4

 

 

 

 

Conrad ‘Briney’ Hanson, kapitein van het vrachtschip Batavia Queen zoog aan zijn Djarum-filtersigaret en inhaleerde de kruidnagelrook diep in, voordat hij hem met een getergde zucht uitblies. Zijn ogen waren half toegeknepen tegen de verblindende tropenzon. Hij stond op de brug van de oude roestbak voor zich uit te kijken, de ellebogen geleund op de door het zout aangevreten reling.

Ze lagen voor anker en in het afnemend tij was de boeg gedraaid. Een kilometer verderop zag Briney Hanson de dichte, ongerepte jungle van Tandjung Api liggen. In de verte glinsterde het witte schuim van de lage golven die op het zandstrand braken. Het oogde verraderlijk rustig, maar hij wist dat dit maar schijn was. Bij eb was dit gevaarlijk gebied met amper een meter tachtig vrije ruimte boven een lange zandbank.

Als die sukkel van een machinist de motoren niet gauw aan de praat kreeg, zouden ze hier uren vastzitten en misschien zelfs aan de grond lopen. Benedendeks hoorde hij McSeveney erop los beuken met iets zwaars en kon hij hem horen vloeken in een mengsel van Maleisisch pidgin en Schotse schuttingtaal dat zelfs de meest onderlegde linguïstische expert voor een raadsel zou stellen.

De donkerharige, diepgebruinde kapitein nam nogmaals een trek van zijn inheemse keraksigaret en doofde hem toen in het met zand gevulde blik dat voor dat doel met kleefband aan de reling was vastgezet. Hij keek omlaag naar het benedendek, dat lag te bakken in de zon. Eli, de sterke, van oorsprong uit Mozambique afkomstige, bekwame zeeman, stond met ontbloot bovenlijf te schilderen. Armand, zijn magere makker, stond roest af te schrapen. Eli was zwart als steenkool. De ergens van de Balkan afkomstige Armand was bleek als een vampier en droeg altijd een merkwaardige kozakkenpet met oorkleppen van vinyl om zijn kaalgeschoren schedel te beschermen tegen de zon. Ze vormden een vreemd stel: de zwarte Eli met zijn tatoeages en de lange wormachtige littekens op zijn rug, waarover hij nooit sprak, en die Armand met zijn bleke huid en zijn pet.

Briney Hanson staarde voor zich uit naar de jungle. Wie was hij om die twee vreemd te noemen? Wat deed een brave Deense jongen uit Thornsminde in het territorium van koppensnellers en Chinese-Zeepiraten om daar vrachten tl-buizen en fietsen van Bangkok naar Sjanghai te varen, of cacaopoeder, handtassen en auto-onderdelen van Kaohsiung naar Manila? Een man die zijn dagen doorbracht met rond riffen en eilanden varen en zich nu en dan ’s nachts moest verweren tegen gestolen vissersboten vol terroristen van Abu Sayyaf of MILF-fanatici, die stonden te zwaaien met RPG-raketwerpers en Chinese AK-47’s? En dan vergat hij maar even dat hij het oude omgebouwde korvet uit de Tweede Wereldoorlog soms ook nog door tyfoons, moessons of tsunami’s moest loodsen.

Het antwoord hierop was betrekkelijk eenvoudig. Hij hield niet van haring. Hij hield niet van hoe ze eruitzagen, smaakten of roken, vooral niet in gepekelde staat. En bovenal wilde hij zijn leven niet wijden aan de haringvangst, zoals zijn vader had gedaan. Leven en laten leven was altijd zijn devies geweest. Híj zou uit de buurt blijven van de haring en de haring uit de buurt van hem.

Dat eenmaal besloten, liep de rest eigenlijk vanzelf. Meteen na de middelbare school werd het vijf jaar Deense Koninklijke Marine, waarvan drie op ijsbrekers en twee op bevoorradingsschepen. Vervolgens was hij matroos eerste klas bij de Deense koopvaardijvloot geworden, merendeels op vrachtschepen en schepen die vee vervoerden. Hij werkte zich geleidelijk aan op tot hij zijn kapiteinspapieren had, om vervolgens alles te verliezen door een dronken steekpartij in Kowloon.

Nadat hij door een knul van tien gerold was werd hij wakker in een luizig hotelletje in Manila, had in een havenkroeg een gesprek met Nick Lumbera, de getaande kapitein van de Batavia Queen, bij wie hij aanmonsterde als stuurman en die hij verving toen de goeie ouwe Nicomedes stierf aan een beroerte terwijl ze bij windkracht negen door de Straat van Malakka voeren, onderweg naar Bombay. Het ruim van de Queen zat barstensvol hoestpastilles met mentholsmaak en het hele schip rook naar een zware verkoudheid.

