Woensdagochtend

Sjöberg bestudeerde – in gedachten ergens anders – Petra Westman toen ze de deur dichtdeed en aan tafel ging zitten. Ze zat een tijdje in haar kopje te roeren voordat ze het naar haar mond bracht. De thee was nog te warm, dus zette ze het kopje weer neer, roerde er nog even in en liet het vervolgens staan. Sjöberg werd opgeschrikt uit zijn overpeinzingen en leidde de werkbespreking in: ‘Iedereen aanwezig? Hadar zit vandaag bij de rechtbank, dus die komt niet. Bella daarentegen heeft tijd vrijgemaakt om te komen en heeft ook het voorlopige rapport van Kaj bij zich, klopt dat?’

Gabriella Hansson hield een zwarte map omhoog en knikte bevestigend.

‘Misschien kun jij beginnen, Bella. Dan kun je daarna weggaan als je dat wilt.’

‘Oké. Catherine Larsson is tussen zaterdagavond 21.00 uur en zondagochtend 03.00 uur vermoord. De moord vond plaats in de badkamer, waar ze naar de wastafel gekeerd stond toen haar keel met één enkele haal werd doorgesneden, diep genoeg opdat ze vrijwel onmiddellijk zou overlijden. De blauwe plekken op haar bovenarmen en boven de borstkas bevestigen dat ze van achteren werd vastgehouden. De moordenaar was aanzienlijk langer dan het slachtoffer en rechtshandig. Hij – het kan overigens ook een grote vrouw zijn geweest – werd goed geholpen door de spiegel bij het uitvoeren van zijn daad en Catherine Larsson heeft zelf alles kunnen zien. Daarna heeft hij haar naar het bed gedragen – niet gesleept – waar hij haar naast de kinderen heeft gelegd. Vervolgens heeft hij, voorovergebogen over de vrouw, hetzelfde gedaan met het meisje, dat in het midden lag. Toen is hij om het bed heen gelopen en heeft hij de jongen gedood. Beide kinderen waren zeker in slaap, er zijn geen sporen op hun lichaam aangetroffen die erop duiden dat ze weerstand hebben geboden. Het wapen had een lang recht lemmet – minstens twintig centimeter lang, vermoedelijk meer – een flink jachtmes, een machete of een zwaard.’

‘Hoe is hij in het appartement binnengekomen?’ vroeg Sjöberg.

‘Er zijn geen sporen van braak. Óf hij is binnengelaten, óf zelf binnengekomen. Hij kan een eigen sleutel hebben gehad, hij kan een loper hebben gebruikt of de deur kan open zijn geweest. Hij heeft het appartement verlaten zonder de deur op slot te doen. De deur kan van binnenuit op slot worden gedaan, met of zonder sleutel, en van buitenaf alleen met een sleutel, dus het feit dat de deur niet op slot zat wijst er mogelijk op dat hij zelf geen sleutel had.’

‘Moet de dader zelf ook niet onder het bloed hebben gezeten?’ vroeg Hamad.

‘Dat is moeilijk te zeggen,’ antwoordde Hansson. ‘Hij moet een heleboel bloed over zich heen hebben gekregen, maar hoeveel weet ik niet. Hij had ongetwijfeld bloed op zijn armen en handen, maar hij lijkt het te hebben afgewassen in de wastafel, echter zonder de handdoeken daar te gebruiken. Hij kan beschermende kleding hebben gedragen die hij heeft uitgetrokken voordat hij het appartement verliet.’

‘Er hing een trui in de hal...’ begon Hamad.

‘Daar hebben we haren op aangetroffen die we naar het forensisch lab hebben gestuurd,’ zei Hansson snel. ‘De trui was te groot om van het slachtoffer te zijn.’

‘Merk?’ wilde Sjöberg weten.

‘Åhléns huismerk.’

‘Ik heb ook een schoenafdruk gezien...’ probeerde Hamad opnieuw, maar de efficiënte technisch rechercheur was hem telkens één stap voor.

‘We hebben een aantal afdrukken veiliggesteld. Ze zijn allemaal van hetzelfde paar, een of ander soort gympen of sneakers. We hebben het model nog niet kunnen vaststellen, maar het gaat om maat 43 of 44, dus ook dat duidt erop dat de moordenaar vermoedelijk een man is. We hebben soortgelijke afdrukken gevonden in het trappenhuis, maar die verdwenen in de binnentuin.’

‘Vingerafdrukken?’

‘Uiteraard, er waren vingerafdrukken van diverse personen in het appartement. De meeste zijn natuurlijk die van het gezin zelf, maar we hebben ook enkele andere sets gevonden. Echter niet op de kraan van de wastafel of op de deurkruk, zoals we hadden gehoopt. Ik zal ze vergelijken met de afdrukken die ik van jou heb gekregen, Conny.’

Sjöberg knikte.

‘Wat kun je vertellen over de sectie?’ vroeg hij.

‘Tja, het gaat om drie secties en die zijn nog niet klaar, maar Zetterström zegt dat geen van de slachtoffers seksueel is misbruikt. Catherine Larsson was de laatste dagen van haar leven niet seksueel actief. Het forensisch lab heeft evenmin sporen aangetroffen van mishandeling, niet op de kinderen en niet op de moeder. Nog meer?’

