Drie
Washington/Tokio
De city-hopper van New York naar Washington zette Wolf vijftien minuten te laat op National Airport af. Het was een korte, maar ongemakkelijke vlucht en hij had onderweg het gevoel dat hij in een veewagen werd vervoerd. Hij stapte het vliegtuig uit, strekte zijn spieren terwijl hij door de aankomsthal liep, schoot in zijn leren pilotenjack, liep de mistige regen in en ging op zoek naar een taxi.
Er stond al een rij en Wolf sloot zich aan. Hij gebruikte de grote glaspanelen van het gebouw om zijn omgeving in de gaten te houden, maar hij zag niets verdachts. Toch maakte hij, toen hij bijna aan de beurt was, schichtige bewegingen, alsof hij iets vergeten was in de aankomsthal, draaide zich toen om en snelde weer naar binnen. Hij wachtte vijftien minuten voor hij weer naar buiten ging. De rij was verdwenen en hij stapte in de voorste taxi.
Chinatown in Washington was kleiner dan de gelijknamige wijk in New York, hoewel een stuk minder smerig. Bovendien leek H Street bijna net zo veel roerbak-tenten te bevatten als Hongkong.
Phoenix Chinatown verschilde zo op het eerste gezicht weinig van de restaurants links en rechts ervan, met uitzondering van de paar gipsen Chinese honden die aan weerskanten van de verder niet bijster opzienbarende entree stonden. Binnen was het aangenaam schemerig, de muren en de atmosfeer waren roodbruin en in de lucht hing de geur van hete rijstazijn, chili-olie en sojasaus.
Het was even voor enen en de tent zat behoorlijk vol. Wolf vond een vrij tafeltje en liet zich op een met vinyl beklede bank zakken die eens rood moest zijn geweest.
Een hyperactieve ober liet een vettig menu op tafel vallen, goot hete thee in een eenvoudig glas en zette er een metalen pot naast. Wolf had behoorlijke honger en om één uur bestelde hij zoetzure soep; om vijf over één stond die op tafel, samen met een kom gedroogde noedels en een klein schaaltje tafelzuur. Hij was net klaar met de soep - die goed was, de noedels niet - toen een lange, slanke Oosterse man van een tafel een eindje verderop opstond en op hem af kwam.
'Mr. Matheson, mr. Shipley laat zich verontschuldigen voor zijn oponthoud.'
De oosterling had zo te zien nog meer op zijn hart, maar leek ter plekke wortel te hebben geschoten en zweeg.
Wolf pakte de pot en schonk thee in een tweede glas. De oosterling knikte en gleed op de bank tegenover Wolf.
'U bent geen Chinees,' zei Wolf.
'Nee, Japans,' zei hij. 'Maar ik houd van Chinees voedsel. Ik lijk ook een voorkeur te hebben ontwikkeld voor cheeseburgers.' Hij stak een hand over de tafel. 'Jason Yoshida.'
Wolf keek hem aan. 'Hoe lang hebt u me al in de gaten gehouden, mr. Yoshida?'
'Niet u, maar iedereen om u heen, om precies te zijn.'
'Ik ben niet gevolgd hierheen,' zei Wolf, 'als u zich daar soms zorgen over maakt.'
'Het is mijn werk om me daar zorgen om te maken,' zei Yoshida, terwijl hij zijn thee opdronk. 'Zullen we gaan? Mr. Shipley wacht op ons.' Hij maakte een wegwuivend gebaar toen Wolf naar zijn portemonnee greep.
'Laat u maar, mr. Matheson. Dat is allemaal onderdeel van de service.'
In plaats van naar de voordeur te lopen, ging Yoshida Wolf voor naar het achterste gedeelte van het restaurant, door een smalle gang, langs een publieke telefooncel en de toiletten, tot ze op een achteraf straatje uitkwamen. Ze sloegen linksaf, nog een keer links en stonden toen bij een zwarte Taurus met regeringsnummerplaten die op een Verboden te Parkeren-plek stond. Yoshida deed hem van het slot en beide mannen stapten in. Yoshida sloeg een paar hoeken om en toen reden ze in westelijke richting H Street op.
'U werkt voor Shipley?' vroeg Wolf.
'Zo zou je het kunnen noemen,' zei Yoshida, op een toon die verdere conversatie uitsloot.
Hij sloeg rechtsaf Massachusetts Avenue in, volgde die helemaal tot aan Dupont Circle, draaide toen Connecticut Avenue op en reed in noordwestelijke richting Rock Creek Park door. Aan de noordrand van het park sloeg Yoshida rechtsaf Tilden Street in, en vervolgens linksaf Linnean Avenue op.
'Het landhuis Hillwood behoorde toe aan Marjorie Merriweather Post,'
zei Yoshida, die plotseling spraakzaam werd toen ze het hoge, zwarte ijzeren hek waren binnengereden. 'Maar het maakte oorspronkelijk deel uit van een tweeduizend hectaren groot stuk land dat aan het begin van de achttiende eeuw in het bezit was van Isaac Pierce.' Hij knikte naar een oude zwarte man in een uniform dat Wolf niet thuis kon brengen - misschien een particuliere beveiligingsdienst.
Ze reden nu over een lange, kronkelige oprijlaan naar de kam van een lage heuvel. Erbovenop stond een groot rood bakstenen landhuis in Georgiaanse stijl; Yoshida was zo attent hem te vertellen dat het in 1926 gebouwd was.
Ze reden tot voor het huis, maar Yoshida zette de motor niet af en maakte ook geen aanstalten om uit te stappen. 'Achter het huis is een pad dat over een kleine verhoging heen omlaag loopt. Volg dat tot aan de splitsing en sla daar linksaf langs de miniatuur-datsja. Het volgende gebouw dat je tegenkomt, is een blokhut.'
Wolf wachtte tot hij verder ging, en toen dat niet het geval was, zei hij:
'Is dat alles?'
Yoshida keek hem aan en een fractie van een seconde voelde Wolf in zijn binnenste iets roeren. 'Mr. Shipley wacht op u,' zei hij, alsof niet juist Wolf op hém had moeten wachten.
Er was inderdaad een miniatuur-datsja - alsof je in een sprookje rondliep
- en iets verderop een onvervalste blokhut. Wolf opende de deur en voelde onmiddellijk de verandering in temperatuur en vochtigheid die de toegang aankondigde tot een hermetisch afgesloten omgeving.
