26

 

 

 

 

De rivier, gezwollen door de regen die middag, droeg hen gezwind naar de zee. Links van hen beukten de brandingsgolven niet-aflatend op de riffen in de verte. Hun schuim lichtte fosforescerend op in het donker. Rechts van hen, tweehonderd meter naar de kust, tekende de jungle zich vaag af als een schaduw die iets donkerder was dan het diepe duister van de tropische nacht. Er klonken geen andere geluiden dan het beuken van de branding en de golven die stuksloegen op het strand. Drie uren waren verstreken en nog steeds duidde niets erop dat ze werden gevolgd.

Tegen middernacht waren ze uitgeput en peddelden in een trager tempo dan eerst. Inmiddels hadden ze het tij tegen en ze hadden de grootste moeite om niet te worden meegesleurd naar de riffen. Toen de ochtend begon te gloren en de uitgestrekte jungle zich scherp aftekende in het zachte schijnsel, bereikten ze tenslotte de spleet tussen de kliffen die de toegangsweg markeerde naar de Punchkom in het midden van het eiland.

‘Daar,’ zei Winchester, die in de ronde neus van de boomkano zat. Hij wees naar de kust.

Finn staarde met waterige ogen in het vroege ochtendlicht. Aanvankelijk zag ze alleen het strand en de jungle erachter. Maar toen haar ogen zich aanpasten, kon ze een smalle streep zwak daglicht onderscheiden tussen de steile bergen.

‘Het tij keert weer,’ klonk Billy’s rustige stemgeluid vanaf zijn plaats in het midden van de smalle kano. ‘We hoeven ons alleen maar door de stroom te laten meevoeren, dan komen we zonder problemen in de Punchkom.’

Finn en de zwijgende man met het Dajakkerskapsel staken het blad van hun peddel in het water en hielpen de kano van richting te veranderen, zodat ze op de kust aan koersten. Enkele minuten later al gleden ze moeiteloos tussen de hoge rotswanden door naar de verborgen, steile kloof die erachter lag. Het water kabbelde langs de zijkanten van de kano en vanuit de jungle kwam het eerste gekwetter en gekrijs.

‘Hij zei iets in het Latijn,’ mompelde de man met het eigenaardige kapsel. Dit was voor het eerst dat hij iets zei, sinds hun ontsnapping uit het dorp.

‘Klopt,’ antwoordde Finn.

‘Hij scheen te vinden dat dit hiermee je vraag over hoe hier weg te komen was beantwoord.’

‘Ja,’ zei Finn. Ze had hier zelf het grootste deel van de nacht over nagedacht, terwijl ze rond het eiland peddelden.

‘Wat zei hij precies?’ vroeg de man.

De stroming trok hen nu sneller dan eerst mee, kolkte om de kano heen en trok hen tot gevaarlijk dicht bij de rotswand. Er was hier geen strand. Er waren enkel puntige rotsen, en de zoom van de jungle op de dunne laag aarde hing van grote hoogte neer. De man stak zijn peddel met kracht in het water en de anderen volgden zijn voorbeeld, zodat de kano weer in het midden kwam te liggen van de doorgang naar het binnenland.

Fugio ab insula opes usus venti carmeni,’ zei Billy met iets van irritatie. ‘Ontsnap naar mijn verborgen schateiland op winden van muziek,’ vertaalde hij.

‘Nee,’ zei de man met het Dajakkerskapsel. ‘Dat is niet juist.’

‘Hoe weet u dat nou?’ zei Billy.

‘Het komt uit Homerus’ Odyssee,’ antwoordde de man onverstoorbaar. ‘Ik heb gedurende een aantal jaren op kostschool hele lappen eruit moeten vertalen, als straf omdat ik spijbelde.’ Hij lachte zacht. ‘Deze passage verwijst naar Circe en haar eiland. Er zijn classici die menen dat Homerus sommige dingen heeft ontleend aan het oosterse Gilgamesh-epos. Daarin ontsnapt de held van het eiland via een tunnel, daar waar de zon aan de hemel verschijnt.’