Hij had het schip door de storm en de Straat geloodst, met Lumbera veilig opgeborgen in de koelruimte, en had de hoestpastilles op tijd afgeleverd in Bombay. De eigenaar van het schip, de Sjanghai-Sumatra Shipping Corporation, een piepkleine dochtermaatschappij van het Boegart-zeevaartimperium, was tevreden en vroeg Briney of hij niet wilde aanblijven als kapitein, zonder verder al te veel vragen te stellen. Tenslotte viel het niet mee om gekwalificeerde mensen te vinden die bereid waren om op de afgetrapte trampschuit te zitten en tussen een stuk of twintig primitieve, ondiepe havens te pendelen. Hij had de baan vrijwel zonder aarzelen aangenomen, aangezien het onwaarschijnlijk was dat hem ooit iets beters zou worden aangeboden.

Dat was tien jaar geleden. Over een paar jaar zou hij zichzelf van middelbare leeftijd kunnen noemen. Hij had niets gespaard, geen pensioen, geen gezin. De Batavia Queen was bijna zeventig jaar oud en stoomde af op het eind van haar werkzame leven. Als het schip niet werd opgekalefaterd, een waanzinnig dure grap, dan was het slechts een kwestie van tijd dat Hanson het bevel zou krijgen om de Queen naar haar graf te varen in Alang, die naargeestige plek aan de Indiase kust die bekend stond als de Beach of Doom. Het zou tegelijk het eind van zijn eigen werkzame leven zijn. Het strand waarop hij zelf gesloopt zou worden, bestond hoogstwaarschijnlijk uit de bodem van een fles in een smoorhete kamer boven een bar in Rangoon. Hij drukte weer een sigaret uit in het zandblik. Verbazend, hoe makkelijk een mens van daar naar hier en van toen naar nu ging.

Jakolin mo ako!’ Pal onder de brug, aan bakboordzijde van het opperdek, ging met veel kabaal het waterdichte mangat open en daar verscheen McSeveney. Zijn smalle, donkere, sproetige gezicht zat onder de vetvegen. Zijn haar was weggestopt onder een nylon netje, gemaakt van een been van een panty. ‘Putang inang trabaho ito! Ya wee houghmagandie Jockbrit! Ya bluidy ming mowdiewark sasunnach schapenneukende schijtbak!’ Hij rochelde en spoog een dikke kwat overboord. ‘Schijtbak! Krijg er de dunne van, van dat doorgefuckte sekreet!’ Hij gaf een schop tegen de kap van het luchtgat onder aan het dekhuis. ‘Gore hoer! Yah pok-pok Ang okie mo amoy ang pussit!’ Hij pauzeerde even. ‘Cao ni zong shi ba dai!’ voegde hij er toen in het Mandarijns aan toe, voor het geval er nog enige twijfel bestond.

Hanson wist dat Willy een uur lang kon vloeken zonder zichzelf te herhalen. ‘Probleem, Scottie?’ riep hij.

McSeveney keek naar hem op, zijn zwarte kraalogen half toegeknepen. Hij zag eruit als een tot razernij gebrachte rat in een oude, gestreepte overall. ‘Ik heb er de pest aan als je me zo noemt, en dat weet je best!’ grauwde Willy. Zijn Edinburghse accent klonk scherp als azijn en dik als stroop. ‘Die knakker was geen Schot, maar een Canadees. En dít hier stelt niks voor, het is een prutschuit! Dus hou jij effe je kanis!’ Met een rochel ging er weer iets overboord. Hij keek strijdlustig omhoog naar Hanson. William Tung McSeveney was, althans volgens hemzelf, het product van de onwaarschijnlijke verbintenis tussen een roodharige Schotse klerk bij Jardine-Matheson, die in de negentiende eeuw de winst uit de opiumhandel bijhield, en een hoer uit Macao. Ze heette Tung Lo May, een naam die bij Hanson altijd weer de associatie opriep van iets dat je op een Chinese menukaart zou kunnen aantreffen. Het vermengen van de nationaliteiten werd gedurende enkele generaties enthousiast voortgezet, en Willy was hiervan het eindproduct. Hij groeide op in een achterbuurt van Fountainbridge, in een Chinese wasserij. Hij volgde een opleiding bij de afdeling zeecadetten aan Bruntsfield School, waar Sean Connery hem ooit was voorgegaan. Willy had maar één droom gehad: Auld Reekie, het stinkende Edinburgh, zo snel mogelijk achter zich laten. Op zijn veertiende monsterde hij aan als leerling-machinist vierde klas op de Lanarkshire, met bestemming Afrika en Azië. Hij had nooit weer voet gezet in Schotland. Hij werkte op vijftig verschillende vrachtschepen op de Straat van Malakka-route van Hongkong tot Rangoon, tot hij tenslotte op de Batavia Queen een thuis en een stel oude Schotse ketels vond.

