Donderdagavond

‘“Kritiek, maar stabiel,” zeiden ze. Hij ademde zelf, maar zijn hartslag was heel snel. Ik dacht eerst dat hij dood was. Hij lag voor zich uit te staren, maar ik merkte dat zijn knipperreflex intact was. Hij had in glas getrapt, dus zijn hele voet zat onder het bloed. Hij had met zijn vuisten op de muur getimmerd, dat moet ontzettend veel pijn hebben gedaan en bovendien had hij zijn arm gebroken tijdens zijn val. Maar hij reageerde überhaupt niet op pijn. Ze zeggen dat hij catatonisch is.’

‘Catatonisch – is dat iets wat overgaat?’ vroeg Sjöberg.

‘Dat hangt er blijkbaar van af,’ antwoordde Westman. ‘In dit geval kan het zijn veroorzaakt door een eventuele hersenbeschadiging – tijdens die val of toen hij zijn hoofd tegen de muur ramde – of door een soort mentale shock of hoe je het moet uitdrukken, als reactie op de foto. Ze hebben het ook over een epileptische aanval; ik weet niet of dat psychisch kan zijn of alleen lichamelijk bepaald is. Hoe dan ook, hij krijgt elektroshocks en een infuus. De kans bestaat dat hij weer de oude wordt.’

‘Vertel wat er is gebeurd.’

‘Dat heb ik toch net gedaan?’

‘Doe het nog een keer, maar nu vanuit een psychologisch perspectief zogezegd.’

Westman schraapte haar keel en nam een nieuwe aanloop.

‘Hij was precies zoals jullie hadden beschreven. Zwijgzaam. Een beetje verdrietig, zoals ik het interpreteerde. Sprak lijzig. Ik snap best dat Jens daar de kriebels van kreeg. Hij zei helemaal niets over de dood van zijn vrouw en kinderen. Het was alsof het hem helemaal niets deed. Of dat hij het idee had dat het hem niet aanging, begrijp je wat ik bedoel?’

‘Alsof hij zijn recht om te rouwen had verspeeld?’

‘Precies. Toen begon hij heel onverwachts te praten over schuld.’

‘Schuld?’

‘Ja, hij zei iets in de trant van dat schuld een voetboei is die je achter je aan sleept, maar dat je daaraan went.’

‘In welk verband zei hij dat?’ wilde Sjöberg weten.

‘Hamad vroeg hem of hij een slecht geweten had omdat hij geen goede vader was geweest. Toen zei hij dat hij een heel slechte vader was geweest. Hij zei ook iets anders dat vreemd was. Dat hij zijn kinderen niet had omgebracht in de juridische zin van het woord.’

‘Alsof hij vindt dat hij op de een of andere manier toch met de dood van de kinderen te maken had? Dat hij moreel verantwoordelijk is?’

‘Zo heb ik het opgevat.’

‘Dat zou in dat geval betekenen dat hij toch iets over die moorden weet,’ zei Sjöberg peinzend. ‘Ik bedoel, ook al heeft hij ze zelf niet gepleegd.’

‘Hij ontkende dat hij ze had vermoord. We kregen een concreet “nee” op die vraag.’

‘En toen lieten jullie die foto zien?’

‘We vroegen eerst of hij wist dat er een nieuwe man in Catherines leven was geweest, Erik. Dat was niet het geval. Daarna zeiden we dat Erik eigenlijk Einar Eriksson heette, en toen flikkerde er iets op in zijn ogen. Ik vond het eruitzien alsof die naam ergens een snaar raakte. Maar dat ging net zo snel weer over.’

‘Misschien bedacht hij dat er een heleboel mensen moeten zijn die zo heten?’ stelde Sjöberg.

