DOOR DE BANDIETEN OVERVALLEN
De Hardy's waren zo teleurgesteld, door de ontdekking dat de
tunnel, hun enige hoop op redding, eindigde in een rots muur, dat
ze geruime tijd terneergeslagen bleven zitten.
Hun toestand was levensgevaarlijk en ze zagen geen licht puntje.
Eindelijk kwam er beweging in Frank.
„Ik zit nog steeds te denken aan die koude lucht die we een eindje
terug voelden!" zei hij. „Er komt ergens frisse lucht naar binnen.
De atmosfeer wordt hier niet slechter. Laten we teruggaan en de
tunnel nog eens onderzoeken. Misschien vinden we wel een of andere
opening. "
„Die is toch niet groot genoeg om ons door te laten, " voorspelde
Joe somber.
„Nou, we gaan in ieder geval toch kijken. "
De jongens keerden terug. Frank ging weer voorop. De lantaarn wierp
een heldere cirkel van licht op de klamme rotsmuren van hun
gevangenis. Frank onderzocht iedere centimeter van de wand. Een
tijd lang had hun speurtocht geen succes. In de tunnel was geen
spleet en geen scheur te ontdekken.
„We moeten er nu al voorbij zijn, " zei Joe.
„Dat geloof ik niet. We moeten blijven proberen. "
Eindelijk gaf Frank een kreet van voldoening. Hij had plotseling
een vlaag koude wind tegen zijn gezicht gevoeld. Het leek wel van
boven te komen en hij bleef staan, terwijl hij met de lantaarn naar
links en rechts scheen.
„Hier is het ergens. "
„Ik voel de tocht. Er moet een behoorlijke opening zijn. "
De lichtcirkel hield op te bewegen en bleef eindelijk rusten op een
plek aan de zijkant van de tunnel, bij het plafond. Het was alleen
maar een donkere plek, een uitholling in de rots, maar het was vrij
groot en het scheen te wijzen op een of andere opening. De plek was
ongeveer anderhalve meter van de grond.
„Ik hou de lantaarn wel vast, " zei Frank. „Kijk jij eens of je er
bij kunt komen, Joe. " Hij stapte naar achteren en hield de
lantaarn zo, dat Joe in staat was een steunpunt
voor zijn voet te vinden. Joe reikte naar boven en kreeg een vaste
greep op de richel in de rots. Het lukte hem tegen de muur op te
klauteren tot hij zich op de rand kon trekken. Frank ging nog iets
verder naar achteren en in het heldere schijnsel zag hij, dat zijn
broer op de rotsachtige richel knielde.
„Iets gevonden?" vroeg hij.
„Er blaast hier behoorlijk wat lucht door, " zei Joe opge wonden.
„Ik geloof, dat het een soort tunnel of luchtschacht door de rots
is. Ik zal mijn eigen lantaarn eens aandoen. "
Een ogenblik later zag Frank het licht van zijn broer tegen de
rotswand weerschijnen.
Toen hoorde hij Joe's harde gil van vreugde.
„Het gat leidt naar boven!" riep hij. „Het is een tunnel, die
schuin naar boven loopt en ik geloof dat hij bovengronds uitkomt.
"
„Zie je licht?"
„Nee niets. Maar het kan toch geen kwaad het eens te onderzoeken.
De lucht stróómt hier naar binnen. Dan moet die tunnel wel naar
buiten leiden, Frank!"
„Ik kom ook naar boven. "
Joe verdween in de tunnel en Frank stak zijn lantaarn in zijn zak
en klauterde ook op de richel. Daar knielde hij neer en knipte zijn
licht weer aan. Hij zag Joe voor zich, die door de smalle gang
kroop. De tunnel in de rotsen was zoals Joe beschreven had een
lange, smalle schacht. Hij liep vrij steil naar boven, echter niet
zo steil, dat het onmogelijk zou zijn de gang te volgen, waarheen
die ook mocht leiden.
„Ga maar verder, " riep hij. „Ik kom achter je aan. "
„Ik hoop dat het verderop niet nog smaller wordt. "
„We gaan zo ver we kunnen. "
De beide jongens klauterden de rotsachtige gang in.
Joe riep naar achteren:
„Het wordt hier breder!"
En inderdaad, de schacht werd langzaam breder en hoger, tot de
jongens bijna rechtop konden staan. De koude lucht stroom blies hen
met grote kracht tegen en loeide en floot door de tunnel.
Plotseling hield Joe halt en zwaaide zijn lan taarn heen en
weer.
„Het gaat hier naar beneden. "
Frank ging naar hem toe. De gang was nu zo ruim, dat ze naast
elkaar konden staan. Bij het licht van hun lantaarns zagen ze, dat
ze aan het eind van de tunnel stonden. Deze mondde uit in een
ruimte, die even groot was als bij de
schacht, waar ze oorspronkelijk de mijn waren binnen gekomen.
