1
Toen ik in het Limbo-bassin wakker werd
was ik natuurlijk van gedachten veranderd. Een
quasirobot-medicijnmeester stond naar me te kijken met saamgeknepen
ogen.
`Hoor eens hier, jongedame, want ik zie
dat je overwegend vrouw bent, dit moet nu maar eens afgelopen zijn.
Dit is de tweede keer in tien et dat je hier terugkomt.'
`Mmmmm.' Ik zwom wat rond en glimlachte
tegen hem via mijn emotie-schakelingen.
De QR verdween en iemand anders kwam
vragen hoe ik er wilde uitzien als ik eruitkwam, en toen was ik
ondertussen al helemaal anti-Hergal geworden, snap je. Het zou toch
te droemdik zijn als de mensen echt zouden geloven dat ik
Hergal was! En dan ook nog die fleup van een bij die strijk
en zet in mijn haar in zwijm viel... Ik liet ze de nieuwe ik zien.
Zoals gewoonlijk was die ontmoedigend slank en sexy. Hatta, en nog
een heleboel mensen die ik ken, regelen het altijd wel zo dat ze
eens in de zoveel tijd eens een dik lijf krijgen, of puisten of zo.
Hoe dan ook, deze ik had een buigzame leest en een exotische
boezem, en lang, scharlakenrood haar. Ik schoof erin en het voelde
zo raar dat ik even ergens rustig moest gaan zitten met een
extasepil om het een tijdje te vergeten.
Niet lang daarna wist Hatta me te
vinden.
`Oema Hatta,' murmelde ik tevreden.
Iedereen ziet er even lief uit als je in extase bent, zelfs Hatta,
die dit keer dik was én puisten had, plus drie ogen.
`Attlevey, oema.' En alweer
grosching, zie ik. Word je daar nou nooit eens zat van, al
was het maar een beetje?'
`Nee,' zei ik.
`Ik nodig je uit voor het eten. Het moet
ondertussen toch al weer tijd zijn voor een of andere maaltijd,
niet?'
`Nou, ik heb wel trek. Ik heb me vlak na
het derde maal verdronken en dit nieuwe lichaam heeft nog niets
gehad.'
We gingen naar binnen, waarbij Hatta me
ondersteunde want ik was verschrikkelijk extatisch, en rolden de
drijfbrug op. Mijn walgelijke, onuitstaanbare bij kwam met een
vaartje achter ons aan. Ik kan dat ding maar niet kwijt worden. Dit
keer viel-ie bovenop Hatta.
'Onk!' zei Hatta. Zo typisch lauw altijd,
als er hem wat gebeurt; om van te spugen. Ik smeet de bij de brug
af, maar hij kwam weer terug. 'Laten we naar de Vuurkuil
gaan.'
De Vuurkuil, zeggen ze, is dé gelegenheid
om heen te gaan als je je beneden peil voelt. Ik werd er bijna
vrolijk van, maar uiteindelijk kreeg ik, vlak voor we er waren,
weer last van mijn overheersende neurotische Behoefte en moest ik
even de brug af om wat te gaan stelen. Het was iets levends, met
een lange witte vacht en grote oranje ogen. Hij raakte met zijn
snorren verward in mijn haar en ik gaf hem even aan mijn bij om
vast te houden terwijl ik hysterisch werd.
'We zijn er,' zei Hatta.
We sprongen van de brug af en vielen een
meter of zes omlaag voor we keurig werden opgevangen door het
elektrische golfnet van de Vuurkuil. Hatta keek verontschuldigend.
In de Vuurkuil staat alles in scharlakenrode gloed. De tafels
dobberen in de vlammen — onthit natuurlijk — en vuurbollen
stuiteren traag over de borden. Ik kleurde er precies bij.
'Ik was je haar vergeten,' zei
Hatta.
Ik was intussen toch al wel bijgekomen,
maar hij stopte me gauw nog een extasepil in mijn mond, voor het
geval-dát, en toen moest hij me naar de aanligbank drágen.
'Wat wil je gebruiken, lieverd?' vroeg
Hatta bezorgd.
Ik verschoot om z'n on-Jangse bewoordingen
en hoopte maar dat niemand het had gehoord.
We namen een grote brandende
notenbiefbout, met allerhande brandende vruchten op vlammende
spitjes gestoken. Hatta sneed het vlees met het moleculaire
naaldmes, en helemaal verkeerd, maar uiteindelijk kregen we wel wat
te eten. De extase begon inmiddels toen al te slijten.
'Ik heb gehoord,' mompelde Hatta met een
mond vol biefstuk, 'dat je Hergal officieel hebt laten
uitstoten.'
'Ja,' zei ik.
Hatta at een tijdje voort. Onze fles
ijsvuur arriveerde en hij snoof eraan en proefde ervan en
staarde naar het vurige plafond.
'Acht-eerste Rorl, als je het mij
vraagt,' zei Hatta. Ik betastte een braadstokje maar Hatta mompelde
alleen: 'Eh, ik moet zeggen dat je er echt grosching
uitziet.'
`Dank je. Ik kan van jou niet hetzelfde
zeggen, oema.'
`Het gaat hierom,' zei Hatta zenuwachtig,
'dat ik nu twee et al geen liefde heb gedaan en ik vroeg me af of
we misschien een middagje zouden kunnen trouwen.'
`Niet zolang jij er nog zo uitziet,' zei
ik. Ik bedoel maar, woekerende jeugdpuistjes en twee ton vlees over
je heen, gadegeslagen door drie gele ogen zonder pupillen!
`Toe nou,' zei Hatta bemoedigend, 'begrijp
je dan niet dat het een Essentiële Ervaring is om eens liefde te
doen met een lichaam waartoe je je niet voelt aangetrokken?'
`Hoezo?' Nee, ik liet me niet in de luren
leggen door dat geklets over Essentiële Ervaringen voor Jang; zeker
niet door zo'n conservatief als Hatta.
`Nou ja...' begon Hatta.
We werden gestoord. Kley en Danor waren
binnengekomen met een dier dat ogenblikkelijk begon te vechten met
mijn witte gestolen beest en dus ook met mijn bij. In de verwarring
schoven ze een paar drijvende aanligdivans bij en bedienden zich
van onze notenbiefbout. Ze waren dit keer allebei mannelijk, met
lang iriserend haar, terwijl Danor van die stomme vleugeltjes had,
net als Hergal, waarmee hij steeds dingen van tafel sloeg.
Ze groetten me achteloos en begonnen met
Hatta te keuvelen. Ik stond op, stopte mijn witte pluizige beest
onder m'n ene arm en dronk mijn roemer ijsvuur leeg.
'Ik moet ervandoor, oemas,' zei ik
opgewekt.
'0, maar...' begon Hatta.
'Bedankt voor een heerlijk vierde maal,
Hatta,' zei ik geestdriftig.