‘Dat is heel goed mogelijk, maar het kan ook zijn dat hij zich inhield,’ speculeerde Westman. ‘Aan de andere kant vroeg hij – voordat we hem de foto lieten zien – of wij Einar verdachten van die moorden. Toen zei Hamad natuurlijk iets zwevends in de trant van dat we alle mogelijke alternatieven willen uitsluiten. Ja, je weet wel.’

‘Maar daarna, toen hij eenmaal die foto te zien kreeg...’

‘... toen was het huis te klein. Ja, de rest weet je.’

‘Wat denk jij, Petra? Is Christer Larsson onze man?’

‘Absoluut niet. Einar Eriksson is onze man. En als Larsson weer bijkomt, kan hij ons vertellen waarom. Dan zou hij bovendien zelf in staat kunnen zijn om te moorden; die indruk kreeg ik tenminste.’

‘Om Einar te vermoorden, bedoel je?’

‘Precies.’

‘Misschien heeft hij dat al gedaan.’

‘Hoe verklaar je dan die reactie op de foto, Conny?’

‘Christer Larsson is misschien een goede toneelspeler.’

‘Dat geloof je zelf toch niet?’ zei Westman en hij moest haar op dat punt gelijk geven.

Sjöberg bracht kort verslag uit van zijn dag en de ontmoetingen met Ingegärd Rydin, Solveig Eriksson en Ann-Britt Berg. Westman vertelde over de vruchteloze pogingen om de oorzaak van Einar Erikssons verdwijning te vinden in het kleine appartement op Eriksdalsgatan. Ook zijn buren hadden niets waardevols kunnen bijdragen.

‘Nu ga ik de stad in voor een steak met bearnaisesaus en een groot glas bier,’ beëindigde Sjöberg het gesprek.

Dat was echter een bewering die niet helemaal klopte, want zo gauw hij had opgehangen strekte hij zich uit op het bed met zijn handen onder zijn hoofd en begon hij na te denken over het incident met Christer Larsson. Dat hij er verdorie niet bij was geweest! Westman had weliswaar een beeldende en zeer uitvoerige beschrijving van de gebeurtenissen gegeven, maar hij had er heel wat voor overgehad om Larssons reacties met eigen ogen te zien.

Er gingen nu echter nieuwe wegen open in het onderzoek. Christer Larsson en Einar Eriksson hadden een gemeenschappelijk verleden, dat was duidelijk. En zelf bevond hij zich nu in Arboga, de stad waar Einar Eriksson tijdens zijn eerste werkzame jaren als politieman had gewerkt. De stad waar Christer Larsson en Ingegärd Rydin in dezelfde tijd hadden samengeleefd. Er lag heel oud zeer achter de brute moord op Catherine Larsson en haar beide kinderen, daarvan raakte Sjöberg steeds meer overtuigd. Helaas was het vandaag te laat om dat nog tot op de bodem te kunnen uitzoeken, maar morgen zou hij op lokaal niveau in Einar Erikssons verleden gaan graven.

Hij werd uit zijn overpeinzingen gehaald doordat Åsa belde.

‘Ik ben naar dat stuk grond wezen kijken,’ vertelde Sjöberg.

‘Welk stuk grond?’

‘Weet je nog dat ik bij mijn moeder een eigendomsbewijs van een lap grond had gevonden? Ik heb uitgezocht waar het lag en het bleek hier in de buurt te zijn, buiten Arboga, dus ik heb meteen van de gelegenheid gebruik gemaakt om er eens te gaan kijken.’

‘Wat is het dan voor iets? Hoe is ze eraan gekomen?’ vroeg Åsa.

‘Wacht, ik zal het je vertellen,’ zei Sjöberg en hij bracht uitvoerig verslag uit van de staat van het eigendom en zijn stoutmoedige plannen ervoor.

‘Maar Conny, die lap grond is toch niet van ons,’ bracht Åsa ertegen in.

‘Het wórdt wel onze lap grond. Het is ma’s perceel, maar ze is er klaarblijkelijk totaal niet in geïnteresseerd. Het is er prachtig, jij zou het ook mooi vinden. Het heet “Knekttorpet”, een coole naam.’

