DE EENZAME BOOM
Plotseling kreeg Frank Hardy een ingeving.
In de beschutting van een paar rotsen veegde hij de sneeuw weg en
begon toen hout te zoeken om een vuurtje te stoken.
Als hij inderdaad verdwaald was, dan was het het beste een vuurtje
aan te leggen en wel met twee bedoelingen, n. l. om hem te
verwarmen en om als baken te dienen voor Joe, zodat deze hem
misschien vinden kon.
Hij vond wat kleine struiken en boompjes en zag kans hiervan
voldoende takken af te breken om een behoorlijk vuur aan te leggen.
Hij had in een waterdicht doosje lucifers en na een paar vergeefse
pogingen, lukte het hem toch het hout aan te steken.
Frank hurkte onder de rotsen en warmde zich bij het vuur. Af en toe
stond hij op om nog wat hout te zoeken. Van tijd tot tijd tuurde
hij door het sneeuwgordijn in de hoop, dat hij iets van Joe kon
ontdekken. Met korte tussenpozen schreeuwde hij de naam van zijn
broer, tot hij hees werd.
De vlammen laaiden hoog op in de wind en toen hij wat meer hout op
het vuur gooide verspreidde het vuur ook wat meer licht. Daar Frank
op een beschutte plek zat, had de sneeuw geen kans de vlammen te
doven. Eindelijk meende hij een zwakke kreet te horen.
Frank sprong op. Hij staarde door de sluier van sneeuw, die om hem
heen wervelde, maar hij zag niets. Toen riep hij: „Joe!"
Het vuur loeide. De wind huilde. De sneeuw ruiste tegen de rotsen
boven hem.
Toen hoorde hij boven de storm uit weer een kreet en een ogenblik
later zag hij de vage omtrek van een menselijke figuur, die in zijn
richting strompelde. Hij holde erheen.
Het was Joe. Hij was bijna uitgeput en zag blauw van de kou. Hij
strompelde naar het vuur en liet zich uitgeput op de grond
vallen.
„De hemel zij dank, dat ik het vuur zag!" hijgde hij. „Ik ben
helemaal op. Ik kan geen stap meer lopen. "
„Ik was al bang dat ik je nooit meer zou vinden. Ik heb overal
gezocht. "
„Ik was verdwaald. Ik kon het pad niet meer vinden. "
„Nu zijn we allebei verdwaald. Ik ben zelf ook de weg kwijt
geraakt, toen ik jou zocht. "
„Het kan me niet eens veel schelen waar we zijn, nu we weer bij
elkaar zijn en een vuur hebben. "
Joe strekte zijn bevende handen uit naar het vuur. Het duurde niet
lang of hij hield op met rillen en toen hij door en door warm was,
werd ook zijn stemming weer beter.
De jongens waren een ogenblik stil toen ze eraan dachten, dat ze
bijna het slachtoffer waren geworden van de sneeuw storm. Toen
begonnen ze te bespreken, wat hun nu te doen stond. Frank keek eens
aandachtig naar de storm.
„Het lijkt wel of de wind iets minder hevig wordt, " zei hij. „Ik
kan nu wat verder de berg af zien, dan zoëven. "
„Denk je niet dat we nu maar beter naar huis kunnen gaan?"
„Voel je je goed genoeg?"
Joe stond op.
„Ja hoor. Ik voel me prima. Het heeft geen zin hier te blijven tot
het donker wordt. Die storm kan wel een paar dagen duren. "
„Goed, dan gaan we maar. "
Ze trapten het vuur uit en hervatten hun tocht naar be neden.
Ditmaal bleven ze dicht bij elkaar, daar ze niet de kans wilden
lopen nogmaals gescheiden te worden. Zoals Frank al had opgemerkt,
was de wind veel minder hevig. De sneeuwjacht was echter nog erg
genoeg. Het pad was door de sneeuw bijna geheel bedekt, maar Frank
zag toch kans het terug te vinden en te volgen, tot ze eindelijk
weer op de plek kwamen, waar ze enkele dagen tevoren de richting
van de verlaten mijn ingeslagen waren. Hier aarzelden ze.
„Wat denk jij ervan?" vroeg Frank.
„Nu we zo dicht bij de mijn zijn, kunnen we net zo goed onze
speurtocht voortzetten. "
„Ik hoopte al dat je dat zou zeggen. Veel langer dan een uur kan
het niet duren en het is toch nog niet donker. Bovendien hebben we
onze lantaarns nog. "
„De mijne heb ik niet meer. Maar één is genoeg. Loop maar door.
