor het monument staan, tussen de vlaggen van de Verenigde Staten en die van de CIA in, en toen Thornburg zei:

'Indrukwekkend,' wist Brosnian Lenfant precies wat hij bedoelde.

De twee mannen identificeerden zich bij de bewaker aan de balie en Lenfant overhandigde hem de miniatuurdolk die hij sinds zijn vroegste campagnedagen in Louisiana altijd bij zich droeg. De twee mannen werden naar een lift gebracht.

Toen ze omhooggingen, zei Thornburg: 'Hoe goed heb jij senator Franken gekend?'

'Uit de tijd van de oude Republikeinse Partij, maar dan spreek ik wél over een ver verleden,' zei Lenfant. 'Ik heb trouwens gehoord dat er niet veel meer van hem over is.'

'Dat heb je dan goed gehoord,' zei Thornburg.

'Ik hoorde ook dat hij dronken was toen hij van het perron afstapte.'

'Gelul,' zei Thornburg. 'Net zoals al die andere zogenaamd natuurlijke sterfgevallen van senatoren die tegen de nieuwe wet zijn. Ze zijn stuk voor stuk vermoord. Franken is alleen maar het meest recente slachtoffer, en dat is heel slecht nieuws.'

Thornburg had een kleine, zelden gebruikte vergaderzaal uitgekozen. Hij knipte het licht aan en zette meteen de air-conditioning in werking, om de benauwde warmte uit het vertrek te verdrijven.

Het vertrek was Spartaans ingericht: duifgrijze muren met een overvloed aan anonieme en niet erg goede schilderijen van clippers, duistere zeeën en vooruitstekende kliffen. Het midden van het vertrek werd in beslag genomen door een donkere houten tafel met daaromheen acht draaistoelen. Langs een van de korte muren stond een bij de tafel passend dressoir dat, als Thornburg ook maar iets wist van dergelijke plekken, vol zat met de meest geavanceerde afluisterapparatuur. Op het dressoir stonden een goedkoop koffiezetapparaat en een kookplaatje, zonder twijfel bedoeld voor nachtelijke vergaderingen en bijeenkomsten in de vroege ochtend. Zoals in alle denktanks van de CIA waren er ook hier geen ramen, geen oppervlakken die trillingen konden verspreiden, hoe gering ook, die door de altijd meel-uisterende vijand zouden kunnen worden opgevangen. De twee mannen gingen aan de tafel zitten en Lenfant knipte zijn koffertje open. 'Slecht nieuws of geen slecht nieuws,' zei hij, 'gegeten moet er worden.'

Uit het koffertje kwamen een thermoskan gevuld met een sterk mengsel van brandy en koffie uit New Orleans, sandwiches met vis, een streng krokodilleworstjes en een soort ingemaakte okra-lekkernij die sterk genoeg was om de verf van een auto te branden.

'Dit is pas eten,' zei Lenfant, met een glimlach die de hele kamer leek te verlichten. 'Ik durf te wedden dat je in de meeste restaurants in Washington slechter eet.'

Thornburg vroeg om koffie en bedankte beleefd voor het voedsel. Hij keek hoe Lenfant de kookplaat aanzette en de worstjes begon op te warmen. Al snel hing er een stank in de kamer die, daar was Thornburg zeker van, bij voldoende concentratie als chemisch wapen kon worden geclassificeerd. Hij draaide rond in zijn stoel, opende de schuifdeur van het dressoir en stelde met een schakelaar de witte ruismachine in werking, die absolute privacy garandeerde.

Lenfant haalde zijn worstjes van de kookplaat, zette het apparaat uit en liep terug naar de tafel. Iets in het voedsel deed Thornburgs ogen tranen.
Hij keek gefascineerd naar de senator, die met duidelijk zichtbaar genot zijn kwalijk ruikende lunch naar binnen werkte.

'Deze Mississippi-drab is niet slecht,' zei Thornburg, terwijl hij nog wat koffie in zijn beker schonk.