‘En hoe zou u het dan vertalen?’ zei Billy.

‘Ontsnap ván mijn verborgen schateiland op winden van muziek. Het woord “ab” betekent “van” en niet “naar”.’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Het lijkt me hier ook relevanter.’

‘Hij heeft gelijk, weet je,’ zei Winchester. ‘Wat betreft dat Latijn, bedoel ik. Ik heb Homerus zelf ook bestudeerd. “Virtutem paret doctrina,” enzovoorts. “Opleiding maakt de veelzijdige mens.” Scot’s College.’

‘Ik moet erkennen, u had gelijk,’ zei Billy stijfjes.

‘Is er hier zo’n plek?’ riep Finn naar Winchester voor in de boomkano.

‘Wat voor een plek?’ vroeg Winchester, stug door peddelend.

‘Een tunnel, daar waar de zon aan de hemel verschijnt. Het heeft ook iets te maken met wind. Muziek. Weet ik veel,’ zei ze gefrustreerd. Het bood weinig aanknopingspunten.

En toen opeens eindigde de engte van de trechtervormige toegang tot de Punchkom en ze werden de reusachtige, vrijwel cirkelvormige lagune in gesleurd, die eens het woedend hart van de vulkaan was geweest.

‘Er was een grot,’ sprak Winchester. ‘Tijdens mijn eerste jaar hier heb ik die gezien. Ik heb er toen niet veel aandacht aan besteed. Een fumarole, meen ik dat je zoiets noemt.’

‘Fumarole?’ pruttelde Willy McSeveney. ‘Man, ken het nog een onsje bekakter?’ Hij stak zijn peddel in het water en keek er chagrijnig als altijd bij.

‘Een fumarole is een overblijfsel van de vulkaan,’ legde Winchester uit. ‘Een opening waar damp uit ontsnapte; een trekgat, zeg maar.’ Hij hield even op met peddelen en keek omhoog naar de overzijde van de enorme cirkelvormige vallei, waar hij met zijn blik de uit de ochtendnevel oprijzende jungle aftastte. ‘Ik was aan het jagen, toen ik die grot bij toeval vond,’ zei hij. ‘Eigenlijk was het een hele schrik. Eerst was er niets en van het ene op het andere moment stond ik toen naast een stoomfluit, bij wijze van spreken.’

‘Bij jullie in South-Dakota is er ook zo’n plek,’ zei Billy tegen Finn. ‘Toen ik een kind was ben ik daar met mijn ouders geweest. Wind Cave heet het, geloof ik.’

‘Zou je het geluid als muziek omschrijven?’

‘Als je niet al te muzikaal bent wel, misschien. Voor mij klonk het als een titanische fluit, mag ik wel zeggen.’

Het inkomend tij sleurde hen mee naar het sinistere scheepskerkhof in de Punchkom, dat er in het vale ochtendlicht nog spookachtiger uitzag. Zwijgend gleden ze langs het wegroestende wrak van een oude schoener. De masten waren allang weggerot, de romp was een donkere, zwaar gehavende ruïne met een baard van zeepokken en wier. De oude gekantelde schuit was inmiddels anoniem, de naam op haar spiegel allang weggesleten. Rechts van hen rees het wrak van de Batavia Queen op uit de nevel. Voor hen lag wel een dozijn andere scheepswrakken en ook zagen ze het zwaar gehavende, eenmotorige vliegtuig waarmee Pieter Boegart was teruggekeerd naar het eiland.

‘Herinner je je nog waar die grot was?’ vroeg Finn.

‘Zeker wel,’ zei Winchester. Hij hield even op met peddelen en wees zijwaarts omhoog naar de steil oplopende caldera. ‘Het is daar, waar die twee heuvels uitsteken. De leeuwen, noem ik ze.’

De zon was al op, waardoor de twee gedrongen vormen zich heel scherp tegen de lichte hemel aftekenden. En inderdaad, Winchester had gelijk, de twee heuvels leken net op twee ineengedoken, naar elkaar toegekeerde leeuwen.