Hij zag ook onmiddellijk waarom. Het interieur van de blokhut was omgetoverd in een museum dat mrs. Posts indrukwekkende collectie Amerikaans-Indiaanse kunstvoorwerpen bevatte, waaronder bewerkte hertehuiden, mocassins met kralen, beschilderde strijdtrommels, kleden - een rijkdom aan gestolen geschiedenis van de Amerikaanse prairies. Wolf was zo met stomheid geslagen door deze uitstalling dat hij bijna de jongeman over het hoofd zag die nu op hem af kwam. Hij vergeleek hem met het mentale beeld dat hij uit Mouns herinnering had gedistilleerd: zijn blonde haar kort geknipt, zijn lange, prettige gezicht gedomineerd door porselein-blauwe ogen die de onderontwikkelde kin enigszins compenseerden. Hij was gekleed in de gangbare Washington-outfit - een donkerblauw pak, gesteven wit overhemd, gestreepte regimentsdas - zodat hij zonder op te vallen door elke gang in elk regeringsgebouw in Washington kon rondstappen. Hij stak zijn hand uit. 'Mr. Matheson.' Zijn glimlach oogde zo gezond dat er hij een eventuele verkoudheid mee zou hebben kunnen genezen. Zijn handdruk, ferm en droog, was bedoeld om je op je gemak te stellen.
'Mr. Shipley, naar ik aanneem.'
Shipley grinnikte en hij zag er plotseling uit als een onschuldig jongetje.
'Mijn verontschuldiging voor deze plotselinge verandering in de plannen, maar het was een noodzakelijke voorzorgsmaatregel.'
Wolf wist nu weer dat al die agenten van de regering paranoïde waren.
'Uw mr. Yoshida leek zich zorgen te maken dat ik naar Chinatown gevolgd was. Waarom zou iemand dat doen?'
'Wilt u mij volgen?' zei Shipley, terwijl hij Wolf voorging een trap op naar een kleine overloop, waarvandaan je een goed zicht had op een paar prachtige Tlingit-dekens. Je had er ook een eersteklas uitzicht over het hele interieur van de blokhut.
Wolf legde zijn handen op de gepolijste reling en zei: 'De eerste vraag die ik wil stellen, is dat als Moravia een agent van Defensie was, waarom er dan geen Feds op de plek van de moord rondzwermden om mijn onderzoek in de war te sturen.'
Shipley lachte kort, als een stoot adem op een winterse dag. 'Ik mag u wel, mr. Matheson. Tussen uw oren zitten ten minste hersenen. Dat is me al verteld, maar het kan nooit kwaad om dat uit de eerste hand bevestigd te zien.'
Wolf keek hem met toegeknepen ogen aan. 'Er is u verteld dat ik slim was? Door wie dan wel?'
Shipley haalde diep adem en keek naar de zorgvuldig achter glas bewaarde artefacten. 'Kijk eens rond, mr. Matheson. Het is hier toch net een heiligdom, niet?'
'Tja, ik heb alleen het idee dat hier niet het hele verhaal verteld wordt.'
Shipley knikte. 'Te weinig, te laat, eh?' Hij knikte. 'Daar kan ik in meevoelen.'
'Dat vraag ik me af,' zei Wolf.
Shipley absorbeerde het verwijt. 'Maar er waren er een aantal die van de Indianen gingen houden. Uw vader, bijvoorbeeld.'
Nu wist Wolf waarom hij hierheen was gebracht, naar een museum met artefacten uit de geschiedenis van het Indianenvolk. Het maakte hem duidelijker dan woorden of een dossier met zijn naam erop zou kunnen, dat deze mensen - wie het ook mochten zijn - wisten wie hij was, wat hij was en wat belangrijk voor hem was. Of in ieder geval dachten ze dat ze dat wisten.
'U heeft niet de behoefte uw dossier in te zien, neem ik aan?' zei Shipley langs zijn neus weg.
'Nee.'
Hij knikte, duidelijk tevreden met de manier waarop de conversatie tot nu toe was verlopen. 'Lawrence Moravia werkte voor ons, mr. Matheson, maar dan wel op strikt onofficiële basis.'
'Kunt u dat iets nader toelichten?'
Shipley draaide zich naar hem om. Zijn blauwe ogen leken onnatuurlijk helder in de plafondlampen van de blokhut. Wolf verdacht hem ervan contactlenzen te dragen. 'Moravia's naam staat in geen enkel boek, dossier of microfiche van de overheid. Hij werd contant betaald, uit wat intern bekendstaat als "onverwachte uitgaven". Kunt u me volgen?'
'Met andere woorden, niet traceerbaar geld uit bronnen die eigenlijk ergens anders voor bedoeld zijn.'
Shipleys glimlach was bijna een grijns. 'Heel goed, mr. Matheson. Tussen twee haakjes, heeft u uw vakmanschap overzee opgedaan, in 'Nam?'
'U had dus iemand op de luchthaven?'
'Inderdaad,' zei Shipley. 'Maar zoals u heel juist heeft opgemerkt is niemand u naar Chinatown gevolgd - zelfs wij niet. U heeft het uitstekend gedaan; mr. Yoshida had zich geen zorgen hoeven maken.'
Wolf liet de adem ontsnappen die hij, naar hij nu besefte, al enige tijd had ingehouden. Dit was een andere wereld dan de Newyorkse afdeling Moordzaken, en hij begon zich af te vragen hoe lang die grapjassen hier hem daarin zouden laten ronddarren. Wat dat betreft stond hem nog een verrassing te wachten.
'Om uw vraag te beantwoorden,' zei Shipley, 'we hebben geen eigen mensen gestuurd omdat we nu eenmaal niet wilden dat - hoe zei u het ook al weer - uw onderzoek in de war werd gestuurd.'
'Nou, dat is dan de eerste keer dat de Feds hun neus niet in andermans zaken stoppen. Ik bedoel, Moravia was jullie man.'
'Onofficieel wel, ja.' Shipley ging wat dichter bij Wolf staan en liet zijn stem dalen. 'En onofficieel is hier het sleutelwoord. Hoewel Moravia een geheim agent met een speciale opdracht was, werd hij officieel als burger beschouwd. Kunt u zich de vragen voorstellen die we te verduren hadden gekregen als we onze mensen het onderzoek naar de moord hadden laten uitvoeren? Nee, nee, dat zou averechts hebben gewerkt.' Hij bewoog een stukje langs de reling, alsof hij een beter zicht wilde hebben op wie er beneden binnenkwam. Wolf volgde hem.