Hansson begon haar spullen te verzamelen.

‘Ik zou eigenlijk nog wel een test op de kinderen en op Christer Larsson willen uitvoeren om het vaderschap vast te stellen,’ zei Sjöberg nadenkend.

‘O,’ zei Sandén met een betweterig lachje. ‘Spannend.’

‘Zal ik deze wens overbrengen aan Zetterström of wil je die bloedproeven zelf afnemen?’ vroeg Hansson glimlachend.

‘Laat hij dat maar doen,’ zei Sjöberg. ‘Bedankt voor je uiteenzetting, Bella.’

Hansson schoof de zwarte map met het voorlopige sectierapport naar Sjöberg toe, stopte de laatste papieren in haar aktetas en verliet de kamer.

Nadat de vier politiemensen rond de tafel de feiten die bij de betreffende verhoren aan het licht waren gekomen uiteen hadden gezet, vouwde Sjöberg zijn handen in zijn nek. Hij wipte achterover op zijn stoel.

‘Wat is dit eigenlijk voor soort moord?’ vroeg hij. ‘Wat is dit voor een moordenaar met wie we te maken hebben? Het geheel is heel klinisch uitgevoerd. Kan dit een klus op bestelling zijn geweest?’

‘Die schoenafdrukken weerspreken dat,’ was Westman van mening. ‘Het is onprofessioneel om sporen achter te laten.’

‘Wie heeft gezegd dat beroepsmoordenaars professioneel zijn?’ grapte Hamad. ‘Heb je dat op tv gezien of...?’

Westman wierp hem een geïrriteerde blik toe.

‘Alle gekheid op een stokje, het kan natuurlijk een paar schoenen zijn dat hij daarna heeft verbrand,’ vervolgde Hamad. ‘Een paar doodgewone schoenen die je overal kunt kopen. Of het kan hem niet schelen dat hij ontmaskerd kan worden, hij wilde alleen die klus klaren.’

‘Dan was hij vast niet zo zorgvuldig geweest met die vingerafdrukken,’ merkte Westman op.

‘Zou kunnen,’ zei Sjöberg. ‘De moorden zijn weliswaar beestachtig, maar ze zijn ondanks alles uitgevoerd zonder enige persoonlijke inslag. Zijn jullie het daarmee eens? Geen onnodig geweld, geen vernedering, geen verkrachting. Er is geen sprake van een uit de hand gelopen inbraak, want dan had hij de kinderen wel met rust gelaten. Geen seksueel misdrijf. Snel en effectief, geen onhandig gestuntel, geen onnodig lijden.’

‘Maar een bestelklus...?’ vroeg Sandén. ‘Witwassen ligt op zich meer voor de hand als je denkt aan die appartemententransactie. Kan ze banden hebben gehad met de onderwereld?’

‘Dan zou de opdrachtgever die in dat geval hebben,’ zei Sjöberg. ‘We moeten haar klanten natrekken.’

Hij krabde met zijn duim en wijsvinger onder zijn kin.

‘Einar is er vandaag dus ook niet,’ constateerde hij mistroostig. ‘Heeft iemand hem gezien?’

Ze schudden allemaal hun hoofd.

‘Ik moet maar eens onderzoeken of hij vrij heeft genomen...’

‘Dat is goed voor je, Conny, kun je ook eens ervaren hoe dat is, papierwerk doen,’ zei Sandén grijnzend. ‘Dan zie je hoe het is om Einar te zijn. Kijkt Conny niet al een beetje ontevreden, jongens?’

Hij keek zijn collega’s aan en gebaarde naar Sjöberg, die gegeneerd met zijn vingers op tafel trommelde, wat een lachsalvo bij zijn ondergeschikten teweegbracht. Sjöberg liet ze een tijdje dollen voor hij het commando weer nam: ‘Voor straf mag jij, Jens, iemand opsporen die de correspondentie van Catherine Larsson kan vertalen. Bovendien kun je aan de slag met die klantenlijst. Check de klanten, neem contact met ze op en kijk of zij op hun beurt weer meer klanten van haar kennen. Petra en Jamal, jullie gaan aan de slag met de telefoonlijst die ik gisteravond op Einars bureau heb gelegd. Zorg dat je een overzicht krijgt van haar telefoongewoonten, vooral van de laatste dagen. Met wie heeft ze gesproken en waarover? Zit Erik daar ergens tussen? Bovendien wil ik dat jullie onderzoeken of ze een abonnement op een mobiele telefoon had. Ze had niets bij Telia, dat weten we. Zelf ga ik diepgaand onderzoek doen naar de financiën van de familie Johansson, hun schildersbedrijf en dergelijke.’

