1

Toen ik in het Limbo-bassin wakker werd was ik natuurlijk van gedachten veranderd. Een quasirobot-medicijnmeester stond naar me te kijken met saamgeknepen ogen.
`Hoor eens hier, jongedame, want ik zie dat je overwegend vrouw bent, dit moet nu maar eens afgelopen zijn. Dit is de tweede keer in tien et dat je hier terugkomt.'
`Mmmmm.' Ik zwom wat rond en glimlachte tegen hem via mijn emotie-schakelingen.
De QR verdween en iemand anders kwam vragen hoe ik er wilde uitzien als ik eruitkwam, en toen was ik ondertussen al helemaal anti-Hergal geworden, snap je. Het zou toch te droemdik zijn als de mensen echt zouden geloven dat ik Hergal was! En dan ook nog die fleup van een bij die strijk en zet in mijn haar in zwijm viel... Ik liet ze de nieuwe ik zien. Zoals gewoonlijk was die ontmoedigend slank en sexy. Hatta, en nog een heleboel mensen die ik ken, regelen het altijd wel zo dat ze eens in de zoveel tijd eens een dik lijf krijgen, of puisten of zo. Hoe dan ook, deze ik had een buigzame leest en een exotische boezem, en lang, scharlakenrood haar. Ik schoof erin en het voelde zo raar dat ik even ergens rustig moest gaan zitten met een extasepil om het een tijdje te vergeten.
Niet lang daarna wist Hatta me te vinden.
`Oema Hatta,' murmelde ik tevreden. Iedereen ziet er even lief uit als je in extase bent, zelfs Hatta, die dit keer dik was én puisten had, plus drie ogen.
`Attlevey, oema.' En alweer grosching, zie ik. Word je daar nou nooit eens zat van, al was het maar een beetje?'
`Nee,' zei ik.
`Ik nodig je uit voor het eten. Het moet ondertussen toch al weer tijd zijn voor een of andere maaltijd, niet?'
`Nou, ik heb wel trek. Ik heb me vlak na het derde maal verdronken en dit nieuwe lichaam heeft nog niets gehad.'
We gingen naar binnen, waarbij Hatta me ondersteunde want ik was verschrikkelijk extatisch, en rolden de drijfbrug op. Mijn walgelijke, onuitstaanbare bij kwam met een vaartje achter ons aan. Ik kan dat ding maar niet kwijt worden. Dit keer viel-ie bovenop Hatta.
'Onk!' zei Hatta. Zo typisch lauw altijd, als er hem wat gebeurt; om van te spugen. Ik smeet de bij de brug af, maar hij kwam weer terug. 'Laten we naar de Vuurkuil gaan.'
De Vuurkuil, zeggen ze, is dé gelegenheid om heen te gaan als je je beneden peil voelt. Ik werd er bijna vrolijk van, maar uiteindelijk kreeg ik, vlak voor we er waren, weer last van mijn overheersende neurotische Behoefte en moest ik even de brug af om wat te gaan stelen. Het was iets levends, met een lange witte vacht en grote oranje ogen. Hij raakte met zijn snorren verward in mijn haar en ik gaf hem even aan mijn bij om vast te houden terwijl ik hysterisch werd.
'We zijn er,' zei Hatta.
We sprongen van de brug af en vielen een meter of zes omlaag voor we keurig werden opgevangen door het elektrische golfnet van de Vuurkuil. Hatta keek verontschuldigend. In de Vuurkuil staat alles in scharlakenrode gloed. De tafels dobberen in de vlammen — onthit natuurlijk — en vuurbollen stuiteren traag over de borden. Ik kleurde er precies bij.
'Ik was je haar vergeten,' zei Hatta.
Ik was intussen toch al wel bijgekomen, maar hij stopte me gauw nog een extasepil in mijn mond, voor het geval-dát, en toen moest hij me naar de aanligbank drágen.
'Wat wil je gebruiken, lieverd?' vroeg Hatta bezorgd.
Ik verschoot om z'n on-Jangse bewoordingen en hoopte maar dat niemand het had gehoord.
We namen een grote brandende notenbiefbout, met allerhande brandende vruchten op vlammende spitjes gestoken. Hatta sneed het vlees met het moleculaire naaldmes, en helemaal verkeerd, maar uiteindelijk kregen we wel wat te eten. De extase begon inmiddels toen al te slijten.
'Ik heb gehoord,' mompelde Hatta met een mond vol biefstuk, 'dat je Hergal officieel hebt laten uitstoten.'
'Ja,' zei ik.
Hatta at een tijdje voort. Onze fles ijsvuur arriveerde en hij snoof eraan en proefde ervan en staarde naar het vurige plafond.
'Acht-eerste Rorl, als je het mij vraagt,' zei Hatta. Ik betastte een braadstokje maar Hatta mompelde alleen: 'Eh, ik moet zeggen dat je er echt grosching uitziet.'
`Dank je. Ik kan van jou niet hetzelfde zeggen, oema.'
`Het gaat hierom,' zei Hatta zenuwachtig, 'dat ik nu twee et al geen liefde heb gedaan en ik vroeg me af of we misschien een middagje zouden kunnen trouwen.'
`Niet zolang jij er nog zo uitziet,' zei ik. Ik bedoel maar, woekerende jeugdpuistjes en twee ton vlees over je heen, gadegeslagen door drie gele ogen zonder pupillen!
`Toe nou,' zei Hatta bemoedigend, 'begrijp je dan niet dat het een Essentiële Ervaring is om eens liefde te doen met een lichaam waartoe je je niet voelt aangetrokken?'
`Hoezo?' Nee, ik liet me niet in de luren leggen door dat geklets over Essentiële Ervaringen voor Jang; zeker niet door zo'n conservatief als Hatta.
`Nou ja...' begon Hatta.
We werden gestoord. Kley en Danor waren binnengekomen met een dier dat ogenblikkelijk begon te vechten met mijn witte gestolen beest en dus ook met mijn bij. In de verwarring schoven ze een paar drijvende aanligdivans bij en bedienden zich van onze notenbiefbout. Ze waren dit keer allebei mannelijk, met lang iriserend haar, terwijl Danor van die stomme vleugeltjes had, net als Hergal, waarmee hij steeds dingen van tafel sloeg.
Ze groetten me achteloos en begonnen met Hatta te keuvelen. Ik stond op, stopte mijn witte pluizige beest onder m'n ene arm en dronk mijn roemer ijsvuur leeg.
'Ik moet ervandoor, oemas,' zei ik opgewekt.
'0, maar...' begon Hatta.
'Bedankt voor een heerlijk vierde maal, Hatta,' zei ik geestdriftig.