'Dan heb ik nu een vraag voor u,' zei Shipley. 'Hoe kwam u aan mijn privé-nummer?'
Wolf vertelde hem van zijn bezoek aan Urban Decay en hoe Moun zich hem had herinnerd als Moravia's gast.
Shipley knikte en op zijn gezicht verscheen een droevige uitdrukking. 'Er is een verdomd goeie reden dat het ons officieel verboden is gebruik te maken van gewone burgers. Dit is er een voorbeeld van: zodra je je inlaat met burgers, neig je ertoe laks te worden.'
Wolf leunde naar hem toe. 'Waar was Moravia mee bezig?'
Shipley schudde zijn hoofd. 'Nationale veiligheid. U weet dat ik u daar niets over kan vertellen.'
'Dan bindt u dus bewust mijn handen bij dit onderzoek. Het kent al genoeg bizarre aspecten om mij duidelijk te maken dat Moravia niet is vermoord dooreen zakelijke rivaal, een persoonlijke vijand of een inbreker die op heterdaad werd betrapt. U kunt me toch wel iets vertellen? Een idee over de richting die ik uit moet?'
'U ziet zelf hoe spijtig het allemaal is.' Shipley zuchtte en zijn gezicht kreeg een nog bedroefder uitdrukking. 'Het is echt heel vervelend, want we zouden u goed kunnen gebruiken.'
'Mij?'
'Ach, kom nou, mr. Matheson. U hebt alles wat wij zoeken: een burger met hersens, een politieman, een rechercheur met een ongeëvenaarde reputatie wat betreft het arresteren van moordenaars, met uw eigen semi-autonome team en de volledige steun van de Newyorkse politie. Maar het feit is er nu eenmaal dat na wat u me daarnet verteld heeft, ik nog niet met een burger zou samenwerken als mijn leven ervan afhing.'
Wolf had het gevoel dat zijn tijd wat betreft de zaak Moravia bijna voorbij was en dat was niet wat hij wilde. 'Ik ben nauwelijks een burger,' zei hij.
'Wat mijn bureau betreft -'
'In de meest elementaire zin des woords zijn we beiden politiemensen, niet?'
Shipley keek hem doordringend aan en die ogen als felblauwe chips verrieden heel even zijn behoefte aan Wolfs hulp. Toen keerde het porseleinen karakter ervan weer terug, als een ondoorzichtig gordijn, en bleef alleen de kieskeurige facade nog over. Maar toch kon hij Shipley's behoefte nog ruiken, als de naweeën van overrijp fruit. Er moest een manier zijn om dat in zijn eigen voordeel te gebruiken.
Wolf zei: 'U en ik behoren tot een soort broederschap. We zijn beiden buitenstaanders, altijd in gevaar, altijd op het koord tussen licht en schaduw, levend tussen de dagen in.'
Shipley schonk hem weer die brede megawatt-glimlach. 'Ik begrijp waar u heen wilt, mr. Matheson -'
'Inspecteur.'
Shipley knikte. 'Dat is waar, ik vergeet dat steeds. Maar het maakt geen verschil, inspecteur Matheson. Uw poging om ons bij elkaar te brengen zal niets uithalen. U mag dan een politieman zijn, maar u hebt ook gezworen de wet te handhaven; is dat niet min of meer waar uw eed op neerkomt? Ik ben niet door een dergelijke eed gebonden. Ik moet de soevereiniteit van de Verenigde Staten van Amerika waarborgen. Wat daar ook voor nodig is.'
'Is dat waar uw eed op neer komt, mr.
Shipley?'
'Ha, ha! Ja, meneer, de eed die wij in het geheim afleggen, komt voor een groot deel daarop neer.' Hij schudde zijn hoofd. 'Maar, zoals ik al zei, het is beslist jammer dat wij niet samen kunnen werken.'
Shipley draaide zich om teneinde te vertrekken, maar Wolf zei: 'Zonder mij heeft u geen enkel aanknopingspunt wat betreft de moord op Moravia. Hoe denkt u dan verder te gaan?'
Shipley haalde zijn schouders op. 'Ik zal moeten roeien met de riemen die ik heb. Adios, inspecteur. Dit is de laatste keer dat wij elkaar zien.'
Wolf wachtte tot hij boven aan de trap stond, voordat hij zei: 'Vertelt u me dan nog één ding, mr. Shipley. Wanneer is Moravia geboren?'
Shipley draaide zich om en keek Wolf nieuwsgierig aan. 'In 1944, geloof ik. Op 23 november.'
'Weet u dat zeker?'
Hij voelde Shipley's nieuwsgierigheid stijgen.
'Als u iets belangrijks hebt, kunt u er beter nu direct mee voor de dag komen.'
'Ik heb zeker iets belangrijks,' zei Wolf, die nu op Shipley afliep. 'En wel het volgende: als Lawrence Moravia achtenveertig was, hoe komt het dan dat de patholoog-anatoom van New York zweert dat zijn organen die van iemand van dertig zijn?'
Shipley bleef een hele tijd zwijgen, maar ten slotte kwam hij in beweging, alsof hij uit een diepe slaap ontwaakte. Hij bracht in een uitnodigend gebaar een arm omhoog. 'Inspecteur, ik geloof dat u maar beter met me mee kunt komen.'
Nishitsu voelde zich verkwikt, en klaar om aan de slag te gaan. Normaal gesproken was hij niet iemand die zich in zijn eigen slimheid verlustigde dat had al heel wat mensen naar de ondergang geleid - maar in dit speciale geval stond hij zichzelf toe even te genieten van zijn rekrutering van Evan. Iedereen in Verboden Dromen hield van haar en, wat belangrijker was, vertrouwde haar. Misschien kwam dat vooral omdat zij de enige was die nog nooit buiten de muren was geweest. Evan was een heel bijzonder schepsel. Ze straalde de onschuld van een kind uit - ze zag er trouwens ook nog als een kind uit - maar ze had een heel scherpe geest, gevoed door de wij sheid van eeuwen.