 

Anderhalf uur later was Sjöberg erin geslaagd de financiën van zowel de familie Johansson als het schildersbedrijf in kaart te brengen. Hij had geen gekke dingen ontdekt. Geen grote opnamen, geen afwijkingen van de normale, lopende inkomsten respectievelijk uitgaven. Hij zwaaide verstrooid met zijn pen tussen zijn wijsvinger en middelvinger heen en weer terwijl hij blanco voor zich uit staarde. Ten slotte pakte hij de hoorn van de haak en belde Einar Erikssons mobiele telefoon. Hij kreeg onmiddellijk de voicemail en luisterde naar het korte berichtje. Op Erikssons machinale aansporing sprak hij een bericht in na de piep: ‘Hoi Einar, met Conny. We hebben je al een paar dagen niet gezien en ik heb ook niet gehoord dat je vrij zou zijn. Zou je zo snel mogelijk contact met me willen opnemen? We hebben je hier nodig,’ voegde hij eraan toe voor hij ophing.

Daarna bladerde hij naar Erikssons privénummer in het telefoonboek van zijn mobiele telefoon en belde dat. Eriksson had geen antwoordapparaat. Na tien signalen gaf hij het op. Vervolgens stuurde hij een kort sms’je naar Erikssons mobiel, met hetzelfde bericht dat hij net op de voicemail had achtergelaten. Als laatste toetste hij het snelkeuzenummer naar de centrale van de politie in en vroeg te worden doorverbonden naar de salarisadministratie.

‘Conny Sjöberg, afdeling geweldsdelicten. Ik heb wat informatie nodig over een van mijn ondergeschikten, Einar Eriksson.’

‘Wat wilt u weten?’ vroeg de vrouw aan de andere kant van de lijn.

‘Heeft hij vakantie of heeft hij zich ziek gemeld of zo?’

‘Eens even kijken,’ zei ze bereidwillig en Sjöberg hoorde het geratel van het toetsenbord op de achtergrond. ‘Wat is zijn persoonsnummer?’

‘Geen idee,’ zei Sjöberg. ‘Dat kunt u mij vast wel vertellen. Er zullen toch niet zoveel Einar Erikssons bij de firma werken.’

‘Oké... Ja, hier hebben we hem. Hij is niet ziek en heeft geen verlof opgenomen.’

‘Zou u mij zijn adres kunnen geven?’ vroeg Sjöberg.

‘Zulke gegevens mogen wij niet verstrekken,’ antwoordde ze vriendelijk maar beslist. ‘Daar moet u toestemming voor hebben.’

‘Toestemming? Ik ben verdorie zijn chef,’ zei Sjöberg chagrijnig, maar hij zag meteen in dat zij alleen maar haar werk deed.

‘Ik kan u terugbellen,’ zei ze net zo vriendelijk.

‘Natuurlijk, mijn nummer...’ begon Sjöberg.

‘Dat heb ik,’ zei ze en ze hing op.

Toestemming, dacht Sjöberg, wat is dat voor stom woord? Meer kon hij niet denken of de telefoon ging.

‘Sjöberg.’

‘Ja, nog even met de salarisadministratie. U wilde informatie over Einar Eriksson?’

‘Klopt,’ zei Sjöberg.

Ze gaf hem Erikssons persoonsnummer en adres, waarop hij bedankte voor de hulp en het gesprek beëindigde.

Hij bedacht dat hij zelfs geen idee had in welk deel van de stad Eriksson woonde. Het bleek nu dat ze eigenlijk vlak bij elkaar woonden. Einars woning lag aan Eriksdalsgatan, slechts een klein stukje lopen van het politiebureau op Östgötagatan, en even ver van Sjöbergs appartement op Skånegatan. Dat je zo weinig van elkaar wist, dacht Sjöberg. Ze werkten al – wat was het? – twaalf jaar samen en hij wist niets van Einar. Ja, hij wist dat hij getrouwd was en dat hij geen kinderen had, maar verder? Niets, nu hij erover nadacht. Nu was Einar Eriksson ook een ontoegankelijk iemand, dwars en moeilijk in de omgang, dus de gesprekken die ze hadden gingen uitsluitend over het werk. Eriksson ging ook nooit met zijn collega’s lunchen, wat gewoonlijk een uitstekende gelegenheid was om over andere dingen te praten dan over het werk. Nee, hij bleef op zijn kamer zitten en at het lunchtrommeltje leeg dat zijn vrouw voor hem had klaargemaakt. Daar kon je vergif op innemen. Sjöberg moest lachen bij de absurde gedachte aan Einar Eriksson bij het aanrecht terwijl hij bezig was zijn lunch klaar te maken.

Die gedachten voerden hem naar zijn eigen leven. Natuurlijk had ook hij dingen die zijn collega’s niet van hem wisten. Hij kon zich indenken dat de gedachte dat er een Margit Olofsson in zijn leven was op de anderen zeer vreemd zou overkomen. Behalve op Jens dan, die inmiddels was ingewijd en al van begin af aan had vermoed hoe de vork in de steel zat. Maar Sjöbergs moeder – wat zou zij zeggen als ze erachter kwam? Daar durfde hij niet aan te denken. Zij was iemand die altijd bang was voor wat de buren ergens van zouden denken.

