Twee
New York City/Tokio
Venion Harrison, de hoofd-patholoog-anatoom van New York, was een uitzonderlijk lange man met afhangende schouders en het treurige gezicht van een basset. Zijn dikke brilleglazen getuigden van zijn gebrekkige gezichtsvermogen, maar dat was dan ook zo ongeveer het enige gebrekkige aan Harrison, had Wolf uitgevonden. Het was een man die altijd kalm en onbewogen leek in de politieke, administratieve en forensische chaos die gepaard gaat met een wereldstad in verval.
Ze bevonden zich in de kelders van het mortuarium op de hoek van First Avenue en 30th Street, in een van de autopsieruimtes grenzend aan de koelruimte waar de lijken uit de stad op hun beschikking wachtten. Het was bijna drie uur 's middags en Wolf had de verdere ochtend gebruikt om de forensische gegevens betreffende Moravia's appartement en kantoor te bestuderen en achterstallig papierwerk weg te werken. Er had ook een memo van chef Breathard op hem liggen wachten, die erop neerkwam dat hij het interne onderzoek naar de dood van Junior Ruiz voortzette en dat hij Wolf op de hoogte zou houden van de voortgang, al naargelang het hem (Breathard) uitkwam. Nog meer intimidatie; Breathard wist als geen ander hoe hij op je zenuwen moest werken.
'Ben je al aan Arquillo, die drugdealer, toegekomen?' vroeg Wolf.
'Wat een troep!' zei Harrison snuivend. 'Het lijkt erop of een of andere dwaas een vlammenwerper bij zijn gezicht heeft gehouden.' Hij haalde zijn schouders op. 'Tja, zoals de Romeinen dat zo mooi konden zeggen, als je leeft met het zwaard, zul je ook vallen door het zwaard, niet?' Hij legde zijn beenderzaag neer. De geur van menselijk weefsel hing als een lijkkleed in de lucht.
'Dus de vlammenwerper heeft aan hem gesnuffeld?'
'Daar lijkt het op,' zei Harrison, zijn instrumenten rangschikkend.
'Iemand heeft trouwens ook zijn rechterarm goed te pakken gehad.'
'Dat was ik.'
'Mooi, één punt voor ons team.'
Wolf, die enorm opgelucht was dat de patholoog-anatoom niets onnatuurlijks aan Arquillo's dood had ontdekt, besloot van onderwerp te veranderen.' En hoe zit het met Moravia.'
'Ah, nu geef je me tenminste iets waar ik mijn tanden in kan zetten,' zei Harrison, terwijl hij de talkachtige huid op Junior Ruiz' borst wegtrok. 'Alleen heb ik geen idee wat ik je daarover moet vertellen.' Hij hanteerde zijn verchroomde gereedschap alsof het een tamboerstok was en hij de tamboermaitre aan het hoofd van een drumband. 'De hele zaak begint me agita te geven. Bloedmonsters, weefselprofielen, de hele reutemeteut is door de toxologische molen gegaan. En wat heb ik tot nu toe gevonden: bupkis.' Wolf had al eerder gemerkt dat Harrison, op en top de blanke, protestantse Amerikaan, op de een of andere manier nogal verlegen leek met die status, in een stad met zo'n rijke etnische bevolking als New York; zijn taal was doorspekt met woorden en gezegden uit alle culturen die hij maar kon oppikken.
'Heb je al naar die rouge op zijn wangen gekeken? Is daar niets uit op te maken?'
'Nee, niets, tenzij je misschien Estée Lauder heet,' zei Harrison. De ingrediënten waren precies wat je bij een goede rouge kunt verwachten.' Hij keek op. 'Geen exotische vergiften, als je dat soms dacht.'
Wolf haalde zijn schouders op. 'Ik heb antwoorden nodig, en snel ook.'
'Madre de Dios, ik dans al zo snel als ik kan,' gromde Harrison, terwijl hij in Junior Ruiz' open borstholte tuurde. Hij wees. 'Kijk, bij deze kerel is het duidelijk. O-yasui koto desu, geen twijfel over mogelijk - hij is neergeschoten met twee .38 kogels, en dat van zo dichtbij dat zijn longen en hart zo ongeveer aan flarden zijn.'
Wolf had er grote moeite mee om naar het gelige lijk te kijken, bezaaid met paarsige vlekken en rood-zwarte korsten opgedroogd bloed, dat eens Junior Ruiz was geweest. 'Terug naar Moravia,' zei hij nu, zichzelf bedwingend. 'Is er iets dat op drugsverslaving wijst?'
'Een goede vraag,' zei de patholoog-anatoom, terwijl hij de lange, verticale incisie met een dikke draad begon dicht te naaien. 'Hij zat vol coke, geen twijfel aan. Was hij een langdurige gebruiker? Nee. Was hij een incidentele gebruiker? Quien sabeT
Wolf wachtte tot Harrison zijn post-mortemrapport in de stalen microfoon had gedicteerd. Hij wenste vurig dat hij het laken weer over Junior Ruiz heen zou leggen.
'Wat heeft Moravia dan gedood?' vroeg Wolf ten slotte.
'De hamvraag,' zei Harrison. Vervolgens zweeg hij en fronste zijn wenkbrauwen. 'Ik zal je vertellen wat hem in ieder geval niet gedood heeft. Hij was al dood toen er op hem geschoten werd. En wat de coke betreft, we hebben geen enkele aanwijzing dat hij aan een overdosis is overleden. De coke was van goede kwaliteit en de concentratie in zijn bloed was niet van die aard dat er van een overdosis sprake kan zijn.' Eindelijk trok hij het laken over Junior Ruiz heen en draaide zich naar Wolf om. 'Als je het mij vraagt, hebben we hier met een eersteklas mysterie te maken, kahuna.'
Wolf was al op weg naar de deur toen Harrison hem terugriep. 'Er is anders wel iets grappigs aan die kerel.'
Wolf draaide zich om. 'Wat dan?'
Harrison wreef langs zijn neus. 'Nou ja, heb je ooit gehoord van een volwassen man die over zijn leeftijd liegt om zichzelf ouderte laten lijken?'
'Nee, wat zou dat voor zin hebben?'
'Precies,' zei Harrison. 'Volgens zijn geboortecertificaat was Moravia achtenveertig jaar oud. Maar tijdens de autopsie werd het me duidelijk dat ik naar de ingewanden keek van een man die niet ouder dan dertig kon zijn.'
Naoharu Nishitsu lag in het complete donker.