Hij dacht aan deze dingen terwijl hij door de kleine tuin liep, waar in de hoeken toefjes sneeuw als spinnewebben lagen opgehoopt. Hij liet zijn blik langs de overal om hem heen oprijzende torens van Tokio gaan. De Toshin Kuro Kosai, het Genootschap van het Zwarte Zwaard, was heel ver gekomen en spoedig zou het nu allemaal voltooid zijn, de vrucht van hun decennia lange planning. Maar op dit moment bevonden ze zich op het vinkentouw - de infiltratie van Moravia was daar het bewijs van, evenals het bestaan van een potentiële verrader.
Exact in het midden van de tuin bleef hij staan en dacht terug aan het moment dat de Eerwaarde Moeder haar ogen opende en tegen hem zei:
'Iemand zal zich tegen ons keren, is daar misschien al mee bezig - plannen maken, doen, het maakt niet uit, want gedachte en daad bewegen in harmonie met elkaar.'
Hij luisterde altijd naar de Eerwaarde Moeder,
want dit was haar gave en ze had het zelden mis. Ze zag wat ze zag,
in wat voor flakkerende, duistere toekomst dan ook die haar geest
als een zwart lemmet doorboorde en die hem te enen male te boven
ging. Maar hij had geluisterd naar haar ijselijke waarschuwing, had
zijn bloed in zijn aderen voelen bevriezen, en had gehandeld. En
hij was ervan overtuigd dat Evan de verrader zou vinden. Hij liep
verder, enigszins verkild zonder zijn overjas, duwde een schuifdeur
open en trok zijn schoenen uit. Daarna knielde hij en betrad het
vertrek op de traditionele manier, op handen en voeten.
Hij zag Minako Shian het eerst. Ze was de moeder van Yuji Shian, de president-commissaris van Shian Kogaku, Japans leidende keiretsu- multiindustriële conglomeraat - en een man die Nishitsu meer dan wie ook nodig had. Minako was een formidabele vrouw, voor hem even begeerlijk als vrouwen van half haar leeftijd. Haar ogen leken wel lichtgevend en haar lange, glanzende haar, zwart als de vleugel van een raaf, lag in ingewikkelde krullen om haar als gebeeldhouwde gezicht. Alle macht die vanouds in een vrouwenlichaam school, was in dat gezicht gebundeld, en ze had een uitstraling alsof je je hand bij de geopende deur van een oven hield. Achter zich kon hij de aanwezigheid van een andere vrouw voelen, de Eerwaarde Moeder. Hij keek echter niet direct om, want haar aankijken stond gelijk aan te lang in de zon kijken.
'Het spijt me van uw vriend Moravia-san,' zei Nishitsu, hoewel hij er geen woord van meende. Moravia had gekregen wat hij verdiende. Minako knikte. 'Het was nogal zorgeloos van me dat ik hem niet heb doorzien.'
'Wat dat betreft kunnen we het ons allemaal aantrekken,' zei de Eerwaarde Moeder, met een stem die veel weg had van het rommelen van een ver verwijderde lawine.
'Het was trouwens in zekere zin nog gunstig ook,' zei Nishitsu. 'Door onze onwetendheid traden we hem zonder achterdocht tegemoet en dat maakte hem zorgeloos.'
'We weten wie zijn meesters zijn,' zei de Eerwaarde Moeder, 'en we zullen te zijner tijd met hen afrekenen. Vandaag echter zijn er dringerder zaken waar we ons mee dienen bezig te houden, zaken die zich in onze eigen achtertuin afspelen.'
Nishitsu knikte. 'Uw zoon, Yuji-san, Minako-san. We begrijpen - hebben al de hele tijd geweten - dat u uw zoon verre wilde houden van ons, van wat we doen. Tot nu toe hebben we toegegeven aan die wens.'
'Dat is helaas niet langer mogelijk,' voegde de Eerwaarde Moeder eraan toe.
'Wat is er gebeurd?' vroeg Minako.
Nishitsu stond op, liep op kousevoeten naar het eind van de kamer en bleef daar staan, uitkijkend over de tuin. Hij was een man met tegelijkertijd een enorme energie en een grote verstilling, en er werd gezegd dat zijn tuin was aangelegd naar zijn eigen, uiterst gedetailleerde beschrijving, dat hij zijn onuitputtelijke kracht uit haar vele elementen haalde - rotsen, bamboe, kiezels, water, ahorn, steen, azalea. Misschien kwam dat, zo bedacht Minako, omdat hij (zo ging het verhaal tenminste) de tuinarchitect had laten ombrengen, zodat die deze plek - dit heiligdom - nooit zou kunnen dupliceren. De geest van de architect, begraven in de tuin en begrensd door de omtrek ervan, was een voortdurend voedingsbron voor Nishitsu, net als de rijst en de vis die hij dagelijks at.
'Wat er is gebeurd,' zei Nishitsu, 'is dat we geconfronteerd worden met een vijand of vijanden van binnenuit.' Hij nam Minako nauwgezet op met zijn opalen oog, speurend naar een eventuele versnelling van de ademhaling of de hartslag, naar de glans van zweet of een minieme galvanische respons. Hij zag niets.
Minako zei: 'Heeft deze nieuwe ontwikkeling op de een of andere manier te maken met Moravia?'
'Een goede vraag, en ik begrijp ook waarom die voor u van belang is.'
Nishitsu, die klaar was met zijn visuele inspectie van haar, wendde zich weer naar de tuin. 'Ik heb voor het moment geen toereikend antwoord. Ik weet alleen dat we nu gewaarschuwd zijn. We hebben niet langer ongelimiteerd de tijd. Daarom zijn de laatste fasen van uw plan inmiddels in werking gezet. Wat nog rest is uw zoon en allen die hem volgen op één lijn met ons te krijgen. Daar hebben we u voor nodig, Minako-san.'
'Ik begrijp het,' zei Minako.
'Denkt u?' Nishitsu draaide zich met een ruk naar haar om. 'Ik weet het niet. Als het mijn zoon was geweest, denk ik dat ik eerst het conflict tussen giri en ninjo had moeten oplossen.'