Hier in de buurt moet de mijn ergens liggen. Misschien vinden we
hem. "
De sneeuw lag dikker dan ze gedacht hadden en op enkele plaatsen
waadden ze er tot aan hun middel door. Ze gingen echter toch verder
en het duurde niet lang of ze kwamen
weer bij de verlaten mijn, waar ze hun benarde ondergrondse
avontuur hadden beleefd. Hier bleven ze staan.
„Die boom stond rechts, geloof ik, " zei Joe.
Ze tuurden door de sneeuwstorm. Ze zagen echter niets dan
sneeuwvlagen en de grauwe rotsformaties. Een wind vlaag tilde de
sneeuwsluier even op en daar zagen ze, als een schildwacht, de
grote spar, eenzaam afstekend tegen de sombere grijze
achtergrond.
„Dat is hem!"
Wadend en struikelend door de sneeuw bereikten ze eindelijk hun
doel. De boom kraakte en zwiepte in de wind. Toen ze eronder
stonden, zagen ze dat ze aan de rand van een diepe uitholling
stonden, die eruit zag alsof de aarde door reuzenhanden was
uitgeschept.
Er waren een paar bouwvallige ruïnes van oude mijn- gebouwen
vlakbij. De daken waren al lang ingestort en de gebouwen waren
scheef gezakt. Aan de kant van de uitholling die het verst van hen
af was, zagen ze duidelijk de ingang van een tunnel tegen de sneeuw
afsteken.
„Dat moet de ingang van de schacht zijn, " zei Frank.
De jongens daalden af in de komvormige uitholling. Het lopen was
hier erg moeilijk, want de rotsen waren glad en de kuilen en
spleten lagen verborgen onder de sneeuw. Maar eindelijk bereikten
ze dan toch de bodem en ze liepen naar de ingang van de tunnel.
Toen ze op het punt stonden naar binnen te gaan, haalde Frank zijn
zaklantaarn te voorschijn.
„Blijf maar vlak achter me, " adviseerde hij zijn broer. „Wie weet
wat ons hier te wachten staat. "
Het licht van de lantaarn priemde fel door het donker voor hen.
Stap voor stap gingen ze voorwaarts over de harde rotsbodem. De
vochtigheid en de koude werden duidelijker voelbaar. Toen ze verder
gingen werd de gang breder en na een paar minuten bevonden ze zich
in een grote ruimte onder de aarde. Deze ruimte reikte tot ver in
het donker voor hen. De wanden aan de andere zijde waren niet te
zien.
Een vreemd ritselend geluid trok hun aandacht toen ze deze plek
betraden en Frank hield halt.
„Wat was dat?"
Ze bleven onbeweeglijk en zwijgend staan. Verderop in het
duister van deze onderaardse kamer hoorden ze schuifelen en
ritselen. Geluiden die de jongens deden denken aan het trippelen
van voeten. Frank scheen met zijn lantaarn in de richting van
het geluid, maar de straal kwam niet ver ge noeg en ze zagen
niets.
Ze gingen een paar passen naar voren. Het ritselende geluid werd
sterker. Toen zag Frank plotseling twee kleine licht puntjes
gloeien uit het duister.
„Wat is dat voor licht?" vroeg Joe.
„Weet ik niet. Ik zal er eens wat dichter naartoe gaan. "
Frank ging weer iets naar voren. Terwijl hij dit deed, zag hij
inplaats van twee lichtpuntjes nog twee en toen nog twee, tot op
het laatst wel een dozijn van die vreemde groene gloei- lichtjes
uit het duister schenen.
„Dieren, " zei hij zachtjes tegen Joe.
Op hetzelfde moment hoorde hij een zacht, dreigend grauwen.
De gloeiende groene lichtjes bewogen zich snel heen en weer. Door
het licht van de lantaarn schoot een magere grijze flits, die even
snel verdween als hij gekomen was.
Een aanhoudend en gemeen grommen klonk uit het duister. Frank keek
opzij en zag dat twee groene lichtjes zich tot vlak achter hem
hadden bewogen. Hij sprong terug.
„Laten we maken dat we wegkomen!" zei hij. „Dat zijn wolven. "
Maar toen de jongens zich omdraaiden om terug te gaan, stonden ze
tegenover een magere gedaante, die hun de weg naar de opening
versperde. Bij het licht van de zaklantaarn zagen ze twee groene
ogen, die duivels fonkelden en een dubbele rij tanden, die
uitdagend ontbloot waren.
Frank Hardy zwaaide met de lantaarn en de wolf voor hen sprong
woest grommend terug in het donker. Het trippelen verderop in de
enorme ruimte werd duidelijker hoorbaar. De jongens zagen de groene
lichtjes overal om zich heen. De wolven cirkelden door het gewelf.