'Recept van mijn moeder,' zei Lenfant, die met chirurgische precisie een worstje opensneed. 'De chef-kok van Galatoire bedelt er al jaren om. Maar ik denk er niet over het hem te geven; mijn moeder werkte lang en hard en ze was terecht trots op de maaltijd die ze elke dag weer op tafel zette. Ik ben niet van plan haar geheimen weg te geven.'

Hij keek op van een vork vol voedsel. 'Weetje, die knaap Jason Yodshida, dat is ook zo'n workaholic.' Hij kauwde en slikte een hap door. 'Ik zweer je dat die jongen op mijn moeder lijkt: slaapt ook nooit.' Lenfant had het zachte, zangerige Louisiana-accent dat geen enkele spraakleraar je kon aanleren. 'Denkt hij weieens aan iets anders dan werken?'

'Dat kun je beter aan Ham vragen.' Thornburg keek naar de waterige bruine ogen van de ex-senator, al even zacht als zijn accent. Hij vroeg zich af waar dit gesprek heenging, maar stelde zich er tevreden mee Lenfant in zijn eigen tempo ter zake te laten komen; die man zou zich trouwens toch niet laten haasten.

'Ja, dat weet ik ook wel, Thornburg. Maar jouw zoon heeft kennelijk het idee dat ik alleen maar als uithangbord dien voor Lenfant Lenfant. En zo wilde jij het ook, heb je me verteld.'

'Het leek mij het beste onze relatie geheim te houden.'

Lenfant gromde en nam een grote hap uit zijn vissandwich. 'Nou, laat me je één ding vertellen. Ik heb heel wat spionnen gekend - waarvan sommigen zonder dat ze het zelf wisten - maar ik heb nog nooit iemand ontmoet die zo van spionage genoot als jij.'

'Kennis is macht, zoals ze bij de OSS plachten te zeggen,' zei Thornburg, verwijzend naar de voorloper van de CIA.

Lenfant knikte. 'Tja, dat was nog eens andere koek. Iedereen volgde toen nog keurig de bevelen op, en leek er nog plezier in te scheppen ook.' Lenfant kauwde nadenkend op zijn sandwich. 'En dat brengt me tevens op het doel van deze ontmoeting. Van jou kwam het idee om met je zoon te gaan praten en de dekmantel van Lenfant & Lenfant op te zetten, zodat ik een oogje in het zeil kon houden. En dat heb ik gedaan.' Hij nipte van zijn koffie. 'De laatste tijd ben ik echter wat nieuwsgieriger geworden, vooral omdat Yoshida wat ongedurig schijnt te zijn. Ik heb dus wat graafwerk verricht en zijn kantoor wat "opgeschud" zoals we dat bij ons in het zuiden zeggen.' Lenfant fronste zijn wenkbrauwen, duidelijk een teken dat er slecht nieuws volgde.

'Wist jij dat die knakker een nacht naar New York is geweest? Hij vloog er naartoe, regelde een regeringsauto en kwam de volgende ochtend vroeg weer terug.'

'Nou, en?'

Lenfant haalde zijn schouders op. Hij leek voor het moment genoeg gegeten te hebben. 'Misschien betekent het niets. Maar ik vroeg me af of jij weet dat jouw man Matheson erin geluisd wordt.'

Thornburg zei niets en moest zijn uiterste best doen om zijn gedachten niet met hem op de loop te laten gaan. 'Ga door,' zei hij.

'Matheson is op de vlucht voor korpschef Jack Breathard, die gelooft of dat anderen wil laten geloven - dat Matheson ene Squire Richards heeft vermoord, het enige zwarte lid van zijn team.' Lenfants rechterwenkbrauw ging omhoog. 'Richards werd met een paar kogels in zijn achterhoofd voor zijn huis aangetroffen op de ochtend dat Jason Yoshida in New York was. De politie heeft bevestigd dat de kogels uit Mathesons wapen afkomstig waren.' Hij knikte. 'Dat is Yoshida's werk, geen twijfel aan.'

