Dinsdagavond

‘Maar je kon godverd... Dit kon je vorige week en vorig jaar en... Je kunt toch niet opeens zijn vergeten hoe je moet optellen en aftrekken?’

‘Je wilde gaan vloeken.’

‘Nee, ik... Ja, dat wilde ik, maar ik heb het niet gedaan.’

‘Je wilde gaan liegen.’

‘Een mens mag dingen willen. Dit is een vrij land, Simon. Maar stel je nou niet zo aan, dan proberen we het nog een keer.’

‘Dat is ook vrijheid van meningsuiting, pap, dat je mag zeggen wat je wilt.’

‘Zullen we de rechtsgeleerdheid even laten voor wat die is en ons wijden aan die wiskunde van jou? Als ik dit op een as teken... O, sh... Åsa!’

‘Je wilde weer vloeken.’

Conny Sjöberg keek bedroefd naar zijn tienjarige zoon en kwam met zo’n vaart overeind dat de keukenstoel achter hem bijna omviel.

‘Åsa!’ riep hij opnieuw.

Hij hoorde hoe een deur in een ander gedeelte van het appartement voorzichtig dicht werd gedaan en daarna Åsa’s voeten op het parket die haar eerst voorzichtig en daarna bijna stampend naar de keuken transporteerden.

‘Ik had net de jongens in bed!’ siste ze. ‘Ze waren net in slaap!’

‘Zijn ze dan nu weer wakker?’

‘Nee, maar dat had gekund.’

‘Wat zijn dit voor pseudodiscussies?’

Simon begon te grinniken en dat was aanstekelijk, Åsa begon ook en uiteindelijk zaten ze alle drie te lachen.

‘Wat is het probleem? Wiskunde?’ vroeg Åsa.

Simon keek zijn moeder met gespeelde beschaamdheid aan.

‘Ja, met rechtsgeleerdheid – wat meer mijn terrein is – heeft hij geen moeite,’ zei Sjöberg. ‘Maar die wiskunde... en aangezien we een wiskundelerares in huis hebben kan ik niet begrijpen waarom ik hier moet...’

‘Omdat jullie op hetzelfde niveau zitten, schat. Voor jou is het makkelijker te begrijpen wat er moeilijk is.’

Åsa gaf hem een plagerige knipoog en maakte een handgebaar als om hem weg te wuiven. Sjöberg werd gered doordat zijn mobiel ging in een onduidelijk deel van de woning. Hij spurtte de keuken uit en vond de telefoon uiteindelijk in de binnenzak van zijn jack in de hal.

‘Met Vida,’ zei een vrouw aan de andere kant van de lijn. Ze had een duidelijk accent. ‘U wilde mij spreken.’

Het duurde een paar seconden voor Sjöberg weer in zijn rol van hoofdinspecteur van de recherche zat, maar toen het kwartje was gevallen zei hij resoluut: ‘Ja, wat fijn dat u belt. We willen heel graag met u spreken.’

‘Ik was aan het werk en mijn batterij was leeg. Een vriend had in de kerk gezien dat ik dit nummer moest bellen. De politie had ook een bericht ingesproken.’

De politie? Shit. Dat mobiele telefoonnummer dat Sandén in de crèche had gekregen was dus niet dat van Erik.

‘Waar gaat het over?’ vroeg Vida.

‘Weet u wat er is gebeurd?’

‘Gebeurd? Nee, ik weet van niets.’

‘Dan is het het beste dat we elkaar ontmoeten.’

‘Kan het tot morgen wachten? Ik ben moe.’

‘Nee,’ zei Sjöberg, ‘het kan helaas niet wachten. Bent u thuis?’

‘Ja...’ zei de vrouw aarzelend.

‘Ik neem een collega mee en ben over ongeveer een half uur bij u. Zou dat schikken? Het is heel belangrijk.’

‘Oké. Ik woon op Rusthållarvägen 31 in Bagarmossen. De portiekcode is 5110.’

Na enige aarzeling belde hij Sandén, die onmiddellijk in de auto sprong en van Bromma richting Skånegatan reed om hem op te pikken. Daarna ging Sjöberg naar de kamer die zijn twee dochters, Sara en Maja, deelden om ze welterusten te zeggen. Ze zaten op de grond te knutselen en vragen te bedenken voor de speurtocht waar hun moeder en grote broer binnenkort aan zouden moeten geloven. In de keuken spuwde Simon tot groot genoegen van zijn moeder in razend tempo de ene goede oplossing van een wiskundesom na de andere uit. Sjöberg kuste zijn zoon op zijn bol en gaf hem een klap op zijn schouder bij wijze van compliment.