Een tweede wolf voegde zich bij de eerste, die de ingang
blokkeerde.
Een dierlijk instinct gaf hun blijkbaar in, dat ze op deze manier
hun prooi wel zouden vangen.
De Hardy's begrepen, dat ze in een ware verzamelplaats van wolven
waren terechtgekomen, die hier een ideaal onder komen en
schuilplaats hadden gevonden.
De wolven drongen op. De cirkel werd steeds kleiner. De dieren
begonnen met grote stappen door het gewelf te lopen en kwamen
steeds dichter bij de jongens, zodat de kring kleiner werd.
„Hou het licht maar aan, " zei Joe. „Van licht zijn ze bang. "
Frank bleef langzaam ronddraaien, terwijl hij het licht vol op
de rondlopende wolven gericht hield. Iedere keer dat het licht op
een van de grauwe gedaanten viel, sprong het dier grommend terug in
het donker.
' Plotseling schoot Frank de revolver te binnen, die ze van Dunne
Briggs hadden afgenomen. Het wapen zat nog steeds in zijn zak en
tot dusver had hij er helemaal niet aan gedacht. Met zijn vrije
hand tastte hij naar het wapen. Langzaam bracht hij het
tevoorschijn. Toen richtte hij het licht direct op een van de
grauwende beesten, mikte en schoot.
Het dier viel neer met een kreet van pijn. Op hetzelfde ogenblik
verbraken de wolven hun gelederen en ze vluchtten huilend naar de
donkerste hoeken van het gewelf. De ge troffen wolf kronkelde zich,
huilde een ogenblik en lag toen stil.
De jongens schuifelden omzichtig in de richting van de ingang. Maar
voor ze zover kwamen, flitste een grijze ge daante door de cirkel
van licht en blokkeerde de terugweg met een uitdagend gegrom. Weer
waren ze gevangen. Frank vuurde op het dier. Het schot miste en het
beest sloop terug, maar sneed hun toch nog steeds de pas af. Twee
of drie van de andere dieren kwamen uit het duister aangesneld en
wierpen zich op het lichaam van de dode wolf, woest rukkend aan het
vlees.
Geruime tijd klonk door het gewelf het geluid van grauwen en
snauwen toen de dieren zich aan hun afschuwelijke maal tijd zetten.
Toen kraakte de revolver en een tweede wolf viel dood neer.
„Nog drie patronen, " zei Frank.
„Wees er maar zuinig mee. Laten we maar eens een kansje wagen.
"
Maar ze hadden niet veel kans. Nog meer wolven hadden zich bij hun
leider aan de uitgang gevoegd en het leek on mogelijk op deze wijze
te ontsnappen.
De wolven kwamen naar voren. De leider liet zijn tanden zien. Stap
voor stap gingen de jongens achteruit. Het leek wel of de dieren
hun angst voor het licht overwonnen hadden. Ze trokken zich niet
meer terug in de schaduw als het felle licht hen bescheen.
Integendeel, ze kwamen vastberaden naar voren, met glimmende,
druipende kaken.
„We zitten in de val, " zei Frank.
„We sterven in ieder geval vechtend. Had ik ook maar een revolver.
"
„Heeft weinig zin tegenover zo'n troep. "
„Schijn eens in het rond met je lantaarn, dan kunnen we
zien of er geen andere uitgang is, dan de opening waardoor we naar
binnen kwamen. "
Frank richtte de straal snel op de wanden achter hen en in het
licht zagen de jongens een smalle gang, die als een zwarte vlek
afstak tegen de rotswand, slechts een paar meter van hen
vandaan.
„Dat is onze kans!"
„We kunnen het in ieder geval proberen. "
„Het kan een uitkomst zijn — als we tenminste weer niet in een
wolvenhol terecht komen. "
„Dat gedierte komt ons natuurlijk achterna. "
„In ieder geval kan toch niet die hele troep tegelijk in die smalle
gang. We hebben daar meer kans ze van ons af te houden. "
Frank richtte het licht weer snel op de donkere gang. „Ga jij maar
eerst. Ze vallen misschien aan als ze ons allebei zien rennen.
"
Ze liepen zo veel mogelijk achteruit naar de opening in de rotsen.
De wolven waren nu heel dichtbij. Drie van hen staken hun wrede
koppen brutaal in de lichtcirkel van de lantaarn. Hun kwaadaardige
gegrom echode door de ruimte. Frank voelde dat ze op het punt
stonden te springen.
„Vlug!" spoorde hij zijn broer aan.