Tegen ieder ander zou Thornburg gezegd hebben: 'Onmogelijk, je ziet het helemaal verkeerd,' maar daarvoor kende hij Lenfant te lang en te goed. Die man was verschrikkelijk nauwgezet als hij zich in iets vastbeet. Als hij je iets vertelde, kon je ermee naar de bank, het beleggen en er zeker van zijn dat je er een toprente op kreeg.

'Ik weet dat jij geen opdracht hebt gegeven voor die aanslag in New York,' zei Lenfant zacht, 'want direct toen Yoshida terug was, heb ik een praatje met hem gemaakt. Je weet hoe hij is; het is een enorme prestatie als je iets uit hem weet te krijgen. Maar tussen de regels door kreeg ik wel het idee dat hij zich zorgen maakt om een aantal van je zoons meest recente besluiten.' Lenfant leunde naar voren en dempte zijn stem, hoewel daar geen enkele reden toe was. 'Thornburg, je hele plan is in groot gevaar. Je zoon heeft op eigen houtje besloten dat Wolf Matheson een onbetrouwbare factor is geworden. Ham heeft een kooi voor hem gebouwd waar hij volgens mij niet meer uit komt.'

Wolf ging van kamer tot kamer, zijn revolver in de aanslag, en zocht op elke denkbare plek naar een teken van Kamiwara. Hij moest weten wat voor spelletje de Japanner speelde.

Waar zit je, Kamiwara? Waar houd je je schuil? Wolf herinnerde zich het verstoppertje spelen uit zijn jeugd in Elk Basin. Hij concentreerde zich, gebruikte zijn geest.

Hij was nu aan het eind van de lange, centrale gang die de ruggegraat van het pand vormde. Voor hem maakte de gang een hoek van negentig graden naar links en naar, zo wist hij, de officiële eetkamer van de hoofdcommissaris. Hij kon nu nergens anders heen, behalve teruggaan. Het was hier schemerig; een perfecte plek voor een hinderlaag. Toen zag hij de koof in de muur. Hij was net groot genoeg voor een klein iemand om er zich opgerold in te verbergen. Hij stak zijn wijsvinger in de metalen ring van het deurtje dat ervoor zat, richtte zijn wapen en wipte de deur open.

Hij keek in een doorgeefluik, leeg en spottend. Hij moest zich hier direct achter de keuken bevinden; Kamiwara had hem in een kringetje rondgeleid. Toen hoorde hij Chika in het Japans met een man praten. Hij luisterde en leidde zijn makura na hiruma naar de man. Wie was hij? Nog even en hij zou het weten.

Toen voelde hij de aura van de andere man en het zweet brak hem uit. Jezus Christus, dacht hij, ze praat met Suma! En niet alsof hij een vijand is - eerder een bondgenoot.

Hij sloot het luik en schudde zijn hoofd. Eerst Kamiwara vinden, dacht hij. Dat is je eerste prioriteit. Chika komt later wel, als er tenminste nog een later is.

Hij ging voetje voor voetje verder, tot zijn schaduw de hoek bereikte. Eén millimeter verder en Kamiwara zou weten dat hij er was - als de Japanner tenminste om de hoek op hem stond te wachten.

Wolf staarde de gang in, dwong zichzelf Kamiwara's aanwezigheid te voelen. Was er geen beweging, een bepaalde geur? Was er niets dat hem een aanwijzing kon geven?

Niets.

Hij wachtte.

Niets.

Toen dacht hij aan dat wezen binnen in hem, duister en voortdurend aanwezig, ademend aan zijn zijde, en hij realiseerde zich dat hij zijn eigen mogelijkheden moest scheppen, door een doordachte toepassing van gelijke delen psychologie en momentum, een verweving van het mentale en het fysieke: White Bows continuüm.