‘Goed zo, Simon,’ zei hij. ‘Ik zei toch dat je het kon.’

‘Mama kan het veel beter uitleggen dan jij,’ zei Simon.

‘Ik weet het,’ zei Sjöberg. ‘Maar dat is ook haar vak.’

Åsa kreeg een kus op haar mond.

‘Moet je weg?’ vroeg ze.

‘Die vriendin heeft wat van zich laten horen. Ze weet niet wat er gebeurd is, dus we moeten erheen. Jens pikt me zo op.’

‘Aha, Jens. Die parttime werkt en stress probeert te vermijden,’ zei Åsa ironisch.

‘Mm.’

‘De stakker,’ zei Åsa terwijl ze haar hoofd scheef hield.

‘Jens of ik?’

‘Die Filippijnse. Wordt het laat?’

‘Dat denk ik niet,’ zei Sjöberg en toen hij vertrok, zwaaide hij nog even.

***

Vida Johansson was een bijzonder knappe vrouw van in de dertig. Ze woonde in een tweekamerappartement met haar man, die tv zat te kijken toen beide politiemannen binnenkwamen. Hij leek net te hebben gedoucht, zijn haar was nog vochtig en hij rook naar geparfumeerde zeep toen hij overeind kwam en ze een hand gaf. Hij leek van dezelfde leeftijd als zijn vrouw en was gekleed in een spijkerbroek en een geruit overhemd dat tot de navel losgeknoopt was en een goed getrainde borst ontblootte. Vida had lang, zwart, glanzend haar, verzameld in een dikke vlecht. Ook zij was gekleed in een spijkerbroek en droeg verder een dikke, gebreide trui. Ze stond met haar armen gekruist over haar borst en keek afwachtend.

‘Kunnen we ergens gaan zitten?’ vroeg Sjöberg.

Vida knikte en keek wat verward om zich heen.

‘Mag Göran erbij zijn of willen jullie alleen met mij praten?’ vroeg ze.

‘Het is goed als Göran er ook bij is,’ antwoordde Sjöberg. ‘Misschien kunnen we hier plaatsnemen?’ stelde hij voor en hij ging zonder op antwoord te wachten op de beige leren bank zitten.

Göran rekte zich uit naar de afstandsbediening en zette de tv uit, waarna hij weer achteroverzakte in de fauteuil. Sandén ging naast Sjöberg op de bank zitten en Vida nam plaats op de voetenbank van haar man. Haar houding kwam wat ongemakkelijk over.

‘Ik heb slecht nieuws voor u,’ begon Sjöberg.

Vida sloeg haar hand voor haar mond en haar ogen keken angstig van de ene naar de andere politieman. Göran fronste nieuwsgierig zijn wenkbrauwen.

‘Ik heb begrepen dat u goed bevriend bent met Catherine Larsson,’ zei Sjöberg en Vida knikte instemmend. ‘Kent u haar ook?’ vroeg hij de man.

‘Jazeker, heel goed zelfs,’ antwoordde Göran Johansson.

‘Ze is vanochtend dood aangetroffen in haar appartement,’ zei Sjöberg.

‘Dood? Nee!’ riep Vida. ‘Ze is mijn beste vriendin!’

Göran keek de politiemensen ontsteld aan en trok zijn vrouw naar zich toe.

Sjöberg schraapte zijn keel als om een aanloop te nemen en vertelde toen zo tactvol mogelijk wat er was gebeurd. Göran Johansson keek naar zijn vrouw, die hartverscheurend zat te huilen, nog steeds met haar hand voor haar mond. Hij streelde haar over haar hoofd en hield haar stevig tegen zich aan opdat ze zou ophouden met beven. Toen Sjöberg klaar was zat Vida onbeweeglijk met haar gezicht tegen de borst van haar man gedrukt. Göran Johansson wist evenmin wat te zeggen en keek alleen maar smekend van de ene politieman naar de andere. Sjöberg zei een tijdje niets en liet het nieuws bezinken. Hij wierp een gelaten blik op Sandén en haalde uiteindelijk diep adem.

‘We moeten een aantal vragen stellen,’ zei hij.