Zijn moeder was een verhaal apart, met al haar geheimen. ‘Geheimen’ was misschien niet het juiste woord, maar ze was erg karig met woorden en weigerde te spreken over alles wat er ook maar enigszins toe deed. Hij herinnerde zich hoe hij haar onder druk had gezet om hem te vertellen over zijn vader; de vader die hij nooit had gekend. Alles wat hij had waren de vage contouren van een man die was overleden aan een geheimzinnige, niet bij name genoemde ziekte, toen Sjöberg drie jaar was.

Hij moest denken aan het eigendomsbewijs van een lap grond dat hij tussen de papieren van zijn moeder had aangetroffen toen hij haar had geholpen met het betalen van rekeningen nadat ze door een val van een krukje een paar ribben had gebroken. Papieren over een perceel ergens: Björskogsnäs 4:14. Zijn moeder had gezegd dat ze niet wist waar dat was. Dat was vast iets van zijn vader. Maar was het echt mogelijk dat ze – als ze bij het overlijden van zijn vader niets van die lap grond had geweten – niet nieuwsgierig was geweest en had geprobeerd erachter te komen waar dat perceel lag? Dat leek onwaarschijnlijk, maar zijn moeder hield haar lippen stijf op elkaar en hij had haar niets weten te ontfutselen – hoofdinspecteur bij de recherche of niet – hoe hij het ook had geprobeerd.

Hij voelde plotseling een onbedwingbare wil om de oude geschiedenis van die lap grond tot op de bodem uit te zoeken. Als hij nu toch voor Einar speelde en ‘papierwerk zat te doen’, zoals Sandén had gezegd, zou hij er ook vast wel achter kunnen komen waar die lap grond lag.

Hij toetste het nummer van inlichtingen in en vroeg te worden doorverbonden met het kadaster van de arrondissementsrechtbank van Stockholm. Na een paar minuten was hij aan de beurt. Sjöberg stelde zich voor en legde uit waarvoor hij belde: ‘Ik heb een registratiebewijs van wettelijk verworven onroerend goed, maar ik heb geen idee waar in Zweden dat perceel ligt, dus ik heb vast naar het verkeerde kadaster gebeld. Kunt u mij desondanks toch helpen?’

‘Natuurlijk,’ zei de vrouw aan de andere kant van de lijn. ‘Het kan even duren, maar als u mij de kadastrale aanduiding geeft, zullen we eens kijken.’

‘Björskogsnäs 4:14,’ zei Sjöberg.

Ze spelde de naam om er zeker van te zijn dat ze de juiste informatie had en was na een paar minuten alweer terug.

‘Björskogsnäs 4:14 ligt in de provincie Västmanland,’ zei ze. ‘In de buurt van Arboga.’

‘Arboga?’ mompelde Sjöberg.

‘Arboga,’ bevestigde de stem. ‘Wilt u dat ik u per fax een kaart van het stuk grond toestuur?’

‘Graag,’ zei Sjöberg, al had hij geen idee wat hij met die informatie moest.

***

Hij werd met een schok wakker. Hoewel hij een groot deel van de nacht had geslapen, was hij ook ’s morgens weer ingedut. Hij sliep slechts met horten en stoten omdat hij ongeveer elke tien minuten van houding moest veranderen. Anders was de pijn de uren daarna bijna niet te harden, maar tegenwoordig werd hij zelfs wakker als het zover was. Zijn lichaam was eraan gewend geraakt en hij werd na korte tijd wakker om anders te gaan liggen. Het leven op de koude splinterige vloer van de gereedschapsschuur was routine geworden.

Hij ging moeizaam overeind zitten tegen de koude buitenmuur. Hij bewoog zich langzaam, bijna sloom en probeerde een paar minuten lang de strakke touwen wat te versoepelen. Zijn verstand zei hem dat hij wat moest doen en dit was waartoe hij in staat was. Hij had geen hoop meer, hij keek niet vooruit. Het leven had hem niets te bieden wat waard was om naar uit te zien, dus keek hij liever achteruit. Hij zag zichzelf met de twee jongetjes boven op zich als warme kussentjes, donsballetjes waar je zachtjes in kon knijpen en bijten, mee rond kon rollen. Ze hadden als het ware geen randen en kreeg je een keer een elleboog in je oog dan deed dat om de een of andere reden geen pijn. Je lichaam was erop ingesteld dat het geen pijn deed, dus dat deed het dan ook niet.

‘Tante Meisje is bezig bloemen te planten op het balkon,’ bromde hij terwijl hij Tobias met gestrekte armen boven zich hield.

‘O,’ zei Andreas, ‘mogen we haar helpen? Ik vind bloemen planten heel leuk!’

‘Tuurlijk, dat zal ze prachtig vinden. Dan kan tante Meisje jullie allebei in een pot stoppen zodat jullie groeien en groot worden en ik niet meer met jullie durf te stoeien.’

‘Kom, Tobias!’ riep Andreas en hij rende de kamer al uit.

Tobias maakte zich los en rende erachteraan. Zelf kwam hij ook op de been, schoof met zijn voet het kleed in de kinderkamer weer goed en klopte zijn broek en trui af. Hij deed de buitendeur van het appartement van de buren dicht en ging zijn eigen woning binnen.