Hij riep zijn duistere genius op. Hij was er nog steeds een beetje bang voor, maar zijn behoefte verdrong zijn angst. Hij herinnerde zich het pakhuis en het feit dat toen Suma zijn gave manifesteerde, Wolf hem kon lezen en zijn lokatie vaststellen. Hij vroeg zich af of ook het omgekeerde waar was

- dat Kamiwara hem kon vinden als hij zijn makura na hiruma gebruikte

- en dat idee baarde hem zorgen.

Dus kwam hij in beweging, sprintte de hoek om en rende verder door de gang terwijl hij zijn gave naar buiten projecteerde.

Christus!

Wolf bleef bijna staan, maar dwong zichzelf in beweging te blijven. Hij ving nu voorbij het zuchten van zijn eigen lichaam het ademen van een ander op. Ik heb hem gevonden, dacht hij. Ik kan zijn aura voelen nog voor hij zijn eigen gave manifesteert.

Kamiwara doemde in de schemering op als Nemesis, niet langer een mens maar iemand die de zielen van de stervenden stal, zoals het schepsel dat Wolf op het pad van de doden had neergeschoten.

Hij kreeg nu Wolf in de gaten en begon totaal verrast zijn eigen makura na hiruma naar buiten te projecteren. Wolf wist het echter met dat van hemzelf af te buigen.

Kamiwara haalde een klein mes met een vlijmscherp lemmet te voorschijn en dook heel snel en laag op Wolf af, die zijn scrotum in een reflex voelde samentrekken. Wolf was zich ervan bewust dat zijn lichaam zich wilde spannen en vocht tegen die neiging, ontspande zich, centreerde zich terwijl de dood razendsnel op hem af flitste.

In het moment voordat het gebeurde was Wolfs enige bewuste gedachte dat hij niet moest anticiperen op de pijn die zou kunnen komen. Hij moest op zijn lichaam vertrouwen, op zijn techniek, die hij had geleerd aan de voeten van die schrale, kalende Japanner, zijn sensei. Toen was het moment daar en was er geen tijd meer voor bewuste ge-dachtes. Met Kamiwara's mes nog maar centimeters van zijn kruis vandaan, schoot Wolfs rechterhand naar voren en greep hij de Japanner, op één knie vallend, bij zijn rechterpols. Hij voelde het lemmet langs zijn vlees gaan toen hij zijn aikido irimi uitvoerde, waarbij hij Kamiwara's momentum gebruikte om hem naar voren en uit balans te trekken en hem de smalle gang in te gooien, zodat hij tegen de muur aanknalde.

Kamiwara raakte de muur met zijn schenen en kaatste vervolgens hard met zijn schouder tegen de andere muur, maar hij had nog steeds het mes vast en haalde daar nu mee uit naar de hand waarin Wolf zijn revolver hield, zodat het wapen al tollend en buiten bereik door de gang schoof. Wolf boog naar voren en bracht zijn rechterarm onder Kamiwara's gestrekte rechterarm, zijn linkerarm daar weer onder, kwam vervolgens met zijn bovenlichaam omhoog, liet zijn linkerarm omhoog schieten zodat de zijkant van zijn linkerhand Kamiwara raakte aan de onderkant van het armgewricht terwijl Wolfs rechterarm Kamiwara's elleboog omhoog en naar achteren sloeg, in een korte, scherpe beweging die een luide kraak veroorzaakte toen het bot versplinterde en het mes uit de nu krachteloze hand op de vloer kletterde.

Dat is precies de opening die ik nodig heb, dacht Wolf, terwijl hij de muis van zijn hand omhoog bracht naar Kamiwara's kin. Kamiwara sloeg met een zijdelingse beweging naar de uitstulping van Wolfs polsgewricht en wist de slag zó op te vangen dat de meeste kracht eruit verdween. De Japanner wachtte nu op de actie - welke dan ook, dat maakte hem niet uit - waarvan hij wist dat die zou komen nu hij ongewapend was, en toen hij Wolf de beweging zag inzetten, plantte hij met enorme kracht zijn linkervuist in Wolfs nek.