„Kijk eens, Joe! Ik geloof, dat ik daar licht zie. Doe je lantaarn
eens uit. "
De lantaarns werden uitgedaan en de broers stonden in het donker.
Toen hun ogen gewend waren aan het duister, zagen ze bijna recht
tegenover zich vaag een blauwgrijs lichtschijnsel.
„We zijn in een andere mijn terecht gekomen, " zei Frank. „Dat
licht moet uit de schacht komen. We hebben toch nog een kansje.
"
Hij deed zijn lantaarn weer aan en scheen ermee in de grote ruimte,
waarin de tunnel uitliep. Ze zagen dat ze maar een halve meter
hoger dan de vloer van het vertrek stonden, dus sprongen ze prompt
naar beneden en liepen voorzichtig door het gewelf. De grond was
ruw en overal lagen stukken steen, die erop wezen, dat deze mijn
inderdaad bewerkt was. Ze struikelden zelfs over een houweel, die
iemand hier achtergelaten had toen de mijn verlaten was.
Ze naderden het licht dat uit de schacht kwam en even later zagen
ze bij het licht van hun lantaarns een primitieve ladder, die tegen
de wand stond. Ze voelden hier weer een vlaag koude wind. De tocht
die door de verbinding met de andere tunnel ontstond, was hevig en
de wind floot door de ruimte. Aan de voet van de schacht keken de
jongens naar boven. De ladder was ongeveer zes meter lang en ze
konden de blauwe lucht zien. Toen de Hardy's dit zagen slaakten ze
een zucht van opluchting. Het was alsof ze van een zware last
bevrijd waren.
„Hup, naar boven, " zei Frank. „We zijn er nu dadelijk uit. "
„Boffen wij even. "
„Ik had nooit gedacht dat we het daglicht nog eens zouden zien.
Doet je goed om de lucht weer eens te zien, hè?"
„Ik heb nog nooit zo'n mooie lucht gezien. "
Joe zette zijn voet op de eerste sport van de ladder. Of schoon de
mijn klaarblijkelijk al jaren verlaten lag, was de ladder toch nog
stevig. Langzaam ging Joe naar boven.
Frank kwam achter hem aan. Ze waren beiden vervuld van opluchting,
dat ze ontkomen waren. Deze opsluiting had heel goed een
verschrikkelijke dood tengevolge kunnen hebben.
Plotseling bleef Joe staan.
„Luister eens!" fluisterde hij
Ze bleven doodstil staan. Toen hoorden ze boven aan de schacht
stemmen.
„Die instorting heeft ze vast het hoekje om geholpen, " zei iemand.
„De hele schacht is verdwenen. "
„Misschien hebben ze toch nog een uitweg gevonden, " antwoordde een
andere stem. „Die twee mijnen lopen in elkaar. "
„Dat wist ik niet. "
„Ja, er is een verbindingstunnel. "
„Ach, die vinden die twee knullen toch niet. In ieder geval, die
instorting zal ze wel verpletterd hebben. "
De stemmen stierven weg, toen de mannen zich kennelijk van de
schacht verwijderden.
„Er is iemand naar ons aan het zoeken geweest, " zei Joe
fluisterend.
„Ze hebben ons al als dood opgegeven. Die krijgen de verrassing van
hun leven, als we weer tevoorschijn springen. Je kon wel merken,
dat ze niet van plan waren ons uit te graven. Naar boven. "
Joe klauterde verder en na een paar minuten stak hij zijn hoofd
boven de grond en stapte van de top van de ladder op een wankel
plankier, dat met sneeuw bedekt was. Frank krabbelde naast hem en
de broers keken hun ogen uit. Slechts een paar meter van hen
vandaan stonden drie ruw uitziende mannen. Een ervan was een grote,
norse kerel in een korte bontjekker. Hij moest zich hoognodig
scheren en zijn zware kin en kaken waren bedekt met een donkere
stoppelbaard. De beide anderen waren kort en gezet. De een was glad
geschoren en had een smal gezicht, de andere had een rossige snor.
Om het middel van een van de mannen, de kerel met het smalle
gezicht, zat een riem met een holster, waaruit de greep van een
revolver stak. Het driemanschap zag er schurkachtig uit. Alsof zij
door een zesde zintuig gewaar schuwd waren, dat zij bespied werden,
draaiden de mannen zich om en stonden oog in oog met de beide
jongens. De mannen waren even verrast als de jongens. Zowel Frank
als Joe voelden, dat er iets onverkwikkelijks aan het vreemde trio
was. En toen ze zagen dat de man met het smalle gezicht plotseling
naar zijn revolver greep, wisten ze, dat ze niet tegenover vrienden
maar tegenover vijanden stonden.