Op het balkon stond Andreas met zijn kleine handjes in veel te grote handschoenen en hield zijn jongere broertje in een wurggreep bij zijn keel.

‘Nee, nee, nee,’ zei zijn vrouw. ‘Zo niet. Willen jullie meehelpen of zullen we iets anders gaan doen?’

‘Ik wil een eigen plantje,’ zei Tobias.

‘Ja, dat kan! Zeg maar welke je wilt hebben, Tobias, dan kiest Andreas er ook een en dan mogen jullie ze zelf planten. Dan moeten jullie er alleen wel aan denken dat ze ook vaak water moeten hebben.’

‘Ik wil die rode,’ zei Tobias.

‘Een geranium. Ja, die wordt heel mooi en groot als hij gaat groeien. En jij, Andreas?’

‘Die blauwe,’ antwoordde hij en hij wees in de bak omlaag.

‘Perfect! Een petunia voor Andreas. Dan doen we het zo...’

Ze gaf de jongens ieder een bloempot met een scherf op de bodem en zette er eentje voor zichzelf neer.

‘Je neemt een beetje aarde, zo, en legt dat op de bodem van de pot...’

Er was niet genoeg plaats voor hen allemaal op het kleine balkon, dus hij bleef in de deuropening staan kijken. Hij bewonderde de handigheid van zijn vrouw en genoot van de zachte stemmen van haar en de kinderen. De geur van het vers gemaaide gras van de binnentuin beneden en de vochtige aarde op het balkon vulde zijn neusgaten. Het leven was nog maar net begonnen.

***

Sjöberg verliet het politiebureau zonder mee te delen waar hij heen ging. De hele weg naar Eriksdalsgatan had hij een knagend gevoel van onbehagen. Als Einar opendeed als hij aanbelde, wat moest hij dan zeggen? Hij wilde zijn collega niet hoeven zien in een walm van alcohol en met zijn haar alle kanten op... Hij onderbrak zijn eigen gedachte. Waarom zou dat het geval zijn? Eriksson had nooit naar drank geroken op het werk, wat daarentegen bij hemzelf misschien wel eens het geval was geweest. Maar wat zou het anders kunnen zijn? Hij kon toch niet gewoon op een dag wegblijven, nadat hij – voor zover Sjöberg kon beoordelen – zijn werk al twaalf jaar onberispelijk had gedaan? Kon hij gewond zijn of ernstig ziek? Dan zou er wel iemand aan de bel hebben getrokken; mevrouw Eriksson zou hebben gebeld en hem ziek hebben gemeld. Als zijzelf niet gewond was, natuurlijk. Ze konden betrokken zijn bij een verkeersongeval...

Er kwam een oude man met een dwergpoedel de portiek van Eriksson uit en Sjöberg trok het laatste stuk een sprintje zodat de portiekdeur niet dichtviel.

‘Pardon,’ zei Sjöberg en de oude man keek hem met een waterige blik aan. ‘Woont u hier?’

‘Wie bent u?’ wilde de man weten.

‘Ja, neem me niet kwalijk...’

Sjöberg trok zijn portemonnee uit zijn achterzak en haalde zijn politielegitimatie tevoorschijn.

‘Conny Sjöberg. Ik ben een collega van Einar Eriksson die hier in de flat woont.’

‘Zo, is hij een smeris? Daar had ik geen idee van.’

De oude keek hem met een schrander lachje aan, dat Sjöberg beantwoordde.

‘Hebt u hem de laatste tijd gezien?’ vroeg Sjöberg.

De oude man dacht even na en antwoordde toen: ‘De laatste tijd? Nee, niet sinds afgelopen zaterdag toen hij met de auto wegreed.’

Sjöberg begon zich ernstig zorgen te maken; was het zoals hij had gevreesd, dat Eriksson een auto-ongeluk had gehad?

‘Hij gaat op zaterdagochtend altijd met de auto weg als ik met Topsy buiten ben,’ ging de man verder. ‘En dan komt hij ’s avonds laat weer thuis, maar dan slaap ik meestal al.’

‘En afgelopen zaterdag?’

‘...heb ik hem niet zien terugkomen,’ vulde de man aan. ‘Inderdaad, dat klopt.’

‘Zat hij alleen in de auto of was zijn vrouw er ook bij?’ vroeg Sjöberg.

‘Zijn vrouw? Eriksson is vrijgezel, voor zover ik weet. Ik heb nog nooit een echtgenote gezien, ook geen andere dames trouwens,’ lachte de oude man.

Die vent is seniel, dacht Sjöberg. Hij had Eriksson meerdere malen over zijn vrouw gehoord. Ze hadden weliswaar nooit direct over haar gesproken, maar aan de andere kant hadden ze sowieso nooit over dingen gesproken die niet met het werk te maken hadden. Bovendien was hij er zo goed als zeker van dat Eriksson een ring droeg. Als om Sjöbergs veronderstelling dat hij ze niet allemaal meer op een rijtje had te weerleggen, vervolgde de man: ‘Maar hij moet zijn teruggekomen, mocht meneer de hoofdinspecteur zich dat afvragen, want zijn auto staat daar verderop en daar stond hij zondagmorgen al.’