'Net als in die Yakuzi-films zeker?' zei Minako, met opzettelijke ironie. Ze wist wat hij bedoelde. Giri was het gevoel van ultieme schatplichtigheid aan de familie of de groep, zonder welke het leven geen betekenis had. Ninjo was het gevoel van betamelijkheid waarmee gj'ribijna altijd botste. Het zou met haar en Yuji ook zo kunnen gaan. Ze voelde g/rijegens het Genootschap van het Zwarte Zwaard, had zich in feite al decennia lang voor ze opgeofferd. Maar nu bracht Nishitsu haar loyaliteit ter sprake, juist vanwege haar gevoel van ninjo jegens de zoon die ze tot nu toe verre van haar leven binnen het Genootschap had weten te houden.
'Ik ontken het conflict niet,' zei Minako, 'maar het is een persoonlijke aangelegenheid waar u zich verder geen zorgen over hoeft te maken. Ik ben Toshin Kuro Kosai. Mijn opofferingen voor de zaak zijn bekend, nietwaar Nishitsu-san?'
'Dat zijn ze zeker,' zei Nishitsu, langzaam knikkend. 'Maar we zijn ons terdege bewust van de speciale relatie die u met uw zoon hebt. Hij is per slot de enige van uw vier kinderen die onwetend is van het bestaan van Toshin Kuro Kosai en uw rol daarin. U zelf hebt hem er verre van gehouden, onbereikbaar voor ons.'
Hij kwam terug de kamer in en ging tegenover haar op de tatami zitten.
'Maar dat zal nu moeten veranderen. We vragen u het ultieme offer te brengen.'
'U vraagt het mij?' Minako glimlachte en liet een stilte vallen alvorens ze zei: 'Ik ben als klein meisje geroepen het ultieme offer te brengen en heb daaraan toegegeven. Van toen afwas stilzwijgend duidelijk dat wat de Toshin Kuro Kosai ook van me zou vragen, ik dat zou doen. Er is wat dat betreft niets veranderd.'
Nishitsu knikte. 'Het was belangrijk voor ons om dit zo openlijk te kunnen bespreken.'
'Ik begrijp het,' zei Minako.
'Dan verwacht ik dat u uw zoon, Yuji Shian, over twee weken aan ons presenteert.'
Minako zei niets en de stilte groeide weer, hoewel die dit keer niet van haar kwam. Ten slotte kwam de Eerwaarde Moeder in beweging. 'Vertel me eens, Minako-san, hoe denkje je zoon zover te krijgen dat hij een filosofie gaat aanhangen die hij tot nu toe verwerpelijk vindt?'
'Ik heb geen keus,' zei Minako. 'Ik zal zijn beste vriend, Shoto Wakare, moeten gebruiken.'
Op het landgoed Hillwood zag Wolf Jason Yoshida achter het stuur van een donkerblauwe Lincoln Town Car met een nummerbord van de regering zitten. Wat was er van de zwarte Taurus geworden, vroeg hij zich af. Yoshida opende het dichtstbijzijnde achterportier voor hen en ze stapten in. Shipley drukte direct daarop op een knop die een scherm tussen hen en Yoshida deed sluiten. Ze begonnen te rijden, maar de ramen van de wagen waren zo goed verduisterd, dat Wolf maar nauwelijks naar buiten kon kijken. Hij gaf het dan ook algauw op.
'Wat weet u van Japan, inspecteur?'
'Ik ben een expert in aikido,' zei Wolf.
'Natuurlijk bent u dat. Maar dat is iets cultureels, iets spiritueels. Ik bedoelde meer het huidige politieke klimaat.'
'Niet meer dan wat er in de kranten staat.'
'Dat is niet genoeg, inspecteur. Bij lange na niet genoeg.' Shipley boog voorover, drukte op een andere knop en een deel van het generfde houten paneel voor hem ging open en openbaarde een safe. Hij opende hem met een aantal geoefende bewegingen en haalde er een grijskleurig dossier uit. Het was dichtgebonden met een brede, blauwe band met daarop in goud het zegel van de president van de Verenigde Staten. Direct daaronder stond in vette rode kapitalen: STRIKT GEHEIM.
Shipley maakte het dossier bijna eerbiedig open. 'Hierin,' zei hij, zijn vlakke hand op het omslag leggend, 'staat alles wat u over het huidige Japan moet weten. Over haar toekomst en de onze. En over de dood van Lawrence Moravia.'
Shipley haalde er een foto uit van een dreigend uitziende man met een krachtige kaaklijn en één troebel oog. 'Dit is Naoharu Nishitsu. Zoals u ongetwijfeld uit de kranten zult weten, is hij de leider van de LiberaalDemocratische Partij, in alle opzichten Japans enige echte politieke partij. De LDP is onmetelijk rijk. Ze worden gesteund door jaarlijkse bijdragen van enorme omvang van 's lands belangrijkste industriëlen. Wat echter opzettelijk geheim is gehouden, is dat Nishitsu ook de machtige - en gevaarlijke - ultra-conservatieve rechtervleugel van de partij leidt. We hebben onlangs een rapport van de inlichtingendienst ontvangen dat duidelijk maakt dat veel demonstraties en gewelddadige conflicten die tot nu toe aan fanatieke rechtse splintergroeperingen werden toegeschreven, in werkelijkheid zijn bedacht, gefinancierd en aangewakkerd door deze factie. Dat betekent twee dingen: ten eerste dat deze groepen, waarvan we eerst dachten dat ze op zichzelf opereerden en dus geen al te groot gevaar opleverden, in werkelijkheid precies het tegengestelde zijn; en ten tweede, dat Nishitsu een belangrijk aandeel heeft in deze de laatste tijd escalerende terroristische acties. Dit rapport werd bovendien door een andere, eh... bron bevestigd.'
Wolf merkte dat Shipley hem onderzoekend opnam, naar hij aannam om te controleren of zijn aandacht niet verslapte.
'Dit is een ernstige zaak, inspecteur, ik kan dat niet genoeg benadrukken. Zo werd bijvoorbeeld in 1990 de burgemeester van Nagasaki vermoord omdat hij had durven suggereren dat de keizer van Japan deels verantwoordelijk was voor de Tweede Wereldoorlog; nog geen acht maanden geleden raakte de minister-president ernstig gewond vlak nadat hij had gepleit voor een vrijere toegang tot Japan voor het Amerikaanse zakenleven. De fanatici noemen deze moorddadige aanslagen "daden van gerechtigheid". Nishitsu zelf noemt het "goddelijke bestraffingen".