'Tot ziens in je volgende lichaam.'
Ik vloog ervandoor.
Buiten was het een van die deprimerende,
blauw-kristal-met-gouden-droppels-zonlicht middagen. Het weer is
altijd prachtig in Vier BIJ, maar zo nu en dan slagen de Jang erin
iets te saboteren en dan komt er bijvoorbeeld een grosching
zandstorm door het stralenschild gegierd, en dat vrolijkt ons dan
op. Ik zal nooit de keer vergeten dat Danor en ik, allebei
vrouwelijk op dat moment, tussen twee haakjes, de robotbesturing op
uitkijkpost 9A onklaar wisten te maken zodat er een enorme stroom
vulkanische as naar binnen kwam, uit een van die zwarte bergen
buiten; het stroomde maar door, et in, et uit, en alles was
zaradann. Ze moesten het eten aanvoeren per vogeltuig en de
wegen krioelden van de robots die ons allemaal moesten uitgraven.
We hebben zelfs één keer een aardbeving voor elkaar gekregen. Er
stortte natuurlijk niks in, hoewel we allemaal hoopten dat het
Robotmuseum eraan zou gaan. Hergal en ik zaten op dat ogenblik in
een grote kristallen toren zonder succes te proberen telepathisch
liefde te doen en de toren trilde als een pudding, wat je van ons
niet zeggen kon.
Ik ging naar een spreekpaal en liet mijn
nieuwe lichaam op de flits zetten zodat al mijn vrienden (?) me
konden herkennen. Ik zette een waakzoeker op het Zeefahrmonument en
stond een eeuwigheid te wachten of Hergal soms omlaag zou komen
suizen, maar dat deed hij niet. Dus riep ik Thinta op.
'Attlevey,' zei ik toen haar
driedimensionaal vrouwelijk beeld voor me verscheen. Ze zag er lief
en lekker mollig uit, met grote groene ogen en haar dat aan een
vachtje deed denken. Ze was al een eeuwigheid niet veranderd.
Eindelijk vastigheid.
`0, attlevey, oema. Ik was
net bezig een waterjurk te maken.' Ze hield hem omhoog; hij was
groen met een opalen weerschijn en droop zachtjes uit.
`Thinta; zei ik. 'Ik heb me zojuist
verdronken en ik ben in deze teruggekomen, en ik voel me helemaal
drood.'
`0, ik wist niet dat jij het was,' zei
Thinta. Ze had de flits kennelijk niet gezien. 'Maar oema, waarom
ga je niet fijn naar een van de Droomsalons? Als je even wacht ben
ik zo bij je.' Ze verdween. Thinta was dol op de Droomsalons,
hoewel het eigenlijk als nogal anti-Jang werd beschouwd. Je kwam er
altijd zoveel Ouderen tegen met vastgeroeste opvattingen, die je
voorhielden dat je daar niet hoorde, dat je bezig moest zijn met
liefde en extase en wisselen van geslacht en Zinsbegoocheling,
zoals van alle jonge mensen verwacht wordt. Ik ging de Jaden Toren
binnen om wat sieraden te stelen, want ik moest toch wachten tot ze
omlaag zou komen cirkelen in haar kleine veilige roze
vogeltuigje.
Stelen is volstrekt een kunst en een van
mijn weinige eenvoudige genoegens.
Er staat een grote draak in de Jaden
Toren, die gekweekt is op een boerderij ergens buiten bij Vier BAA.
Hij rammelt tegen je met zijn jade beslagen schubben en er komt
groen vuur uit zijn bek dat je een lekker opwekkende
dennegeurdouche geeft, van top tot teen. Ik heb die draak altijd
gemogen. Hij roert een rare romantische snaar in me. Ik heb een
keer een eeuwigheid in zijn zachte warme bek gezeten, terwijl ik
Kley probeerde over te halen om me te redden, maar die nam alleen
een extasepil en stortte toen onbeschofterwijs in. Ik denk dat ik
hem in verlegenheid had gebracht. `Attlevey, draak,' zei
ik.
Ik kroop een tijdje in zijn rechteroor —
van binnen ziet dat eruit als een schelp — om te bedenken wat ik
stelen zou, terwijl de draak brulde en iedereen
ondersproeide.
Mijn bij met mijn witte pluizige gestolen
beest in zijn grijpers, vloog achter me aan terwijl ik met een
onschuldig gezicht door de Jaden Toren slenterde. Ik liep er
onbewust op te wachten dat ze samen op mijn kop zouden vallen. De
bijen van andere mensen kwamen langsgesuisd, één en al efficiency
en geprogrammeerde vastbeslotenheid om van dienst te zijn. Ik
voelde me opvallen, met mijn doorkijkkleren, kettingen van
goudanemoontjes en nagels zo lang als mijn vingers zelf — volslagen
Jang. En eerlijk, zo dol was ik er zelf niet op. Je voelt je zo
bloot als je vergeten blijkt te zijn zo'n blikken bloem in je navel
te steken, en van die vingerlange nagels zijn gevaarlijk ook.
Alle Ouderen knikten me goedkeurend toe.
Ik was precies wat een jong persoontje diende te zijn, bijna naakt
in klatergoud, mijn eenkleurige ogen nog donker van de extase en
met mijn Jang-uitspraken die alles wat ik zei in vuur en vlam
zetten.
Ik slenterde naar een groot ronddraaiend
plateau met geurbommen voor aan het oor — zoetgeurende rook en
pinkende, glinsterende lichtjes op het kronkelend oppervlak. Ik
koos een stel van vaste fosfor, magnetiseerde ze aan mijn oren en
keek hoe ze zich losspiraalden en liefhebbend langs mijn hals
gleden, over mijn schouders, en met een zucht op mijn maag terecht
kwamen.
`Het staat mevrouw béééldig,' zongen
engelenstemmen in het doorkijk-koepeldak.
Ik wist dat ik op het verkeerde tijdstip
was gekomen. Jangmeisjes komen meestal 's ochtends binnenslenteren
wanneer de hele winkel meebonkt op de Jang bovenoor-muziek die je
niet echt bewust kan horen, maar die je binnen een paar seconden
euforisch maakt. En dan kunnen ze praktisch alles aan je slijten,
terwijl overal om je heen de machines staan te krijsen van
'Grosching gewoon!' en 'Oema, wat
derisann!'
En toen voelde ik me opeens vrolijk,
lichtzinnig en uitgelaten. De oudere dames keken verbijsterd en
deden gauw hun draagbare audiodopjes in. Ze hadden de
bovenoor-muziek op volle sterkte aangezet. Zaradann van
plezier vervloekte ik de bewakingsrobots van de Jaden Toren. Ik
deed mijn buit weer af, hield mijn hand in een bak met allerhande
en liet ze los. Ik streek mijn haar naar achteren en magnetiseerde
een paar of zes willekeurige nog opgewonden oorbellen, die ik
zojuist bij elkaar had gegraaid, in de haarkluwen achter in mijn
nek. Maar het was een reflexbeweging. Ik was veel te extatisch om
er eigenlijk nog lol aan te beleven. Toen ik naar buiten liep kwam
ik langs een vrouwtje. Ze was aan het betalen, en had zich helemaal
opgedraaid. Ik zag dat ze haar audiodopjes had uitgelaten zodat de
Bovenoor haar een handje kon helpen. Eerlijk, die was beslist nog
maar pas geleden uit de Jang geëmigreerd.