‘Maar wij weten hier niets van,’ zei Göran Johansson.

‘En wij weten niets van Catherine,’ was Sjöbergs weerwoord. ‘U moet ons helpen een beeld van het leven van het gezin te vormen. Hoe lang kennen jullie elkaar al?’

Vida wurmde zich uit de greep van haar man en keek Sjöberg met een troebele blik aan.

‘Sinds 2002. We werkten bij hetzelfde schoonmaakbedrijf. We waren allebei vrij nieuw in Zweden, maar zij was er al een paar maanden langer dan ik, dus nam ze me een beetje onder haar hoede.’

‘Werkt u daar nog steeds?’

‘Nee, ik werk nu op het kantoor van het bedrijf van Göran.’

Sjöberg keek Göran Johansson vragend aan.

‘Ik heb met een paar jongens een schildersbedrijf,’ verklaarde hij.

‘U doet geen zwart schoonmaakwerk meer?’ vroeg Sjöberg.

Ze staarde hem verschrikt aan zonder antwoord te geven.

‘Dat zien we vandaag door de vingers, maar we moeten zoals u zult begrijpen wel de waarheid weten.’

‘Ik ben gestopt met schoonmaken,’ zei ze zachtjes, ‘maar Kate maakt nog steeds schoon. Maakte. Zwart.’

‘Kate – is dat Catherine?’

Vida knikte en veegde met de achterkant van haar hand onder haar neus.

‘Weet u wie haar klanten waren?’

‘Sommige ken ik wel. We hielpen elkaar wel eens als er veel te doen was, ramen zemen, de eindschoonmaak bij verhuizingen en zo.’

‘U kunt ons helpen om een lijst te maken van de klanten die u kent.’

‘Nu?’

‘Dat zou mooi zijn.’

Sjöberg meende dat het haar zou helpen haar gedachten even te verzetten. Hij bladerde naar een lege pagina in zijn notitieblok en reikte haar dat samen met een pen aan. Ze begon te schrijven.

‘Hebben jullie enig idee wie dit gedaan kan hebben? Was er iemand die een hekel aan Catherine had?’

‘Een hekel aan haar had?’

‘Iemand met wie ze het niet goed kon vinden.’

‘Iedereen mocht Kate,’ zei Vida.

Haar man knikte instemmend.

‘Hoe was haar relatie met Christer Larsson?’ vroeg Sandén.

Vida Johansson en haar man wisselden een blik van verstandhouding uit.

‘Hij was een echte nietsnut,’ zei Göran uiteindelijk.

‘Dat vond Catherine wellicht niet, zij was immers met hem getrouwd.’

‘Tja, zo werkt het misschien niet altijd.’

‘Kate mocht hem graag,’ viel Vida Sandén in de rede.

‘Wat bedoelt u met dat het zo niet altijd werkt?’ vroeg Sandén.

‘De Filippijnen zijn een arm land en veel mensen hebben er alles voor over om daar weg te komen,’ legde Göran uit. ‘Zoals trouwen met een westerling.’

Beide politiemensen wierpen automatisch een blik op Vida, maar kozen ervoor zich niet in de beweegredenen voor de huwelijksbeloften van het echtpaar Johansson te verdiepen.

‘Catherine en Christer Larsson hielden dus van elkaar?’ vroeg Sandén in plaats daarvan aan Vida.

‘In het begin. Ik geloof niet dat Kate ooit echt verliefd op hem is geweest, maar in het begin hielden ze van elkaar. Ze heeft het echt geprobeerd, maar na een tijdje ging hij zo vreemd doen.’

‘Wat bedoelt u met “vreemd”?’ vroeg Sjöberg.

‘In het begin gingen we wel eens met z’n vieren uit,’ zei Göran Johansson. ‘Niet dat Christer nou zoveel zei, maar hij was erbij en lachte als je een grapje maakte en zo. Maar hij zei elke keer minder en de laatste keren dat we afspraken zat hij alleen maar stil door het raam naar buiten te kijken.’

‘Hij lijdt volgens onze gegevens aan een depressie,’ verduidelijkte Sjöberg.

‘Ja,’ zei Göran Johansson, ‘Dat vertelde Kate. We probeerden hem ook echt wel te betrekken bij de gesprekken, maar weet u, op het laatst geef je het op.’

Vida knikte instemmend.