Achter zich, voorbij de tatami-matten, door de schuifdeuren heen in
de met sneeuw bedekte tuin die voor hem een soort heiligdom was,
hoorde hij het fragiele geruis van het bamboe. Omdat de
schuifdeuren gedeeltelijk openstonden, was het erg koud in het
vertrek. Nishitsu, naakt, had er geen last van. Hij hoorde een
zachte beweging - voelde het meer, zoals je een flard van een geur
opvangt - en hij strekte zich uit op de futon. Direct daarop
knielde Evan naast hem, met haar slanke, warme meisjeslichaam dat
naar exotisch fruit rook.
'Vertel me eens, Evan,' zei hij, terwijl ze hem bittere groene thee inschonk, schuimend en bleek van kleur: 'Ben je gelukkig hier?'
'Daar heb ik nooit bij stilgestaan, Nishitsu-san,' zei ze, op haar hurken zittend. 'Verboden Dromen is mijn thuis, dat is het altijd geweest. Het is mijn plicht om hier te zijn, om u te dienen.' Haar stem was als katoen dat je met je handen uit elkaar kon plukken en naar believen weer tot een andere vorm bij elkaar kon voegen.
'Kun je me dan vertellen of je ooit gelukkig bent geweest?'
'Ik ben tevreden, Nishitsu-san.'
Hij gromde. 'Ik niet, Evan.'
Die uitspraak bleef in de lucht hangen als een scheermes dat van een plank dreigt te vallen.
'Er is een groeiend gevoel van verdeeldheid.'
'Verdeeldheid?'
'Ja,' zei Nishitsu, die onbeweeglijk op zijn mat lag. 'Ik heb het nu over loyaliteit. Iets wat tot nu toe niet ter discussie leek te staan.' Hij nam haar op, een vaag contour in de duisternis van de kamer. 'In het verleden - en dan spreek ik al van de tijd van de Sjoguns - trokken wij van de Tosjin Kuro Kosai altijd één lijn; daar werd niet aan getornd. Nu heb ik het idee dat dat niet langer het geval is.'
'Wilt u zeggen dat er een verrader is, Nishitsu-san?'
Vanuit de totale onbeweeglijkheid schoot hij overeind op één elleboog en greep met zijn linkerhand zo hard haar rechterpols dat hij de botten kon voelen meegeven. 'Slimme meid.' Evan maakte geen geluid, maar hij voelde dat ze haar hoofd had afgewend en vlak daarop bespeurde hij een verandering in haar geur, die iets zuriger, meer muskusachtig, minder delicaat werd. Zijn neusgaten sperden zich open en hij snoof de complexe en zware reuk van haar angst op.
'Inderdaad, een verrader.' Zijn stem was niet meer dan een schor gefluister. 'Ik geloof dat iemand uit onze directe omgeving zich tegen ons gekeerd heeft, van binnenuit aan de ondermijning van ons plan werkt.'
Zijn andere hand kwam omhoog en omvatte haar borst. Hij kneep er zo hard in dat hij nu, ondanks haar ijzeren discipline, een heel licht gejank aan haar lippen hoorde ontsnappen. 'Je weet er toch toevallig niet meer van, Evan?'
'Wat?'
Hij had haar geschokt, dat was zeker, en dat was goed, want dat betekende dat hij haar kon vertrouwen. Desondanks verminderde hij zijn pijnlijke greep op haar niet. Integendeel, hij kneep nog harder in pols en borst, tot hij de vibraties van pijn in haar lichaam kon voelen. Toen hij zich voorover boog kon hij zelfs de bittere smaak van haar nieuw geproduceerde zweet proeven.
'Iemand, Evan, en het zou net zo goed jij als een ander kunnen zijn,' zei hij, haar smaak door zijn mond rollend, alsof het een uiterst kostbare wijn was. 'Iemand die we heel goed kennen, is bezig ons te verraden of denkt eraan ons te verraden, en jij zou heel goed die persoon kunnen zijn, gezien je vele nachten met de spion Lawrence Moravia.'
'Maar ik wist niet dat hij een spion was; als ik dat wél had geweten, had ik beslist geprobeerd te ontdekken voor wie hij werkte.'
Nishitsu was dankbaar voor de duisternis, want hij kon een glimlach niet onderdrukken. Het was waar wat hij over de seksen had geleerd: mannen waren dubbelhartig, maar vrouwen wisten hoe ze die dubbelhartigheid moesten blootleggen.
Het deed er niet toe dat Nishitsu al wist voor wie Moravia had gewerkt, dat hij dat al had geweten vanaf het moment dat de amateur zijn gecodeerde fax vanuit het kantoor van American Express aan de Ginza had verstuurd. Het had niet uitgemaakt dat Nishitsu de boodschap niet had kunnen lezen; het was slechts van belang dat zijn mensen daar hem de bestemming van de fax hadden doorgegeven.
Evan hoefde daar allemaal niets van te weten; het was zijn ervaring dat te veel kennis een ondraagbare last kon worden. Hoe dan ook, hij had een belangrijker taak voor Evan. Hij ontspande zijn greep op haar en voelde als reactie daarop de geur waar hij zo gek op was minder worden. 'Wie zou ons willen verraden?'
'Dat weet ik niet.'
Zijn mond was zo dichtbij dat hij de huid van haar wang beroerde, de hoek van haar lippen. 'Er is een beperkt aantal verdachten. Er zijn slechts een paar mensen met genoeg macht, ervaring en moed.' Er lag een smalle streep speeksel op haar lippen, en zo wilde hij het ook. 'Een man heeft de kracht van zijn ego nodig om tegen ons op te staan, een vrouw haar subtiele karakter. Wat denk jij? Welke van de twee is het?'
'Een man.'
'Dat zou ik ook gedacht hebben. Shoto Wakare is in feite mijn voornaamste verdachte.' Hij liet haar pols los en zag tot zijn genoegen dat ze hem niet bewoog. 'Ik weet hoe jouw gave werkt en ik geef je de vrije hand in deze kwestie.'
'Ik heb altijd gedaan wat u van me verlangde, Nishitsu-san.'
Hij kon zich er niet van weerhouden en proefde de vochtigheid tussen haar lippen. 'En dat zul je nu weer doen,' zei hij schor. 'Jij zult me helpen onze verrader te vinden.'
Als antwoord tilde Evan haar hoofd omhoog en bood hem de lange boog van haar hals. Nishitsu voelde een mengeling van ontroering en wellust bij het zien van dat tere vlees, dat ze zo gewillig voor hem ontblootte. Hij bracht zijn lichaam boven het hare en duwde met zijn sterke benen haar dijen van elkaar. Even later schreeuwde ze het uit, maar het was een ander geluid dan haar pijnlijke gejammer van daarnet.