`Het is zo grosching!’ huilde ze,
terwijl de machine, alleen op basis van haar kleding en kapsel:
'Heel charmant, mevrouwtje,' lispelde, en de visi-ontvanger haar
enthousiasme opving in elektroden, die emoties omzetten in energie
en ze doorgaven aan de opslagbanken van de energiecentrale van Vier
BIJ.
Het was eigenlijk heel triest. Ik betaal
nooit ergens voor als ik enigszins kan. Ik doe gewoon zo
verschrikkelijk lauw dat alle robotverkopers er zaradann van
worden.
Voor de Jaden Toren stond Thinta op me te
wachten, zo ongeduldig als Thinta er maar uit kan zien; geduldiger
dan ooit, dus.
Ik deed mijn oorbellen los en bleek één
stel te hebben en vier paar die niet bij elkaar pasten. Thinta
negeerde me. Ik gooide ze van het terras van de Jaden Toren af en
keek hoe de elektrische golf netten ze op verschillende hoogten
opvingen. Mijn gedachten kaatsten heen en weer tussen mijn
gedemagnetiseerde oren, vanwege de nu afnemende audiovreugde en
-zaligheid die mijn diefstal had verpest.
‘Attlevey, Thinta,' wist ik nog op
te brengen. Plotseling besefte ik dat ik veel liever in mijn eentje
zou gaan, maar ja, Thinta was er nu, en we zóuden naar de
Droomsalons gaan.
Nee echt, ik hou van de Droomsalons. Ik
verklap nooit wat voor dromen ik daar programmeer voor mezelf,
hoewel Hergal bijvoorbeeld altijd droomt dat-ie vliegt. Ik dacht
dat Hatta wel zou dromen dat hij een driekoppig monster was, of
zo.
`Wat is dat?' vroeg Thinta en keek omhoog
naar mijn gestolen beest, dat loeide en trappelde in de grijpers
van mijn bij. Thinta's bij schoot ter hulp. Dat doet Thinta's bij
nou altijd. Je krijgt er wat van. Thinta probeerde mijn beest te
aaien en mijn beest probeerde Thinta te bijten.
`Hou op!' schreeuwde ik tegen het hele
stel. Ik was eerlijk gezegd nogal tosky.
We arriveerden min of meer compleet bij de
Droomsalons van Vier-BIJ's Derde Sector. Thinta vloog heel veilig,
en ik besefte hoeveel liever ik met Hergal vloog, wanneer het bloed
uit mijn hoofd wegtrok van angst. Eerlijk gezegd, als ik met Hergal
vlieg bedenk ik altijd hoeveel liever ik met Thinta meevlieg, omdat
dan het bloed niet uit mijn hoofd wegtrekt van angst.
`We zijn er!' riep Thinta en zette ons
trots met een voortreffelijke landingsmanoeuvre neer in een van de
netten. Nou ja, je hoeft helemaal niks te manoeuvreren in die
netten. Ze zijn er juist om je op te vangen. Ach.
We stapten uit, de rolbaan op; er waren
een hele hoop mensen die ons zoevend voorbijschoten en bij
uitzondering waren er drommen Jang. De lui die naar buiten kwamen
spraken met elkaar over wat ze gedroomd hadden — allemaal over
symbolen en astrale projecties en zo verder. Ik voelde me
kleintjes. Meestal. Ongelogen, ik zou me daar gewoon niet thuis
voelen als één of ander me niet het gevoel gaf dat ik minderwaardig
was. De gemiddelde Jang droomextase bestaat uit een puntje
pulserend licht dat heen en weer wordt gerukt tussen vurige zonnen,
en nova's en bleekrokende manen; een soort kosmische al-omvatting
van liefde-doen. Nee, eerlijk, ik heb het eens op een flits
gelezen. Maar hoe dan ook, Hergal droomde van vliegen. De
goeierd.
De bodem van de valschacht is heel mooi,
met grote massa's broeierig roze wolkenmeubilair waartussen gouden
stralenbundels spelen terwijl de hele zaak héél langzaam beweegt.
Wazige robots brachten ons naar kleine doorschijnende hokjes en
hielpen ons onze kleding uit te trekken en ons vast te tuien op
comfortabele luchtkussens die je een stimulerende spiermassage
geven terwijl je droomt.
Ik wuifde naar Thinta toen de muren, de
plafonds en de vloer in rook veranderden en ondoorzichtig werden,
ging er toen eens goed voor liggen en gaf mijn robot mijn droom op.
Het gaat erom dat je ze alleen het raamwerk geeft van wat je
verlangt; zij bedenken dan wel de passende decors en kostuums en
bijzondere effecten plus nog een hoop wendingen en verrassinkjes
waarmee ze je een genoegen kunnen doen. Maar ik was een beetje
lastig. Ik heb altijd al meer fantasie gehad dan er in mijn hoofd
kon. Ze hebben me verteld dat dat gedurende mijn twintigste van een
rorl op de hypnoschool het grootste probleem is geweest dat de
onderwijzers met me hadden — hoewel ik me dat natuurlijk niet
bewust herinner. Ik kon van een zevendimensionaal geometrisch
vraagstuk een episch avontuur maken, waarin de vlakken en hoeken in
werkelijkheid de bewoners waren van een belaagde citadel die zich
horden driedubbele bisectrices van het lijf moesten houden met
verlammingsstralen.
De robot worstelde moedig met mijn
gedetailleerde kleurbeschrijvingen, mijn snelle maar uitgebreide
kostuumschetsen op het gedachtengevoelige wandpaneel, mijn eisen
ten aanzien van de achtergrondmuziek en de weidse grandeur van
vervallen paleizen, waarop ik steeds hamerde zodra mijn fantasie
even bleef haperen. Ik denk dat Thinta allang vertrokken was tegen
de tijd dat mijn robot de deur uit wankelde.
Ik ging achterover liggen, sloot mijn ogen
en wachtte. Plotseling voel je dan een strelend gevoel over heel je
lichaam en dan ben je er...
0... bravo!
De weidse grandeur van vervallen paleizen,
neergestorte blokken marmer, en pilaren die omhoog streven zonder
dak, en grote vensterpartijen waar brandende lichtpijlen in
ziedende stromen naar binnen kwamen. Boven me zweefde laag een
enorme planeet, als een pokdalige smaragd aan de lichtgroene hemel.
