27

 

 

 

 

Ze ontwaakte in het paradijs. Vlak boven haar hoofd schitterden zonnevlekken door heldergroen loof en ze rook een haar onbekende geur van iets kruidigs.

‘Kindlief.’ Het woord werd zacht en teder uitgesproken. Ze liet haar hoofd opzij vallen en zag een rode baard en toen het gezicht van Pieter Boegart. Hij zat geknield naast haar. Ze bevonden zich bijna op het hoogste punt van de Punchkom, op een grote open plek, een door bloeiende bomen omgeven, glooiende wei met zacht wuivend gras.

‘Kindlief,’ zei hij nogmaals. Er stonden tranen in zijn ogen.

Ze probeerde naar hem te glimlachen, maar werd overvallen door een doffe pijn waardoor haar adem even stokte, zo hevig was het.

‘Je hebt geslapen,’ zei de man met de rode baard.

Langzaam draaide ze haar gezicht de andere kant op. Ze lag met haar hoofd op Billy Pilgrims schoot. Hij zat onder een hoge oepasboom aan de rand van de open plek. In de diepte zag ze de heldere blauwgroene cirkel van de dodelijke lagune liggen.

‘Ze hebben je een medicijn gegeven. Suikerrietazijn, om de pijn te verlichten. Je was bijna dood.’

‘Hoe ben ik hier gekomen?’ Ze knipperde met haar ogen.

‘We hebben je gedragen.’ Billy keek glimlachend op haar neer. Er zaten een stuk of wat vurige rode striemen op zijn gezicht, waar hij door de dodelijke kwallen was gestoken.

Finn zag nu dat de anderen dicht bij haar zaten en ook dat ze uitgeput waren. Verder waren er een aantal inboorlingen. Ze depten hun steken met iets dat ze uit met rotan omwikkelde, aardewerken potten schepten. Geen van hen leek gewapend. Twee van hen waren vrouwen. Ze droegen hun haar van achteren samengebonden met leren riemen. Iedereen uit de boomkano was er. Iedereen, behalve Winchester.

Ze huiverde bij de herinnering aan hoe ze hem voor het laatst had gezien. ‘Waar zijn we?’

‘Winchesters leeuwen,’ zei Billy. Hij streek een sliert haar uit haar ogen. ‘Denk je dat je kunt opstaan of wil je nog wat rusten?’

‘Het gaat prima,’ zei ze. ‘Tenminste, dat denk ik.’ Geholpen door Boegart en Billy probeerde ze op te staan. Ze kwam wankelend overeind, voelde zich zwak en steunde op Billy. Boegart hield haar nauwlettend in de gaten.

Van de anderen was Khan de enige die opstond. Omdat hij met blote armen en benen in het water was gevallen, leek hij de meeste steken opgelopen te hebben.

‘Híj heeft je uit het water gevist,’ zei Billy. ‘Hij heeft je het leven gered.’

‘U zou doodgegaan zijn,’ zei Khan bescheiden. ‘De kwallen waren nog jong, de meeste in elk geval, maar u was de kleinste van ons en ze zouden u gedood hebben, zoals ze met uw vriend gedaan hebben. Dat kon ik niet laten gebeuren.’

‘Dank u,’ zei Finn. Meer viel er niet te zeggen.

‘En u?’ vroeg Finn, zich tot Pieter Boegart richtend. Ze wist niet goed wat ze denken moest van deze vreemde man met zijn rode baard, die haar biologische vader kon zijn, maar misschien ook niet. ‘Hoe komt u hier?’

‘Een van onze verkenners zag de kwallen. Ik wist dat jullie gevaar zouden lopen.’ Hij zweeg even. ‘Ik wist niet zeker of jullie Latijn goed genoeg was om de instructies van de oude Willem te vertalen.’

‘Het mijne was dat niet,’ zei Billy lachend.

‘Kom,’ zei Pieter en hij pakte Finn voorzichtig bij de arm. ‘Er is iets wat ik jullie twee moet laten zien.’

Ze staken de open plek over en liepen over een kronkelpad door de jungle honderd meter omhoog. Ze kwamen uit bij een kleine, kale rots van waaraf ze de hele caldera konden overzien.

In de zijkant van de rots bevond zich een smalle spleet in het gesteente. ‘Stap erin,’ zei Boegart.