Wolf had besloten niemand in te lichten over de deur achter in Moravia's kleerkast, over de cel daar weer achter met zijn bizarre inhoud, inclusief de foto's en de sculptuur. Hij kon er zich zelfs niet toe brengen het aan Bobby te vertellen. Waarom niet? Hij wist het niet, maar zijn instinct zei hem dit deel van het onderzoek voorlopig voor zichzelf te houden. Het was laat in de middag, koud en somber, alsof er eigenlijk geen weer was, alleen maar een grijze bevroren deken die de stad dreigde te smoren. Hij parkeerde in East Third Street, tegenover een voormalig pakhuis. De begane grond werd in beslag genomen door een kunstgalerie, als je stukken stof en repen zwart leer aangebracht op platen van gebrand en verbogen metaal tenminste kunst wilde noemen. De enorme kunstwerken waren zichtbaar achter de verstevigde stalen deuren die in gemene groene, paarse en gele kleuren waren beschilderd, met daarop als een elegant soort graffiti de naam Urban Decay geschilderd.
Nou ja, ze hebben de naam in ieder geval goed gespeld, dacht hij. De beschilderde ijzeren deuren waren deels opengeklapt, maar ondanks dat leken de sculpturen achter het raam het kille winterlicht volledig te absorberen. In de galerie zelf was het donker en somber als de nacht. De akelige ruimte werd bestierd door een griezelig dunne, jonge vrouw met het figuur van een staande kapstok, lang haar dat zo rood was als een brandweerwagen en een afstotelijke blauwwitte huid. Om haar ogen waren met kool dikke ringen aangebracht en haar lippenstift en nagellak waren net zo zwart als de muren van de galerie. Al met al zag ze er eerder dood dan levend uit, maar Wolf nam maar aan dat dat ook de bedoeling was. Charmant, dacht hij. Of hip, het was maar hoe je het bekeek.
De naam van de jonge vrouw was Moun, hetgeen, naar ze hem tussen haar kleine scherpe tandjes door toebeet, rijmde op zoen. Wolf stelde zich voor als een advocaat die de nalatenschap van wijlen Lawrence Moravia beheerde. Toen Moun hem nietszeggend aankeek, haalde hij een foto van Moravia te voorschijn en liet die aan haar zien.
'O, Larry,' zei Moun. 'Is hij dood? Jeetje, wat erg.' Toen schudde ze iets wat wellicht voor smart moest doorgaan van zich af en zei: 'Ja, hij kwam hier vaak een kijkje nemen. Ik speelde het spelletje dat ik altijd speel, weet je wel? Eerst wist ik niet zeker of hij wel in kunst geïnteresseerd was. Misschien was het er zo een die een vriend van buiten de stad meeneemt naar de duistere buurten om te laten zien hoe goed hij de stad wel niet kent. Maar toen leerde ik hem beter kennen en kwam tot de conclusie dat hij uiteindelijk een kunstwerk zou aanschaffen.' Ze opende een pakje Bazooka en propte het blokje kauwgom in haar mond. 'Je leert zo langzamerhand de mensen kennen, hè. Zo wist ik ook direct dat jij hier niet kwam om iets te kopen.'
'En waarom dacht je dan wel dat ik hier was?'
Als Moun de enigszins spottende ondertoon in zijn stem al hoorde, dan gaf ze er in ieder geval geen enkele blijk van. Ze hield haar hoofd scheef en keek hem aan alsof hij een kunstwerk was dat ze moest beoordelen. Ze kauwde nadenkend en produceerde toen de grootste kauwgumbel die Wolf ooit had gezien. 'Ik dacht dat je je misschien vergist had. Verderop in de straat is een boetiek die Urban Design heet en die al dat trendy spul verkoopt, weet je wel.'
'Is dit dan géén trendy spul?' zei Wolf, zijn handen spreidend.
'Is kunst trendy?' vroeg Moun ernstig. 'Het is niet bedoeld om gekocht te worden en het volgende seizoen weer weggegooid te worden. Nee, nee, dit hier is tijdloos. Daarom is het ook kunst.' Ze bekeek hem terwijl hij de galerie rondliep en blies nu de ene kauwgumbel na de andere. 'Al deze stukken zijn door één en dezelfde kunstenares gemaakt, Chika,' zei ze, in een poging behulpzaam te zijn. Toen voegde ze er enigszins zenuwachtig aan toe: 'Je komt toch hopelijk niet Larry's geld terugvragen, hè?'
Wolf draaide zich naar haar om. 'Waarom zou ik dat doen?
'Nou ja, ik weet niet,' zei Moun, 'maar omdat Larry nu dood is en zo, en jij hier bent...' Ze verviel in een ongemakkelijk stilzwijgen.
'Hoe komt het dat jij hem Larry noemt?'
Moun haalde haar schouders op. 'Zo heet hij nu eenmaal, niet dan?' Ze blies weer een enorme bel. 'Hoe dan ook, Larry en ik...' Ze aarzelde. 'Ik denk dat dat de reden is dat hij hier zo vaak kwam binnenwippen. Er was verder niets tussen ons, alleen - Nou ja, op een zaterdagmiddag gingen we naar achteren' - ze wees naar een matzwarte deur achter in de galerie - 'en, je weet wel, hebben daar geneukt.' Ze giechelde. 'Het was behoorlijk gaaf, met al die klanten in de galerie die we hoorden praten en rondlopen terwijl wij aan het neuken waren. Het was heel gaaf.'
Dat zal ongetwijfeld, dacht Wolf. 'Wanneer kocht mr. Moravia - Larry -die... Chika?'
'Bij de opening,' zei Moun. 'Hij kwam hier voor de party. Chika was er ook en hij kocht een van haar werken nadat hij met haar gepraat had. Dat moet, tjee, ongeveer een week geleden zijn. Daarom dacht ik ook, nou ja, je weet wel...'
'Dat de erven de sculptuur terug wilden zenden.'
'Ja.' Moun trok een gezicht. 'Nou ja, je begrijpt, Chika's werk valt niet bij iedereen in de smaak. Ik dacht eigenlijk ook niet dat het iets voor Larry was, maar hij was er weg van; tenminste, nadat hij met Chika had gepraat.'
'De kunstenares.'
'Precies.'
'Denk je dat hij haar ook geneukt heeft?'
'Ik weet het niet.' Opnieuw verscheen een kauwgumbel. 'Misschien. Volgens mij hield hij er wel van.'