‘Een tunnel, daar waar de zon aan de hemel komt,’ zei Khan.

‘Daar kon het wel eens wezen!’ zei Billy opgewonden. ‘Het klopt!’

‘We gaan te snel,’ zei Briney Hanson, die het water in de gaten hield. Overal waren rimpelingen en wervelingen te zien, wat duidde op aan het oog onttrokken obstakels: de wrakken van schepen die in de dodelijke fuik van het eiland terecht waren gekomen. ‘We moeten ons vastleggen aan de lijzijde van zo’n wrak en wachten tot het tij afneemt. Het is te gevaarlijk om zo door te varen. We kunnen op iets lopen.’

‘Ja, daar heeft hij gelijk in,’ maande ook McSeveney tot voorzichtigheid, terwijl hij over de rand van de kano keek.

‘Wat een onzin! Het zicht is uitstekend,’ zei Winchester vanuit de boeg. ‘Het water is glashelder. Ik kan de bodem bijna zien.’

Onverhoeds begon het water te kolken, toen de vloed hen voortstuwde langs de half op zijn zij liggende oude olietanker City of Almaco. Al wat ze ervan zagen in de mist waren de hoge, roestige schoorsteen op de bovenbouw van het achterschip en de stompen van haar kranen. Even vochten de op elkaar botsende stromingen met elkaar. De kano draaide wild rond, als was hij een tollend blaadje in voortrazend water in een open goot.

De in geitenvellen geklede professor wist niet hoe hij het had. In paniek greep hij zich vast aan het lage bankje en met de bedoeling om te gaan staan probeerde hij zich op te duwen.

‘Zitten!’ blafte Hanson. ‘Straks slaan we nog om!’

‘Klungelige kloothommel!’ schreeuwde McSeveney terwijl hij probeerde de kano in evenwicht te brengen. ‘We kiepen om!’

Het was te laat. Winchesters plotse beweging duwde de boomkano in een andere richting. De woelende golven sloegen het bootje tegen de zijkant van de oude olietanker en ze maakten een tweede zwieper, waarbij ze gevaarlijk overhelden. Winchester verloor zijn peddel, deed er wanhopig een greep naar, en plotsklaps lag iedereen in het water.

De gruwel kwam zonder waarschuwing, toen Finn in het water plonsde en kopje onder ging. Heel even wist ze niet wat haar overkwam. Maar toen voelde ze een striemende pijn op haar wang. Daarna kwam er weer een zweepslag. Op de blote huid van haar maag dit keer, waar haar hemd omhooggeschoven was. Ze kokhalsde van de plotselinge pijn, en naar lucht snakkend werkte ze zich met wilde bewegingen naar het wateroppervlak. Ook op haar armen en benen had ze het gevoel of iets haar afschuwelijk striemde. Door de pijn heen, was ze zich er vaag van bewust dat Winchester schreeuwde dat hij niet kon zwemmen. Het lukte haar om een hand uit het water te tillen en dat wat er op haar gezicht zat weg te vegen. Ze voelde steken in haar handpalm en haar wang. Ze knipperde met haar ogen en gruwde bij het zien wat haar omringde.

Het water om haar heen bestond uit een aaneengesloten massa borrelend en golvend slijm. Aangetrokken door het warme, ondiepe water en de recentelijke regenval was een reusachtige kolonie kubuskwallen met het opkomend tij de lagune in gedreven. De geestloze nachtmerrie lag nu als een obscene, doorschijnende, pulserende deken over het wateroppervlak.

Geschokt door wat ze zag, sloeg Finn wild met haar armen op het water om de pulserende beesten bij haar lichaam weg te meppen. Een heleboel branderige zweepdraden die onder de slijmerige geleibollen bungelden streken langs de huid van haar benen en opnieuw schreeuwde ze het uit. Ze deed pogingen om zich uit het water op te heffen, alles wat in haar macht lag te doen om weg te komen.