Zich dun makend, schoof Finn zijdelings naar binnen. De nauwe doorgang leidde naar een breder stuk. Het was een kleine, kale grot. Een iets donkerder stuk links markeerde een opening naar een andere grot waar zich achterin een vrijwel ronde doorgang bevond. Finn hoorde een zwak ruisend geluid en op haar gezicht voelde ze een zacht, zilt windje.

‘Bij laag tij neemt het geluid af,’ legde Pieter Boegart uit, die samen met Billy ook naar binnen was gekomen. ‘Wanneer het vloed wordt, bouwt de luchtdruk zich op en dan begint de hele grot te resoneren, soms heel hard.’

‘Ontsnap van mijn verborgen schateiland op winden van muziek,’ zei Finn. ‘Loopt de tunnel omlaag naar de zee?’

‘En naar een andere grot. Jullie zullen daar een boot vinden. Geen grote, maar groot genoeg voor jullie allemaal. De boot is oud, maar ze is wel zeewaardig.’ Hij lachte. ‘Let wel, niet zo oud als de boot die onze voorvader Willem voor zichzelf gebouwd moet hebben!’ Zijn ogen twinkelden. ‘Vanaf zee is de grot niet te zien, tenzij je er gericht naar zoekt. Er is geen echt strand waarop je aan wal zou kunnen, maar de doorgang is vrij. Er liggen geen rotsen of riffen die de doorgang belemmeren.’ Hij richtte zich tot Billy. ‘Ik heb gehoord dat jij een zeeman bent. Kun jij op de sterren navigeren, knul?’

‘Ja.’ Billy knikte.

‘Houd de Kleine Beer in je rug en Sirius en de Grote Hond voor je boeg. Zeil vier dagen door, dan bereiken jullie de kust van Sandakan en zijn in veiligheid. De oude Willem lukte het en mij ook.’ Pieter Boegart zweeg even. ‘Ik moet op jullie kunnen vertrouwen,’ zei hij tenslotte. ‘Wat jullie gaan zien, mag niet verder dan jullie twee komen.’ Hij gebaarde en liep toen naar de donkere schaduwplek links van hen. Finn en Billy volgden hem. De schaduwplek bleek een donkere tunnel te zijn die naar een andere grot leidde, veel groter dan de vorige. Door een reet in het rotsplafond viel één straal van de middagzon naar binnen. Dat was genoeg.

De goudschat stond overal opgestapeld. Oude wapenrustingen, gemaakt van dunne gouden platen met patronen van gouddraad, omhulden levensgrote, uit jade gesneden figuren. Goudstaven, opgestapeld tot aan het plafond. Rijen opeengestapelde gouden borden en drinkbekers. Wel honderd stalen kisten, elk zo groot als een ouderwetse hutkoffer, stonden met het deksel open en waren tot aan de rand gevuld met gouden munten en plakjes goud.

Ebbenhouten beelden van vergeten Afrikaanse koningen. Een kristallen olifant zo groot als een watermeloen, schitterend als een diamant in het zwakke licht. Een rij kristallen schedels, een berg gouden speren ter grootte van werpspiesen. Een enorme doodkist, bekleed met dunne platen van het glanzende metaal. Fonkelende diamanten en saffieren. Robijnen in gouden oogkassen. Hoge zilveren hoofden, getatoeëerd met ingelegd goud. Ingelegde plaques en kleine ceremoniële tafels van buitengewone schoonheid.

Een mensenhand, drie keer zo groot als normaal, verstild in een tweevingerig gebedsteken. Een vreemde bebaarde figuur, voorstellende een rechtopstaande stier met mensenogen; gesneden uit lapis lazuli en gehuld in een gouden gewaad. Afrika, India en alles ertussenin, parels, diamanten, ivoor en nog veel meer goud. Er kwam geen einde aan.

‘De schatten van een keizerrijk,’ zei Pieter Boegart. ‘Willems nalatenschap.’

‘Nalatenschap voor wie?’ zei Billy met gesmoorde stem. Hij staarde met open mond en opengesperde ogen naar de ontzagwekkende schoonheid van de geheime grot. ‘Dit lijkt op zoeken naar de Maltese Falcon om er vervolgens achter te komen dat hij echt is. Dit is te veel om te kunnen bevatten.’