'Waarvan?'
Moun pruilde met haar zwarte lippen; het effect was angstaanjagend.
'Zijn advocaten altijd zo traag van begrip? Word wakker, man. Larry was gek op neuken, maar ik heb het idee dat hij geen, je weet wel, bindingen wilde.'
'Relaties, bedoel je. D'r op en d'r af en tot ziens maar weer, dat was Larry.'
Daar moest Moun om lachen. 'Zo zijn ze uiteindelijk allemaal, niet dan?'
'Allemaal?'
'Ach, je weet wel, kerels als Larry. Na een tijdje begon ik hem wat beter te begrijpen. Hij was nogal iemand - geld als water; ik durf te wedden dat hij elke avond in dure restaurants at. Ik bedoel, in zijn nette pak was hij net als al die andere nette pakken, maar diep binnen in hem was er iets dat om die anderen lachte, om die andere pakken, begrijp je? Hij haatte dat leven eigenlijk, hij was anders.'
'Hoe was hij dan?'
Moun keek hem aan. 'Larry was pervers - en dan bedoel ik echt pervers.'
'Seksueel.'
'Ja, hoe anders?'
Hij vroeg: 'Heeft Larry je ooit vastgebonden?'
Moun blies weer een bel. 'Ben je Larry's advocaat of ben je zijn zieleknijper?' Er ging een verrukkelijke kleine huivering door haar heen. 'Nee, dat heeft hij nooit gedaan, maar ik had het niet erg gevonden.'
'Nee?' zei Wolf, onwillekeurig verbaasd. Het was onmogelijk om je dit bizarre schepsel als iemands dochter voor te stellen.
Ze kwam nu vlak bij hem staan en hij kon haar geur ruiken, een combi-natie van neroli en kruidnagel, scherp en exotisch en zonder ook maar één enkele nuance. 'Ben jij soms een SM-freak?' vroeg ze. 'De meeste mannen houden er op de een of andere manier wel van en als het goed gedaan wordt, kan het het genot enorm verhogen.' Ze keek naar hem op. 'Houd je van genot? Begrijp je het eigenlijk wel?'
Wolf kreeg even het idee dat ze hem mee naar achteren wou vragen om een spelletje vastbinden van de prinses te spelen. Een deel van hem vroeg zich af hoe dat zou zijn, een ander deel was geschokt door het feit dat hij daar alleen al over durfde te fantaseren.
'Je had het daarstraks overeen vriend die Larry hiermee naartoe genomen had.'
Moun blies een bel. 'Wat?'
'Een vriend van buiten de stad -je dacht dat Larry de grote jongen wilde uithangen. Had die vriend ook een kronkel?'
Ze lachte. 'Nee, totaal niet, hij niet. Hij was zo gespannen als een deur.'
'Hoe dat zo?'
Ze hield weer haar hoofd opzij; het maakte dat ze eruitzag als een futuristische vechthaan. 'Ach, je kent die types wel: een pak, keurig geknipt haar, een burgermannetje.'
Hij vroeg haar verder niet naar een nadere omschrijving. In de rode gloed die vanuit zijn binnenste kwam, doemde het gezicht op van een knappe doctorandus, ongetwijfeld afgestudeerd aan Yale, blond, en met onderzoekende blauwe ogen - hij trok het beeld uit Mouns herinnering als een forel uit een meer. Hij zei: 'Van buiten de stad.'
'Ja.'
'Hoe weet je dat?'
'Hij bleef maar dingen zeggen als "bij ons in Washington", je weet wel. En hij had ook' - ze keek hem nu met toegeknepen ogen aan, de ultieme test betreffende zijn Newyorker-schap - 'die blik van Tjee, Martha, moet je al die hoge gebouwen eens zien.'
'Je bedoelt dat hij een accent had.'
Moun grinnikte, een werkelijk angstaanjagend gezicht, alsof je naar een van die kannibalen keek waarover ze in National Geographic schrijven.
'Uh-huh.'
'Wat voor accent?'
'Tja... zuidelijk, min of meer.'
'Je bedoelt, niet echt uit het diepe zuiden, maar wel die kant op?'
'Precies.'
Washington, kon niet missen, dacht Wolf. 'Heeft hij ook een naam, die vriend van Larry?'
'Zeker wel,' zei Moun, die van de ondervraging
genoot. 'Het was het enige interessante aan hem. McGeorge Shipley.'
Ze knikte. 'Werkte trouwens bij de overheid.'
'De federale overheid?'
'Uh-huh. Larry vroeg hem iets, ik kon niet horen wat, en Shipley haalde een visitekaartje te voorschijn. Zijn vulpen was leeg, dus vroeg hij mij om een pen - om iets op de achterkant te schrijven. Toen zag ik ook zijn naam, op dat kaartje. En het zegel. Op de kaart stond dat hij voor het ministerie van Defensie werkte.'
Interessant, dacht Wolf. Moravia, die heen en weer reisde tussen New York en Tokio en bevriend was met een hoge ome van Defensie. Wat kon dat te betekenen hebben? Niets in zijn dossier wees op enige band met de overheid. Lawrence Moravia werd plots een stuk interessanter. Hij liep nog een keer de galerie rond en vroeg toen zo nonchalant mogelijk: 'Heb je ook gezien wat Shipley achter op dat kaartje schreef?'
'Ja.' Mouns tong, die bijna neon-roze leek tegen haar glanzende zwarte lippen, flitste even langs haar bovenlip. 'Wil je weten wat dat was?'
Eén lang, duizelig makend moment was hij bang dat ze zijn diensten zou eisen in het duistere kamertje achterin, haar kleine, magere lichaam zweterig tegen het zijne aangedrukt, haar begerige vingers die zijn riem losmaakten. Een soort quid pro quo.'
Toen lachte ze. 'Je zou je gezicht eens moeten zien.'
Wolf lachte nu ook. Hij mocht haar wel, ondanks haar bizarre uiterlijk. Hij kreeg het idee dat er meer achter haar zat dan alleen maar het rebellerende kind dat haar ouders wilde schokken.
'Het was een telefoonnummer, kengetal twee-nul-twee.' Ze lepelde het voor hem op alsof het voor haar neergeschreven stond.
'Hoe komt het dat je je het nog zo goed herinnert?' vroeg hij, terwijl hij het nummer in Washington noteerde.