‘Maar waarom heeft ze er nooit wat over gezegd?’

‘Ik heb bepaalde naspeuringen gedaan en je zult niet geloven wat ik heb ontdekt. Ten eerste dat ik daar de eerste paar jaar van mijn leven heb gewoond.’

‘Ik dacht dat jij in Stockholm was geboren.’

‘Dat is ook zo, maar daar moeten speciale redenen voor zijn geweest. Risicovolle zwangerschap, een zware bevalling of mijn moeder bevond zich toevallig in Stockholm toen ik werd geboren – ik heb geen idee. Hoe dan ook, mijn oma en opa woonden ongeveer tot het moment waarop mijn vader en moeder zijn getrouwd op Knekttorpet, toen hebben pa en ma het overgenomen. Vervolgens hebben we daar gewoond tot mijn vader ziek werd en we naar Stockholm zijn verhuisd. Het is het huis van mijn kinderjaren, dat moeten we beslist gaan opknappen!’

‘Dat klinkt fantastisch! Maar waarom heeft ze er dan nooit wat van gezegd?’

‘Volgens mij klopt er iets niet. Vermoedelijk heeft ma slechte herinneringen aan die plek. Ik ben er namelijk achter gekomen dat mijn opa in 1967 is overleden, dus toen ik negen was. Ik kan me niet herinneren dat ik hem ooit heb ontmoet of dat hij of oma wel eens ter sprake kwam bij ons thuis. Dat moet erop duiden dat ma het niet met ze kon vinden, toch?’

‘Toen je vader nog leefde konden ze het blijkbaar wel met elkaar vinden, want je ouders hebben de zaak daar overgenomen.’

‘Ja, maar er moet in de loop der jaren iets goed mis zijn gegaan.’

‘En je oma, was die al overleden toen jij werd geboren?’

‘Mijn oma leeft nog.’

‘Serieus?’

‘Ja, het is echt waar. Ze is vijfennegentig en ze leeft nog.’

‘Ongelofelijk! En je hebt haar nooit ontmoet?’

‘In elk geval niet sinds ik heel klein was. Ik dacht dat ze al minstens een halve eeuw dood was.’

‘Je moet haar gaan opzoeken!’

‘Dat ga ik morgen ook doen. Ik ben er al achter waar ze woont, dus ik ga daar morgen als eerste naartoe.’

‘Wat een verhaal! Heb je je moeder gesproken?’

‘Ik heb haar vanochtend gebeld vanaf Knekttorpet en vertelde dat ik daar was. Ze had geen commentaar. Dat was voor ik ontdekte dat mijn oma nog in leven was. Ik zal ma dit weekend opzoeken en haar met de rug tegen de muur zetten. Je moet over dit soort dingen toch kunnen praten?’

‘Hoop doet leven, zullen we maar zeggen.’

Åsa was iemand van spreekwoorden en gezegden.

‘Geef de kinderen een kus van mij,’ zei Sjöberg. ‘Ik ben morgenavond weer terug. Ik hou van je.’

‘Ik ook van jou. Kus.’

 

Toen hij de veel te lang gebakken portie vlees met het standaardgarnituur had opgegeten en aan zijn tweede en – rekening houdend met de dag van morgen – laatste biertje was begonnen, belde Sjöberg Sandén.

‘Het nachtleven in Arboga schijnt van topklasse te zijn. Zit je in de disco, of...?’

‘Nee, helaas,’ antwoordde Sjöberg, ‘maar het is hier een enorme herrie. Ik heb net iets gegeten dat veel weg had van een schoenzool.’

‘Tja, het leven van een hoofdinspecteur gaat niet over rozen. Zeg, ik heb Einars paspoort gevonden. Het lag in het handschoenenkastje.’

‘Mooi. Maar dat verandert niets. Ik heb er nooit aan getwijfeld dat hij nog in het land is.’