Een droge woestijn die zacht glinsterde, reikte tot aan de verre
verten.
Ik was zojuist aangekomen, na etten
achtereen zonder enig voedsel door de Vlammende Vlakte te hebben
getrokken. Het was schemerig. Het enorme roomwit met bruin
gestreepte rijdier dat ik bereed, stond stokstijf met zijn
loopzolen stevig in het zand geplant, zijn ruige kop geheven naar
de grimmige planeten boven ons. Ik steeg af en klom langs een van
de afbrokkelende trappen omhoog. Ik was geheel in het goud: gouden
huid, gouden haar en ogen, een gouden tuniek en gouden laarzen die
reikten tot mijn kruis, een antieke tweesnijdende dolk met een
verguld heft. Ik zag mijn spiegelbeeld hier en daar in gebarsten
glazen vloeren en scherven van spiegels.
De duisternis werd dieper. Er kwetterde
iets hoog in het vernielde dak.
Twee rode kaarsevlammen, voor mij uit.
Nee, geen kaarsen. Ogen, die naar me loerden. Ik voelde, ik wist
dat er hier iets huisde dat me kwaad zou doen als ik niet oppaste.
Ik was natuurlijk nog erg zwak van mijn beproeving in de
Kristalwoestijn, maar ik kwam van een oud en nobel geslacht en was
gelijk goed staal gesmeed (vanzelfsprekend). Ik voelde geen angst
(wat was dat?) doch trok mijn dolk met het vergulde heft en ging
verder door de dichte kopergroene duisternis.
De ogen gingen uit.
Voor mij bevond zich een verschrikkelijk
monster dat giftig vuur uitblies, dat mij bijna verteerde. Ik
slaakte oude mystieke woorden die mij moesten beschermen tegen de
vlammen en viel erop aan. Het gevecht was lang en verschrikkelijk.
(Uiteraard.) Maar al mijn bewegingen waren doortrokken van
sierlijkheid en mijn lemmet was snel en zeker. (Kon niet anders.)
Ten slotte stortte het gedrocht ter aarde en verwoei als het stof
der woestijn, alleen een uitgebleekt skelet aan mijn gelaarsde
voeten achterlatend. Ik vervolgde mijn weg. Netten van brons kwamen
omlaag. Te trots voor een krampachtige worsteling liet ik mij
omhoogvoeren tussen de aaneengerijde pilaarkapitelen naar hoge
holle kantelen. Ik trof er een tafel aan van glas, waarop een
feestmaal stond uitgestald met exotische gerechten en sprankelende
wijnen...
`Eet,' galmde een stem vanuit het niets.
'Drink. Gij zijt vermoeid.' Ik liep, op de tafel af en zegde,
aangezien ik ondanks mijn honger het voedsel niet vertrouwde, een
beschermende toverspreuk op. Ogenblikkelijk ging het geheel in
purperen vlammen op (wat een verrassing!) en weergalmde een
donderslag over de kantelen. Gigantische gevleugelde gedrochten
klapwiekten op me neer. Ik bevocht ze, tot mijn krachten bijna
waren uitgeput en wist ze toen door middel van antieke spreuken het
vuur op de tafel in te drijven, waar ze werden verteerd. Nog vele
demonen vielen mij aan die lange, verschrikkelijke nacht. Vlammende
meteoren kwamen gierend uit de hemel zetten en ontploften in de
verte op de kale vlakte in de woestenij, terwijl ik pythons van
vuur bevocht en draken van koper. Verleidingen werden me
voorgetoverd en ontelbare drogbeelden, die ik allemaal wist te
weerstaan en die allemaal vals bleken te zijn. Maar eindelijk,
tegen de komst van de dageraad, toen ik wist dat ik welhaast te
vermoeid was om me nog langer te verweren, hoewel mijn schoonheid
en schittering nog onverflauwd waren (iets van bleek goud met
romantische kringen onder mijn ogen, bezwijmend maar verrukkelijk)
verscheen er een lange gedaante aan het andere eind van de
kantelen.
Een man. Een mythische gestalte,
ongelofelijk aantrekkelijk, donker van ogen en bleek van haar, maar
met het merkteken van het kwaad op zijn aanbiddelijke gelaat
gedrukt. Hij trok een lang fosforescerend zwaard en daar gingen we
weer. Waar mijn extra kracht vandaan kwam ging het begrip van het
droom-ik te boven (hoewel het echte ik het donders goed wist) maar
met mijn insummatt vaardigheid had ik hem ten slotte
dodelijk in het nauw gedreven met mijn lange dolk. Maar ik talmde.
Iets weerhield me. Zijn schoonheid benevelde mijn verstand en ik
kon niet toestoten. Beschaamd wierp ik mijn wapen neer en kreet:
'Dood me. Ik ben het niet waardig uw tegenstander te zijn!' En het
grote zwaard werd geheven en was niet meer.
Ik keek verbijsterd omhoog. Mijn vijand
was mijn vijand niet meer. Driewerf schoner sloot hij me in zijn
armen en vertelde me over de oude verschrikkelijke vervloeking die
over hem en dit oord was uitgesproken. Door mijn moed en mijn
schoonheid had ik hem en zijn land gered. (Magnifiek!)
Hij voerde me de trappen af, een prachtige
ridderzaal binnen van goud en vuur, en ik zag dat het paleis niet
langer een bouwval was. Langs de hoge ramen zag ik de glinstering
van de ontkluisterde regen en overal in het rond bloeide de
woestijn.
Bij het bevend getinkel van fonteinen die
uit de rots ontsproten werd ik wakker.
Wie ben ik?' Dat vroeg ik vaak na een
droom. 'Waar ben ik?' Maar het duurt niet lang voor je weer bij
bent. Ik was teleurgesteld. Ons leven was pas begonnen. We zouden
gaan zwelgen en liefde doen, en nu zou ik nooit weten hoe het met
hem... Natuurlijk had ik dat ook in de droom kunnen hebben, als ik
erom had gevraagd. Maar dat doe ik nooit. Ik weet van mensen die
naar de Droomsalons gaan voor niets anders dan om te dromen dat ze
liefde doen, maar wat heb je daar nou aan? Ik wil maar zeggen, je
kan toch liefde doen wanneer je maar wilt, niet, en er zijn
honderdduizend pillen en middeltjes die je een goed resultaat
kunnen waarborgen. Waarom zou je er dan over gaan dromen?
‘Wat ben je lang weggebleven,' zei
Thinta.
Het is niet de droom die zoveel tijd kost,
want ze rekken je tijdgevoel uit of zoiets, zodat elke droom de
voorgeschreven tien mums duurt, maar mijn aanwijzingen vooraf
hadden de hele zaak opgehouden.
Thinta zat likeur van zilverwater te
drinken, maar ik wilde alleen weg om te mijmeren over mijn geliefde
en over de draken die ik had bevochten.