‘Daarna zat hij alleen thuis, wilde ons niet meer zien,’ ging ze verder. ‘Uiteindelijk zijn Kate en de kinderen bij hem weggegaan.’

‘Ik geloof niet dat we Christer na de geboorte van Linn nog hebben gezien,’ zei Göran.

‘Hij is geen type om getrouwd te zijn,’ zei Vida. ‘Hij wil alleen zijn. Hij was al eerder getrouwd, maar is toen ook gescheiden. Kate vertelde dat zij de eerste vrouw was die hij in twintig jaar had gehad.’

Sjöberg fronste zijn ene wenkbrauw.

‘Was hij ooit dreigend, agressief?’ vroeg hij.

‘Niet dat wij weten,’ antwoordde Vida. ‘En Kate heeft daar ook nooit iets over gezegd. Zo kwam hij niet over.’

‘Ook niet tegenover de kinderen?’

‘Die konden hem niet zoveel schelen. Daar moest Kate zelf voor zorgen.’

‘Maakte ze een ongelukkige indruk?’

‘Ik geloof dat ze heel veel last had van heimwee. Maar ze wist wel dat ze niet weg kon uit Zweden – omwille van de kinderen.’

‘Is ze ooit op familiebezoek geweest naar de Filippijnen?’ vroeg Sandén.

‘Nee, dat was veel te duur. Alleenstaand met twee kinderen,’ constateerde Vida.

‘Dus ze had niet veel geld?’

‘Nee, maar ze spaarde bijna alles wat ze verdiende. Kocht alleen het hoogstnoodzakelijke.’

‘Hoe kwam ze dan aan geld voor dat appartement in Hammarbyhamnen?’ vroeg Sjöberg hoopvol.

‘Dat hebben wij ons ook afgevraagd,’ zei Göran Johansson en hij krabde met zijn wijsvinger op zijn hoofd. ‘Dat hebben we nooit goed begrepen. Die appartementen daar zijn peperduur.’

Vida leek zich een nieuwe klant te herinneren en ze schreef met snelle bewegingen iets op het blok voor zich.

‘Prostitueerde ze zich?’ vroeg Sandén zonder omwegen.

‘Nee,’ zei Vida stellig en ze keek Sandén recht in de ogen.

‘En daar bent u volkomen zeker van?’

‘Absoluut.’

Ze keek weer naar het blok en schreef weer wat op.

‘Had Kate een man ontmoet die haar en de kinderen financieel onderhield?’ vroeg Sjöberg in een ingeving aan Vida.

‘Nee, ze...’ begon Göran, maar Sjöberg maakte een afwerend gebaar naar hem en vroeg op sommerende toon: ‘Vida?’

Er viel een traan van haar wang op Sjöbergs blok en ze veegde hem met het topje van haar middelvinger snel weg. Göran Johansson keek zijn vrouw vragend aan.

‘Ik heb Kate beloofd...’ begon ze en ze keek haar man bedroefd aan. ‘Ik heb beloofd om het nooit aan iemand te vertellen.’

‘Kate is dood,’ zei Sjöberg met klem. ‘We moeten achter de waarheid zien te komen.’

Vida haalde diep adem voordat ze haar relaas begon: ‘Er was een man. Een man die ze ergens had ontmoet. Hij heeft haar een keer geholpen toen ze werd lastiggevallen door skinheads. Dat heb ik pas veel later gehoord,’ memoreerde Vida. ‘Ze zagen elkaar regelmatig. Kate zei dat ze geen seks hadden, maar dat weet ik niet... Wat zou het anders zijn geweest? Ze zagen elkaar nooit bij hem thuis. Hij was vast getrouwd, hoewel ze daar nooit wat over heeft gezegd. Ze konden elkaar ook niet bij haar thuis ontmoeten – zij woonde toen nog met Christer. Volgens haar kon ze ontzettend goed met die man praten; ze spraken over alles, zei ze. Hij troostte haar als ze problemen had met Christer en hij wilde haar helpen toen ze uiteindelijk had besloten bij Christer weg te gaan. Ze wilde eerst niet zoveel geld aannemen – het ging om meer dan twee miljoen kronen – maar hij wist haar te overreden. De kinderen zouden het daar goed krijgen, zei hij. Een speelplaats in de binnentuin en veel vriendjes. Ze was eerst bang dat ze gedwongen zou worden dingen te doen die ze niet wilde, maar dat was niet het geval. Hij leek een fantastisch iemand te zijn. De kinderen waren gek op hem, zei Kate. En hij op hen. Hij paste soms op de kinderen als zij lang moest werken.’