Het feit dat deze regelrechte moordaanslagen worden betaald door het
"officiële" Japan is... tja, tot voor kort hadden wij dat volkomen ondenkbaar geacht.'
'Als u daar zulke harde bewijzen voor hebt,' zei Wolf, 'waarom legt u die dan niet aan de Japanse regering voor?'
'Om twee redenen,' zei Shipley. 'Ten eerste heeft de Japanse regering geen idee van de omvang van ons inlichtingennetwerk in hun land; dat willen we liever zo houden. Ten tweede zitten Nishitsu's mensen op werkelijk alle niveaus in de regering; we zijn er daardoor niet langer zeker van wie we kunnen vertrouwen.'
'Dat klinkt niet zo best allemaal.'
'En het wordt nog erger, geloof me. De afgelopen achttien maanden zijn een aantal vooraanstaande liberale leden van de LDP gestorven: een autoongeluk hier, een schijnbare hartaanval daar. Anderen zijn in schandalen verwikkeld geraakt en hebben zich oneervol terug moeten trekken. Wij hebben wat dieper gegraven en verdenken Nishitsu er nu heel sterk van dat hij bezig is de liberalen uit de top van de LDP te verwijderen, zodat bij elke volgende verkiezing steeds meer traditionalisten, ultra-conservatieven en, het meest alarmerend van allemaal, radicale kandidaten de vrijgekomen plaatsen kunnen invullen. Als die trend niet snel wordt omgebogen, zal de hele politieke orde in Japan nog verder naar rechts opschuiven dan het geval was aan de vooravond van Pearl Harbor.'
Shipley stopte Nishitsu's foto terug in het dossier en haalde er een andere uit. Maar hij gaf hem nog niet aan Wolf. 'Zelfs als dit alles was, zou deze situatie onze hoogste prioriteit verdienen, maar helaas zijn we er daarmee nog niet.'
'Wacht even,' zei Wolf. 'Ik mag dan in 'Nam weieens wat met jullie mensen te maken hebben gehad, maar dat is alweer heel wat jaartjes geleden en het jargon is in die tussentijd veranderd. Wat houdt "hoogste prioriteit" precies in?'
'Dat is, inspecteur, één kleine stap onder de status van stille oorlog.'
Wolf staarde enkele ogenblikken zonder iets te zien uit de verduisterde ramen en zag één voor één de attributen uit de blokhut weer voor zich: de kleding van herteleer, de oorlogsbogen, de kleden, de tomahawks. Hij had niet alleen tijd nodig om Shipley's verhaal te verwerken, maar ook om de consequenties tot zich door te laten dringen. Ten slotte wendde hij zich weer tot de man naast hem. 'Ik wil hier volledige duidelijkheid over. Doelt u met "stille oorlog" op een situatie vergelijkbaar met de koude-oorlogtoestand zoals die tussen ons en de Sovjetunie bestond?'
'Dat is precies wat ik bedoel, ja.'
Jezus, dacht Wolf, waar raak ik in vredesnaam in verzeild? Hij vroeg zich af of hij niet beter nu kon uitstappen en Shipley voorgoed gedag zeggen. Maar hij wist dat hij dat nooit zou doen. Ergens binnen in hem gloeide al dat vertrouwde vuur dat hem tot aan het eind van dit zich snel uitbreidende onderzoek zou brengen.
'Kan ik verder gaan?'
Wolf knikte.
'We zijn er achter gekomen dat het wat Nishitsu betreft niet ophoudt bij het financieren van terroristische groeperingen,' zei Shipley. 'Zeer onlangs heeft onze inlichtingendienst - gevoed door Lawrence Moravia, maar dat terzijde - bevestiging gekregen dat Nishitsu tevens de leider is van de Toshin Kuro Kosai, een organisatie die ook wel bekendstaat als het Genootschap van het Zwarte Zwaard. Deze groep is zo geheim dat zelfs de meeste Japanners er nog nooit van gehoord hebben. Het is een komplot van - en wat ik nu zeg, berust op louter speculatie - invloedrijke mensen uit alle geledingen van de Japanse samenleving - de zakenwereld, de politiek, de overheid, de Yakuza - wier enige doel is, en altijd is geweest, het veroveren van de wereld, maar dat op hun eigen manier en in hun eigen tempo. Er wordt beweerd dat de Toshin Kuro Kosai in 1937 tegen de agressieve imperialistische Japanse politiek heeft geageerd, evenals enkele jaren later tegen de aanval op Pearl Harbor. Ze wisten, zo wordt verder beweerd, genoeg om de militaire kracht en veerkracht van de Verenigde Staten niet te onderschatten.
Maar ze waren toen nog niet zo sterk als nu en werden weggestemd door het almachtige militair-industriële complex van die tijd, bekend als zaibatsu, dat hun land uiteindelijk naar de nederlaag leidde.
Het Genootschap trok zich daarop terug en ging ondergronds tot de oorlogstribunalen van na de oorlog voorbij waren. Toen kwamen ze langzaam weer boven, één of twee tegelijk, maar sterker en invloedrijker dan ooit tevoren. We weten dat de snelle economische opbloei van Japan in de decennia na de oorlog werd gestuurd door leden van het Genootschap met hoge functies binnen het machtige ministerie van Internationale Handel en Industrie, het MITI, en door de leiders van de nieuwe, in die tijd opkomende industriële keiretsu- hun nieuwe naam voor de oude zaibatsu. Denkt u zich eens in, inspecteur. Deze onzichtbare groep ontwierp en stuurde een economische politiek die het hele land decennia lang, tot nu toe eigenlijk, ongelooflijke vooruitgang heeft gebracht.' Shipley's duidelijke bewondering was min of meer gedwongen, en dat maakte zijn angst voor deze mensen alleen maar concreter. 'Kunt u zich voorstellen dat ze al in 1947 dergelijke complexe structuren ontwierpen, die tot in de eenentwintigste eeuw stand zouden houden? Onze knapste koppen kunnen het nog niet helemaal bevatten. Kijk maar eens tot wat het Genootschap van het Zwarte Zwaard Japan vandaag de dag heeft gemaakt: een economische en technologische kolos met een ongehoorde macht.
Dat is waar we tegenop moeten boksen, inspecteur. En we hebben nu inlichtingen - absoluut betrouwbaar, uit verschillende, onafhankelijke bronnen - dat het Genootschap op het punt staat voldoende macht te vergaren om zijn droom te vervullen: de economische dominantie van de wereld.'