`Ik moet nu echt weg, Thinta oema;
zei ik. 'Ik moet terug naar de Limbo voor de eerste-et-controle van
mijn nieuwe lichaam.'
Dat is zo, ze hebben liever dat je even
langskomt wanneer je niet de eerste paar et binnenblijft. Hergal
blijft er altijd.
`Natuurlijk, oema,' Thinta
glimlachte slaperig. Misschien wilde ze ook alleen zijn. Maar nee
hoor. 'Ik ga mee. We moeten nog betalen.'
0, faratoem! Thinta zanikt nou
altijd over betalen.
We slenterden naar onze betaalhokjes en
daar ging ze.
`Dank u, dank u. Het was werkelijk
grosching, grosching! 0
dank u. Ik ben zo gelukkig. Het was zo
derisann! 0, o, o!' 0, houd je kop toch.
`Dank u,' zeurde ik beleefd.
De machines gaven blijk van protest en
begonnen me aan te moedigen. De hokjes stonden vol mensen die hun
longen uit hun lijf stonden te bleren van dankbaarheid. Ook goed,
dacht ik, dan zal ik jullie eens wat laten zien.
Ik verhief mijn stem.
`0, dank u!' schreeuwde ik. Ik nam een
extasepil en steeg tot ongekende hoogten. Ik tierde, ik krijste tot
mijn keel het begaf. Ik omarmde de machine met ongebreidelde
hartstocht en tranen van liefde rolden langs mijn wangen.
Thinta hielp me eruit. Ze keek
goedkeurend.
`Je bent heel braaf geweest,' zei ze
lovend.
Volmaakte zonneschijn sloeg me in het
gezicht en wierp me de brokstukken van mijn droom voor mijn voeten.
Draken dobberden heen op de zachte bries. Mijn geliefde werd
schimmig en verdween.
Ik nam afscheid van Thinta en ging per
verplaatser naar Limbo. Ze zijn efficiënt maar je moet ervan
braken. Niemand maakt er nu nog gebruik van, behalve Ouderen die
denken dat ze haast horen te hebben en die toch een maag hebben als
een gietplatinum ketel. Ik stapte het hokje in, zette de
schakelaars om en wou dat ik het niet had gedaan. Het gaat snel,
dat wel, maar ik geloof eigenlijk dat je zoveel tijd kwijt bent met
overgeven wanneer je aankomt, dat je net zo goed op een drijfbrug
kunt springen. Maar goed, ik kwam keurig aan maar voelde me
ontzettend raar, alsof ik ergens wat had achtergelaten. Mijn hoofd
of zo.
Robots keken me woedend aan. Ze keurden
het ten strengste af. Verplaatsers zijn niet-Jang en jeugd die
niet-Jang doet is lastig, onredelijk, tosky,
zaradann.
Ze onderzochten me. Ik was onderweg een
klein artistiek geplaatste moedervlek kwijtgeraakt, en daar
mopperden ze wat over. Maar verder was mijn lichaam piekfijn in
orde. Ik was het alleen alweer zat.
`Ik wil een nieuw lichaam aanvragen,' zei
ik.
Een geschokt zwijgen.
`Hoelang gaat dat duren?'
`Uw aanvraag is geregistreerd,' zei de
quasirobot. 'Normaal gesproken zou u dertig et dienen te wachten.
Er bestaat echter een aantekening in uw dossier dat u de afgelopen
wrek veertien lichamen hebt opgebruikt. Daarom zult u ditmaal
zestig et moeten wachten.'
`Kan ik daartegen in beroep gaan?'
'0 zeker.'
`Helpt dat wat?'
`Absoluut niet.'
Ik liep de deur uit.
De middag werd met de seconde
onuitstaanbaarder lieflijk.
Ik liep omlaag naar de Peridot Waterweg en
riep mijn luchtbel. Het water kwam steil heuvelopwaarts
langsgestroomd — een glad parelmoergroen. Gebouwen torenden op
rondom me. Mijn bij viel op mijn kop maar ik was te gedeprimeerd om
hem uit te vloeken. Mijn witte gestolen beest kwam precies in mijn
armen terecht en nam een flinke hap uit me. We deelden elkaar een
paar opstoppers uit en toen sprong het omlaag, de drijvende weg op,
waar het gegrepen werd door een magnetiseermachine en met een klap
tegen een artistiek achtdimensionaal standbeeld van de een of ander
opknalde.
De luchtbel kwam er aan en ik stapte in.
Ik sleurde het beest mee naar binnen, waarom weet ik niet
eigenlijk. Waarschijnlijk omdat ik het gestolen had. Ik hecht
altijd waarde aan de dingen die ik steel, behalve als mijn plezier
in de aanschaf wordt verpest, zoals in de Jaden Toren. Het beest
ging zitten en keek me vuil aan met saamgeknepen ogen. Ik smeerde
wat spul op mijn hand en de wond ging dicht. Het beest keek
teleurgesteld. Ik programmeerde de luchtbel voor mijn huisadres,
maar ik wou er eigenlijk helemaal niet heen. Ik ga gewoon weer
verdrinken, dacht ik, en die zestig et van ze kunnen me niks
faratoem!
Ik stak mijn hand uit naar de schakelaars,
maar voor ik nog wat gedaan had moest ik aan het beest denken.
Waarschijnlijk zou hij zaradann worden van doodsangst. Hij
zou het gewoon niet snappen wanneer het water de zuurstof sluis
binnenliep. Hij zou de dromerige benauwdheid van het doodgaan
helemaal niet lekker vinden. En ik kon het hem niet
uitleggen.
Nou ja, ik kon morgen altijd nog
verdrinken.
Thuis. Waar je luchtbel aanlegt ben je
thuis, zeggen ze. En daar legde ik dus de mijne aan. We gingen het
rolbordes op, mijn bij, mijn beest en ik, onder de grote gouden
ornamentale lamp die op de veranda hangt en die open- en dichtgaat
als zo'n bloem van vroeger. Mijn thuis. Helemaal van glas,
fijnzinnig beneveld op strategische plaatsen en doorschoten met
regenbogen. Het weergalmt van onvermoeibare mechanische stemmen die
verzoeken te mogen horen wat ze ons te eten of te drinken mogen
brengen of waarmee ze ons aan het lachen mogen maken. Hoorbare
muziek (maar is dat echt muziek?) woedde door de glazen zalen —
geklik en geroffel en geraas en gerinkel. Ik gaf een signaal aan
mijn makers en steeg per vliegende vloer naar de ruimte waar ze
waren. Ouderen veranderen bijna nooit van lichaam, en mijn makers
zagen er al wreks lang precies hetzelfde uit. Ze waren allebei man.
Al een eeuwigheid waren ze nu overwegend mannelijk, heel
soolka met hun donkere baarden en hun sandalen met kwastjes;
ze hielden een on-Jange orgie, grosching gewoon met een
heleboel oudere vrouwen en ontzettend sexy ondoorzichtige
jurken.