Hij had op de zenuwbaan gericht die naast de slagader liep, omdat dat Wolf met één klap verlamd zou hebben, maar hij misrekende zich en de klap ketste af op Wolfs sleutelbeen. Wolf haalde uit naar de binnenkant van Kamiwara's rechterpols, raakte die ook, maar niet helemaal goed. Hij kreeg opnieuw een klap te verwerken. Hij wankelde en begreep dat hij zijn strijdplan moest wijzigen, want de tijd verstreek en daarmee ook zijn voorraad adrenaline. De vermoeidheid van zijn zo lang ongebruikte spieren nam ook toe en met elk voorbijgaand moment werden zijn overlevingskansen geringer en zouden spoedig tot nul gereduceerd zijn. Hij moest iets verzinnen, en wel direct.

Hij probeerde zijn gave te manifesteren, maar voelde direct een negatieve kracht toen Kamiwara dat in de gaten kreeg en pareerde. Kamiwara's gezicht zweefde nu vlak voor hem in de duisternis, als een masker met Allerheiligen, een grijnzende doodskop die zich verlustigde in weer een nieuw slachtoffer. Gouden tanden knarsten in opperste inspanning langs glazuur, de lange gele hoektanden kwamen omlaag naar de onderste tanden, de dikke lippen waren vertrokken tot een angstaanjagende grijns en de spieren in zijn nek puilden uit als kabels.

De twee mannen waren nu als minnaars, met elkaar verbonden door een emotie die even krachtig en primitief was als wellust. Wolf haalde uit naar Kamiwara's strottehoofd, want een klap daartegen zou fataal zijn en hij moest hier een einde aan maken voor de vermoeidheid hem zou overmannen, voordat Kamiwara met zijn kracht de overhand zou krijgen.

Kamiwara's tanden klapten op elkaar toen Wolfs vingertoppen contact maakten, maar hij hakte hard met zijn hand op Wolfs onderarm, die ogenblikkelijk tot aan de vingers toe gevoelloos werd. En toen had Kamiwara zijn handen als van ijzer om Wolfs keel, de spatelvormige duimen naar binnen drukkend. Hij veranderde zijn greep nu zo dat de achterkant van Wolfs nek in de holte van zijn linker elleboog rustte en Wolf voelde zijn bloed verkillen, want hij wist dat Kamiwara op het punt stond zijn nek te breken, tenzij Wolf nog een uitweg vond.

Maar dat was hoogst onwaarschijnlijk; de vermoeidheid nam met angstaanjagende snelheid toe. Er trok een rood waas over Wolfs bewustzijn en alle energie werd uit hem getrokken.

Het organisme wist wat er gebeurde, dat de dood nabij was en dat maakte een laatste stoot adrenaline vrij, maar het had geen zin meer, Kamiwara's greep was van staal en langzaam begon hij Wolfs halswervels te breken.

'Het is niet eerlijk,' jammerde Hiroto. Hij was dronken, had zijn jasje over de opgerolde futon gegooid en zat met verkreukeld en half geopend overhemd op de mat. 'Ik werk in de anonimiteit terwijl Yuji alle eer krijgt. Hij heeft het geld, het bedrijf, de roem, alles, en wat heb ik? Een rottig salaris en een aandeel in Shian Kogaku waar ik alleen maar naar kan kijken, omdat het op naam van mijn vrouw staat.' Hij greep de fles Suntory en goot wat er nog van de whiskey over was in zijn glas. 'Ik ben een schaduw, een intelligente man waar nog nooit iemand van gehoord heeft.'

Evan luisterde vol interesse naar zijn halfdronken boutade. Ze had het zo gespeeld dat ze hem in het ziekenhuis waar zijn vrouw tijdelijk was opgenomen tegen het lijf was gelopen. Ze had ineengedoken in de fel verlichte, van verdriet doortrokken wachtkamer gezeten toen hij terugkwam van het bezoek aan zijn vrouw. Hij kon onmogelijk haar meelijwekkende, huilende gestalte over het hoofd zien.