'Tot ziens in je volgende lichaam.'
Ik vloog ervandoor.
Buiten was het een van die deprimerende, blauw-kristal-met-gouden-droppels-zonlicht middagen. Het weer is altijd prachtig in Vier BIJ, maar zo nu en dan slagen de Jang erin iets te saboteren en dan komt er bijvoorbeeld een grosching zandstorm door het stralenschild gegierd, en dat vrolijkt ons dan op. Ik zal nooit de keer vergeten dat Danor en ik, allebei vrouwelijk op dat moment, tussen twee haakjes, de robotbesturing op uitkijkpost 9A onklaar wisten te maken zodat er een enorme stroom vulkanische as naar binnen kwam, uit een van die zwarte bergen buiten; het stroomde maar door, et in, et uit, en alles was zaradann. Ze moesten het eten aanvoeren per vogeltuig en de wegen krioelden van de robots die ons allemaal moesten uitgraven. We hebben zelfs één keer een aardbeving voor elkaar gekregen. Er stortte natuurlijk niks in, hoewel we allemaal hoopten dat het Robotmuseum eraan zou gaan. Hergal en ik zaten op dat ogenblik in een grote kristallen toren zonder succes te proberen telepathisch liefde te doen en de toren trilde als een pudding, wat je van ons niet zeggen kon.
Ik ging naar een spreekpaal en liet mijn nieuwe lichaam op de flits zetten zodat al mijn vrienden (?) me konden herkennen. Ik zette een waakzoeker op het Zeefahrmonument en stond een eeuwigheid te wachten of Hergal soms omlaag zou komen suizen, maar dat deed hij niet. Dus riep ik Thinta op.
'Attlevey,' zei ik toen haar driedimensionaal vrouwelijk beeld voor me verscheen. Ze zag er lief en lekker mollig uit, met grote groene ogen en haar dat aan een vachtje deed denken. Ze was al een eeuwigheid niet veranderd. Eindelijk vastigheid.
`0, attlevey, oema. Ik was net bezig een waterjurk te maken.' Ze hield hem omhoog; hij was groen met een opalen weerschijn en droop zachtjes uit.
`Thinta; zei ik. 'Ik heb me zojuist verdronken en ik ben in deze teruggekomen, en ik voel me helemaal drood.'
`0, ik wist niet dat jij het was,' zei Thinta. Ze had de flits kennelijk niet gezien. 'Maar oema, waarom ga je niet fijn naar een van de Droomsalons? Als je even wacht ben ik zo bij je.' Ze verdween. Thinta was dol op de Droomsalons, hoewel het eigenlijk als nogal anti-Jang werd beschouwd. Je kwam er altijd zoveel Ouderen tegen met vastgeroeste opvattingen, die je voorhielden dat je daar niet hoorde, dat je bezig moest zijn met liefde en extase en wisselen van geslacht en Zinsbegoocheling, zoals van alle jonge mensen verwacht wordt. Ik ging de Jaden Toren binnen om wat sieraden te stelen, want ik moest toch wachten tot ze omlaag zou komen cirkelen in haar kleine veilige roze vogeltuigje.
Stelen is volstrekt een kunst en een van mijn weinige eenvoudige genoegens.
Er staat een grote draak in de Jaden Toren, die gekweekt is op een boerderij ergens buiten bij Vier BAA. Hij rammelt tegen je met zijn jade beslagen schubben en er komt groen vuur uit zijn bek dat je een lekker opwekkende dennegeurdouche geeft, van top tot teen. Ik heb die draak altijd gemogen. Hij roert een rare romantische snaar in me. Ik heb een keer een eeuwigheid in zijn zachte warme bek gezeten, terwijl ik Kley probeerde over te halen om me te redden, maar die nam alleen een extasepil en stortte toen onbeschofterwijs in. Ik denk dat ik hem in verlegenheid had gebracht. `Attlevey, draak,' zei ik.
Ik kroop een tijdje in zijn rechteroor — van binnen ziet dat eruit als een schelp — om te bedenken wat ik stelen zou, terwijl de draak brulde en iedereen ondersproeide.
Mijn bij met mijn witte pluizige gestolen beest in zijn grijpers, vloog achter me aan terwijl ik met een onschuldig gezicht door de Jaden Toren slenterde. Ik liep er onbewust op te wachten dat ze samen op mijn kop zouden vallen. De bijen van andere mensen kwamen langsgesuisd, één en al efficiency en geprogrammeerde vastbeslotenheid om van dienst te zijn. Ik voelde me opvallen, met mijn doorkijkkleren, kettingen van goudanemoontjes en nagels zo lang als mijn vingers zelf — volslagen Jang. En eerlijk, zo dol was ik er zelf niet op. Je voelt je zo bloot als je vergeten blijkt te zijn zo'n blikken bloem in je navel te steken, en van die vingerlange nagels zijn gevaarlijk ook.
Alle Ouderen knikten me goedkeurend toe. Ik was precies wat een jong persoontje diende te zijn, bijna naakt in klatergoud, mijn eenkleurige ogen nog donker van de extase en met mijn Jang-uitspraken die alles wat ik zei in vuur en vlam zetten.
Ik slenterde naar een groot ronddraaiend plateau met geurbommen voor aan het oor — zoetgeurende rook en pinkende, glinsterende lichtjes op het kronkelend oppervlak. Ik koos een stel van vaste fosfor, magnetiseerde ze aan mijn oren en keek hoe ze zich losspiraalden en liefhebbend langs mijn hals gleden, over mijn schouders, en met een zucht op mijn maag terecht kwamen.
`Het staat mevrouw béééldig,' zongen engelenstemmen in het doorkijk-koepeldak.
Ik wist dat ik op het verkeerde tijdstip was gekomen. Jangmeisjes komen meestal 's ochtends binnenslenteren wanneer de hele winkel meebonkt op de Jang bovenoor-muziek die je niet echt bewust kan horen, maar die je binnen een paar seconden euforisch maakt. En dan kunnen ze praktisch alles aan je slijten, terwijl overal om je heen de machines staan te krijsen van 'Grosching gewoon!' en 'Oema, wat derisann!'