‘Dit is de dood voor de mensen die hier wonen,’ zei Pieter. ‘Het maakt ze tot een schietschijf. De inhoud van die Japanse duikboot is bijna even erg. Drie ton goudstaven voor de nazischatkist in de Reichsbank in Berlijn of, erger nog, voor geheime bankkluizen in Bern en Genève, met het oog op de toekomst. Er liggen hier genoeg schatten om mensen gek te maken. Wie gaat aanspraak maken op dit eiland? Borneo, Maleisië, de Filippijnen? Moslims, christenen, jullie metgezel met het Dajakhaar en zijn harde gezicht?’ Hierop zweeg hij even. ‘Weten jullie wie hij is?’

‘De man achter de mensen die ons in Londen probeerden te ontvoeren. De mensen ook die Billy’s boot opbliezen.’ Finn pauzeerde. ‘De man,’ vervolgde ze, ‘die hierheen kwam in de hoop dít te vinden.’

‘Hij heet Khan. El Peligroso. De Filippino’s noemen hem Tim-timan, de Gelovige. De volgende Fidel Castro of Che Guevara. Een man van principes, die maar één manier van goeddoen kent en dat is geweld. Een eerlijke fanaticus. Een krankzinnige zoeker naar de waarheid. Met deze schat zou hij een oorlog beginnen, en hem misschien nog winnen ook.’ Pieter spreidde zijn armen en draaide langzaam om zijn as. ‘En en passant zouden de mensen op dit eiland allemaal omkomen, geofferd aan zijn zaak of aan de hebzucht van anderen. Leuk onderwerp voor een realityshow op tv of een special van National Geographic. Even spannend als Euro Disney.’

‘Waarom laat je ons dit dan zien?’ vroeg Billy. ‘Waarom vertel je ons die dingen?’

‘Opdat jullie weten wat de consequenties zijn als jullie iemand van het bestaan van de schatten vertellen. Opdat jullie niet in de verleiding zullen raken en terugkomen om ernaar te zoeken.’ Hij keek Finn streng aan. ‘Opdat jullie hier nooit zullen terugkomen.’

‘We zijn alles kwijt,’ zei Billy. ‘De Batavia Queen, mijn boot...’ Zijn blik gleed over de enorme bergen schitterende kostbaarheden.

Pieter Boegart glimlachte. ‘Jullie hebben mijn huis op de Herengracht nog altijd,’ zei hij. ‘Willems rariteitenkabinet. Er is voldoende voor iedereen.’ Zijn glimlach werd breder. ‘Je zei het zelf al, knul. Dat het net de Maltese Falcon was, alleen echt. Een toepasselijke vergelijking, vind ik.’

Van buiten de grot kwam opeens een dreunend geluid. Finn herkende het geluid, dat klonk alsof er iets door de lucht kapte, meteen. ‘Een helikopter!’ zei ze.

Ze renden de grot uit, terug naar de spleet, en wurmden zich erdoor, het kleine rotsplateau op. De helikopter was duidelijk te zien. Hij kwam in een cirkelboog aangevlogen over de breedte van de Punchkom en koerste toen in een rechte lijn aan op de open plek waar de anderen waren. Het toestel verloor geleidelijkaan hoogte, alsof de bemanning precies wist waar ze moest zoeken.

 

Op het weiland sloeg Khan de naderende helikopter gade. Het was een Westland Gazelle, met een romp in de vorm van een langwerpige traan en een ‘fin-in-the-fan’ staartrotor. Hij was geschilderd in het blauw-en-goud van de Singaporese luchtmacht, compleet met de grote goudkleurige leeuwenkop op de zijkant.

Maar Khan wist dat de fraaie uitmonstering van de naderende helikopter een leugen was. Het toestel kon vier tot vijf zwaar bewapende militairen vervoeren en was uitgerust met van allerlei: van licht boordgeschut tot HOT-raketten en 25-mm boordkanonnen. Ze werden ingezet om tanks en onderzeeërs aan flarden te schieten en ze waren dodelijk.

‘Aragas,’ zei de kapitein van het vrachtschip, die samen met hem gevangen gezeten had in het dorp.

‘Kent u hem?’ vroeg Khan, zonder zijn ogen van de helikopter af te wenden. De helikopter bevond zich nu op minder dan vijfhonderd meter afstand. Als ze wilden vluchten, moesten ze dat nu doen. De scheepskapitein, die van middelbare leeftijd was, bleef staan waar hij stond.

‘Hij is me tot hier gevolgd,’ zei Hanson. ‘Hij zoekt u.’

‘Mij?’

De scheepskapitein knikte afwezig, terwijl hij de naderende helikopter in het oog hield.