Nu overhandigde Shipley Wolf de tweede foto. 'Dit is Yuji Shian, de enige man met genoeg invloed om Nishitsu's laatste sprong naar de macht tegen te houden.' De foto liet een man zien met een smal, glad gezicht, en glanzend zwart haar dat ongebruikelijk lang werd gedragen, tot op zijn schouders. Zijn ogen leken heel zacht, maar in de diepten ervan bespeurde Wolf het koortsige licht van een vreemde, ongrijpbare emotie... geen woede, geen obsessie, maar iets wat net zo vurig was.
'Naoharu Nishitsu en Yuji Shian. De één vertegenwoordigt zijn in de loopgraven opgestelde radicalen, die de traditionele Japanse droom van de wereldheerschappij dromen, de ander de opkomst van een nieuwe orde, die staat voor wereldwijde verantwoordelijkheid.
Shian is de enige die de afgelopen jaren van schandalen steeds weer zijn stem verhief tegen de traditionele handel met vertrouwelijke informatie en geld die zo'n wezenlijk onderdeel uitmaakt van bijna elke zakelijke en politieke transactie in Japan. Er is een heel nieuwe groep die Nishitsu nu aan zijn kant moet zien te krijgen: de machtige technocraten wier uitvindingen de economische stabiliteit van Japan tot ver in de eenentwintigste eeuw moeten waarborgen. Shian is daar veruit de belangrijkste vertegenwoordiger van en zijn invloed is dan ook van het grootste belang voor Nishitsu. Tot nu toe is Shian onbewogen gebleven onder Nishitsu's toenaderingspogingen, maar Nishitsu's macht en invloed groeien exponentieel. Hoewel Shian nog steeds op de nominatie staat om de komende zes maanden door heel Amerika lezingen te geven, om zo de Amerikanen ertoe over te halen het nieuwe Japan te zien zoals het werkelijk is, kunnen we hem niet langer vertrouwen.'
Shipley stopte de foto van Yuji Shian terug in de map.
'Het was Moravia's opdracht om genoeg harde bewijzen tegen Nishitsu te verzamelen om de groeiende invloed van de Toshin Kuro Kosai te stoppen. Om Nishitsu onderuit te halen. Als Nishitsu eenmaal verdwenen is, hebben we tijd om de nieuwe orde in Japan te helpen het Genootschap van het Zwarte Zwaard te ontmantelen.'
'Maar iemand kruiste Moravia's pad.'
Shipley knikte grimmig. Hij trok een derde foto te voorschijn, dit keer een korrelige zwartwitte, meer een surveillancefoto, van een Japanner met een scherp gezicht, kort peper-en-zoutkleurig haar, borstelige wenkbrauwen en ogen die er, zelfs zoals nu in de schaduw, uitzagen als gaten in het universum.
'De man die je nu ziet is Mizusumashi Kafu, de Waterspin. Dat is de letterlijke betekenis van zijn eerste naam, maar hij wordt meestal Suma genoemd. Hij is verraderlijk klein voor een moordenaar, maar laatje door zijn afmetingen niet misleiden,' gromde Shipley. 'De Waterspin. Jezus, welke ouders geven hun kind in vredesnaam zo'n naam.'
Het gezicht op de foto had het woord dood er als een tatoeage overheen staan, dacht Wolf. Hij zei: 'Denkt u dat Suma Moravia heeft vermoord?'
'Dat zou kunnen,' zei Shipley, terwijl hij de
foto terug in het dossier deed.
'Hij is van de Toshin Kuro Kosai en is hier in de Verenigde Staten.'
'Kunt u wat duidelijker zijn?'
'Als ik het kon, zou ik het zijn,' zei Shipley, enigszins afgemeten. Op dat moment schoot de Lincoln plotseling naar links, waardoor het dossier van Shipley's schoot gleed. Wolf ving een glimp op van nog een surveillancefoto en hij vroeg of hij die ook mocht zien. Shipley stemde erin toe. Het was opnieuw zo'n korrelig kiekje met telelens van Suma, de moordenaar van het Genootschap, en nu kreeg Wolf een beter idee van hoe klein de man was. Hij stak een straat over - een straat, zo kon Wolf uit de achtergrond afleiden, ergens in Tokio. Hij leek echter niet alleen, want zijn gezicht was iets naar opzij gedraaid, alsof hij in gesprek was met iemand naast hem.
Wolf keek nog eens, en nog eens, om er vooral zeker van te zijn. Maar hij wist het al direct. In gedachten retoucheerde hij Suma weg uit de foto en voegde er vervolgens een paraplu van rijstpapier aan toe. Ondanks de korreligheid, ondanks de hoek waaronder de foto genomen was en ondanks het feit dat hij de persoon naast Suma maar voor een klein deel kon zien, herkende hij het gezicht. Hij zat te kijken naar de fantastische Japanse vrouw die hij de vorige avond bij de galerie, Urban Decay, had gezien.
'Is er nog iets speciaals wat ik over deze foto zou moeten weten?' vroeg Wolf.
'Nee, het is een standaard-surveillancefoto. Suma in Tokio, herfst vorig jaar,' zei Shipley. 'Meer valt er niet over te vertellen.'
Wolf vroeg zich af of hij Shipley over de vrouw moest vertellen, maar besloot dat toch maar niet te doen. Hij wist niets van haar af en het was duidelijk dat Shipley al evenmin iets wist, óf dat hij Wolf niet alles vertelde wat hij wist. Zo waren die stillen nu eenmaal, dat konden ze ook niet helpen. Hoe dan ook, het was beter om het, althans voorlopig, voor zichzelf te houden. Hij gaf de foto terug en vroeg, langs zijn neus weg: 'Is Suma de enige moordenaar van het Genootschap?'
'Niet aannemelijk,' zei Shipley, terwijl hij het dossier weer dichtbond en het zorgvuldig terug in de safe legde. 'Maar we weten niet hoeveel er zijn, dus we kunnen ook niet al hun gangen nagaan. Maar het is zeker dat één van hen Lawrence Moravia heeft vermoord.' Hij wreef over zijn voorhoofd.