Moun haalde haar smalle schouders op; elke keer dat ze bewoog, rook hij weer de geur van kruidnagel en neroli, die als stuifmeel van haar wegdreef. 'Ik herinner me alles. Zeker als het om Larry gaat. Zo was hij nu eenmaal; God, ik weet ook niet waarom.' Ze leek van het ene op het andere moment bedroefd, alsof het nieuws van zijn dood haar nu pas had bereikt.
'Kun je me ook wat meer vertellen over die kunstenares, Chika?' zei hij, in een poging van onderwerp te veranderen.
Moun legde haar hand liefdevol op een van de beelden, een gebaar dat in al zijn onschuld Wolf deed denken aan de verontrustende foto's in Lawrence Moravia's verborgen heiligdom. 'Je bedoelt wat er in de brochure staat of wat ik echt weet?'
'Is dat dan niet hetzelfde?'
Moun giechelde. 'Nou ja, je weet hoe die kunstenaars zijn; het moet allemaal heel mysterieus - hoe mysterieuzer hoe beter in feite, want anders staat hun persoon maar in de weg. Ze willen zogezegd dat hun kunst voor zich spreekt. Ze willen dat de toeschouwer hun kunst volkomen onbevooroordeeld tegemoet treedt.'
'Ik dacht dat wat kunstenaars vooral wilden, het verkopen van hun kunst was. Zitten de meesten niet ergens op een zolderkamertje op een houtje te bijten?'
Moun giechelde opnieuw. 'Sommigen misschien
wel, maar Chika niet.
'Waarom niet?'
Moun blies weer een bel; het duurde nogal even voor hij klapte. 'Je stelt behoorlijk wat vragen voor een advocaat.'
'De erven betalen me om veel vragen te stellen. Niemand heeft ooit van Chika gehoord.'
'Zoals altijd bij kunst,' zei Moun, 'is het een kwestie van de juiste vraag aan de juiste persoon.'
'Wat betreft die kunstenares, Chika - zou je kunnen zeggen dat Larry en zij goede vrienden waren?'
'Ze mochten elkaar, dat kon je wel zien. Ik denk dat ze iets met elkaar hadden.'
'Heeft een van hen beiden ooit iets gezegd wat je op dat idee bracht?'
'Ik hoorde ze vaak over Tokio praten, alsof ze daar samen dingen bezocht hadden.'
'Wat voor dingen?'
Moun haalde haar schouders op - een nieuwe waterval van geuren. 'Ze spraken over iets wat Verboden Dromen heette. Het leek mij een soort club. Misschien een plek voor bizarre seks, Larry kennende.'
'Ik geloof dat ik maar eens met Chika moet gaan praten,' zei Wolf langzaam, terwijl hij opnieuw aan Larry's vreemd erotische foto's moest denken.
'Woont ze in Manhattan?'
'Jawel.' Moun knikte. 'Zelfs hier vlakbij. Ze woont op de tweede verdieping van een gebouw drie blokken hier vandaan, maar -' Ze wierp een blik op de kalender op haar bureau. 'Ze is op het moment niet in de stad; ze komt pas morgen weer terug.'
'We hadden het nooit zo snel mogen proberen,' zei Yuji Sjian.
'Ik betwijfel of we wel een keus hadden.'
'Maar een menselijk wezen doden...'
'Het was een ongeluk. Een vergissing.'
Yuji keek Minako, zijn moeder, aan. Het begon net licht te worden en een oestergrijze lucht vulde de hemel boven Tokio. Links van hen verlichtte Tsukiji's woud van kale lichtperen rijen glinsterende vissen. Terwijl ze daar zo stonden, liepen mannen in hoge rubberlaarzen met waterslangen langs hen heen en hielden methodisch de vis nat om ze vers te houden. De scherpe geuren van vis en pekel kwamen in golven op hen af, zwaar als schuimend bier. Achter hen, in de laatste krochten van de nacht, doemde het neutrale pakhuis op waarin het Orakel zich bevond.
'Ik ben wetenschapper, Moeder,' zei Yuji nu. 'Ik had beter moeten weten. De procedure schrijft voor dat ik moet wachten op -'
'Waarop? Op de uitkomst van allerlei klinische proeven? Je weet dat in dit geval de standaardprocedure nutteloos was,' zei Minako. 'Het proeven doen op lagere levensvormen zou ons niet verder hebben geholpen.'
Yuji wendde zijn hoofd af en keek over de rivier. Er steeg damp op vanaf het water, en af en toe hing het trieste getoeter van een passerende boot als vorst in de lucht.
Hij knikte. Ze had gelijk natuurlijk. Ze hadden
geen keus gehad. Als wetenschapper wist hij dat. De technologie
vereiste nu eenmaal proeven, maar als mens was hij ontsteld over de
uitkomst.
'Yuji-san,' zei Minako vriendelijk, 'laat me wat thee voor je halen.'
Bij een van de vele kramen die sushi en soba verkochten, draaide Minoka zich om en keek naar haar zoon. Hij stond daar midden in het gewriemel van de grote vismarkt, de schouders gebogen tegen de kou, een eenling in de menigte. Haar hart bloedde voor hem. Al haar kinderen waren haar lief, maar Yuji was haar enige zoon. Dat alleen al zou hem voor haar speciaal hebben gemaakt, en zijn genie in de bio-wetenschappen droeg daar nog toe bij. Minako bestelde thee en dacht aan haar zoon en hoe ze had gevochten om hem verre van de donkere kanten van het leven te houden. Maar dat zou nu veranderen. Dat was zijn karma - en het hare.
Yuji wachtte geduldig tot zijn moeder terugkeerde, zijn hoofd vol schuldgevoelens. Hij had natuurlijk nooit kunnen weten wat het Orakel met Moravia zou gaan doen. Maar was dat niet juist waar het om ging? Hij dacht aan het risico dat ze met z'n allen hadden genomen en werd opnieuw overspoeld door gevoelens van spijt. Hij liet zijn blik over de zee van vlakke, kleurloze visseogen gaan. Hier en daar gaf het zachte geklets van een staart tegen het natte beton aan dat de vissen nog steeds in leven waren.
'Thee,' zei Minako, en ze gaf hem een dampende kop. Overal om hem heen kon hij de stad voelen ontwaken en zich klaar maken voor de chaotische ochtendspits. Ze hadden met opzet het laboratorium van het Orakel ondergebracht in dit onbelangrijke warenhuis, ver van Shian Kogaku's Shinjukuhoofdkwartier, zodat nachtelijke sessies niet zouden opvallen in deze omgeving waar vissers dag en nacht doorwerkten.
'Betekent dit dat we weer helemaal opnieuw moeten beginnen?' vroeg zijn moeder.