En toen voelde ik me opeens vrolijk, lichtzinnig en uitgelaten. De oudere dames keken verbijsterd en deden gauw hun draagbare audiodopjes in. Ze hadden de bovenoor-muziek op volle sterkte aangezet. Zaradann van plezier vervloekte ik de bewakingsrobots van de Jaden Toren. Ik deed mijn buit weer af, hield mijn hand in een bak met allerhande en liet ze los. Ik streek mijn haar naar achteren en magnetiseerde een paar of zes willekeurige nog opgewonden oorbellen, die ik zojuist bij elkaar had gegraaid, in de haarkluwen achter in mijn nek. Maar het was een reflexbeweging. Ik was veel te extatisch om er eigenlijk nog lol aan te beleven. Toen ik naar buiten liep kwam ik langs een vrouwtje. Ze was aan het betalen, en had zich helemaal opgedraaid. Ik zag dat ze haar audiodopjes had uitgelaten zodat de Bovenoor haar een handje kon helpen. Eerlijk, die was beslist nog maar pas geleden uit de Jang geëmigreerd.
`Het is zo grosching!’ huilde ze, terwijl de machine, alleen op basis van haar kleding en kapsel: 'Heel charmant, mevrouwtje,' lispelde, en de visi-ontvanger haar enthousiasme opving in elektroden, die emoties omzetten in energie en ze doorgaven aan de opslagbanken van de energiecentrale van Vier BIJ.
Het was eigenlijk heel triest. Ik betaal nooit ergens voor als ik enigszins kan. Ik doe gewoon zo verschrikkelijk lauw dat alle robotverkopers er zaradann van worden.
Voor de Jaden Toren stond Thinta op me te wachten, zo ongeduldig als Thinta er maar uit kan zien; geduldiger dan ooit, dus.
Ik deed mijn oorbellen los en bleek één stel te hebben en vier paar die niet bij elkaar pasten. Thinta negeerde me. Ik gooide ze van het terras van de Jaden Toren af en keek hoe de elektrische golf netten ze op verschillende hoogten opvingen. Mijn gedachten kaatsten heen en weer tussen mijn gedemagnetiseerde oren, vanwege de nu afnemende audiovreugde en -zaligheid die mijn diefstal had verpest.
Attlevey, Thinta,' wist ik nog op te brengen. Plotseling besefte ik dat ik veel liever in mijn eentje zou gaan, maar ja, Thinta was er nu, en we zóuden naar de Droomsalons gaan.
Nee echt, ik hou van de Droomsalons. Ik verklap nooit wat voor dromen ik daar programmeer voor mezelf, hoewel Hergal bijvoorbeeld altijd droomt dat-ie vliegt. Ik dacht dat Hatta wel zou dromen dat hij een driekoppig monster was, of zo.
`Wat is dat?' vroeg Thinta en keek omhoog naar mijn gestolen beest, dat loeide en trappelde in de grijpers van mijn bij. Thinta's bij schoot ter hulp. Dat doet Thinta's bij nou altijd. Je krijgt er wat van. Thinta probeerde mijn beest te aaien en mijn beest probeerde Thinta te bijten.
`Hou op!' schreeuwde ik tegen het hele stel. Ik was eerlijk gezegd nogal tosky.
We arriveerden min of meer compleet bij de Droomsalons van Vier-BIJ's Derde Sector. Thinta vloog heel veilig, en ik besefte hoeveel liever ik met Hergal vloog, wanneer het bloed uit mijn hoofd wegtrok van angst. Eerlijk gezegd, als ik met Hergal vlieg bedenk ik altijd hoeveel liever ik met Thinta meevlieg, omdat dan het bloed niet uit mijn hoofd wegtrekt van angst.
`We zijn er!' riep Thinta en zette ons trots met een voortreffelijke landingsmanoeuvre neer in een van de netten. Nou ja, je hoeft helemaal niks te manoeuvreren in die netten. Ze zijn er juist om je op te vangen. Ach.
We stapten uit, de rolbaan op; er waren een hele hoop mensen die ons zoevend voorbijschoten en bij uitzondering waren er drommen Jang. De lui die naar buiten kwamen spraken met elkaar over wat ze gedroomd hadden — allemaal over symbolen en astrale projecties en zo verder. Ik voelde me kleintjes. Meestal. Ongelogen, ik zou me daar gewoon niet thuis voelen als één of ander me niet het gevoel gaf dat ik minderwaardig was. De gemiddelde Jang droomextase bestaat uit een puntje pulserend licht dat heen en weer wordt gerukt tussen vurige zonnen, en nova's en bleekrokende manen; een soort kosmische al-omvatting van liefde-doen. Nee, eerlijk, ik heb het eens op een flits gelezen. Maar hoe dan ook, Hergal droomde van vliegen. De goeierd.
De bodem van de valschacht is heel mooi, met grote massa's broeierig roze wolkenmeubilair waartussen gouden stralenbundels spelen terwijl de hele zaak héél langzaam beweegt. Wazige robots brachten ons naar kleine doorschijnende hokjes en hielpen ons onze kleding uit te trekken en ons vast te tuien op comfortabele luchtkussens die je een stimulerende spiermassage geven terwijl je droomt.
Ik wuifde naar Thinta toen de muren, de plafonds en de vloer in rook veranderden en ondoorzichtig werden, ging er toen eens goed voor liggen en gaf mijn robot mijn droom op. Het gaat erom dat je ze alleen het raamwerk geeft van wat je verlangt; zij bedenken dan wel de passende decors en kostuums en bijzondere effecten plus nog een hoop wendingen en verrassinkjes waarmee ze je een genoegen kunnen doen. Maar ik was een beetje lastig. Ik heb altijd al meer fantasie gehad dan er in mijn hoofd kon. Ze hebben me verteld dat dat gedurende mijn twintigste van een rorl op de hypnoschool het grootste probleem is geweest dat de onderwijzers met me hadden — hoewel ik me dat natuurlijk niet bewust herinner. Ik kon van een zevendimensionaal geometrisch vraagstuk een episch avontuur maken, waarin de vlakken en hoeken in werkelijkheid de bewoners waren van een belaagde citadel die zich horden driedubbele bisectrices van het lijf moesten houden met verlammingsstralen.
De robot worstelde moedig met mijn gedetailleerde kleurbeschrijvingen, mijn snelle maar uitgebreide kostuumschetsen op het gedachtengevoelige wandpaneel, mijn eisen ten aanzien van de achtergrondmuziek en de weidse grandeur van vervallen paleizen, waarop ik steeds hamerde zodra mijn fantasie even bleef haperen. Ik denk dat Thinta allang vertrokken was tegen de tijd dat mijn robot de deur uit wankelde.
Ik ging achterover liggen, sloot mijn ogen en wachtte. Plotseling voel je dan een strelend gevoel over heel je lichaam en dan ben je er...
0... bravo!
De weidse grandeur van vervallen paleizen, neergestorte blokken marmer, en pilaren die omhoog streven zonder dak, en grote vensterpartijen waar brandende lichtpijlen in ziedende stromen naar binnen kwamen. Boven me zweefde laag een enorme planeet, als een pokdalige smaragd aan de lichtgroene hemel. Een droge woestijn die zacht glinsterde, reikte tot aan de verre verten.