'Trouwens, herinnert u zich nog dat ik vertelde dat we wisten dat Nishitsu bezig was de oppositie binnen de LPD uit de weg te ruimen? Nou, we hebben bewijzen - niet veel, maar wel betrouwbaar - dat hij hier met een zelfde operatie bezig is.'
'Wat?' Wolf schoot overeind alsof hij door de bliksem was getroffen.
'De afgelopen zes maanden zijn twee senatoren gestorven, beiden onder onduidelijke omstandigheden - een door een aanrijding, waarna de auto is doorgereden, de andere door een kapotte lift - en beiden waren voorstander van vrijere handelsbetrekkingen met Japan - Yuji Shians mensen, om het zo maar eens te zeggen. Nu krijgen de mensen van de harde lijn weer de overhand, en wij geloven dat dat allemaal onderdeel uitmaakt van het plan van de Toshin Kuro Kosai.'
'Ik kan u niet helemaal volgen.'
'Begrijpt u dan niet hoe uitgekookt Nishitsu en
zijn Genootschap te werk gaan! Denkt u zich eens in, inspecteur,
dat de o zo wankele economische détente tussen de beide landen
verstoord zal worden, misschien zelfs onherstelbaar. Er bestaat al
enige tijd een stroming in het Congres die een harde opstelling
jegens Japan voorstaat. Als nu de Japanse politiek een radicale
ommezwaai maakt en tegelijkertijd de hard-liners in onze regering
meer macht krijgen, dan is de uitkomst duidelijk: er zullen zich
weer handelsblokkades vormen, waarbij Japanse auto's, elektronica
en PC's worden geweerd. En dan zal de reactie komen: de invoer van
voor ons onmisbare computertechnologie zal opdrogen. De
strijdkrachten, het Pentagon, de CIA, DEA, Defensie, het gehele
nationale veiligheidsnetwerk steunt op, Japanse computerchips. Wat
zal er met ons gebeuren als we daar niet langer toegang tot hebben?
Als Japan ze aan West-Europa verkoopt, of zelfs aan de vroegere
Oostblok-landen, maar niet aan ons?'
Hij leunde dicht genoeg naar Wolf over om hem het vermoeden te geven dat hij gekleurde contactlenzen droeg. 'We denken dat Amerika niet lang meer op wereldwijde basis zal kunnen concurreren zonder de hulp van de zo geavanceerde Japanse technologie. En als het eenmaal zover is, zal onze economie zo snel en zo verschrikkelijk ineenstorten dat alleen Nishitsu's mensen, met hun contacten in 's werelds grootste multinationals, ons zullen kunnen redden. Ze zouden ons totaal bezitten, tot aan de kleinste computerchip toe. We zouden voor altijd onder hun economische duim zitten.'
De Town Car kwam tot stilstand en het portier gleed open. Wolf stapte achter Shipley aan naar buiten en zag dat ze bij het stationsgebouw van National Airport stonden. Yoshida staarde hem even aan, alvorens de andere kant op te kijken. De hemel was wat opgeklaard, maar er hing storm in de lucht.
'Nu u dit allemaal weet, inspecteur,' zei Shipley, 'is het niet meer dan billijk dat ik u waarschuw. Als u achter het Genootschap van het Zwarte Zwaard aan gaat, gaat u achter alles aan.' Hij leidde Wolf weg van de stoeprand en de mensenmenigte daar. 'Neem dat maar van mij aan; ik ken deze mensen. Denk er heel goed over na. Als u nog één stap zet in dit onderzoek, zullen ze u niet meer de kans geven om terug te stappen. Dan komen ze achter u aan zoals ze achter Moravia aan zijn gegaan. Maar u hebt één voordeel. Zoals u zelf al opmerkte, u bent geen gewone burger.'
'Er is iets wat je voor me verborgen houdt, Shipley. Wat is het?'
'Pardon?'
'Daarstraks in Hillwood wilde u niets van me weten omdat u bang was dat ik een te groot risico zou vormen. Toen noemde ik het rapport van de patholoog-anatoom en wist u niet hoe snel u me moest inlichten over deze kwestie. Wat steekt daarachter?'
Wolf kon zien dat Shipley er niet verder op in wilde gaan.
'Ik vertrek niet voor u me het verteld heeft.'
Shipley knikte, een kort, pijnlijk gebaar van berusting. 'Een gerucht,' zei hij. 'Onder hen die leden van de Toshin Kuro Kosai kennen, gaat het verhaal dat ze op subtiele manier van andere mensen verschillen. Niemand weet precies wat het is, maar ze lijken ongevoelig voor de tand des tijds.'
Wolf, die even dacht dat hij het verkeerd had verstaan, vroeg: 'Wilt u dat nog eens herhalen?'
'De verhalen - die veel weg hebben van die over weerwolven en vampiers - komen erop neer dat de leden van het Genootschap minder snel oud worden dan u of ik.'
'Dat is nonsens,' zei Wolf, maar de adders ontrolden zich weer in zijn binnenste. 'Er zijn overal op de wereld mensen die er jonger uitzien.'
'Wij zijn beiden sceptisch, inspecteur,' zei Shipley. 'Maar u kunt zich nu misschien mijn plotselinge interesse voorstellen toen u het overlijdensrapport betreffende Moravia noemde.' Hij keek snel om zich heen, zag dat Yoshida op de uitkijk stond, en wendde zich weer tot Wolf. 'Ik heb geen andere keus dan u te vragen met mij samen te werken. We hebben uw hulp nodig, inspecteur. Wanhopig nodig. Als er ook maar een greintje waarheid zit in die geruchten over hun langere levensduur...' Hij zweeg even, alsof dat idee hem de adem benam. 'Dat zou hun nu al immense macht nog eens honderd-, duizendmaal versterken. Ze moeten tegengehouden worden, inspecteur, en u bent degene die dat moet doen.'
'Ho, wacht even,' zei Wolf. 'Dit klinkt alsof het mijn ultieme missie is.'
'Misschien is het dat ook wel,' zei Shipley. Zijn adem kwam nu in korte, krachtige stoten naar buiten. 'Door twee van onze senatoren uit de weg te ruimen, hebben Nishitsu en zijn mensen de grens overschreden.' Zijn ogen, scherpe kiezels, kregen nu een waas door de weerspiegeling van de gekleurde lenzen. 'Ik weet waar u aan denkt, inspecteur, en u hebt de juiste conclusie getrokken. We zitten in een koude oorlog met Japan.'