Yuji dacht daar even over na. Het was een probleem dat hem al had beziggehouden vanaf het moment dat ze hem van de dood van Lawrence Moravia op de hoogte had gesteld.
'Ik denk het niet,' zei hij ten slotte. 'Het is niet zo dat we op de verkeerde weg zijn. Maar we missen een essentieel onderdeel van de puzzel. Het probleem is vergelijkbaar met een generator die zoveel kracht opwekt dat hij de stad verlicht en vervolgens zichzelf opblaast.' Hij keek haar aan. 'Nee, we hoeven niet opnieuw te beginnen. Wat we moeten doen is die generator bijstellen.'
Minako knikte. 'Ik voel me schuldig, Yuji-san. Ik was degene die je heeft aangezet tot het scheppen van het Orakel. Ik was het die Moravia bij je bracht, die erop aandrong hem als proefkonijn te gebruiken.'
'Maar Moeder, hij heeft er zelf in toegestemd. Hij kende de risico's.'
Minako glimlachte bedroefd. 'Dan hoef je ook jezelf de schuld niet te geven, Yuji-san. Moravia's karma was zijn eigen werk.'
'U hebt gelijk, Moeder,' zei Yuji. 'Maar ik voel me toch nog steeds verplicht om naar Senso-ji te gaan.'
Minako knikte. 'Dat is alleen maar goed. We zullen samen gaan.'
Ze liepen naar de Sumida-rivier en namen een watertaxi naar het Asakusa-district, waar de Senso-ji tempel stond. Hij was gewijd aan Kannon, de boeddhistische godin van vergiffenis, en het was de heilige plaats waar Minoka haar kinderen op feestdagen mee naar toe placht te nemen. Ze liepen langs de lange laan, vol met stalletjes die van alles en nog wat verkochten, van rijstpapieren parasols en traditionele houten kammen tot opwindrobots en sake. Ze bleven even staan bij de enorme wierookbrander voor de ingang en inhaleerden de aromatische rook, om zich zo van een aanhoudend goede gezondheid te verzekeren.
Ze beklommen de treden en gingen toen de tempel zelf binnen. Echo's vulden de verder verstilde omgeving. Ze waren omringd door falanxen van enorme zuilen en door lantaarns die als denneappels in dit versteende woud hingen. Hoog boven hun hoofden, als het verre kolken van wolken, was het plafond beschilderd met ingewikkelde verhalen uit de Japanse oudheid geschiedenis of legende, dat hing van je standpunt af. Ze zeiden een boeddhistisch gebed voor de doden, staken wierookstokjes aan en zongen hun gezangen terwijl de dikke rook als addertongen omhoog kringelde in de stille, koude lucht van de tempel.
Dit ritueel was zo vertrouwd dat het vertroostend werkte en Yuji kwam langzaam tot rust. Toen hij echter bij het naar buiten gaan naar zijn moeder keek, zag hij nog steeds een zorgelijke trek op haar gezicht. Buiten was de zon opgekomen en probeerde door de zware smog heen te breken die als een deken over de metropolis lag. Asakusa leek een droom, een penseelstreek van Seurat, de pointilist.
Minako huiverde. 'Ik voel een verandering in de lucht,' fluisterde ze. Yuji, die zo langzamerhand gewend was aan de voorgevoelens van zijn moeder, zei: 'Het zal een verandering ten goede worden.'
'Nee,' zei Minako. 'We staan op een rots, en onder ons, in het duister, gaapt een afgrond.' Ze wrong met een smartelijke blik haar handen. 'En, Yuji-san, in die afgrond beweegt iets. Iets wat zelfs ik niet kan duiden.'
Regen roffelde met de kracht van een boksersvuist op het dak van zijn auto. Wolf, die binnen gezichtsafstand van Urban Decay stond geparkeerd, keek naar de stoom die door een gat in het asfalt van Avenue C naar buiten spoot terwijl een groep modderige gemeente-ambtenaren probeerde het gat te dichten.
Hij had het centrale nummer van het ministerie van Defensie in Washington gebeld en was daarna als een basketbal van afdeling naar afdeling gestuiterd, op zoek naar de schijnbaar ongrijpbare McGeorge Shipley, Moravia's vriendje van buiten de stad. Niemand, zo leek het, wilde de verantwoording voor Shipley's bestaan op zich nemen, hetgeen ofwel betekende dat hij verstrikt was geraakt in het bureaucratische warnet van de federale overheid, ofwel dat Moun hem verkeerde informatie had gegeven. Met een nijdig gegrom had hij zich losgemaakt uit dit elektronische doolhof en een bekende bij het hoofdkwartier van de FBI in New York gebeld. Niemand bij de Newyorkse politie stond ooit op wat je zou kunnen noemen vriendelijke voet met een Fed, maar van tijd tot tijd werd elkaar met gezonde tegenzin een dienst bewezen, hetgeen dan resulteerde in het soort breekbare relatie dat bij het eerste het beste stootje als een zandkasteel in elkaar stortte. Wolf hing aan de autotelefoon terwijl Fred de Fed zijn computer raadpleegde. 'Wat een klunzen,' zei Fred. Door de voorruit naar de sissende stoom kijkend die uit de ingewanden van Lower Manhattan omhoogkwam, moest Wolf, zij het met tegenzin, deze slaaf van de bureaucratie gelijk geven.
'Oké,' zei Fred ten slotte. 'Ik zit nu in het personeelsbestand van Defensie. Hoe zei je ook weer dat die kerel heette?'
'McGeorge Shipley.'
'Mooi, nog even geduld.' Aan de overkant van de straat hing de voorman van de gemeente-arbeiders nu ook aan de telefoon in zijn truck; ongetwijfeld om versterking te laten aanrukken, dacht Wolf. Toen zag hij de vrouw. Ze stond aan de stoeprand en hield een paraplu van rijstpapier over haar schouder. Wolf tuurde naar haar gezicht, maar het gordijn van regen maakte het onmogelijk haar gelaatstrekken te onderscheiden. De vrouw had zwarte schoenen aan, waarvan de verchroomde hoge hakken glinsterden in het licht van de koplampen. Ze droeg een zwarte micro-rok die de hele lengte van haar weelderige dijen liet zien. Een oversized leren vliegeniersjack dat eruitzag alsof het van wol en metaal was, bedekte haar lichaam van haar middel tot haar hals. Ze stapte de stoep af, over de goot heen waardoorheen modderig water stroomde en Wolf ving heel even een glimp op van haar bleke, zwartogige, buitengewoon mooie en onmiskenbaar oriëntaalse gezicht. Japans? Toen kwam er een vrachtwagen voorbijdenderen en was ze verdwenen.