Ik was zojuist aangekomen, na etten achtereen zonder enig voedsel door de Vlammende Vlakte te hebben getrokken. Het was schemerig. Het enorme roomwit met bruin gestreepte rijdier dat ik bereed, stond stokstijf met zijn loopzolen stevig in het zand geplant, zijn ruige kop geheven naar de grimmige planeten boven ons. Ik steeg af en klom langs een van de afbrokkelende trappen omhoog. Ik was geheel in het goud: gouden huid, gouden haar en ogen, een gouden tuniek en gouden laarzen die reikten tot mijn kruis, een antieke tweesnijdende dolk met een verguld heft. Ik zag mijn spiegelbeeld hier en daar in gebarsten glazen vloeren en scherven van spiegels.
De duisternis werd dieper. Er kwetterde iets hoog in het vernielde dak.
Twee rode kaarsevlammen, voor mij uit. Nee, geen kaarsen. Ogen, die naar me loerden. Ik voelde, ik wist dat er hier iets huisde dat me kwaad zou doen als ik niet oppaste. Ik was natuurlijk nog erg zwak van mijn beproeving in de Kristalwoestijn, maar ik kwam van een oud en nobel geslacht en was gelijk goed staal gesmeed (vanzelfsprekend). Ik voelde geen angst (wat was dat?) doch trok mijn dolk met het vergulde heft en ging verder door de dichte kopergroene duisternis.
De ogen gingen uit.
Voor mij bevond zich een verschrikkelijk monster dat giftig vuur uitblies, dat mij bijna verteerde. Ik slaakte oude mystieke woorden die mij moesten beschermen tegen de vlammen en viel erop aan. Het gevecht was lang en verschrikkelijk. (Uiteraard.) Maar al mijn bewegingen waren doortrokken van sierlijkheid en mijn lemmet was snel en zeker. (Kon niet anders.) Ten slotte stortte het gedrocht ter aarde en verwoei als het stof der woestijn, alleen een uitgebleekt skelet aan mijn gelaarsde voeten achterlatend. Ik vervolgde mijn weg. Netten van brons kwamen omlaag. Te trots voor een krampachtige worsteling liet ik mij omhoogvoeren tussen de aaneengerijde pilaarkapitelen naar hoge holle kantelen. Ik trof er een tafel aan van glas, waarop een feestmaal stond uitgestald met exotische gerechten en sprankelende wijnen...
`Eet,' galmde een stem vanuit het niets. 'Drink. Gij zijt vermoeid.' Ik liep, op de tafel af en zegde, aangezien ik ondanks mijn honger het voedsel niet vertrouwde, een beschermende toverspreuk op. Ogenblikkelijk ging het geheel in purperen vlammen op (wat een verrassing!) en weergalmde een donderslag over de kantelen. Gigantische gevleugelde gedrochten klapwiekten op me neer. Ik bevocht ze, tot mijn krachten bijna waren uitgeput en wist ze toen door middel van antieke spreuken het vuur op de tafel in te drijven, waar ze werden verteerd. Nog vele demonen vielen mij aan die lange, verschrikkelijke nacht. Vlammende meteoren kwamen gierend uit de hemel zetten en ontploften in de verte op de kale vlakte in de woestenij, terwijl ik pythons van vuur bevocht en draken van koper. Verleidingen werden me voorgetoverd en ontelbare drogbeelden, die ik allemaal wist te weerstaan en die allemaal vals bleken te zijn. Maar eindelijk, tegen de komst van de dageraad, toen ik wist dat ik welhaast te vermoeid was om me nog langer te verweren, hoewel mijn schoonheid en schittering nog onverflauwd waren (iets van bleek goud met romantische kringen onder mijn ogen, bezwijmend maar verrukkelijk) verscheen er een lange gedaante aan het andere eind van de kantelen.
Een man. Een mythische gestalte, ongelofelijk aantrekkelijk, donker van ogen en bleek van haar, maar met het merkteken van het kwaad op zijn aanbiddelijke gelaat gedrukt. Hij trok een lang fosforescerend zwaard en daar gingen we weer. Waar mijn extra kracht vandaan kwam ging het begrip van het droom-ik te boven (hoewel het echte ik het donders goed wist) maar met mijn insummatt vaardigheid had ik hem ten slotte dodelijk in het nauw gedreven met mijn lange dolk. Maar ik talmde. Iets weerhield me. Zijn schoonheid benevelde mijn verstand en ik kon niet toestoten. Beschaamd wierp ik mijn wapen neer en kreet: 'Dood me. Ik ben het niet waardig uw tegenstander te zijn!' En het grote zwaard werd geheven en was niet meer.
Ik keek verbijsterd omhoog. Mijn vijand was mijn vijand niet meer. Driewerf schoner sloot hij me in zijn armen en vertelde me over de oude verschrikkelijke vervloeking die over hem en dit oord was uitgesproken. Door mijn moed en mijn schoonheid had ik hem en zijn land gered. (Magnifiek!)
Hij voerde me de trappen af, een prachtige ridderzaal binnen van goud en vuur, en ik zag dat het paleis niet langer een bouwval was. Langs de hoge ramen zag ik de glinstering van de ontkluisterde regen en overal in het rond bloeide de woestijn.
Bij het bevend getinkel van fonteinen die uit de rots ontsproten werd ik wakker.
Wie ben ik?' Dat vroeg ik vaak na een droom. 'Waar ben ik?' Maar het duurt niet lang voor je weer bij bent. Ik was teleurgesteld. Ons leven was pas begonnen. We zouden gaan zwelgen en liefde doen, en nu zou ik nooit weten hoe het met hem... Natuurlijk had ik dat ook in de droom kunnen hebben, als ik erom had gevraagd. Maar dat doe ik nooit. Ik weet van mensen die naar de Droomsalons gaan voor niets anders dan om te dromen dat ze liefde doen, maar wat heb je daar nou aan? Ik wil maar zeggen, je kan toch liefde doen wanneer je maar wilt, niet, en er zijn honderdduizend pillen en middeltjes die je een goed resultaat kunnen waarborgen. Waarom zou je er dan over gaan dromen?
‘Wat ben je lang weggebleven,' zei Thinta.
Het is niet de droom die zoveel tijd kost, want ze rekken je tijdgevoel uit of zoiets, zodat elke droom de voorgeschreven tien mums duurt, maar mijn aanwijzingen vooraf hadden de hele zaak opgehouden.
Thinta zat likeur van zilverwater te drinken, maar ik wilde alleen weg om te mijmeren over mijn geliefde en over de draken die ik had bevochten.