‘U hebt hem nooit ontmoet?’ vroeg Sjöberg.

‘Nee, dat wilde ik wel, maar het was allemaal wat geheimzinnig. Ze had het idee dat ze hem verried als ze het aan mij vertelde. En zo voel ik het ook nu ik het aan jullie vertel.’

Vida begon weer te huilen en haar man streelde haar over haar hoofd.

‘Heette die man wellicht Erik?’ vroeg Sandén.

‘Ja, hij heette Erik. Denkt u dat hij...?’

‘Wij denken voorlopig niets, maar het is natuurlijk essentieel dat we met hem in contact komen,’ antwoordde Sjöberg.

Hij stak zijn hand uit naar zijn blok en zijn pen en constateerde dat Vida Johansson met zes nieuwe namen was gekomen. Na routineus de vingerafdrukken van het echtpaar Johansson te hebben genomen, stond Sjöberg op en Sandén deed hetzelfde. Sjöberg trok zijn portemonnee uit zijn achterzak, haalde er een visitekaartje uit en legde het op de salontafel.

‘Wij betreuren deze gebeurtenis enorm,’ zei Sjöberg tot besluit. ‘U hebt ons erg geholpen. Als u nog ergens op komt, kunt u altijd bellen.’

 

De regen kletterde tegen de voorruit en talloze vormeloze lichtjes passeerden in het donker buiten. Door Sandéns beheerste rijgedrag was de auto een veilig heenkomen tijdens deze nawinteravond.

‘Wat was dat vanmiddag?’ vroeg Sjöberg. ‘Tijdens het overleg?’

Sandén gaf eerst geen antwoord, wat Sjöberg ervan overtuigde dat zijn vraag relevant was. Het was overbodig hem te verduidelijken; de verandering in de gemoedstoestand van zijn collega tijdens het overleg van vanmiddag dreigde van tafel te worden geveegd, nooit te hebben plaatsgevonden.

‘Ik weet niet of ik erover wil praten.’

‘Oké. Vergeet het.’

Ze spraken geen van beiden gedurende een paar minuten en Sjöberg zei tegen zichzelf dat er geen reden was tot ongerustheid. Sandén gedroeg zich voorbeeldig. Hij at beter, dronk minder en deed regelmatig aan lichaamsbeweging. Je nodeloos ongerust maken was de snelste weg naar het mortuarium. Zo zat Sandén niet in elkaar en ook Sjöberg deed zijn best rationeel te zijn.

‘Ik had spijt. Ik had dat niet moeten zeggen.’

Sandén pakte onverwacht de draad weer op.

‘Zoals gewoonlijk flap ik er dingen uit zonder erbij na te denken. Het is maar een woord. Prostitutie. Maar opeens zag ik het beeld voor me. En dat stond me beslist niet aan.’

‘Catherine Larsson?’

‘Nee.’

Sandén zuchtte.

‘Jenny.’

Sjöberg begreep het niet, wist niet wat hij ervan moest denken. Sandén draaide Nynäsvägen op. Ondanks het weer en het late tijdstip was er veel verkeer, maar het stroomde goed door. Hij bleef de hele weg naar de stad op de middelste baan rijden, liet zich inhalen door spetterende auto’s van weggebruikers die meer haast hadden. Intussen vertelde hij Sjöberg wat er tijdens die dagen in september was gebeurd, toen zijn wereld was ingestort. Over hoe zijn geliefde, verstandelijk gehandicapte dochter onder valse voorwendsels in een vorm van prostitutie was gelokt. Hoe die volbloedidioot Pontus, haar zogenaamde vriend met wie ze destijds samenwoonde, haar had verkocht voor geld waar ze zelf nooit wat van had gezien. En hoe die verschrikkelijke ontdekking bijna had geleid tot zijn eigen dood. Pontus had Jenny vervolgens doodleuk in de steek gelaten. Hij was nu uit hun leven verdwenen, maar had er wel een aanzienlijk dikkere portemonnee aan overgehouden. Sandén had hem moeten uitkopen en had daar het lieve sommetje van vijftigduizend zuurverdiende kronen voor moeten neertellen. Sindsdien hadden ze gelukkig niets meer van hem vernomen. Sandén was achteraf niet in staat geweest gerechtelijke stappen te ondernemen, voornamelijk vanwege het feit dat bepaalde minder vleiende gegevens over zijn dochter beter niet opgerakeld konden worden.