Hij knipperde met zijn ogen, maar het beeld van de prachtige dijen zat nog op zijn netvlies, als een onzichtbare afdruk op een moordwapen.
'Oké.' Freds schrille, door het roken gebroken stem kwam weer over de telefoon. 'Sorry, maat, nergens een spoor van ene McGeorge Shipley in onze dossiers.'
'Weet je het zeker?' Wolf sloot zijn ogen, maar de uitzonderlijke vrouw weigerde te verdwijnen; integendeel, ze bewoog daar in het duister, stapte weer de straat op, haar dijen gespannen.
'Er is wel een Shipley, ene William H., op personeelszaken, en een andere, Donald R., op de financiële administratie, maar dat is alles.
'Hij moet er zijn,' zei Wolf.
'Tja, dat zou best kunnen,' zei Fred, 'maar ik kan hem niet zien.'
'Wat bedoel je daarmee?' Alle gedachten aan de Japanse vrouw waren in één klap verdwenen.
'Blinde files, maat. Alle bestanden van de overheid hebben er daar wel een aantal van. Voor het geval je het nog niet wist, in Washington wordt heel wat bekokstoofd wat het daglicht niet kan velen. De kerels die daarmee te maken hebben zitten niet in de bestanden die door iedereen kunnen worden opgevraagd - zelfs niet in die welke wij kunnen opvragen.'
'Dus wat je wilt zeggen, is dat deze Shipley ofwel niet bestaat ofwel een stille is.'
'Daar komt het wel op neer, ja,' zei Fred de Fed. 'Hé, we staan nu weer quitte, maat. Ik moet ervandoor. Het was me een waar genoegen.'
Wolf hing op en staarde enkele ogenblikken naar de kolkende stoom die uit het wegdek oprees en daar de koude, metaalachtige regen ontmoette. Het dak van zijn auto leek nu wel een trommelvel. Wat moest Lawrence Moravia verdomme met een stille van Defensie? Of had Moun gewoon een grapje met hem uitgehaald?
Hij pakte zijn notitieboekje en staarde naar het telefoonnummer dat ze hem gegeven had, het nummer dat de spookachtige Shipley volgens haar aan Moravia had gegeven. Hij slaakte een diepe zucht en draaide het. De telefoon aan de andere kant ging zeven keer over en hij wilde net ophangen toen, na een korte pauze, het toestel opnieuw begon te rinkelen en iemand aan de andere kant zei: 'Met Shipley.'
Wolf voelde zijn hart overslaan. 'McGeorge Shipley?'
'Ja. Met wie spreek ik?' De lichte tenor van een jonge man; Wolf dacht aan Mouns mentale beeld van Shipley.
Wolf vertelde het hem. 'U was een bekende van Lawrence Moravia?'
'U heeft er geen bezwaar tegen dat ik dit eerst even bij uw commandant verifieer?' zei Shipley. 'Mag ik uw registratie-en telefoonnummer? Als het allemaal in orde blijkt, bel ik u over tien minuten terug.'
Wolf gaf hem de gewenste informatie, hing op en wachtte gelaten. Wat een toestand. Hij vroeg zich af wat Moravia werkelijk had uitgespookt op die reisjes naar Japan. Als Shipley een geheim agent van Defensie was, ging hij om met geheimen van het hoogste niveau en die leidden niet zelden tot de dood. Wolf realiseerde zich plotseling dat hij hiermee weieens in een heel andere wereld terecht kon zijn gekomen.
Door de regen heen zag hij twee extra trucks van de gemeente naderen
- nog meer oliejassen, nog meer gedoe toen de roodwitte hekken werden uitgeladen, terwijl het stadsverkeer zo langzamerhand aan de avondspits begon. De volgende - en laatste - stap was om Avenue C volledig af te sluiten.
Hij dacht over het telefoontje met Shipley, over de korte pauze na het zevende belletje, waarin hij ongetwijfeld werd doorverbonden met Shipley, waar die op dat moment ook mocht wezen.
Het overgaan van de telefoon deed hem opspringen. Hij pakte de hoorn.
'Matheson.'
'Ja, dat bent u inderdaad,' hoorde hij Shipley's inmiddels vertrouwde tenor zeggen. 'Om op uw vraag terug te komen, ik was een bekende van Lawrence Moravia.'
'Werkte hij voor u?'
'Mr. Matheson,' zei Shipley, Wolfs politierang negerend, 'ik denk dat het beter is als we elkaar persoonlijk ontmoeten. Neem de city-hopper van elf uur morgenochtend. Neem een taxi naar H Street in Chinatown en ga naar een restaurant genaamd Phoenix Chinatown. Ik zie u daar om één uur.'
De verkeershekken stonden nu over de hele breedte van het asfalt; het verkeer was in een zee van koplampen en driftig heen en weer gaande ruitewissers tot stilstand gekomen, vermoeid wachtend tot de inmiddels gearriveerde agenten een alternatieve route hadden uitgezet. Voor het moment was er echter geen doorkomen aan.
Korpscommandant Jack Breathard was een carrièrejager met de daarvoor vereiste eigenschappen: hij had een soort boerenslimheid en was altijd op publiciteit uit. Hij wist de hoofdcommissaris en de burgemeester op goede voet met de t.v.-mensen te houden - die verder iedereen in het korps de schrik op het lijf joegen. Dat was geen gemakkelijke opgaaf, temeer daar de hoofdcommissaris en de burgemeester, eenmaal uit het gezicht van de camera's, eikaars bloed wel konden drinken. De burgemeester, James Olivas, een Puertoricaan van de tweede generatie die zich nog steeds dacht te moeten bewijzen, was door politieke omstandigheden gedwongen geweest Hayes Walker Johnson, een halsstarrige neger, tot hoofdcommissaris van politie te benoemen. De twee waren het vrijwel nergens over eens en hun botsing van ego's was al bijna legendarisch.
Breathard wist beter dan wie ook in het korps tussen dit etno-politieke mijnenveld door te dansen, hetgeen betekende dat hij alle manieren kende om de vijandigheid van zijn superieuren ten eigen bate aan te wenden. Hij had zichzelf bij voorbeeld onmisbaar gemaakt wat betreft Oliva's zo gekoesterde media-image, hetgeen niet bepaald eenvoudig was, want Oliva was geneigd hem en Hayes Walker Johnson, twee zwarten, als twee handen op één buik te zien.