`Ik moet nu echt weg, Thinta oema; zei ik. 'Ik moet terug naar de Limbo voor de eerste-et-controle van mijn nieuwe lichaam.'
Dat is zo, ze hebben liever dat je even langskomt wanneer je niet de eerste paar et binnenblijft. Hergal blijft er altijd.
`Natuurlijk, oema,' Thinta glimlachte slaperig. Misschien wilde ze ook alleen zijn. Maar nee hoor. 'Ik ga mee. We moeten nog betalen.'
0, faratoem! Thinta zanikt nou altijd over betalen.
We slenterden naar onze betaalhokjes en daar ging ze.
`Dank u, dank u. Het was werkelijk grosching, grosching! 0
dank u. Ik ben zo gelukkig. Het was zo derisann! 0, o, o!' 0, houd je kop toch.
`Dank u,' zeurde ik beleefd.
De machines gaven blijk van protest en begonnen me aan te moedigen. De hokjes stonden vol mensen die hun longen uit hun lijf stonden te bleren van dankbaarheid. Ook goed, dacht ik, dan zal ik jullie eens wat laten zien.
Ik verhief mijn stem.
`0, dank u!' schreeuwde ik. Ik nam een extasepil en steeg tot ongekende hoogten. Ik tierde, ik krijste tot mijn keel het begaf. Ik omarmde de machine met ongebreidelde hartstocht en tranen van liefde rolden langs mijn wangen.
Thinta hielp me eruit. Ze keek goedkeurend.
`Je bent heel braaf geweest,' zei ze lovend.
Volmaakte zonneschijn sloeg me in het gezicht en wierp me de brokstukken van mijn droom voor mijn voeten. Draken dobberden heen op de zachte bries. Mijn geliefde werd schimmig en verdween.
Ik nam afscheid van Thinta en ging per verplaatser naar Limbo. Ze zijn efficiënt maar je moet ervan braken. Niemand maakt er nu nog gebruik van, behalve Ouderen die denken dat ze haast horen te hebben en die toch een maag hebben als een gietplatinum ketel. Ik stapte het hokje in, zette de schakelaars om en wou dat ik het niet had gedaan. Het gaat snel, dat wel, maar ik geloof eigenlijk dat je zoveel tijd kwijt bent met overgeven wanneer je aankomt, dat je net zo goed op een drijfbrug kunt springen. Maar goed, ik kwam keurig aan maar voelde me ontzettend raar, alsof ik ergens wat had achtergelaten. Mijn hoofd of zo.
Robots keken me woedend aan. Ze keurden het ten strengste af. Verplaatsers zijn niet-Jang en jeugd die niet-Jang doet is lastig, onredelijk, tosky, zaradann.
Ze onderzochten me. Ik was onderweg een klein artistiek geplaatste moedervlek kwijtgeraakt, en daar mopperden ze wat over. Maar verder was mijn lichaam piekfijn in orde. Ik was het alleen alweer zat.
`Ik wil een nieuw lichaam aanvragen,' zei ik.
Een geschokt zwijgen.
`Hoelang gaat dat duren?'
`Uw aanvraag is geregistreerd,' zei de quasirobot. 'Normaal gesproken zou u dertig et dienen te wachten. Er bestaat echter een aantekening in uw dossier dat u de afgelopen wrek veertien lichamen hebt opgebruikt. Daarom zult u ditmaal zestig et moeten wachten.'
`Kan ik daartegen in beroep gaan?'
'0 zeker.'
`Helpt dat wat?'
`Absoluut niet.'
Ik liep de deur uit.
De middag werd met de seconde onuitstaanbaarder lieflijk.
Ik liep omlaag naar de Peridot Waterweg en riep mijn luchtbel. Het water kwam steil heuvelopwaarts langsgestroomd — een glad parelmoergroen. Gebouwen torenden op rondom me. Mijn bij viel op mijn kop maar ik was te gedeprimeerd om hem uit te vloeken. Mijn witte gestolen beest kwam precies in mijn armen terecht en nam een flinke hap uit me. We deelden elkaar een paar opstoppers uit en toen sprong het omlaag, de drijvende weg op, waar het gegrepen werd door een magnetiseermachine en met een klap tegen een artistiek achtdimensionaal standbeeld van de een of ander opknalde.
De luchtbel kwam er aan en ik stapte in. Ik sleurde het beest mee naar binnen, waarom weet ik niet eigenlijk. Waarschijnlijk omdat ik het gestolen had. Ik hecht altijd waarde aan de dingen die ik steel, behalve als mijn plezier in de aanschaf wordt verpest, zoals in de Jaden Toren. Het beest ging zitten en keek me vuil aan met saamgeknepen ogen. Ik smeerde wat spul op mijn hand en de wond ging dicht. Het beest keek teleurgesteld. Ik programmeerde de luchtbel voor mijn huisadres, maar ik wou er eigenlijk helemaal niet heen. Ik ga gewoon weer verdrinken, dacht ik, en die zestig et van ze kunnen me niks faratoem!
Ik stak mijn hand uit naar de schakelaars, maar voor ik nog wat gedaan had moest ik aan het beest denken. Waarschijnlijk zou hij zaradann worden van doodsangst. Hij zou het gewoon niet snappen wanneer het water de zuurstof sluis binnenliep. Hij zou de dromerige benauwdheid van het doodgaan helemaal niet lekker vinden. En ik kon het hem niet uitleggen.
Nou ja, ik kon morgen altijd nog verdrinken.

Thuis. Waar je luchtbel aanlegt ben je thuis, zeggen ze. En daar legde ik dus de mijne aan. We gingen het rolbordes op, mijn bij, mijn beest en ik, onder de grote gouden ornamentale lamp die op de veranda hangt en die open- en dichtgaat als zo'n bloem van vroeger. Mijn thuis. Helemaal van glas, fijnzinnig beneveld op strategische plaatsen en doorschoten met regenbogen. Het weergalmt van onvermoeibare mechanische stemmen die verzoeken te mogen horen wat ze ons te eten of te drinken mogen brengen of waarmee ze ons aan het lachen mogen maken. Hoorbare muziek (maar is dat echt muziek?) woedde door de glazen zalen — geklik en geroffel en geraas en gerinkel. Ik gaf een signaal aan mijn makers en steeg per vliegende vloer naar de ruimte waar ze waren. Ouderen veranderen bijna nooit van lichaam, en mijn makers zagen er al wreks lang precies hetzelfde uit. Ze waren allebei man. Al een eeuwigheid waren ze nu overwegend mannelijk, heel soolka met hun donkere baarden en hun sandalen met kwastjes; ze hielden een on-Jange orgie, grosching gewoon met een heleboel oudere vrouwen en ontzettend sexy ondoorzichtige jurken.