De anderen waren inmiddels op de been en keken ook. De inboorlingen waren opgelost in het omringende woud.

‘Hij gaf me een satelliettelefoon,’ zei de scheepskapitein. ‘Hij chanteerde me. Het ding moet ergens in het wrak van mijn schip liggen. Er zat natuurlijk een GPS-zender op, dus hij wist precies waar we zaten. Het spijt me.’

‘Mij niet,’ zei Khan. ‘Feitelijk ben ik dankbaar voor de confrontatie. Die zat er al een hele tijd aan te komen. Ik zal blij zijn als het achter de rug is.’

Hanson keek naar hem. Of blij om te sterven, vroeg hij zich af. Niet dat dit hem nu ook maar iets kon schelen. Zonder de Batavia Queen had hij niets en niet veel reden om meer te doen dan overleven. En hij ging om de dooie dood niet wegrennen voor een sadistische kleine maniak als señor Lazlo Aragas, de mollige politieman met de draculalach.

‘Bent u het echt voor wie hij komt?’ vroeg hij.

‘Voor mij en het goud waarvan hij denkt dat het hier is. Er gaat al tijden een gerucht over een Japanse duikboot vol goudstaven die in deze contreien verdwenen is.’

‘Het zou mij niks verbazen,’ zei Hanson. ‘Kijk naar de lagune daar in de diepte. Het is mogelijk.’

‘Het is een droom,’ zei Khan. ‘Een droom van dwazen. Een droom van dromers. Het Stormeiland.’

Toen de helikopter bulderend boven hen hing, zwenkte hij af om tegen de wind in te gaan landen. Met veel geraas en kerosinestank maaiden de rotorbladen rond en door de enorme luchtverplaatsing sloeg het bladerdak van de jungle plat, toen het toestel als een reusachtig insect naar de aarde gleed.

Finn, Billy en de roodharige leider van de inboorlingen, die langs het pad waren afgedaald, doken op uit de jungle.

Het landingsgestel van de helikopter raakte de grond en de rotoren begonnen langzamer te draaien. Het geluid van de grote Turboméca turbinemotor stierf langzaam weg.

Er gebeurde nog even niets nadat de rotoren hortend tot stilstand waren gekomen. Maar toen ging het zijluik open en Aragas verscheen, in zijn oogverblindend witte pak, met zijn zonnebril en met zijn borsalino stevig in zijn hand. Hij zag er volstrekt misplaatst uit op de open plek in de jungle.

Achter hem lieten vier mannen zich uit de helikopter glijden. Ze waren gekleed in het zwarte uniform en de gezichtsbedekkende bivakmuts van het Singaporese Special Tactics and Rescue Team, ofwel de STAR. De vier mannen waren gewapend, met een SAR21 karabijn dan wel een MP5 machinegeweer. In een holster aan hun riem hing een Glock 17 automatisch pistool.

‘Wat sympathiek van u allen om me te komen begroeten,’ zei de piekfijn uitgedoste man. Pas toen het stof dat door de rotorbladen was opgeworpen neergedaald was, zette Aragas de borsalino op zijn hoofd.

‘U moet miss Ryan zijn,’ zei hij met een lichte buiging toen hij voor haar stil bleef staan. Met een gemanicuurde wijsvinger wees hij naar haar wang. ‘Onaangenaam,’ mompelde hij op bezorgde toon. ‘Dat ziet er erg pijnlijk uit.’

‘Wie bent u?’ vroeg Finn.

‘Een boef,’ zei Hanson. ‘Een chanteur.’

‘Ken jij hem dan?’ vroeg Billy, die zich naar Hanson omdraaide.

‘We hebben elkaar weleens ontmoet, ja.’

‘Een judas hoort zich vleiender te uiten over zijn nieuwe meester,’ zei Aragas en mompelde daarna iets onverstaanbaars. ‘Ik zal jou manieren moeten bijbrengen.’ Hij verplaatste zich langzaam langs de rij mensen en stopte voor Pieter Boegart.

‘Ah,’ zei Aragas. ‘De spreekwoordelijke verloren zoon. De erfgenaam van een fortuin, die als een soort nieuwe blanke radja in de rimboe woont.’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Ik blijf me verbazen over de koloniale geestesgesteldheid.’ Hierop bracht hij zijn hand naar Pieters oude, leren wapenrusting en streek er met zijn vingers overheen. ‘Interessant kostuum.’ Hij glimlachte. ‘Ik zou graag de schat zien die erbij hoort.’

