ZWARTE PEPER
Binnen een paar minuten zag Frank Hardy het schijnsel van de
lantaarn en hoorde hij de voetstappen van zijn broer.
Hij had de schop bij zich, die zulke goede diensten had bewezen bij
het ontdekken van de geheime deur voor de gang, die naar de blauwe
kamer leidde.
„Ik zal wel graven, " bood hij aan, terwijl hij de lantaarn aan
Frank gaf.
Toen zette hij zich vol goede moed aan het werk.
De grond was zacht en dit was een bewijs, dat hier al eerder
gegraven was. Frank scheen met zijn lantaarn op de plek waar zijn
broer aan het graven was. En toen weldra een flink gat ontstond,
zocht hij gretig naar een spoor van de schat die ze zochten.
Hij hield nog steeds rekening met de onaangename mogelijkheid, dat
men hun te vlug af geweest was en dat de bandieten deze plek al
eerder bezocht hadden om de goud schat op te graven.
Maar, zo redeneerde hy, dan zouden ze niet zo veel moeite gedaan
hebben om de gesloten deur van de gang te camou fleren. Dat zou
niet nodig geweest zijn.
„Nog niets, " hijgde Joe.
„Het zal wel diep liggen. "
Frank hoorde van veraf een geluid. Hij schrok erg, omdat zijn
zenuwen toch al tot het uiterste gespannen waren.
„Hoorde je dat?" vroeg hij.
Joe leunde op zijn schop. „Ja, ik hoorde geloof ik ook iets, " zei
hij aarzelend.
Ze luisterden, maar het geluid herhaalde zich niet.
„Misschien is er wel een stuk steen gevallen, " zei Frank. „Het
klonk alsof er stenen tegen de wanden van de schacht vielen. "
„Het is net als daarstraks toen ik stemmen meende te horen. Het is
hier zo stil en somber, dat je het gewoon op je zenuwen krijgt.
"
„Misschien wel. "
Joe ging door met graven. Na een paar scheppen aarde boog hij zich
voorover.
„Hier ligt iets!" riep hij uit. „Ik ben met de schop op iets hards
gestoten. "
Frank kwam dichterbij met de lantaarn. Hij zag even boven de aarde
de punt van een gonjezak uitsteken.
„Dat is het goud! Graven, Joe! Graven!"
Joe Hardy had geen aansporing nodig. Hij pakte de schop weer beet
en de aarde vloog naar alle kanten. Al spoedig had hij de bovenkant
van de zak uitgegraven en een tweede zak verscheen aan de
oppervlakte. Frank bukte zich en trok een van de zakken uit de
aarde. Joe wierp zijn schop weg en bij het schijnsel van de
lantaarn maakte hij het touw los, dat om de zak bevestigd zat en
opende hem.
Hij stak zijn hand erin en haalde hem er een moment later weer uit,
vol roodachtige stukjes, die eruit zagen als steentjes.
„Nuggets!"
De jongens staarden zwijgend en verrukt naar de goud- nuggets. Ze
waren tamelijk groot en de jongens zagen direct, dat ze veel waard
moesten zijn.
Frank stak zijn hand weer in de zak en ditmaal haalde hij er een
handvol roodachtig zand uit, waarin zij onmiddellijk stofgoud
herkenden.
„Stofgoud en nuggets! Eindelijk hebben we het gevonden!"
„Er zijn nog meer zakken. Zei Vader niet dat er vier waren?"
Joe raapte de schop weer op. Na een paar minuten ijverig graven
kwamen de overige zakken ook tevoorschijn en het duurde niet lang
of alle vier de zakken lagen op de vloer van het gewelf.
De Hardy's onderzochten alle zakken en zagen dat ze alle vier
dezelfde inhoud bevatten. De aanblik van zoveel goud vervulde hen
met een gevoel van geestdrift zoals dat het geval is met alle
goudzoekers over de hele wereld.
Hier lag rijkdom, onbewerkte rijkdom, rijkdom waarvoor mannen
hadden geworsteld en gezwoegd, rijkdom die ont trokken was aan de
diepte der aarde.
„Eindelijk hebben we het gevonden!" zei Frank, met een zucht van
opluchting.
„Wat zal Vader blij zijn. "
„Ik geloof niet, dat hij verwachtte dat we het zouden vinden. "
„We hebben er hard genoeg voor gewerkt. Wat zullen die
bandieten woest zijn, als ze hier komen en merken dat het verdwenen
is!"