Wie ben jij?' vroegen ze vriendelijk.
Ik legde het uit.
`0.' Ze zetten een paar herinneringsspiegels aan zodat ze mijn beeld ergens konden opslaan en het later konden terugzoeken.
`Doe maar geen moeite,' zei ik. 'Ik verander het toch weer over een zestig et.'
De vliegende vloer voerde me weg en ze wijdden zich weer aan hun bokkesprongen zonder nog naar me om te kijken, zelfs niet naar mijn haar. Ik herinnerde me dat een van de twee, degene die mijn vrouwelijke maker was geweest, zoveel wreks en etten geleden, de pest had gehad aan scharlakenrood. Nou ja, misschien was ze nu wat verdraagzamer, aangezien ze meesttijds mannelijk was tegenwoordig. Ik kon me niet herinneren wanneer ze voor het laatst vrouw was geweest. Waarschijnlijk niet meer sinds die periode vlak na mijn hypnoschool, toen ze besloten hadden samen een huishouding te voeren en mij daarin op te nemen. Meestal vinden mensen het te veel rompslomp om bij elkaar te blijven maar mijn makers waren altijd al een beetje getikt geweest.
Boven, tussen de langzaam ronddraaiende glazen torentjes, moest ik de vacuümkolk even aanzetten, want ik moest overgeven. Daar had ik al min of meer op zitten wachten vanaf die rit in de Verplaatser. Direct daarop kreeg ik honger. Ik had met al die toestanden een stuk of tien maaltijden gemist.
Kunstzinnig vormgegeven vruchten, geroosterde sneeuwspiralen en drankjes met zilverijs erin kwamen mij suizend te hulp, nog voordat ik een mond had open gedaan. Mijn makers hadden kennelijk telepathie-apparatuur laten inbouwen terwijl ik weg was; ik mocht wel oppassen. Ik slenterde de bontkamer binnen en mijn banket volgde me zwevend op kristallen schalen terwijl het afschuwelijke liedjes zong over hoe lekker het toch wel was, voor het geval ik zou vergeten dat die rotzooi er was. Ik nestelde me in warme rookgouden zweefvachten en at alles gedachteloos op.
Ik zette de Kijkvisie aan in het plafond en ging liggen kijken naar de meest absurde liefdesriten die ik ooit had gezien. Iedereen bezat minstens zes lichamen en alles kronkelde zich om elkaar heen dat het een aard had, in verrukkelijke kleuren, onder het zware aroma van brandende wierook en het sidderen van cimbalen. Ik zette de Kijkvisie af en liet het plafond omzetten in een zesdimensionale kubus, maar je moet echt in de stemming zijn om zoiets te kunnen beschouwen. Soms raak je er echt helemaal in, je wordt als het ware opgeslorpt. Maar als je je niet lekker voelt dan lijkt het nergens naar.
Ik liep de bontkamer uit en ging naar het zwembad. Ik gaf mezelf een zuurstofinjectie en zwom een hele tijd rond door de wuivende oerwouden van exotische waterplanten op de bodem. Ik was een verloren prinses uit een oud geslacht, die een monster opspoorde in de turkooizen diepten van een verboden zee.
Rang! Daar riep die twalldrap van een Kley me op. Het driedimensionale beeld van Kley en een of ander tosky Jang-feest waar hij uithing zwierde dwars door het bad.
`Schakel in nou, oema,' riep Kley.
`Ik ben moe,' zei ik. `Ga weg. Ga weg.'
Maar ze wilden niet weg. Ze waren in extase maar ook op energiepillen om zich lekker te kunnen uitleven. Afschuwelijk.
Ik klom mijn bedorven verboden zee-zwembad uit en het dansende beeld kwam me achterna door onze keurige tuin en ramde de abstracte beeldhouwwerken en raakte verward in de vijfdimensionale pilaren. Ik vond de heremietschakelaar en weg was het feest, vanuit zijn onwezenlijke beeldbestaan teruggeëxplodeerd naar zijn echte bestaan, waar dat wezen mocht.
Ik zag het beest aan komen springen door de tuin, een witte vlek tussen het gras van aluminiumzijde.
Ik wilde slapen.
Ik droomde de hele nacht, ongeprogrammeerde dromen waarin een schimmig donker wezen me door vuur en water achternazat en me ten slotte beet, terwijl boven ons de volmaakte ornamentele sterren aan het onzichtbare golfkoepeldak van Vier BIJ glinsterden en blonken.
Ik herinner me die keer in het Prismaparadijs toen ik mijn dromen liet analyseren, die keer dat Hergal en ik elkaar waren kwijtgeraakt. Niet dat ik een woord had verstaan van wat de robot me vertelde, terwijl ik in zijn grote elektrische ogen staarde. Ik denk dat ik gewoon in gedachten bezig was om Hergal uit te foeteren en dat ik daarom me niet behoorlijk kon concentreren.
In mijn slaap hoorde ik een enorme klap en ik werd wakker. Er flakkerde een nieuwsflits boven de stad. Weer die Hergal. We woonden niet ver van het Zeefahrmonument en ik hoorde de klap bijna altijd. Ik transparalyseerde een van de muren en zag hoe de vlammentongen de hemel lekten.
Wat was die Hergal toch een verbeeldingsarme klier.
Maar de flits was nu helderder en het was Hergal niet. Dit keer was het Thinta.
Wat ontzettend droemdik.

`Hallo, Danor,' zei ik.
Hij was in zijn nopjes. Ik had zijn nieuwe lichaam ogenblikkelijk herkend. Ik had de flits gezien toen ik mezelf een etensinjectie gaf. 's Ochtends vroeg kan ik meestal niks stevigers naar binnenkrijgen. Maar hij is altijd zo slank en zo vief, of hij nou man of vrouw is, dat je je eigenlijk niet kon vergissen. Hij had dit keer enorm lang haar en een sluike snor — dat was op het ogenblik een rage overal — en allebei volstrekt gitzwart met een soort saffieren weerschijn, en dan nachtblauwe ogen en geen vleugels. Wel voelsprieten.
`Vind je het leuk?' Hij draaide langzaam in de rondte en ik bewonderde hem. Hij zag er best krachtdadig uit, met een soort van metalige tweede huid als kleding en het soort laarzen dat ik had geprogrammeerd in mijn droom van de vervloekte minnaar.
`Derisann,’ zei ik.
Het was vrij laat op de ochtend. Als ik slaap, dan slaap ik door, meestal totdat Vier BIJ alweer donker wordt en het sterrelicht aanzet. Maar anders sla ik net als ieder ander mijn waakpillen achterover.