„Dat zijn ze!" riep de man met de bontjekker opgewonden. „Grijp
ze!" En dit zeggend holde hij in de richting van de jongens. „Niet
schieten!" riep hij tegen de andere kerel, die prompt zijn revolver
weer in de holster schoof.
„Hollen, " mompelde Frank.
Hij draaide zich bliksemsnel om en holde de heuvel af in de
richting van het stadje. De sneeuw lag diep en belemmerde hen in
hun bewegingen, maar de achtervolgers hadden met dezelfde
moeilijkheid te kampen. Frank en Joe waren al erg moe door hetgeen
ze in de mijn hadden meegemaakt en ze waren niet in staat even hard
te rennen als anders.
De man met de bontjekker liep hen met grote sprongen achterna en
ploegde woest door de sneeuw. Hij won snel terrein.
„Sta of we schieten, " brulde hij.
Dit was maar bluf, wat de jongens dan ook heel goed door hadden. Ze
holden als verdwaasd door de diepe sneeuw, die zich om hun benen
klemde en hun snelheid afremde. Joe, die het tempo niet kon
volhouden, bleef langzaam maar zeker achter. De man in de
bontjekker was nog maar een goede meter van hem af. De kerel sprong
naar voren en vloog Joe naar de benen. Het paar rolde schoppend en
worstelend om en om door de sneeuw. Frank bleef staan en keerde
terug. Hij kon zijn broer niet in de steek laten en was bereid zich
samen met hem gevangen te laten nemen. Hij ontving de kerel met het
smalle gezicht, die de voorste was, met een daverende slag in zijn
gezicht. Dat bracht de man uit z'n evenwicht en met een kreet van
pijn en verbazing tuimelde hij achterover in de sneeuw.
De korte, gezette man kwam nu met een snauw naar voren. Frank
haalde uit en miste; toen greep zijn aanvaller hem beet en samen
rolden ze worstelend in de sneeuw heen en weer. De aanvaller sloeg
zijn been om dat van Frank en ze ploften samen op de grond.
Inmiddels was de magere man overeind gekrabbeld en hij wierp zich
weer in de strijd. In een oogwenk was Frank Hardy overweldigd.
Hij werd ruw overeind getrokken, met de armen op de rug. Joe had
zijn veel sterkere tegenstander niet aangekund en ook hij had zich
gewonnen moeten geven.
Het driemanschap had de jongens in zijn macht.
„Wat zullen we met ze doen?" vroeg de magere nors.
„Eerst maar terug naar de mijn, " zei de kerel in de bont jekker.
„De baas zal die snuiters willen zien. "
Frank en Joe werden door hun belagers ruw de heuvel weer opgeduwd.
Het duizelde Frank. Wie waren die drie mannen? Waarom vielen ze hen
aan? Wat meer is, waarom zochten ze naar hen? En wie was die „baas"
waarover ze spraken ?
Na enige tijd waren ze weer bij de ingang van de schacht en hier
aangekomen keerde de man in de bontjekker zich tot hen.
„Wie zijn jullie?" vroeg hij.
„En wie zijn jullie?" antwoordde Frank.
„Dat doet er niet toe. Hoe heten jullie?"
„Zeg eerst maar eens hoe jullie heten. "
„Wat deden jullie in de mijn?"
„Waarom vielen jullie ons aan? Waarom houden jullie ons hier?"
De man in de bontjekker werd ongeduldig toen hij alleen maar vragen
hoorde inplaats van antwoorden.
„Zijn jullie de Hardy's?" vroeg hij. „De zoons van die
detective?"
„Moet je eens achter zien te komen. "
„Dat lukt wel, straks, " zei de man in de bontjekker dreigend. „We
nemen jullie mee naar iemand, die jullie wel aan het praten weet te
krijgen. "
„Ik zou ons maar laten gaan. Anders gaan jullie achter elkaar de
gevangenis in, " zei Frank.
De man lachte kort.
„Wees maar niet bang, " zei hij. „In ieder geval niet in Lucky
Bottom. " Hij keerde zich tot de beide andere man nen. „Hou ze
hier, " beval hij. „Ik ben zo terug. Zorg dat ze er niet vandoor
gaan!"
„Waar ga je heen, Jack?" vroeg de man met het smalle gezicht.
„Ik ga Zwarte Peper halen. Hij zal die snuiters wel aan het praten
krijgen. " De kerel stampte door de sneeuw weg. Frank en Joe
wierpen elkaar snel een blik toe. Nu hadden ze de verklaring van
hun gevangenneming. Ze waren in handen gevallen van drie leden van
de bende van de beruchte Zwarte Peper.