‘Zwijn,’ zei Pieter.

Aragas slaakte een geamuseerd kreetje. ‘U noemt mij een varken. Wel, ik zal u vertellen, ik ben een vroom moslim. Ik bid zes keer per dag.’

‘Jij kent maar één god en dat is je hebzucht,’ zei Khan, die naast Pieter stond.

‘En de jouwe is oorlog.’

‘Revolutie,’ corrigeerde Khan hem.

‘Retoriek,’ antwoordde Aragas, terwijl hij zich met een spottend lachje omdraaide en terugliep naar Finn. ‘Vertel je oom, of wat hij ook van je is, dat hij me moet vertellen waar de schat is. En doet hij dit niet, dan zullen de vier mannen die je hier achter me ziet staan al je vrien

den doden en jou daarna verkrachten.’

‘Kom niet aan haar of ik vermoord je,’ zei Pieter, kil en met gezag.

Aragas stak zijn hand in zijn jasje en trok een kleine revolver met een korte loop uit zijn schouderholster. ‘Ik beschik over helikopters. Ik beschik over mannen met machinegeweren. Ik beschik over mensen in Londen die precies doen wat ik zeg. Ook in Holland trouwens. Ik vrees dat u geen partij voor me bent, meneer Boegart.’

‘Dus het waren jouw mensen,’ zei Finn, die het plotseling begreep. ‘Buiten het Courtauld.’

‘Jij blies mijn boot op!’ zei Billy.

‘Natuurlijk,’ zei Aragas. ‘Ik liet Khans contacten in het buitenland volgen. Zij leidden me naar jullie. Ik dacht dat jullie me naar jullie rondzwervende oom hier zouden leiden en naar de schat waarnaar ik al jaren op zoek ben. Mijn goud.’

‘Je bent knettergek,’ zei Hanson bars.

‘Wie kan het wat schelen?’ antwoordde Aragas. ‘Ik ben degene die straks het schedeldak van het charmante hoofdje van miss Ryan af schiet, tenzij haar bloedverwant zegt wat ik wil horen.’ Hij bracht de loop van de revolver omhoog. Daarna draaide hij zijn hoofd half om en blafte een bevel naar de mannen die drie meter achter hem stonden. ‘Als ze iets doen, dood ze!’

Met een ongelooflijke snelheid trok Khan het zware automatische pistool vanonder zijn hemd vandaan. Het was het wapen dat Finn bij zich had toen hij haar uit de kwallenkolonie trok. Snel haalde hij de trekker een keer over en het rechterglas van Aragas’ zonnebril spatte in het zonlicht als glitterstof uit elkaar. De voorkant van het witte pak kleurde roze door de fontein van bloed die uit het hoofd van het bombastische mannetje spatte. De borsalino vloog af en schoot de helderblauwe lucht in.

‘Liggen!’ brulde Pieter Boegart. ‘Liggen, iedereen!’

Een van de vier soldaten achter Aragas’ in elkaar gezakte lijk slaagde erin de Glock uit zijn holster te halen en een stroom van kogels in Khans borstkas te schieten. Khan was op slag dood. Maar dat was al. De anderen volgden Pieter Boegarts bevel op en wierpen zich op de grond.

De gonne, een primitief handkanon, werd al in 1300 na Chr. en misschien zelfs eerder door de Chinese infanterie gebruikt. Samen met andere vroege technologische ontwikkelingen, zoals de uitvinding van de repeterende kruisboog, veranderde de gonne het aanzicht van oorlogen voorgoed.

Voor de vroegste gonnes werden bamboebuizen gebruikt, maar al snel werden die vervangen door ijzeren en bronzen vuurmonden van ruwweg vijfenveertig centimeter lang. Aan de gonne was een zware houten stok bevestigd, zodat het kanon op de grond en in de vork van een boom kon steunen, en ook werden er ter stabilisatie speciale constructies met een vork gemaakt.

Met de gonne kon een ijzeren bal van tussen de anderhalf en vierenhalf ons worden afgevuurd. Hiertoe werd hij gevuld met zwart poeder en een prop die werden aangestampt, en om hem te doen losbranden werd een lont in het zundgat achter in de vuurmond aangestoken. De gonne schoot behoorlijk zuiver over een afstand van honderd meter. En dit was ongeveer de helft van de afstand tussen de bomen rond de open plek en de helikopter.