`Ga mee eten,' zei Danor. Hij was dol op eten.
`Voor geen prijs,' zei ik.
`0. Nou, het Dimensiepaleis dan. Hatta zegt dat er een nieuwe doolhof is op superzeven.'
Hij was zo enthousiast dat het zonde was om dat elan te blussen, dus zakten we af naar het Paleis.
De Commissie, die voortdurend over alles en iedereen in Vier BIJ verslagen produceert, stelt dat het DP een 'essentiële uitlaatklep is voor negatieve motivatiereflexen'. Dat zeggen ze tenminste op de flitsen.
De dimensies zijn natuurlijk wel leuk; de lucht kan er een vaste tastbare stof zijn, of verschillende kleuren hebben, of alles is precies omgedraaid, zodat als je, om maar wat te noemen, in een spiegel kijkt, je een toeval krijgt omdat je neus naar binnen groeit in plaats van op je gezicht te zitten, of het kan dat je alleen maar kunt kijken met je ogen dicht.
Alles bij elkaar kan het Dimensiepaleis je goed van je stuk brengen. Het is heel populair. Je krijgt natuurlijk niet zoveel doodsschrikken in Vier BIJ, normaal gesproken, hoogstens wanneer er eens een automatische deur naar boven open gaat in plaats van naar beneden of zoiets.
Superzeven was een nachtmerrie en ik hield het er niet lang uit. Ik stond op een gegeven ogenblik eensklaps hier, en ik zag mezelf daarginder staan, of liever gezegd, mijn onderlichaam tot aan mijn heupen, aangezien ik in tweeën was gedeeld. Het was niet zo'n beetje akelig. Ik wil zeggen, je bent natuurlijk niet echt gespleten of zo, de natuurkundige wetten in dit onderdeel van de dimensies laten het er alleen maar zo uitzien. Ik voelde zelfs nog gewoon wat mijn benen en voeten voelden en toen ik mijn handen omlaag deed, voelde ik er mijn dijen mee. En met dat ik dat deed, zag ik mijn handen naast mijn dijen verschijnen, wat ook wel logisch was, maar aangezien die aan de andere kant van de kamer stonden was het allemaal een beetje droemdik. En toen merkte ik dat ik weer werd gespleten. Ik keek achterom naar mijn heupen en benen in de verte en iets dichterbij zag ik mijn slanke leest en mijn exotische boezem met dikke lokken vuurrood haar erop gedrapeerd, maar dan opeens recht afgekapt bij de nek. Ik was dus kennelijk alleen maar een kop! Het zweet brak me aan alle kanten uit en de hemel zij dank kon ik dat ook over mijn hele lichaam voelen. Wat zou er gebeuren als ik me nog eens bewoog? Ik waagde het erop. Faratoem! Ik lag nu omhoog te turen naar mijn bovenlijf, en een eindje verderop dreef mijn arme gedesoriënteerde hoofd, terwijl ik klaarblijkelijk met mijn voeten keek.
Op dat moment nam mijn gekrijs vaste vorm aan en fladderde door het hele vertrek; de paniekknop op mijn ceintuur ging af, en een paar seconden later kwamen er horden robots, ongevoelig voor al dat afschuwelijks om hen heen, aansnellen om me naar de normale wereld terug te brengen.
Danor en ik zweefden doezelig in onze aangrenzende baden met warme vloeibare lucht, nog nasidderend van afgrijzen. Zodra de onmiskenbare opluchting wegtrok zou ik zoals gewoonlijk weer bedenken hoe futiel dergelijke niet-constructieve schrikpartijen altijd waren. Maar op dit moment was ik, nu ik weer helemaal aan mezelf vastzat en mijn haar uitwaaierde als een rode anemoon uit een sprookje, wát blij dat ik was meegegaan. Danor kwam naar de scheidingswand toegezweefd en hees zich eroverheen om in mijn bad te komen. We plonsden wat rond en begonnen al gauw te zoenen, waarop Danor ons op een van de luchtkussens hees.
`Zullen we liefde doen?' stelde hij voor, en zoals hij het zei was het een aantrekkelijk idee.
`je weet dat dat alleen iets voor Ouderen is,' zei ik. 'Het is gewoon on-Jang om niet eerst te trouwen.'
Danor rolde zich op zijn rug en staarde naar de abstracte beeldennevel op het plafond.
`Laten we dan gaan trouwen voor een middelwrek.'
Middelwrek duurt veertig et en dat is erg lang, maar Danor keek zo hoopvol, en ook enigszins verlokkelijk, dat ik toestemde.
We gingen met zijn luchtbel de Purperen Waterweg op, voortstormend door grijspaarse vloeistofkanalen terwijl Danor op de schakelaars beukte. Hij scheen ontzettende haast te hebben.
De Ivoren Koepel is een goeie plaats om te trouwen. De quasi-robots houden er meestal hun mening voor zich, en herinneren je er niet voortdurend aan dat de mensen bij de laatste zes huwelijken die ze sloten veel dankbaarder waren en veel geestdriftiger betaalden, voor ze ervandoor stormden om liefde te doen. In de roomkleurige ontvangsthal kochten we ringen voor elkaar, vijf per persoon voor de linkerhand, en ik had gewoon het hart niet de mijne te stelen, terwijl Danor zich zo dapper stond hees te balken in het betaalhokje.
Hoestend gleden we langs de wentelende spiraal een ruime open zaal binnen en trokken de witte vliesdunne gewaden aan die je daar moet dragen. De quasirobot in zijn zwarte toga en zijn glinsterende hoofdtooi nam onze belofte van trouw voor een middelwrek met voortreffelijke belangstelling in ontvangst.
`Ik beloof liefde te doen met jou en geen ander voor de voormelde periode, tenzij ik ontbinding aanvraag hetgeen zal zijn toegestaan om de andere et gedurende de huwelijksperiode, en voor hetwelk dient te worden betaald.'
De banken van de energiecentrales van Vier BIJ slaan daar een aardig slaatje uit, in feite omdat lange verbintenissen bijna altijd eerder gaan vervelen dan de deelnemers hadden verwacht. En Vier BIJ dekt zich voor de korte verbintenissen ook aardig in: als je alleen trouwt voor een et of een middag, hetgeen natuurlijk korter is dan de gebruikelijke opzegtermijn, dan moet je voor en nadat je bij elkaar bent geweest betalen.
Danor en ik wisselden onze tien ringen zonder er eentje te laten vallen. (Hergal liet ze meestal allemaal schieten en dat gaf een verschrikkelijk lawaai, als ze over al dat marmer rinkelden en rolden.) Daarna leverden we tezamen met onze robot onze bedankjes in, waarop Danor me de Ivoren Koepel uitsleurde de luchtbel in, en we spetterend wegstoven naar een zweef.