Sjöberg kon niet anders dan daarmee instemmen, duimen dat het nu allemaal afgehandeld was en dat Jenny’s leven een betere wending had genomen door het baantje bij Lotten van de receptie dat hijzelf voor haar had geregeld.

‘En jij? Hebben jullie het goed, Åsa en jij?’

Sandén had genoeg van zijn eigen besognes en gaf Sjöberg de kans zijn hart te luchten. Dat was zijn hoogste aanbod als het om vertrouwelijkheden ging. Nieuwsgierige vragen of insinuaties waren niet iets waartoe Sandén zich verlaagde. Ongezouten taal of volledige discretie, dat was Jens in een notendop. Sjöberg had al voortdurend het idee dat zijn doen en laten met betrekking tot Margit Olofsson zijn collega niet zo ongemerkt voorbij was gegaan als hij had gehoopt. Sandén was erbij geweest toen hun verhouding was begonnen; als hij ook maar een beetje fingerspitzengefühl bezat, moest hij hebben gemerkt hoe de vonken daar in de pianobar oversloegen.

En dat had hij. Sandén was ondanks zijn lompheid iemand met veel warmte en een goed ontwikkeld gevoel voor nuances. Hij moest wel hebben gemerkt wat er die onzalige avond was gebeurd, toen Åsa en de kinderen bij haar ouders in Linköping waren. Hij had nooit iets gezegd, nooit ook maar met één woord aangestipt dat hij iets wist – maar was hij niet ongewoon oplettend geweest, op zijn bruuske wijze ongewoon... zorgzaam – in de maanden na dat eerste slippertje? Ja, dat was waar, bedacht Sjöberg. Jens Sandén was al eeuwen zijn beste vriend – al sinds hun tijd op de politieacademie – en hij voelde zich helemaal warm worden vanbinnen toen hij bedacht dat Sandén waarschijnlijk begreep wat er daarbinnen in zijn verdoemde ziel plaatsvond. Hoewel hij de hele tijd dus tactvol genoeg was geweest om het onderwerp niet ter sprake te brengen.

Misschien kwam het door de regen, de koude en de glimmende lichtjes daarbuiten in contrast tot het donker en de warmte in de auto. Wellicht was het de beladen sfeer of gewoon de vanzelfsprekende geborgenheid van een solide, jarenlange vriendschap. Maar Sjöberg had een onbedwingbare behoefte aan volledige eerlijkheid en hij vertelde.

Toen de auto Skånegatan in reed, Nytorget passeerde en daarna stopte, was nog niet alles gezegd. Ze bleven lange tijd in de auto zitten tegenover Sjöbergs portiek. Het was de avond van pijnlijke gespreksonderwerpen die misschien nooit weer zouden worden aangeroerd. Maar nu konden ze allebei verdergaan, wat sterker, wat rijker. Wat minder eenzaam.

‘Nee,’ beëindigde Sandén het gesprek. ‘Wat zou het voor zin hebben om het aan Åsa te vertellen? Het zou alleen maar onnodig gevoelens opwekken. En dingen kapotmaken.’

***

Het was koud, echt koud in de schuur ’s nachts. Er was een kleine radiator, maar die zat tegen de binnenmuur. De winterkou stroomde binnen door de spleet onder de deur en door het raampje ernaast. Het was aardedonker in de ruimte. Om hem heen was het volkomen stil, maar op afstand hoorde je het bruisen van de stad.

Hij spande alle spieren in zijn handen en armen en probeerde het touw om zijn polsen los te wurmen. Hij herhaalde die oefening tien keer, maar het maakte geen verschil. Hij kon niets anders doen dan het blijven proberen tot het zijn tijd was. Het was zijn enige kans en die was zo goed als nihil, dat begreep hij ook wel.