‘Daarna heb ik Bella op Erikssons auto gezet.’

‘O, heeft zij nog wat gevonden?’ vroeg Sjöberg.

‘Er heeft iemand aan de passagierskant gezeten,’ antwoordde Sandén. ‘Ik dacht dat het interessant kon zijn om te weten wie.’

‘Schoenafdrukken?’

‘In het gunstigste geval. Wat grind en vuil.’

Sjöberg bedacht opeens dat hij Ann-Britt Berg had moeten vragen of ze zich mogelijk herinnerde wat Einar tijdens zijn bezoek aan Solberga zaterdag aan zijn voeten had gedragen. Het was natuurlijk hoogst onwaarschijnlijk dat ze dat zou hebben opgemerkt, maar hij haalde zijn notitieblok uit de zak van zijn jas die achter hem over de rugleuning hing, en maakte er een aantekening over terwijl het gesprek verderging.

‘Einar kan daar zelf gezeten hebben,’ stelde Sjöberg voor.

‘Jij borduurt verder op je complottheorieën,’ zei Sandén lachend. ‘Je bedoelt dat hij in zijn eigen auto zou zijn weggevoerd?’

‘Waarom niet?’ antwoordde Sjöberg serieus. ‘En ik wil er niet aan denken hoe hij het in dat geval nu heeft.’

‘Maar door wie, Conny?’

‘Door Christer Larsson misschien. Zij hebben blijkbaar nog wat met elkaar te verhapstukken.’

‘Ja, wat een vreselijk verhaal. Maar die man lijkt amper in staat om...’

‘Daar weten we niets van,’ onderbrak Sjöberg hem. ‘Hij zit blijkbaar met een hoop opgekropte woede.’

‘Als Eriksson Larssons vrouw en kinderen heeft vermoord, is het niet zo gek dat hij flipt.’

‘Ik wilde dat ik erbij was geweest,’ verzuchtte Sjöberg en hij nam een slok van zijn bier. ‘Ik ben helemaal niet blij met deze informatie uit de tweede hand. Ik kan het niet rijmen.’

‘We moeten afwachten wat de dag van morgen in petto heeft,’ zei Sandén poëtisch.

‘Ja, geen tennis in elk geval,’ zei Sjöberg, doelend op de partijtjes tennis die Sandén en hijzelf elke vrijdagochtend om zeven uur speelden.

‘Nee, ik dacht al zoiets. Nu jij in plaats daarvan naar de disco gaat om je op te laden. Nou, dan heb ik bij voorbaat gewonnen.’

‘Dacht het niet.’

Walk-over! Oftewel: een overwinning behalen omdat de mentaal zwakkere speler met uitvluchten is gekomen om niet aan zijn sportieve verplichtingen te hoeven voldoen of niet is komen opdagen. Wat ga je morgen doen?’

‘Ik ga eerst bij mijn oma langs.’

‘Zie je nou wel!’ zei Sandén triomfantelijk. ‘Hoezo een ongeldige aanleiding om niet te hoeven tennissen? Ik wist trouwens niet dat je een oma had.’

‘Ik ook niet,’ zei Sjöberg.

‘Pardon?’

‘Daar ben ik een paar uur geleden achter gekomen. Ze woont hier in de stad, dus ik ben van plan haar op te zoeken nu ik toch hier ben.’

‘En daar ben je zomaar achter gekomen, tijdens de intensieve jacht op Einar Eriksson?’

‘Zo ongeveer. Ik zal het je vertellen als we elkaar zien. Daarna was ik van plan naar het politiebureau hier te gaan en wat informatie in te winnen over Einar. Hij heeft daar zo’n dertig jaar geleden gewerkt.’

‘Dat klinkt nuttig,’ zei Sandén op zijn plagerige manier.

‘Dat valt nog te bezien. Tot morgen.’

‘Doe je oma de groeten.’