Hij knikte naar een oude Toyota Corolla, die om deze tijd van de dag vrijwel alleen op de parkeerplaats stond.

‘Hartelijk bedankt voor de informatie,’ zei Sjöberg, opgelucht dat hij niet alle ziekenhuizen af hoefde te bellen op zoek naar zijn verdwenen collega.

De bejaarde man gaf een licht rukje aan de riem en het hondje trok hem doelbewust mee, bij de voordeur vandaan. Sjöberg vroeg zich af of het beestje de goedkeuring zou kunnen wegdragen van Lotten, hun receptioniste, en Micke, een van de huismeesters van het politiebureau. Beiden waren hondengek, in de letterlijke zin van het woord; hun honden stuurden elkaar kerstkaarten en dachten aan elkaars verjaardag. En nu had ook Sandéns dochter, de gemakkelijk te beïnvloeden Jenny, zich laten inspireren en zich aangesloten bij de hysterie.

Hij ging het trappenhuis in en liep de trap op. Voor de deur waar Eriksson op de brievenbus stond bleef hij staan en belde aan. Hij hoorde de bel binnen overgaan, maar dat was dan ook alles wat hij hoorde. Na nog twee pogingen keek hij schuldbewust om zich heen voordat hij zijn loperattributen uit zijn zak haalde. Eriksson had godzijdank een doodgewoon slot en Sjöberg had maar een paar minuten nodig om binnen te komen.

Hij riep Einars naam, maar het bleef stil. Het eerste wat hij zag was een golftas. Sjöberg wist niets van golf, maar hij vond meteen dat de tas er oud uitzag. Hij had zich Eriksson nooit voorgesteld als golfer. Aan de muur in de hal hing een ingelijste zwart-witfoto met daarop een aanzienlijk jongere versie van Einar en een mooie jonge vrouw. Redelijkerwijs mevrouw Eriksson, aangezien het een trouwfoto was. Hij had zich Eriksson ook nooit als jong voorgesteld. Of als gelukkig. Maar hij zag er beslist gelukkig uit op de foto. Het lachende gezicht zag er volkomen zorgeloos uit en het getuigde van een openheid waarvan Sjöberg nooit ook maar een fractie had gezien.

De flat van Einar Eriksson bleek een eenkamerwoning te zijn met een kleine hal, een vrij grote kamer met een bed, een bank en een fauteuil, een kleine badkamer en een keuken met een plek om te eten voor één persoon. Hij merkte op dat het bed een eenpersoonsbed was. Sjöberg zuchtte opgelucht nadat hij snel een rondje door het appartement had gemaakt zonder zijn collega eenzaam en dronken, gewond of zelfs dood te hebben aangetroffen. Hij was politieman en wierp daardoor even een blik op de post op de mat en constateerde dat Eriksson de krant sinds afgelopen zaterdag niet had gelezen of zelfs maar had opgeraapt. Waar kon de man in hemelsnaam zijn? Hij probeerde zich voor de geest te halen wat voor jas en schoenen Eriksson om deze tijd van het jaar meestal droeg. De zware schoenen en het zwarte winterjack waren nergens in het appartement te vinden. Eriksson moest dus zaterdagavond laat met de auto zijn thuisgekomen, zoals hij volgens de buurman altijd deed, en vervolgens zondagochtend voor het ontbijt alweer zijn vertrokken, want de krant van zondag lag er nog. Het was onbegrijpelijk.

Maar wat Sjöberg het meeste zorgen baarde was het akelige feit dat niemand Einar Eriksson leek te missen. De buren niet, zijn collega’s niet – behalve hijzelf dan, maar dat was voornamelijk omdat hij nu zelf de dingen moest doen die Einar gewoonlijk deed en daar genoeg van begon te krijgen. En mevrouw Eriksson – waar was zij?

Even overwoog hij Sandén te bellen, maar zag daar toch van af. Misschien was het ondanks alles toch enigszins overhaast om in te breken in Einar Erikssons appartement; de man was onaangemeld twee, drie dagen niet op het werk verschenen, dat was alles. Zelf had hij daar niets mee te maken, hij was slechts een collega. En om op deze manier inbreuk te maken op het privéleven van zijn collega was onvergeeflijk. Dat was wat hij tegen zichzelf zei toen hij naar de boekenkast liep en er zonder aarzelen een ordner met een bordeauxrode kaft uittrok, gemerkt Belangrijke papieren.

Achter het eerste tabblad in de ordner zat een plastic map met daarop een handgeschreven etiket met de tekst ‘Solveig’. Voorzichtig trok hij er een stapel papieren uit en wierp vluchtig een blik op het bovenste vel. Het was een rekening, vrij recent gedateerd. Het onderste papier in zijn hand was eenzelfde rekening, gedateerd tien jaar geleden. De rekeningen waren verstuurd door verpleeghuis Solberga, dat volgens het postadres, dat in het logo was verwerkt, in Fellingsbro lag. Helemaal achter in de plastic map vond hij een brochure die het verpleeghuis beschreef als de parel van de streek Bergslagen; in een omgeving rijk aan natuurschoon en in de buurt van water. Bovendien werd er vierentwintiguursservice geboden en was er indien nodig dagelijks contact met een arts.