En nu zaten ze in een restaurant in de buurt, keurig netjes, met een houten tafel tussen hen in en zonder ook maar de geringste koketterie. Hiroto was eenvoudig te doorgronden, maar natuurlijk had ze daar Wakare's onbewuste hulp bij gehad. Als een Steen van Rosetta had Wakare mogelijkheden blootgelegd waarvan ze zich het bestaan niet had gerealiseerd. Ze wist al min of meer instinctief dat de Toshin Kuro Kosai een andere weg naar het Orakel zocht, dan alleen via Minako. Niet dat ze haar niet vertrouwden; zoals ze zelf al had gezegd, was haar loyaliteit aan het Genootschap boven elke twijfel verheven. Maar in dit geval was er ook nog een zoon waar ze rekening mee moesten houden. Giri- het gevoel van verplichting - of niet, de banden tussen moeder en zoon waren onwrikbaar. Het zou verstandig zijn, zo besefte Evan, zonder daar zelfs maar toe geïnstrueerd te zijn, een reservepad naar het Orakel klaar te hebben, mocht de noodzaak daartoe zich ooit voordoen. Wakare had tegen zijn favoriete prostituee Mita gesuggereerd dat Hiroto, de corrupte, jaloerse zwager, een dergelijke mogelijkheid kon verschaffen.

Niet dat ze Hiroto een makkelijk doelwit had gevonden; verre van dat. Evan wist uit ervaring dat corrupte, jaloerse mensen het slimst waren, juist omdat hun obsessies hen paranoïde maakten; ze bekeken, anders gezegd, iedereen met de grootste achterdocht. Bovendien had ze de ervaring dat een dergelijke, snel opgewekte achterdocht ook weer heel moeilijk weg te krijgen was. Het was daarom het beste om die achterdocht te voorkomen. Om dat te bereiken, zei ze nu: 'Ik moet me verontschuldigen voor de scène die ik in het ziekenhuis heb gemaakt, Hiroto-san. Dat was onvergeeflijk.'

'Nee, nee, ik ben degene die zich moet verontschuldigen,' hield hij vol.

'Ik heb me aan u opgedrongen.'

'Maar ik vond het juist heel fijn dat u naast me kwam zitten!' Evan keek hem niet aan toen ze dit zei, zodat er geen twijfel aan haar eerbare bedoelingen kon bestaan. 'Ik kon maar niet ophouden met huilen. Ik heb een echtgenoot wiens nieren niet goed meer werken. Het is onbegrijpelijk dat dit bij zo'n jong iemand kan gebeuren, hebben de dokters me verteld. En o, Hiroto-san, we waren zo gelukkig, net als een t.v.-echtpaar. We hielden zo van elkaar, en hadden ons hele leven nog voor ons.' Er gleed een traan over haar wang. 'En nu ligt hij in dat ziekenhuis aan een dialyse-apparaat. Ik ga er elke dag heen, maar elke dag zie ik het leven weer wat verder wegglippen. Wat moet er van ons worden?' Ze boog haar hoofd en haar schouders schudden van haar stille geween.

Hiroto probeerde haar zijn met dronken blik op te nemen. Hij zat rechtop en trok afwezig aan zijn stropdas, in een ijdele poging hem weer recht te krijgen. Nu boog hij formeel naar haar toe. 'Ik bevind mijzelf in een vergelijkbare positie.'

'Werkelijk? Wat verschrikkelijk.' Evans hoofd kwam omhoog en Hiroto voelde zijn hart omkeren bij het zien van haar betraande wangen, net zoals toen hij haar voor het eerst in de wachtkamer had gezien.

