Zwaar drukt de knellende band der realiteit,

op het veld van vreugde verzamel ik alleen

een tweede oogst van de doornen

en als een kaartenhuis stort ineen

elke verwachte aardse blijdschap,

elke droom van gelukzaligheid.

Slechts gesteund door de kruk van het geduld

is het dat ik schrijd,

al tastend door een wild’ en nachtzwarte woestijn,

en in mijn spoor rammelt de zware keten

wier schakels alleen de dood vermag te breken.

Toch zijn mij ten troost de bovenaardse gezangen,

vanuit de hemelburcht een rozenkrans dragende engel.

In zijn gulden vlucht naar d’aarde zie ik hem.

Hij raakt mij teder aan met zijn leliestengel.

En terstond vallen de koperen ketenen

van mij die was gevangen.

De vleugel verheft zich, en er klinkt een zilveren stem.

 

Erik Johan Stagnelius