Sjöberg kon zich niet herinneren dat Eriksson zijn vrouw ooit bij name had genoemd, maar hij constateerde dat Solveig mogelijk een vrouw van zijn eigen generatie kon zijn en dientengevolge ook van die van Eriksson. Het was volstrekt duidelijk dat er in dit kleine appartement geen mevrouw Eriksson woonde. Woonde zij mogelijk in verpleeghuis Solberga, en in dat geval: waarom? Sjöberg vervloekte zichzelf dat hij door de jaren heen genoegen had genomen met Erikssons gemompel als antwoord op zijn nieuwsgierige vragen over hoe zijn vakantie of de kerst was geweest. Het grimmige gezicht en de bruuske manier van doen van zijn collega hielden de omgeving effectief op afstand. Het was duidelijk dat hij niet bereid was zijn leven met anderen te delen, en misschien was de reden wel zo eenvoudig dat hij vond dat hij geen leven had om met anderen te delen. Einars geslotenheid en norsheid waren misschien alleen maar het resultaat van een algehele teleurstelling over een leven dat niet zo was gelopen als hij had gehoopt – en zoals hij zich misschien had voorgesteld toen de foto in de hal was genomen.

Sjöberg klapte de ordner dicht zonder de inhoud verder te onderzoeken. Hij voelde zich al ongemakkelijk genoeg na het beetje inzicht dat hij in het privéleven van zijn collega had gekregen. Voordat hij het appartement van Einar Eriksson verliet nam hij nog wel even een kijkje in de keuken. Hij bleef staan voor het fornuis dat, net als het aanrecht en de kleine keukentafel, schoon en netjes was, en hij bedacht opeens dat Einar vermoedelijk toch zelf zijn lunchbox vulde. Hij had zo-even nog bij zichzelf gelachen om de gedachte aan Eriksson die met een schort voor in de pannen stond te roeren, maar nu verging het lachen hem. Het feit dat Einar de boel thuis netjes hield en ook goed voor zichzelf zorgde – wat hij deed, hoewel hij altijd in dezelfde saaie goedkope kleren liep – duidde erop dat hij het niet had opgegeven. Hoewel, ‘het opgegeven’, dacht hij vervolgens – wie was hij om een mening te hebben over in hoeverre het leven van Einar Eriksson het waard was om te leven? Maar er was iets met Eriksson – er was altijd iets geweest met Eriksson – die met zijn stuurse manier van doen de indruk wekte dat hij gebukt ging onder een groot verdriet en berusting uitstraalde. Dat was niet iets wat hem onmiddellijk was opgevallen, het was met de jaren gegroeid en hij had er nooit precies de vinger op kunnen leggen wat het was. Daarom had Sjöberg zich altijd onthouden van de meer gevoelloze uitspraken van de overige collega’s tegenover Einar en niet meegedaan met de minzame opmerkingen die voortdurend achter diens rug werden gemaakt.

Op het kleine werkvlak rechts van het fornuis stonden een paar kookboeken. Een ervan herkende hij uit de keuken van zijn eigen moeder. Dat moest minstens veertig jaar oud zijn, dacht hij terwijl hij het er voorzichtig tussenuit trok zodat de rest niet zou omvallen. Hij sloeg de eerste dubbele pagina open om te kijken wanneer het boek was gedrukt. Die informatie vond hij daar niet. Er stond wel een handgeschreven boodschap boven aan de linkerpagina: ‘Hartelijk gefeliciteerd met het behalen van je eindexamen. We zijn trots op je, Solveig. Liefs van opa en oma, mei 1968.’

 

We weten waar mevrouw Solveig Eriksson zich bevindt, constateerde Sjöberg, maar waar is Einar in godsnaam?

***

Hamad en Westman hadden de telefoonlijst onderling verdeeld en toen Hamad met zijn gedeelte klaar was ging hij naar de kamer van Westman en vroeg haar of ze samen zouden lunchen. Maar ze had uiteraard wat anders te doen – wanneer hadden ze voor het laatst samen geluncht? – dus besloot hij zelf eropuit te gaan, haalde zijn jack en liep naar de begane grond. Sandéns dochter, Jenny, zat eenzaam achter de receptie en begon te stralen toen ze hem zag.

‘Hé, lekker stuk!’ riep ze. Het weerklonk in de marmeren hal.

‘Moet jij zeggen. Hoe gaat het? Ben je alleen?’

‘Ja, Lotten is lunchen.’

‘Wanneer mag jij dan eten?’

‘Ik heb al gegeten. Ik had eten bij me.’

‘Jammer, anders had je met mij mee kunnen gaan.’

Ze schonk hem een zonnige glimlach. Ze vond het heerlijk om aandacht te krijgen.

‘Ik moet hier in elk geval zitten tot Lotten terugkomt.’