'Ik zit opgezadeld met een vrouw voor wier ziekte geen diagnose bestaat en die nooit meer zal genezen.' Hij zweeg even, bang om tegen iemand buiten zijn familie zijn hart uit te storten. Maar hij wist al dat hij verder zou gaan; hij was nu samen met iemand die hetzelfde desolate pad bewandelde als hij, iemand die de ellende begreep die hij voelde. 'Deze ziekte heeft mijn vrouw van me weggenomen. Ze is nog niet dood, klinisch gezien nog niet tenminste, maar ze huilt voortdurend of krijgt verschrikkelijke woedeaanvallen. Waar is die prachtige vrouw waarmee ik trouwde? Vernietigd door iets duisters, iets onzichtbaars. Mijn God, wat kan het leven toch bitter zijn.'

'Maar we moeten verder, is het niet?' zei Evan, haar ogen schoonvegend.

'We moeten sterk zijn.'

'Waarom?' zei Hiroto treurig. 'Ik zie het nut er niet meer van.'

'Omdat,' zei Evan, naar voren leunend, 'er altijd een kans is dat je iemand ontmoet die het begrijpt, die het leven weer draaglijk kan maken.'

Hij ving haar blik op en dacht: maar ze kan het toch onmogelijk over ons hebben, dit prachtige, bedroefde schepsel. Wat kan ze nu in mij zien? Maar toen, in een flits, zag hij hoe gelukkig het voor hen beiden was dat ze elkaar ontmoet hadden. Twee mensen in vergelijkbare omstandigheden die elkaar konden steunen. 'Ik weet niet wat ik moet doen als ze sterft.'

Evan wist dat hij het over Kazuki, zijn vrouw en Yuji's zuster, had. 'Ik heb dezelfde gedachten over mijn echtgenoot,' zei ze zacht. 'En toch, soms denk ik dat hij niet langer mijn echtgenoot is - dat wil zeggen, de man waar ik verliefd op werd. Is dat een ontrouwe gedachte?'

'Nee,' zei Hiroto vriendelijk. 'Het is alleen maar realistisch.'

'O, wat ik er niet voor over zou hebben om hem terug te krijgen!' Hij zag dat ze op de rand van een nieuwe huilbui was en voelde zijn hart breken.

'Maar dat is natuurlijk een onzinnige wens. De artsen hebben alle hoop opgegeven.'

En toen zag hij zijn redding voor zich. Want hij, de schaduw, de man die zo lang in de anonimiteit had geleefd, kon eindelijk, tegenover dit verdrietige wezen, zijn waarde bewijzen. Het lag in zijn macht om haar haar echtgenoot terug te geven.

'Ik kan het,' zei hij, buiten adem, alsof hij zojuist een paar kilometer hardgelopen had. Alle sporen van dronkenschap waren nu verdwenen en in plaats daarvan was een helderheid gekomen die hem opgetogen maakte.

'Je kunt wat?' Ze leek in de war.

'Luister naar me, Evan,' zei Hiroto ernstig. 'De artsen weten ook niet alles. Ik ben een computerdeskundige en er is een project waaraan ik werk dat de conditie van je echtgenoot drastisch zou kunnen verbeteren.'

'O Hiroto-san!' Ze fronste haar wenkbrauwen. 'Maar hoe dan?'

'Het is heel ingewikkeld,' zei hij. Ze was tenslotte maar een vrouw. 'Maar het heeft te maken met het veranderen van het DNA in een levend lichaam.'

Haar gezicht lichtte op. 'Meen je dit echt?'

'Natuurlijk.'

'Maar het klinkt zo -' Ze schudde haar hoofd. 'Zo onmogelijk.'

'Kom mee,' zei hij in een impuls. Waarom ook niet, verdomme? dacht hij. Dit is ook mijn project. En kijk dat gezicht toch eens. Naar de hel met de veiligheidsvoorschriften, naar de hel met Yuji! 'Ik zal het je bewijzen, nu meteen!'

De enige kans voor Wolf om onder die dodelijke druk uit te komen, was om Kamiwara op de tere plek tussen de ribben en de schouders direct onder de nekwervels te raken, waar een grote zenuwbaan liep die de hele arm en hand bediende. Het probleem was dat die zenuwbaan goed beschermd was door Kamiwara's keiharde spieren, en de weinige kracht die Wolf nog had, nam snel af.