De zweven, die kalmpjes in de lucht drijven en vervaardigd zijn
van met plastic versterkte wolken, zijn favoriet bij jonggehuwden.
Ik ben er nou vaak geweest maar het is zo fijn, dat het maar zelden verveelt.
Danor duwde me zacht maar beslist neer op een groot, zacht, vormgevoelig bed van een goud met paarse regenwolk en ging met een smelter langs zijn en mijn kleren.
'Ik vind je lichaam buitengewoon aantrekkelijk,' hijgde hij. 'Het is een van de beste die je ooit hebt ontworpen.'
Gevlijd begon ik onder zijn liefkozingen vlam te vatten, en ik was dus nogal geschokt toen hij opeens ophield en overeind ging zitten.
`Wat is er, Danor?'
Danor keek me treurig aan.
`Het heeft geen zin,' zei hij. 'Ik dacht dat het met jou misschien zou gaan, maar het gaat niet.'
We probeerden het echter nog een keer, in diverse posities, en toen begon het donker te worden en we werden het goed zat. We rustten eerst uit en namen liefdesdrankjes en slikten extase- en energiepillen, en zakten uiteindelijk hijgend van vergeefse vermoeidheid naast elkaar neer.
`Hadden we maar meteen kunnen lieven in het Dimensiepaleis,' mompelde Danor. 'Ik weet zeker dat het dan goed zou zijn gegaan. Het komt door dat uitstel. Altijd uitstel.' Hij keek me smartelijk aan. 'Ik heb nou al tien wreks niet meer met goed gevolg liefde gedaan.'
Verschrikkelijk. Arme Danor!
`Het komt vast,' zei ik terwijl ik volgens mij mijn teleurstelling vrij goed wist te verhelen, 'het komt vast omdat je overwegend vrouwelijk bent, net als ik. Misschien nog wel meer. Toen ik vorige keer man was en Kley vrouw, toen ging het allemaal fantastisch. Maar jij bent nu al een eeuwigheid mannelijk. Je hebt behoefte aan verandering.'
`Helaas,' zei Danor, 'lukt het dan ook niet. Je kunt alleen makkelijker doen alsof, als meisje.'
Ik probeerde een opgewekte bemoedigende uitspraak te bedenken, maar ik kon er niet opkomen.
Danor liep naar een wolkenwand en zette de druk aan, zodat er een groot ovaal venster verscheen. Hij keek uit over Vier BIJ, dat in de schemering beneden lag te glinsteren.
`Vaarwel,' zei hij. En hij sprong en liet zich tientallen meters omlaag storten, de stad in. Ik was als lamgeslagen. Hij had eruitgezien alsof hij het meende, ondanks het feit dat het een zinloze daad was, aangezien ze hem zo weer in een nieuw lichaam zouden proppen, binnen tien mums nadat hij was neergesmakt. Een heel eng gevoel trok door me heen, net als wanneer je in een droom de draak tegenkomt — maar niet precies, want dat is een plezierige angst en dit niet — en ik moest hard mijn best doen om me niet helemaal door dat gevoel in bezit te laten nemen. En plotseling herinnerde ik me dat we voor de hele middelvrek waren getrouwd en dat ik nu morgen voor de ontbinding zou moeten betalen. En dus steeg er een warm, geruststellend gevoel van woede in me op. Een ontbinding is iets wat je absoluut niet kunt stelen, en je kunt niemand anders trouwen, zelfs niet voor een halfuurtje, zolang je geen ontbinding hebt gekocht.
Ik tierde en mopperde de hele nacht rond in de zwever; ik stompte die stomme wolken in elkaar en schold ze uit toen ze me een grosching eten serveerden dat ik helemaal niet hebben wou.
Ik begroette de dageraad in een toestand van wanorde; ik wilde niet hierboven blijven, maar ik baalde van al dat bedankwerk dat ik zou moeten gaan doen in de Ivoren Koepel, terwijl de quasirobot waarschijnlijk afkeurend zou staan te kijken, dat we het maar zo belachelijk kort hadden uitgehouden.
`Attlevey, oema,' zei een stem en ik zag dat het oproeplampje aanstond en dat naast mij in het vertrek de driedimensionale afbeelding verschenen was van een schoonheid van een meisje, met een lichaam dat erg op het mijne leek, met uitzondering van het ravezwarte haar dat een saffieren glans had.
`Ik ben het, Danor,' zei ze.
`Grosching,' zei ik. En een kleine koude knikker ratelde door mijn geest, maar ik had toch de pest in, of niet soms? En ik vergat het gauw weer.
`Ik dacht dat je wel zou willen weten,' zei Danor kalm, 'dat ik nu naar de Ivoren Koepel ga om voor de ontbinding te betalen.' `Dankjewel!' snauwde ik en zette de heremietschakelaar aan.
De hele dag zwierf ik rond door Vier BIJ tot ik me een beetje eng begon te voelen en besefte dat ik weer niet gegeten had, waarop ik een etensinjectie nam.
Ik kwam Thinta tegen bij het Robotmuseum. Ze vindt het leuk daarbinnen, notabene. Ik herkende haar eerst niet, in haar nieuwe lichaam, maar ze was eigenlijk gewoon hetzelfde onder haar zachte grijze vacht, en hoewel haar ogen nu geen wit meer vertoonden hadden ze haar gebruikelijke helder groene tint.
`Het kwam door de Droomsalon,' legde Thinta uit, terwijl we goud-op-sneeuw dronken in een onderwater-restaurant. 'Ik droom altijd dat ik een soort katwezen ben. Ik wilde een kattelichaam laten maken, maar dat wilden ze niet. Die vacht is eigenlijk maar een compromis.' Ze begon te mopperen op de Commissie, dat ze haar geen ingebouwd spinmechanisme hadden willen geven en ik maakte dat ik wegkwam.
Ik wilde iedere vriend en vriendin die ik had uit mijn kring stoten, eerlijk, zo drood voelde ik me plotseling, zo oneigen tegenover iedereen; maar het eind van het liedje was dat ik mezelf officieel uitstootte, wat een stuk makkelijker was en toen ging ik op de trappen van de Jaden Toren zitten, onder het gebrul en gesproei van de draak, om te huilen.
Ik bedoel, het is een kwestie van beleefdheid om te huilen als je uit iemands kring wordt gestoten, zelfs al is het je eigen kring.
Maar het ging maar door, ik kon helemaal niet meer ophouden. Ik geloof dat ik de hele nacht heb doorgehuild.