Mooi, ze had de boel goed onder controle. Lotten was het perfecte voorbeeld voor Jenny: ze wist precies hoe ze het wilde hebben, was complimenteus en pedagogisch. Jenny was als een marionet in haar handen, deed alles wat haar gezegd werd.

‘Is iedereen aardig voor je? Er is toch niemand die onvriendelijk tegen je doet, hè?’

‘Nee, er is niemand die gemeen doet.’

‘Logisch dat ze je graag mogen, Jenny. Je bent een parel.’

Hamad zag dat er een kleine rimpeling op haar voorhoofd ontstond toen ze even naar de ingang keek.

‘Maar ik vind niet iedereen aardig,’ zei Jenny nukkig.

Hij wierp een blik op de deuren om te kijken welke politiefunctionaris in aantocht was die blijkbaar niet zo goed bij de nieuwe receptioniste lag. Hij boog zich vervolgens glimlachend naar haar toe en fluisterde vertrouwelijk: ‘Dat maakt niet uit. Er zijn wel meer dames die Holgersson niet mogen.’

Toen ze nog on speaking terms waren had Petra meerdere malen gezegd dat ze die vent niet kon luchten of zien.

‘Maar hij bedoelt het vast niet zo,’ ging Hamad verder. ‘Wat doet hij dan?’

‘Volgens mij plaagt hij me,’ fluisterde Jenny terug.

‘Maak je er niet druk om. Idioten heb je op elke werkplek.’

Hamad rechtte zijn rug en vervolgde op normale gesprekstoon: ‘En verder? Gaat het goed? Heb je nog ergens hulp bij nodig?’

‘Nee, ik weet precies wat ik moet doen. Maar ik heb een probleem thuis waar je me misschien mee kunt helpen,’ bedacht ze opeens en begon weer te stralen.

‘O ja, wat dan?’

Holgersson was inmiddels bij de receptie gekomen en Hamad knikte naar hem toen hij langsliep.

‘Mijn computer,’ antwoordde Jenny, ‘daar is iets mee. Hij is zo traag.’

‘Kan je vader je daar dan niet mee helpen?’

‘Papa? Die weet niets van computers!’

Hamad kon niet anders dan haar gelijk geven.

‘Oké, ik zal er wel eens naar kijken.’

‘Vanavond. Alsjeblieft!’

Hamad capituleerde voor haar kinderlijke enthousiasme en antwoordde met een zucht: ‘Oké, Jenny. Ik kom na het werk naar je toe. Nu ga ik lunchen.’

Hij wierp een blik over zijn schouder in de richting van de trap, waar hij tot zijn verbazing Westman zag staan praten met de gehate Holgersson. Hamad constateerde gelaten dat hijzelf lager op haar lijstje was gedaald dan hij voor mogelijk had gehouden en liep naar buiten.

 

Petra Westman had ook trek, ze had de hele ochtend aan dezelfde dingen zitten werken als Hamad en nu was het wel even genoeg. Toen ze hem de gang uit hoorde lopen besloot ze ook pauze te nemen, trok haar jack aan en verliet de kamer. Ze was nog maar net bij de trap toen ze Jenny’s stem door de hal beneden hoorde echoën: ‘Hé, lekker stuk!’

Tja, Jenny was zoals ze was, maar Hamad deed er doodleuk aan mee. Daarna kletsten ze een beetje over koetjes en kalfjes. Toen ze bijna op de begane grond was, bleef ze op de trap staan kijken naar Hamad zoals hij daar stond, over de balie gebogen terwijl hij iets in Jenny’s oor fluisterde. Ze fluisterde goedgelovig iets terug, stralend van geluk. Niets verbaasde haar nog, maar dat Hamad zoveel zelfbevestiging nodig had dat hij niet eens zijn handen van Jenny Sandén af kon houden, dat was toch wel de limit. Er verscheen nóg een griezel bij de receptie, toen Holgersson binnenkwam. Hamad verborg onmiddellijk zijn bedoelingen; hij kwam overeind en liet het pathetische fluisterspelletje varen, waarna er luid en duidelijk werd afgesproken dat hij die avond naar Jenny zou gaan. Het was niet te geloven.

Holgersson was nu bijna bij de trap en nam haar begerig van top tot teen in zich op. Ze huiverde, maar zette zich tegelijkertijd in beweging opdat hij het niet zou merken.

‘Hamad en de vrouwtjes,’ zei Holgersson met een veelbetekenend lachje toen ze elkaar tegenkwamen.

‘Ja ja,’ antwoordde Westman vermoeid, zonder precies te weten wat ze daarmee bedoelde.

‘Ze is knap, dat is het niet.’

Westman bleef met tegenzin staan.

‘Wat is het dan wel?’ zei ze bits, hoewel ze eigenlijk helemaal niet geïnteresseerd was in het antwoord.

‘Nou ja, de lift gaat bij haar niet helemaal tot bovenaan toe. Toch?’

Ze overwoog een dodelijke opmerking te maken, maar kon niet beslissen in welke richting ze haar afschuw zou spuien, dus schudde ze met een verachtelijke blik in haar ogen haar hoofd en verliet het gekkenhuis.