De Queen was ouder dan wie ook van haar bemanning. Ze werd op een scheepswerf in Vancouver, aan de Canadese westkust, gebouwd als een Flower Class korvet K-49. Ze werd uitgeleend aan de Royal Australian Navy en tijdens de oorlogsjaren ontweek ze Japanse torpedo’s en vervoerde ze troepen door MacArthurs Filippijnen en van Darwin naar Rabaul. Aan het eind van de oorlog zwaaide ze af in Subic Bay, waar ze werd gekocht door Burns Philips en de naam kreeg die ze nog altijd droeg. De Queen deed twintig jaar dienst als handelsschuit die de eilanden aandeed, na eerst vanbinnen praktisch gesloopt te zijn om een elementair vrachtruim te krijgen.

In de jaren zestig onderging ze nogmaals een gedaanteverandering. Dit keer werd ze omgebouwd tot bergingsvaartuig, waarmee dezelfde routes werd bevaren als eerst, maar nu om naar wrakken en tijdens de oorlog gezonken schepen te zoeken die, eenmaal omhooggehaald en weggesleept, als schroot verkocht konden worden. De schrootbusiness was eindig en opnieuw werd de Queen ingezet in de handel tussen de eilanden. In de loop der jaren ging ze van hand tot hand als een straathoer die haar beste tijd heeft gehad, tot ze tenslotte werd ingelijfd bij de Boegart-vloot, bijna door slordigheid.

Ze was krap zeventig meter lang en tien meter breed en had een diepgang van ruim drie meter wanneer de pompen werkten. Ooit uitgerust met dieptebommen, een vier-inchkanon op het voorschip, luchtafweergeschut en twee twintig-millimeter boordwapens, was ze nu al vele jaren geleden onttakeld, en wat er restte was een roestbak met als bescherming alleen een oud grootkaliber geweer in de kapiteinshut en hier en daar verborgen nog wat wapens voor het geval dat.

Gebouwd op een bemanning van zeventig koppen, deed ze het er nu met elf. Van Hanson op de brug tot McSeveney en zijn logge, stomme Koreaanse veger, Kuan Kong, in de machinekamer. In geval van nood was er één reddingsboot, een negen meter lange sloep die op het achterschip aan provisorische davits hing, daar waar eens de rails voor de dieptebommen bevestigd waren geweest. De Queen kon als het moest twaalf knopen halen, maar meestal liep ze een rustige zeven.

Oorspronkelijk was de Queen in grijs- en blauwtinten geschilderd, maar in de loop der tijd had ze ook hierin gedaanteveranderingen ondergaan. Van zwart naar groen naar dofrood. En nu was ze opnieuw zwart, met een witte bovenbouw en een felrode schoorsteen met een grote zwarte B. Het hele schip zat onder de roeststrepen. De verblijven in het achter- en voorschip en de brug hadden een onnoemelijk versleten houten dek, maar al het overige bestond uit geklonken plaatstaal. Het sierde haar bouwers dat ze nog dreef, na zich bijna zeventig jaar door oorlogen, stormen en beukende zeeën heen te hebben geslagen. Wat niet wilde zeggen dat ze niet onmiskenbaar en soms lawaaiig blijk gaf van haar ouderdom.

Bijna in weerwil van Hansons sombere gedachten, steeg er plots gebulder op uit het binnenste van het schip. De kolossale gietijzeren machine kwam schuddend en donderend tot leven. Enkele seconden later klonk McSeveneys stem hol door de spreekbuis in de stuurhut.

‘Kapitein. Herken je dat prachtgeluid?’ riep hij.

Hanson liep van de brug de kleine stuurhut in. ‘Bedankt, Willy!’ brulde hij in het ouderwetse trechtervormige instrument. ‘En nu langzaam vooruit. Laten we maken dat we van dit rif af komen.’

Enkele seconden later pakte de ronddraaiende schroef en de Batavia Queen begon, als de aarzelende douairière die ze was, weer naar open zee te varen.