Joe sprong de opening in. Op hetzelfde ogenblik maakte
de voorste wolf zich gereed voor de sprong. Er was geen seconde te
verliezen. Frank richtte de revolver en schoot. Hij had goed
gemikt. Halverwege zijn sprong trok de wolf zijn lichaam
krampachtig samen en stortte op de rotsen. Hij wrong zich, snauwde
woest en beet wild naar alles in zijn buurt, tot hij eindelijk stil
lag.
Dit uitstel was precies wat de jongens nodig hadden. De andere
wolven slopen terug, uit het veld geslagen door het verlies van hun
aanvoerder. Frank wist echter, dat dit maar van korte duur zou
zijn. Hij liep achteruit de gang in.
De tunnel was smal, maar hoog genoeg, zodat ze rechtop konden
lopen. Ze konden het licht niet gebruiken om te zien waar ze
liepen, daar Frank de lantaarn nodig had om de wolven op een
afstand te houden. De wolven schenen een ogenblik te aarzelen alsof
ze bang waren, maar toen kwam de voorste wolf voorzichtig de tunnel
in, op zoek naar zijn prooi.
De jongens liepen langzaam achteruit in de tunnel, die naar beneden
glooide.
Ze wisten niet waar de gang heenleidde, ze konden niets zien, maar
ze wisten wel, dat ze de wolven moesten ontlopen.
„Als dit een doodlopende gang is, zijn we erbij, " zei Joe
zachtjes.
„Als we stil blijven staan om het uit te vechten, zijn we er ook
bij. "
Stap voor stap gingen ze achteruit en stap voor stap volgde de
voorste wolf hen.
Het dier was echter laffer dan de leider, die zojuist dood
geschoten was. Het kwam niet stoutmoedig naar voren, maar sloop
langs de wand van de tunnel, alsof het de verblindende lichtstraal
van de lantaarn wilde ontwijken. Af en toe gromde het woest en liet
zijn tanden zien.
„Komen de andere wolven nog achter hem aan?" vroeg Joe uit het
donker.
„Ik zie er niet een. Het lijkt er wel op, dat hij alleen is. "
„Zou je niet eens een schot aan hem wagen?"
„Waarom? Zelfs al zouden we hem doodschieten, dan hebben we toch
nog de rest van de troep tegen, als we het gewelf weer in gaan. Ik
gebruik de revolver niet meer als het niet heel erg nodig is. "
De broers vervolgden hun vreemde tocht. De tunnel was vochtig en
koud. De vloer was ongelijk en rotsachtig en Frank was voortdurend
bang dat hij zou struikelen en vallen.
Dan zou het beslist met hen afgelopen zijn. De wolf zou dan direct
zijn kans waarnemen.
Achteruit lopend gingen ze steeds verder de gang in, terwijl ze
voortdurend het grijze monster voor hen in de gaten hielden.
„Ik ben benieuwd hoe lang de tunnel is, " mompelde Frank.
„Het kan in ieder geval niet eeuwig duren, " zei Joe, die een
poging deed om de stemming erin te houden. „Ik geloof dat ik het in
mijn rug voel tochten. "
„De gang voert in ieder geval niet naar buiten. Als dat wel zo was,
zou het hier oplopen. "
De wolf gromde zachtjes. Hij kwam verder naar voren in het licht.
Het monster begreep blijkbaar dat het licht geen kwaad kon en hij
werd wat stoutmoediger.
Frank klemde zijn revolver steviger vast. Het dier maakte zich
gereed om aan te vallen. De grijze gedaante kromde zich en schoot
op hem af. Frank haalde de trekker over. Het wapen ging af en het
donderend geluid van het schot echode door de smalle gang. De wolf
liet een gehuil van pijn en woede horen. Maar hoewel zijn aanval
voor het ogenblik was gestuit, trok hij zich toch niet terug.
De kogel had geen belangrijke organen geraakt. Gek ge worden van
pijn, kwam het dier weer aangestormd. De jongens struikelden verder
naar achteren. De wolf sprong. Frank wierp zich opzij en het
lichaam van de wolf schampte langs hem. Hij zwaaide met de revolver
en voelde hoe het wapen iets raakte. Weer haalde hij de trekker
over, met de loop vast tegen de huid van het dier gedrukt en toen
sprong hij verder naar achteren.
Achter zich hoorde hij een kreet. Het geluid klonk vreemd ver weg.
Hij deed nog een stap naar achteren. Zijn voet stapte niet op de
vaste grond. Hij stapte in een gapende ruimte. Hij wankelde nog
even en deed een vergeefse poging, zich ergens aan vast te houden.
Toen verloor hij zijn even wicht en voelde dat hij in de diepe
duisternis naar beneden viel.