Wie ben jij?' vroegen ze
vriendelijk.
Ik legde het uit.
`0.' Ze zetten een paar
herinneringsspiegels aan zodat ze mijn beeld ergens konden opslaan
en het later konden terugzoeken.
`Doe maar geen moeite,' zei ik. 'Ik
verander het toch weer over een zestig et.'
De vliegende vloer voerde me weg en ze
wijdden zich weer aan hun bokkesprongen zonder nog naar me om te
kijken, zelfs niet naar mijn haar. Ik herinnerde me dat een van de
twee, degene die mijn vrouwelijke maker was geweest, zoveel wreks
en etten geleden, de pest had gehad aan scharlakenrood. Nou ja,
misschien was ze nu wat verdraagzamer, aangezien ze meesttijds
mannelijk was tegenwoordig. Ik kon me niet herinneren wanneer ze
voor het laatst vrouw was geweest. Waarschijnlijk niet meer sinds
die periode vlak na mijn hypnoschool, toen ze besloten hadden samen
een huishouding te voeren en mij daarin op te nemen. Meestal vinden
mensen het te veel rompslomp om bij elkaar te blijven maar mijn
makers waren altijd al een beetje getikt geweest.
Boven, tussen de langzaam ronddraaiende
glazen torentjes, moest ik de vacuümkolk even aanzetten, want ik
moest overgeven. Daar had ik al min of meer op zitten wachten vanaf
die rit in de Verplaatser. Direct daarop kreeg ik honger. Ik had
met al die toestanden een stuk of tien maaltijden gemist.
Kunstzinnig vormgegeven vruchten,
geroosterde sneeuwspiralen en drankjes met zilverijs erin kwamen
mij suizend te hulp, nog voordat ik een mond had open gedaan. Mijn
makers hadden kennelijk telepathie-apparatuur laten inbouwen
terwijl ik weg was; ik mocht wel oppassen. Ik slenterde de
bontkamer binnen en mijn banket volgde me zwevend op kristallen
schalen terwijl het afschuwelijke liedjes zong over hoe lekker het
toch wel was, voor het geval ik zou vergeten dat die rotzooi er
was. Ik nestelde me in warme rookgouden zweefvachten en at alles
gedachteloos op.
Ik zette de Kijkvisie aan in het plafond
en ging liggen kijken naar de meest absurde liefdesriten die ik
ooit had gezien. Iedereen bezat minstens zes lichamen en alles
kronkelde zich om elkaar heen dat het een aard had, in
verrukkelijke kleuren, onder het zware aroma van brandende wierook
en het sidderen van cimbalen. Ik zette de Kijkvisie af en liet het
plafond omzetten in een zesdimensionale kubus, maar je moet echt in
de stemming zijn om zoiets te kunnen beschouwen. Soms raak je er
echt helemaal in, je wordt als het ware opgeslorpt. Maar als je je
niet lekker voelt dan lijkt het nergens naar.
Ik liep de bontkamer uit en ging naar het
zwembad. Ik gaf mezelf een zuurstofinjectie en zwom een hele tijd
rond door de wuivende oerwouden van exotische waterplanten op de
bodem. Ik was een verloren prinses uit een oud geslacht, die een
monster opspoorde in de turkooizen diepten van een verboden
zee.
Rang! Daar riep die twalldrap van een Kley
me op. Het driedimensionale beeld van Kley en een of ander
tosky Jang-feest waar hij uithing zwierde dwars door het
bad.
`Schakel in nou, oema,' riep
Kley.
`Ik ben moe,' zei ik. `Ga weg. Ga
weg.'
Maar ze wilden niet weg. Ze waren in
extase maar ook op energiepillen om zich lekker te kunnen uitleven.
Afschuwelijk.
Ik klom mijn bedorven verboden zee-zwembad
uit en het dansende beeld kwam me achterna door onze keurige tuin
en ramde de abstracte beeldhouwwerken en raakte verward in de
vijfdimensionale pilaren. Ik vond de heremietschakelaar en weg was
het feest, vanuit zijn onwezenlijke beeldbestaan teruggeëxplodeerd
naar zijn echte bestaan, waar dat wezen mocht.
Ik zag het beest aan komen springen door
de tuin, een witte vlek tussen het gras van aluminiumzijde.
Ik wilde slapen.
Ik droomde de hele nacht,
ongeprogrammeerde dromen waarin een schimmig donker wezen me door
vuur en water achternazat en me ten slotte beet, terwijl boven ons
de volmaakte ornamentele sterren aan het onzichtbare golfkoepeldak
van Vier BIJ glinsterden en blonken.
Ik herinner me die keer in het
Prismaparadijs toen ik mijn dromen liet analyseren, die keer dat
Hergal en ik elkaar waren kwijtgeraakt. Niet dat ik een woord had
verstaan van wat de robot me vertelde, terwijl ik in zijn grote
elektrische ogen staarde. Ik denk dat ik gewoon in gedachten bezig
was om Hergal uit te foeteren en dat ik daarom me niet behoorlijk
kon concentreren.
In mijn slaap hoorde ik een enorme klap en
ik werd wakker. Er flakkerde een nieuwsflits boven de stad. Weer
die Hergal. We woonden niet ver van het Zeefahrmonument en ik
hoorde de klap bijna altijd. Ik transparalyseerde een van de muren
en zag hoe de vlammentongen de hemel lekten.
Wat was die Hergal toch een
verbeeldingsarme klier.
Maar de flits was nu helderder en het was
Hergal niet. Dit keer was het Thinta.
Wat ontzettend droemdik.
`Hallo, Danor,' zei ik.
Hij was in zijn nopjes. Ik had zijn nieuwe
lichaam ogenblikkelijk herkend. Ik had de flits gezien toen ik
mezelf een etensinjectie gaf. 's Ochtends vroeg kan ik meestal niks
stevigers naar binnenkrijgen. Maar hij is altijd zo slank en zo
vief, of hij nou man of vrouw is, dat je je eigenlijk niet kon
vergissen. Hij had dit keer enorm lang haar en een sluike snor —
dat was op het ogenblik een rage overal — en allebei volstrekt
gitzwart met een soort saffieren weerschijn, en dan nachtblauwe
ogen en geen vleugels. Wel voelsprieten.
`Vind je het leuk?' Hij draaide langzaam
in de rondte en ik bewonderde hem. Hij zag er best krachtdadig uit,
met een soort van metalige tweede huid als kleding en het soort
laarzen dat ik had geprogrammeerd in mijn droom van de vervloekte
minnaar.
`Derisann,’ zei ik.
Het was vrij laat op de ochtend. Als ik
slaap, dan slaap ik door, meestal totdat Vier BIJ alweer donker
wordt en het sterrelicht aanzet. Maar anders sla ik net als ieder
ander mijn waakpillen achterover.