Na afloop ging hij uitgeput op zijn rug liggen en staarde in het donker. Zijn achterhoofd en rug deden pijn, maar daar kon hij niets aan doen. Ergens moest het pijn doen. Het deed altijd ergens pijn. Toen ging de bel. Hij schrok op bij het moderne ‘ding-donggeluid’ waarmee de huiseigenaar ze had verwend toen hun oude bel kapot was. Een aangenaam, verwelkomend geluid voor degene die aanbelde, in plaats van het giftige oude gezoem. Ze sloeg haar ogen ten hemel en keek hem aan met een gezicht dat berusting moest uitdrukken, maar hij zag alleen haar glimmende blauwe ogen onder haar blonde pony. Hij zag niet wat ze tot uitdrukking bracht, alleen hoe mooi ze was.

‘Ik ga wel,’ zei hij met een glimlach en hij liep de paar passen van de balkondeur naar de hal.

Met zijn tuinhandschoenen nog aan draaide hij het slot om en duwde de deurkruk omlaag om de bezoeker open te doen.

‘Hallo. Zeg, ik heb een klein probleempje...’

Het was de buurman. Zijn deur achter hem in het trappenhuis stond wijd open en vanuit de woning hoorde je de levendige stemmen van de jongens. Hij onderbrak zichzelf toen zijn blik op de tuinhandschoenen viel.

‘Stoor ik tijdens noeste arbeid?’ vroeg hij gevat.

‘Ja, we zijn het balkon aan het verfraaien, wat bloemen aan het planten. Waar kan ik je mee helpen?’

‘Wat gezellig! Ja, mijn vrouw moet vandaag een halve dag werken en een vriend van me heeft gevraagd of ik hem kan helpen zijn boot in het water te leggen. En omdat dat vandaag klaar moet, zou het mooi zijn als we meteen kunnen beginnen. Zouden jullie even op de jongens kunnen letten?’

‘Tuurlijk, geen probleem.’

Het was niet de eerste keer dat ze op de kinderen van de buren pasten, dat deden ze wel vaker als het nodig was. De buurjongetjes waren twee wervelwinden van drie en vijf jaar oud. Het waren leuke kereltjes, lief en innemend.

‘Ze is over anderhalf uur klaar in de kapsalon, dus misschien dat jullie ze daar dan kunnen afleveren. Ze wilde schoenen met ze gaan kopen.’

‘Prima. Komen ze hier of zullen wij daarheen gaan?’

‘Wat jullie het beste uitkomt. Ik laat de deur open dus dan kunnen jullie doen wat je wilt. Wacht even, trouwens.’

Hij snelde weer naar binnen en kwam even later terug met een fles rioja. Toen hij hem overhandigde boog hij plechtig.

‘Om de zaterdagavond met je mooie vrouwtje wat glans te geven!’

Ze verscheen op de achtergrond en zwaaide vrolijk.

‘Alvast hartelijk bedankt!’ zei de buurman, al op weg naar buiten.

‘Niets te danken, dat is gewoon leuk!’ riep ze hem na toen hij de trap af liep. ‘Ga jij bij de mannen kijken wat ze aan het doen zijn, dan kan ik verdergaan met planten,’ zei ze vervolgens tegen haar man.

Hij gaf haar zijn handschoenen en liep door de open deur van de buren naar binnen.

De jongens zaten op de grond in de kinderkamer een spoorbaan van Brio-rails te bouwen.

‘Hallo, jongens! Mag ik meedoen?’

Ze stortten zich vrolijk boven op hem en ze tuimelden vervolgens alle drie een tijdje over de grond voordat de jongens weer verdergingen met bouwen. Dat hoorde erbij; je moest altijd een tijdje stoeien. Hij bedacht dat als hij zelf een zoon zou krijgen, hij met hem zou stoeien en bouwen; spelen mocht hij met zijn moeder doen. Hij had zelf een hekel aan dat rijden met treintjes, maar het bouwen van de spoorbaan ontwikkelde hij tot een kunst. Het duurde dan ook even. Hij liet de jongens denken en stuurde ze heel behoedzaam, zodat ze het gevoel hadden dat ze de spoorbaan helemaal zelf hadden gebouwd. Uiteindelijk was de baan klaar en toen was er geen weg meer terug; nu moest er tot vervelens toe met de treintjes worden gespeeld. Maar deze keer werd hij gered door kleine Tobias die vroeg: ‘Waar is tante?’

‘Luister goed, jongeman,’ antwoordde hij pseudo-beledigd. ‘Tante is geen tante, tante is een meisje.’

‘Waar is tante Meisje dan?’

Zijn grote broer Andreas en hijzelf moesten zo hard lachen dat ze achterovertuimelden, waardoor het weer tijd was om te stoeien.