„Laten ze maar woest zijn. Het is niet van hen. "
„Vier zakken, " zei Joe. „Dat is duizenden waard. "
„Het is vast dat goud waar Jadbury Wilson het over had. Daar ben ik
zeker van. En voor we het aan Bart Dawson geven, zal hij ons toch
een verklaring moeten geven. "
„En toch kan ik maar niet geloven dat hij oneerlijk is. Ik denk dat
er ergens een vergissing gemaakt is, Frank. "
„Je kunt niet altijd op iemands uiterlijk afgaan. Maar om je de
waarheid te zeggen, kan ik zelf toch ook niet geloven, dat Dawson
ermee vandoor gegaan is. Maar we zullen hem toch zijn kant van de
geschiedenis laten vertellen en als hij het werkelijk gestolen
heeft, zullen wij wel zorgen dat Wilson zijn aandeel krijgt. "
„Dat doen we. En laten we nu zorgen dat we ermee de mijn uit komen.
"
„Makkelijk genoeg. We kunnen gewoon de schacht door. Ik denk wel,
dat de bandieten op dezelfde manier hier binnen gekomen zijn. Wij
hebben eerst de verkeerde ingang gebruikt. Wij zijn een van de
aftakkingen van de mijn ingegaan, in- plaats van de hoofdschacht te
gebruiken. "
„Het kan me niet schelen hoe we de mijn verlaten, als we maar niet
weer die wolven tegen het lijf lopen, " zei Joe. „Hoe eerder we weg
zijn, hoe beter. Het zal nu wel onderhand nacht geworden zijn.
"
Frank bukte zich en nam twee zakken goud op.
„Ik neem er twee en jij draagt er twee. Tjonge, wat zijn die zwaar!
Ik heb nooit geweten dat goud zo zwaar was. "
„Het kan me niets schelen, al woog het een ton. We hebben het goud
gevonden. Dat zal de last wel lichter maken. "
Frank weifelde.
„Het zou misschien wel goed zijn, als we eerst nog iets dieper
groeven. Het kan best zijn dat ze het goud verdeeld hebben. Ik zou
het niets leuk vinden een zak over het hoofd te zien. "
„Daar dacht ik ook net aan. " Joe nam de schop weer op. „Ik zal nog
maar eens wat verder graven. " Hij stortte zich weer op het werk en
groef een tijdlang ijverig, maar het werd al gauw duidelijk, dat ze
inderdaad al het goud hadden, dat op deze plaats verborgen was.
„We hebben het wel allemaal, denk ik, " zei hij, terwijl hij de
schop weer liet vallen. „Het enige dat die bandieten zullen vinden
is een gat in de grond — een groot gat. "
„Ik zou wel eens willen luisteren, als ze naar hun schat komen
kijken. Die zijn natuurlijk zo nijdig als een spin. "
Joe nam zijn twee zakken goud op.
„Laat mij er nog maar een van jou overnemen, " stelde hij voor.
„Jij moet de lantaarn ook dragen. Dat is zo lastig. "
„Daar had ik niet aan gedacht, " gaf Frank toe. „Goed dan. "
Hij gaf een van de zakken, die hij droeg aan Joe en raapte de
lantaarn op, die al die tijd op de grond gelegen had.
„En nu, " zei hij, „verlaten we de blauwe kamer. De kamer is toch
niet zo blauw als de gezichten van Zwarte Peper en zijn bende
zullen zijn, als ze hier komen. "
De jongens keken naar het gat in de grond en grinnikten.
Ze waren klaar en stonden net op het punt zich om te draaien, toen
ze een geluid hoorden, dat uit de gang kwam die naar de kamer
leidde. Dit keer wisten ze zeker dat het geen verbeelding was. Ze
voelden duidelijk dat er iemand stond. Iemand was heel stil door de
gang geslopen en stond nu in het donker.
Frank scheen met zijn lantaarn. Het schijnsel verlichtte de donkere
opening in de kamer duidelijk. En daar, precies midden in de
opening stond een grote, donkere kerel met een schurkachtig
uiterlijk. Hij had een zwarte baard en hij fronste zijn wenkbrauwen
van woede. En in iedere hand hield hij, recht op de jongens
gericht, een gevaarlijk uitziende zwarte revolver.
„Handen omhoog!" gromde hij kort, met een stem die trilde van
woede.
De Hardy's waren er zeker van, dat deze man niemand anders was dan
de beruchte bandiet, die ze te slim af hadden willen zijn — Zwarte
Peper!