`Ga mee eten,' zei Danor. Hij was dol op
eten.
`Voor geen prijs,' zei ik.
`0. Nou, het Dimensiepaleis dan. Hatta
zegt dat er een nieuwe doolhof is op superzeven.'
Hij was zo enthousiast dat het zonde was
om dat elan te blussen, dus zakten we af naar het Paleis.
De Commissie, die voortdurend over alles
en iedereen in Vier BIJ verslagen produceert, stelt dat het DP een
'essentiële uitlaatklep is voor negatieve motivatiereflexen'. Dat
zeggen ze tenminste op de flitsen.
De dimensies zijn natuurlijk wel leuk; de
lucht kan er een vaste tastbare stof zijn, of verschillende kleuren
hebben, of alles is precies omgedraaid, zodat als je, om maar wat
te noemen, in een spiegel kijkt, je een toeval krijgt omdat je neus
naar binnen groeit in plaats van op je gezicht te zitten, of het
kan dat je alleen maar kunt kijken met je ogen dicht.
Alles bij elkaar kan het Dimensiepaleis je
goed van je stuk brengen. Het is heel populair. Je krijgt
natuurlijk niet zoveel doodsschrikken in Vier BIJ, normaal
gesproken, hoogstens wanneer er eens een automatische deur naar
boven open gaat in plaats van naar beneden of zoiets.
Superzeven was een nachtmerrie en ik hield
het er niet lang uit. Ik stond op een gegeven ogenblik eensklaps
hier, en ik zag mezelf daarginder staan, of liever gezegd, mijn
onderlichaam tot aan mijn heupen, aangezien ik in tweeën was
gedeeld. Het was niet zo'n beetje akelig. Ik wil zeggen, je bent
natuurlijk niet echt gespleten of zo, de natuurkundige wetten in
dit onderdeel van de dimensies laten het er alleen maar zo uitzien.
Ik voelde zelfs nog gewoon wat mijn benen en voeten voelden en toen
ik mijn handen omlaag deed, voelde ik er mijn dijen mee. En met dat
ik dat deed, zag ik mijn handen naast mijn dijen verschijnen, wat
ook wel logisch was, maar aangezien die aan de andere kant van de
kamer stonden was het allemaal een beetje droemdik. En toen
merkte ik dat ik weer werd gespleten. Ik keek achterom naar mijn
heupen en benen in de verte en iets dichterbij zag ik mijn slanke
leest en mijn exotische boezem met dikke lokken vuurrood haar erop
gedrapeerd, maar dan opeens recht afgekapt bij de nek. Ik was dus
kennelijk alleen maar een kop! Het zweet brak me aan alle kanten
uit en de hemel zij dank kon ik dat ook over mijn hele lichaam
voelen. Wat zou er gebeuren als ik me nog eens bewoog? Ik waagde
het erop. Faratoem! Ik lag nu omhoog te turen naar mijn
bovenlijf, en een eindje verderop dreef mijn arme gedesoriënteerde
hoofd, terwijl ik klaarblijkelijk met mijn voeten keek.
Op dat moment nam mijn gekrijs vaste vorm
aan en fladderde door het hele vertrek; de paniekknop op mijn
ceintuur ging af, en een paar seconden later kwamen er horden
robots, ongevoelig voor al dat afschuwelijks om hen heen,
aansnellen om me naar de normale wereld terug te brengen.
Danor en ik zweefden doezelig in onze
aangrenzende baden met warme vloeibare lucht, nog nasidderend van
afgrijzen. Zodra de onmiskenbare opluchting wegtrok zou ik zoals
gewoonlijk weer bedenken hoe futiel dergelijke niet-constructieve
schrikpartijen altijd waren. Maar op dit moment was ik, nu ik weer
helemaal aan mezelf vastzat en mijn haar uitwaaierde als een rode
anemoon uit een sprookje, wát blij dat ik was meegegaan. Danor kwam
naar de scheidingswand toegezweefd en hees zich eroverheen om in
mijn bad te komen. We plonsden wat rond en begonnen al gauw te
zoenen, waarop Danor ons op een van de luchtkussens hees.
`Zullen we liefde doen?' stelde hij voor,
en zoals hij het zei was het een aantrekkelijk idee.
`je weet dat dat alleen iets voor Ouderen
is,' zei ik. 'Het is gewoon on-Jang om niet eerst te
trouwen.'
Danor rolde zich op zijn rug en staarde
naar de abstracte beeldennevel op het plafond.
`Laten we dan gaan trouwen voor een
middelwrek.'
Middelwrek duurt veertig et en dat
is erg lang, maar Danor keek zo hoopvol, en ook enigszins
verlokkelijk, dat ik toestemde.
We gingen met zijn luchtbel de Purperen
Waterweg op, voortstormend door grijspaarse vloeistofkanalen
terwijl Danor op de schakelaars beukte. Hij scheen ontzettende
haast te hebben.
De Ivoren Koepel is een goeie plaats om te
trouwen. De quasi-robots houden er meestal hun mening voor zich, en
herinneren je er niet voortdurend aan dat de mensen bij de laatste
zes huwelijken die ze sloten veel dankbaarder waren en veel
geestdriftiger betaalden, voor ze ervandoor stormden om liefde te
doen. In de roomkleurige ontvangsthal kochten we ringen voor
elkaar, vijf per persoon voor de linkerhand, en ik had gewoon het
hart niet de mijne te stelen, terwijl Danor zich zo dapper stond
hees te balken in het betaalhokje.
Hoestend gleden we langs de wentelende
spiraal een ruime open zaal binnen en trokken de witte vliesdunne
gewaden aan die je daar moet dragen. De quasirobot in zijn zwarte
toga en zijn glinsterende hoofdtooi nam onze belofte van trouw voor
een middelwrek met voortreffelijke belangstelling in
ontvangst.
`Ik beloof liefde te doen met jou en geen
ander voor de voormelde periode, tenzij ik ontbinding aanvraag
hetgeen zal zijn toegestaan om de andere et gedurende de
huwelijksperiode, en voor hetwelk dient te worden betaald.'
De banken van de energiecentrales van Vier
BIJ slaan daar een aardig slaatje uit, in feite omdat lange
verbintenissen bijna altijd eerder gaan vervelen dan de deelnemers
hadden verwacht. En Vier BIJ dekt zich voor de korte verbintenissen
ook aardig in: als je alleen trouwt voor een et of een middag,
hetgeen natuurlijk korter is dan de gebruikelijke opzegtermijn, dan
moet je voor en nadat je bij elkaar bent geweest betalen.
Danor en ik wisselden onze tien ringen
zonder er eentje te laten vallen. (Hergal liet ze meestal allemaal
schieten en dat gaf een verschrikkelijk lawaai, als ze over al dat
marmer rinkelden en rolden.) Daarna leverden we tezamen met onze
robot onze bedankjes in, waarop Danor me de Ivoren Koepel
uitsleurde de luchtbel in, en we spetterend wegstoven naar een
zweef.