Hij gebruikte zijn knokkels, maar hij wist al meteen dat dat niet voldoende zou zijn. Hij voelde opnieuw zijn halswervels kraken toen Kamiwara zijn nek weer een centimeter naar links wist te buigen. Hij zag zwarte vlekken voor zijn ogen en zijn borst deed pijn van het happen naar lucht. Zijn spieren werden tot het uiterste opgerekt en omdat hij nu bijna dubbelgevouwen zat, kon hij niet goed meer uithalen.

Duisternis.

Hij had een wapen nodig.

Een gezoem, als van een insekt of groter beest.

Een beweging.

Een wapen. Wolf wurmde zijn hand langs zijn zij omlaag tot zijn vingers zich om metaal sloten. Een messcherpe zijkant: het smalle mes dat Suma in het pakhuis had laten vallen.

Hij voelde dat zijn nek op het punt stond het te begeven. Hij dwong zijn geest min of meer om dicht te klappen, het rode licht binnen te gaan, en liet zich toen gaan.

Recht is de brug en smal het pad... Wolf bouwde zijn eigen brug van pijlen. Hij zweefde nu... voelde een hitte die hij kon aanraken zonder te verbranden. Zijn geest omvatte de hitte als in een psychische hand en abrupt, verrassend, trok het gevoel door zijn lichaam, door zijn borst, langs zijn uitgestrekte arm naar de vingers die om het metaal gekromd zaten. Druk.

Het lemmet, heet als een oven, een zon, schoot als een pijl uit een boog uit zijn hand.

De druk nam af.

Kamiwara's ogen puilden uit zijn hoofd, zijn mond bewoog woordeloos en de dikke tong leek in zijn mond gevangen. Wolf bracht stukje bij beetje zijn nek terug in verticale stand en was zich door de onnatuurlijke hitte heen slechts vaag bewust van de intense pijn van zijn gekwelde spieren. Hij zag het lemmet in Kamiwara's lichaam zitten en beukte nu met beide vuisten op hem in, tot hij Kamiwara's rechterarm voelde verslappen. Direct daarop dirigeerde hij de hitte in zijn geest in Kamiwara's lichaam. Zijn bloed ging kloppend door zijn lichaam, de haat en angst smolten samen en het organisme reageerde nu op de nabijheid van de dood door te willen, te moeten uithalen.

Wolf begon te trillen door de concentratie op zijn psychische energie, de mysterieuze motor binnen in hem die de duisternis bij noen versterkte en die als een vloedgolf van kokende lava projecteerde, een school bloeddorstige haaien die werd losgelaten om op commando te verscheuren en te doden.

Hij schreeuwde toen er een gat in Kamiwara's borst verscheen waaromheen blauw vuur danste. Het gat werd groter en de inwendige organen knisperden in de vlammen, terwijl er een misselijk makende stank uit het lichaam van de Japanner opsteeg.

Wolf begon nu ongecontroleerd te schokken en moest steeds maar weer denken aan de bewegende schaduw, die hij vlak langs zich had voelen gaan op het dak van Amanda's appartement, in het klamme interieur van Chika's flat, in de stad der verdoemden, toen Cathy in vlammen was uitgebarsten, en opnieuw in het pakhuis.

En hij voelde de vibratie van de schaduw die als de beschermengel van een oude sjamaan deel van hem uitmaakte, die ademde in de onzichtbare duisternis, gromde als een levend wezen en ten slotte met de kracht van een bliksemflits door hem heen ging.

'Recht is de brug en smal het pad dat naar het leven leidt, en maar weinigen kunnen het bewandelen.'

De innerlijke stem spleet Wolfs bewustzijn in tweeën en zijn ogen schoten open. Hij staarde naar Kamiwara, of wat er van hem over was, en zag hoe het licht langzaam uit de ogen van de brandende Japanner verdween. Maar, dacht Wolf, wat voor pad heb ik gekozen, dat het naar vernietiging en dood leidt?