Breathards droom was natuurlijk om eerst de een en vervolgens de ander op te volgen. En die droom had precies op schema gelegen, tot inspecteur Wolf Matheson in beeld kwam.
Breathard had Wolf al nooit gemogen. Hij wantrouwde diens talent, dat, zo hield hij zichzelf voor, een inbreuk was op het zware werk en de volharding die hij als het kenmerk van goed politiewerk beschouwde. Deze nogal beperkte visie werd zonder twijfel nog versterkt door de aandacht die Wolf kreeg elke keer als hij weer iemand in de kraag had gepakt. Wat Breathard betrof was dat media-aandacht die naar hem had moeten uitgaan. Het was Breathard die op slinkse wijze het verzoek van de hoofdcommissaris betreffende een betere kantoorruimte voor Wolf en zijn mensen naar een zwart gat had gedirigeerd waaruit het nooit meer te voorschijn was gekomen. En hij was het ook die als eerste van de moord op Moravia had gehoord en het rapport net lang genoeg had opgehouden om ervoor te zorgen dat hij een aanzienlijke voorsprong had voor het naar Wolf werd doorgestuurd. Het had Breathard verschrikkelijk gestoken dat de hoofdcommissaris een bijeenkomst met Wolf had belegd - zonder hem zelfs maar in te lichten - en hem over die Moravia-zaak in het duister had gelaten. Breathard zag al de media-aandacht voor zich die een dergelijke spectaculaire zaak zou opleveren voor de man die Moravia's moordenaar zou pakken. Naar de hel met de hoofdcommissaris en naar de hel met Matheson. Breathard was vastbesloten om die man te zijn, en en passant Matheson te verneuken. Breathard zat in Clancy's, een van die Ierse pubs in het centrum waar de geur van bier zo sterk was dat je bijna je dorst kon lessen door alleen maar een paar keer diep adem te halen.
Breathard kwam hier graag, vooral ook omdat maar weinig van zijn collega's hier binnenstapten, behalve misschien om af en toe een paar van die dronken aardappeleters die deze zaak frequenteerden weg te slepen, maar op dit uur van de dag had hij de bar zo goed als voor zich alleen. De grote zwarte man zat wat met zijn glas bier te spelen toen de buitendeur openging en Squire Richards binnenkwam. Hij kneep zijn ogen samen om in het vaag verlichte vertrek rond te turen en liep toen op Breathards tafeltje af.
'Zal ik een biertje voor je bestellen, bloedbroeder van me?'
'Waarom niet?' zei Squire Richards, terwijl hij de regen van zijn schouders schudde, zijn jas uitdeed en hem over een gammele stoel gooide. Breathard riep de barjuffrouw, een stevige vrouw met geverfd haar en valse wimpers die eruitzag alsof ze rechtstreeks uit de jaren zeventig hierheen was getransporteerd, en een paar minuten later raakten twee glazen bier met een flinke klap het versleten hout van de tafel.
'Wat heb je voor me?' vroeg Breathard, die automatisch in het jargon van de straat verviel. Het was min of meer een opluchting; de inspanning om zich almaar te moeten aanpassen aan een omgeving die meer blank dan zwart was, was hem zo langzamerhand af te zien.
Squire Richards nam een gigantische slok van zijn bier. 'Ik wou dat ik me honderd procent oké voelde over datgene waar ik mee bezig ben.'
'Hoe bedoel je, waar je mee bezig bent?' zei Breathard. 'Als wij elkaar niet steunen, wie zal het dan doen? Olivas soms? Die heeft het veel te druk om zich in te likken bij die slijmerds die hem zijn baan hebben bezorgd. Of die klootzak van een Hayes Walker Johnson, meneer Mijn-Stront-RuiktMinder-Dan-Van-Jullie-Andere-Nikkers, meneer Mijn-Baan-Maakt-MeEven-Goed-Als-Een-Blanke-Dus-Laat-Me-Alsjeblieft-Ook-Bij-De-ClubIk-Zal-Een-Brave-Neger-Zijn? Getver!' Dit laatste kwam uit de grond van zijn hart.
Breathard liet als een grote, kwaadaardige schildpad zijn hoofd naar voren schieten en zei: 'Goed, vertel me nu maar wat jij weet. Je baas, Wolf Matheson, is de enige klootzak die me nog kan tegenhouden bij mijn weg omhoog en bij het afrekenen met Johnson en Olivas, en ik wil hem met zijn reet bloot, is dat duidelijk?'
Squire Richards knikte. 'Ik heb nog niet echt iets concreets. Maar wat die Moravia-zaak betreft, daar zitten een paar heel rare kanten aan. Neem bijvoorbeeld het gedrag van Bobby Connor. Hij was er natuurlijk bij toen ze Junior Ruiz te pakken namen, maar hij gedraagt zich toch wel heel erg vreemd - alsof hij iets heeft gezien wat hij niet had mogen zien.'
'Interessant,' zei Breathard, terwijl hij over zijn borstelige zwarte snor streek. 'Je hebt mij het rapport over de dood van dat meisje, Arquillo en Ruiz, toegespeeld, maar daar heb ik niets bijzonders in kunnen vinden.'
'Dat is het nu juist,' zei Squire Richards, zijn hoofd in zijn bier begravend.
'En dan de inspecteur zelf. Ik bedoel, hij mag dan een vreemde knakker zijn, maar sinds Junior de pijp uit is, is hij helemaal van God los. Hij praat met niemand, doet alles op eigen houtje en komt en gaat wanneer het hem uitkomt. Niemand weet waar hij uithangt.'
'Nog interessanter.' Breathard dacht erover na en dronk zijn glas bier leeg. 'Ik wil beslist dat die klootzak betrapt wordt terwijl hij met zijn hand ergens zit waar dat niet mag, ik wil hem voor eens en altijd de mond snoeren.'
Hij knipoogde naar Squire Richards. 'Misschien dat ik hem maar eens moet laten volgen; goeie kans dat ik een mooie witte vis vang.'
Squire Richards was geschokt. 'Je doet maar wat je niet laten kan, als je mij er maar buiten laat. Jij weet het misschien niet, maar die knakker is levensgevaarlijk. Als je iemand op hem zet, kun je er maar beter voor zorgen dat die weet wat hij doet, anders loopt hij grote kans in zijn eigen valkuil te lopen.'
Breathard streek opnieuw over zijn snor en grinnikte. 'Maak je geen zorgen, maat. Ik zal niets doen wat jouw positie bij Matheson in gevaar kan brengen.' Hij lachte. 'Je bent een veel te waardevolle klootzak om te verliezen.'