De zweven, die kalmpjes in de lucht
drijven en vervaardigd zijn
van met plastic versterkte wolken, zijn
favoriet bij jonggehuwden.
Ik ben er nou vaak geweest maar het is zo
fijn, dat het maar zelden verveelt.
Danor duwde me zacht maar beslist neer op
een groot, zacht, vormgevoelig bed van een goud met paarse
regenwolk en ging met een smelter langs zijn en mijn kleren.
'Ik vind je lichaam buitengewoon
aantrekkelijk,' hijgde hij. 'Het is een van de beste die je ooit
hebt ontworpen.'
Gevlijd begon ik onder zijn liefkozingen
vlam te vatten, en ik was dus nogal geschokt toen hij opeens
ophield en overeind ging zitten.
`Wat is er, Danor?'
Danor keek me treurig aan.
`Het heeft geen zin,' zei hij. 'Ik dacht
dat het met jou misschien zou gaan, maar het gaat niet.'
We probeerden het echter nog een keer, in
diverse posities, en toen begon het donker te worden en we werden
het goed zat. We rustten eerst uit en namen liefdesdrankjes en
slikten extase- en energiepillen, en zakten uiteindelijk hijgend
van vergeefse vermoeidheid naast elkaar neer.
`Hadden we maar meteen kunnen lieven in
het Dimensiepaleis,' mompelde Danor. 'Ik weet zeker dat het dan
goed zou zijn gegaan. Het komt door dat uitstel. Altijd uitstel.'
Hij keek me smartelijk aan. 'Ik heb nou al tien wreks niet meer met
goed gevolg liefde gedaan.'
Verschrikkelijk. Arme Danor!
`Het komt vast,' zei ik terwijl ik volgens
mij mijn teleurstelling vrij goed wist te verhelen, 'het komt vast
omdat je overwegend vrouwelijk bent, net als ik. Misschien nog wel
meer. Toen ik vorige keer man was en Kley vrouw, toen ging het
allemaal fantastisch. Maar jij bent nu al een eeuwigheid mannelijk.
Je hebt behoefte aan verandering.'
`Helaas,' zei Danor, 'lukt het dan ook
niet. Je kunt alleen makkelijker doen alsof, als meisje.'
Ik probeerde een opgewekte bemoedigende
uitspraak te bedenken, maar ik kon er niet opkomen.
Danor liep naar een wolkenwand en zette de
druk aan, zodat er een groot ovaal venster verscheen. Hij keek uit
over Vier BIJ, dat in de schemering beneden lag te
glinsteren.
`Vaarwel,' zei hij. En hij sprong en liet
zich tientallen meters omlaag storten, de stad in. Ik was als
lamgeslagen. Hij had eruitgezien alsof hij het meende, ondanks het
feit dat het een zinloze daad was, aangezien ze hem zo weer in een
nieuw lichaam zouden proppen, binnen tien mums nadat hij was
neergesmakt. Een heel eng gevoel trok door me heen, net als wanneer
je in een droom de draak tegenkomt — maar niet precies, want dat is
een plezierige angst en dit niet — en ik moest hard mijn best doen
om me niet helemaal door dat gevoel in bezit te laten nemen. En
plotseling herinnerde ik me dat we voor de hele middelvrek waren
getrouwd en dat ik nu morgen voor de ontbinding zou moeten betalen.
En dus steeg er een warm, geruststellend gevoel van woede in me op.
Een ontbinding is iets wat je absoluut niet kunt stelen, en je kunt
niemand anders trouwen, zelfs niet voor een halfuurtje, zolang je
geen ontbinding hebt gekocht.
Ik tierde en mopperde de hele nacht rond
in de zwever; ik stompte die stomme wolken in elkaar en schold ze
uit toen ze me een grosching eten serveerden dat ik helemaal
niet hebben wou.
Ik begroette de dageraad in een toestand
van wanorde; ik wilde niet hierboven blijven, maar ik baalde van al
dat bedankwerk dat ik zou moeten gaan doen in de Ivoren Koepel,
terwijl de quasirobot waarschijnlijk afkeurend zou staan te kijken,
dat we het maar zo belachelijk kort hadden uitgehouden.
`Attlevey, oema,' zei een
stem en ik zag dat het oproeplampje aanstond en dat naast mij in
het vertrek de driedimensionale afbeelding verschenen was van een
schoonheid van een meisje, met een lichaam dat erg op het mijne
leek, met uitzondering van het ravezwarte haar dat een saffieren
glans had.
`Ik ben het, Danor,' zei ze.
`Grosching,' zei ik. En een kleine
koude knikker ratelde door mijn geest, maar ik had toch de pest in,
of niet soms? En ik vergat het gauw weer.
`Ik dacht dat je wel zou willen weten,'
zei Danor kalm, 'dat ik nu naar de Ivoren Koepel ga om voor de
ontbinding te betalen.' `Dankjewel!' snauwde ik en zette de
heremietschakelaar aan.
De hele dag zwierf ik rond door Vier BIJ
tot ik me een beetje eng begon te voelen en besefte dat ik weer
niet gegeten had, waarop ik een etensinjectie nam.
Ik kwam Thinta tegen bij het Robotmuseum.
Ze vindt het leuk daarbinnen, notabene. Ik herkende haar eerst
niet, in haar nieuwe lichaam, maar ze was eigenlijk gewoon
hetzelfde onder haar zachte grijze vacht, en hoewel haar ogen nu
geen wit meer vertoonden hadden ze haar gebruikelijke helder groene
tint.
`Het kwam door de Droomsalon,' legde
Thinta uit, terwijl we goud-op-sneeuw dronken in een
onderwater-restaurant. 'Ik droom altijd dat ik een soort katwezen
ben. Ik wilde een kattelichaam laten maken, maar dat wilden ze
niet. Die vacht is eigenlijk maar een compromis.' Ze begon te
mopperen op de Commissie, dat ze haar geen ingebouwd spinmechanisme
hadden willen geven en ik maakte dat ik wegkwam.
Ik wilde iedere vriend en vriendin die ik
had uit mijn kring stoten, eerlijk, zo drood voelde ik me
plotseling, zo oneigen tegenover iedereen; maar het eind van het
liedje was dat ik mezelf officieel uitstootte, wat een stuk
makkelijker was en toen ging ik op de trappen van de Jaden Toren
zitten, onder het gebrul en gesproei van de draak, om te
huilen.
Ik bedoel, het is een kwestie van
beleefdheid om te huilen als je uit iemands kring wordt
gestoten, zelfs al is het je eigen kring.
Maar het ging maar door, ik kon helemaal
niet meer ophouden. Ik geloof dat ik de hele nacht heb
doorgehuild.