Tollend in het water, werd Finn zich vaag bewust dat de kolonie in een gigantische sikkelvormige formatie naar het ondiepe water dichter bij het strand dreef, de beide uiteinden in een wijde boog gestrekt. Ze draaide zich om en naar adem snakkend zocht ze naar de omgeslagen boomstamkano. Hij lag bijna twintig meter bij haar vandaan. Ze zwom erheen, omringd door de lugubere monsters. De kolonie, vijftig meter lang en op het diepste punt twee keer zo breed, was levensgevaarlijk en glibberde om haar heen als een grotesk mijnenveld, er op uit om haar helemaal te verstrikken.

Aan de rand van de kolonie stuitte ze op een afgedreven flard organismen en ze kromde haar rug in een wanhopige poging om ze te ontwijken. Ze waren klein, hun ietwat vierkante, blaasachtige zeilen waren nog onvolgroeid, zag ze toen ze pulserend op haar toe kwamen. De slierten lichtgevoelige sensoren lagen rond de blazen, duidelijk zichtbaar als zwarte spikkeltjes in het heldere slijmvlies van het lichaam.

Hun zweepdraden sloegen zacht tegen haar aan, en ze hapte naar adem van de brandende pijn die dit veroorzaakte. Weer schreeuwde ze het uit, terwijl ze slapjes naar de kwallen sloeg. Finn wist haar hoofd nog net boven water te houden, maar toen opeens begonnen de verstijvende krampen. Het dodelijke gif bereikte haar bloedbaan. Ze wist dat haar krachten aan het afnemen waren en dat ze weldra niet meer in staat zou zijn om te zwemmen.

Al op de rand van bewusteloosheid verkerend, meende ze te horen dat Billy haar naam riep, maar inmiddels was het te laat voor hulp. Ze was volledig omringd door de kwallen. Iedere zachte beweging van de golfslag tezamen met hun eigen pulserende energie bracht de kolonie dichter om haar heen, zodat de buit gelijkelijk verdeeld kon worden onder de altijd hongerige organismen. Finn begon te zinken, haar laatste kracht stroomde uit haar weg toen het gif zijn werk deed.

Haar ogen waren nog wijd open en zodoende zag ze wat er onder het wateroppervlak lag. Ze schrok zich lam en als ze nog enige hoop gekoesterd had, dan verdween die nu. In het flauwe ochtendlicht was de weerzinwekkende vloot kwallen al afgrijselijk genoeg geweest, maar wat ze in het blauwgroene water zag was een visioen rechtstreeks uit de hel. Miljoenen tentakels, sommige dun als mensenhaar, andere dik als touw, bungelden omlaag; een hypnotiserend deinend bos van dodelijke draden. Rond Ben Winchesters lichaam lag een monsterlijk kluwen van draden gewikkeld en die trokken hem langzaam maar onverbiddelijk omhoog, naar het centrum van de kwallenmassa, waar zijn lijk langzaam ontdaan zou worden van voedingsstoffen, totdat tenslotte al wat deze man was geweest geabsorbeerd zou zijn in de kolonie.

Finn herinnerde zich ooit gehoord te hebben dat verdrinken doodgaan als in een droom was, maar haar eigen nakende verdrinkingsdood was als de ergst denkbare nachtmerrie. En terwijl ze wegzonk naar de diepte fladderde ze met haar handen, als in een laatste instinctieve impuls om zich terug te duwen naar het wateroppervlak.

Ze voelde een verschrikkelijke pijn diep in haar borstkas toen de laatste lucht uit haar longen knalde. Haar zicht werd wazig toen ze ging sterven en voor het laatst Winchesters bleke gezicht voor zich zag, Medusa-achtig. De als slangen rond zijn gezicht kronkelende haarslierten maakten hem bijna tot een mythische figuur, gevangen door een kolonie kwallen.

Haar gezichtsvermogen werd al zwakker. Pijn voelde ze niet meer.

Ze hoorde haar naam nog een laatste keer roepen, en daarna was er alleen nog duisternis en het laatste, wanhopige bonken van haar hart, dat zwak na-echode en vervaagde in haar oren.