Zeshonderd jaar voordat de vier soldaten van de elite-eenheid STAR voet zetten op het eiland, konden de gonnes een gat ter grootte van een mensenvuist in een ijzeren harnas en maliënkolder schieten. De dunne kevlar vesten die de vier mannen droegen boden in het geheel geen bescherming, toen twintig krijgslieden vanuit de beschutting van de bomen hun gonnes afvuurden. Met veel kabaal en wolken stinkende gele rook regende het projectielen.

In de wolk van rook en rondvliegend ijzer werden de vier mannen van hun ingewanden ontdaan, gevild en binnenstebuiten gekeerd. Binnen enkele seconden veranderden ze van levende mensen in op de grond rondgestrooid, bloederig afval. Meer dan de helft van de afgevuurde projectielen doorboorde de soldaten, maar omdat de gonne niet echt een loepzuiver schietend wapen was, misten er ook projectielen doel en zo vlogen ettelijke ponden roodgloeiend metaal in de wachtende helikopter.

Het plexiglas van de cockpit desintegreerde tezamen met de piloot, en binnen een fractie van een seconde explodeerden honderden liters kerosine en wat er van de helikopter resteerde ging in een witte vuurbol op in het niets. De oorverdovende explosie donderde door de gigantische echoput die de caldera was, en het stervensmoment van het toestel herhaalde zich almaar weer in een steeds zwakker wordend gebulder.

De rook dreef weg en de overlevenden krabbelden kuchend overeind in de zwavelige nevel, terwijl de twintig verborgen krijgslieden het bos uit kwamen om zich bij hun leider te voegen. Het Stormeiland had weer een wrak en zeven nieuwe slachtoffers geëist.

‘Goeie god,’ zei Briney Hanson, met een blik op de plaats waar de vier mannen hadden gestaan. Er lag daar nog slechts een enorme rode veeg met daarachter de verkoolde resten van de helikopter.

‘Het wordt tijd voor jullie om te vertrekken,’ zei Boegart terwijl hij Finn overeind hielp.

Ze staarde naar het uiteengereten dode lichaam van Khan. Het automatische pistool lag nog in zijn hand. ‘En hij dan? Hij heeft mijn leven gered.’

‘Wij zullen voor hem zorgen,’ zei Boegart rustig. ‘Kom nu met me mee.’

Aan weerskanten geflankeerd door de zwijgende krijgslieden, liep het groepje overlevenden weer omhoog langs het pad en glipte door de smalle opening naar de grot. Recht voor zich uit kijkend, leidde Pieter hen naar het trekgat en de lange, schuin aflopende tunnel naar de zee.

Zoals beloofd, lag daar de boot. Een ouderwets overnaads model met acht roeiriemen, twee zeilen en een mast die zich makkelijk rechtop liet zetten. Ze lag, vastgemaakt aan een opstaand uitsteeksel in een lange smalle rotsrichel, in het opkomend tij op hen te wachten in een brede, lage grot die uitkwam op zee. In hoge kruiken zat water voor tien dagen en er was voedsel voor twee keer zo lang aan boord.

‘Wie van ons neemt het roer?’ vroeg Billy aan Briney Hanson.

‘Dat doen we om de beurt,’ antwoordde de oudere man met een glimlach.

‘Heb je mijn aanwijzingen onthouden?’ vroeg Pieter.

Billy knikte. ‘Kleine Beer in de rug, Sirius en de Grote Hond voor ons.’

‘Bij de tweede ster rechtsaf en dan rechtuit tot het ochtend wordt,’ grapte Finn. Ze boog zich naar Pieter en kuste hem op zijn wang.

Naarmate het water steeg, begon de wind harder te suizen. Finn voelde de zilte lucht in haar ogen prikken. De muziek van de oude Willem. ‘Er was niet voldoende tijd,’ zei ze tegen Pieter, terwijl de anderen in de barkassloep stapten.

‘Dat is er nooit, kind. Zo gaat dat nu eenmaal in de wereld, ben ik bang.’

‘Het is niet eerlijk.’ Ze liet haar tranen de vrije loop.

‘Het leven is niet eerlijk. Maar het is waardevol, dus houd eraan vast, tot het einde van dit avontuur.’ Hij kuste haar zacht en toen glimlachte hij. ‘Zeg tegen dat neefje van me dat hij gelijk had over die vogel.’ Hij gaf een tikje tegen haar wang. ‘Tot ziens.’

‘Tot ziens,’ zei ze terug, maar hij was al verdwenen.