1 De brandende herder van Strijbeek

Als de zomers erg heet zijn en de hei is zanderig en dor, is de Brabantse brandweer in opperste staat van paraatheid. Want er hoeft maar één iemand onoplettend te zijn, of er is sprake van een heidebrand… En zo is het al eeuwen. Brand op de hei is de verschrikking van onze voorouders, en er gaan zelfs spookverhalen over. Brandende ‘schepers’ (schaapherders) zouden door de nacht zwerven en hun spookachtige vuur verspreiden – vaak als straf voor de een of andere misdaad. Hier een prachtig voorbeeld: de brandende scheper van Strijbeek.

Strijbeek, zestiende eeuw, door Hub. Kunst – De hitte daverde. Over de velden rond Strijbeek hing een gloeiend wasem. Zo ver het oog reikte deinde de vlakte geelbruin, door het jonge spruitende kruid, groenig aankleurend, naar de horizon die verneveld lag in zonnemist.

Ward, de schaapherder, lag lui geleund tegen een mager dennenboompje met overbuigende takken. Zijn frak lag opgerold naast hem, bij zijn herdersschop en ’n ruwe kous. De rode hemdrok was bij de hals wijd losgeknoopt. Voor hem dromden de schapen bijeen, rukten aan het kruid met knappend gerucht, maar vele lagen neergevlijd, herkauwend en rustend. De ruige wolfshond, zwart met felle groene ogen, stond er dromerig en werkeloos bij.

Ward de scheper was niet zeer in tel bij de boeren. Ze vermeden hem waar ze konden. Er was reden voor. Hij was hebzuchtig en gierig als de dood. Z’n dunne, bloedeloze lippen klemden strak opeen; de ogen, diep gedoken onder het uitspringende benig voorhoofd, loerden altijd met ’n koude glans, als van staal. Men mocht Ward niet lijden. Hij was niet als de andere schaapherders; hij hield niet van praten. Zijn nors gesloten mond scheen een drukkend geheim te verbergen. Men zag hem zelden in het schemerdonker bij het knappende plaggenvuur. Ward dacht slechts aan geld! Hij droeg zijn spaarduit op de blote borst in een leren buideltje. Hoe vaak was hij des nachts niet opgestaan, stil op zijn stalkamertje, en had hij met spiedende ogen rondgekeken of niemand hem beloeren kon. Maar in de staldiepte rinkelde slechts een halsketting of mummelde zuchtend een koe. En als alles veilig was, had hij het geld voor de dag gehaald; dan telde hij in het blauwige maanlicht, aaiend en voorzichtig bevoelend de muntstukken, blanke dukatons en gouden Carolusguldens.

Ward was een gierigaard, het geld was zijn levenshartstocht; de hebzucht hield zijn hart onontkoombaar gevangen. Het verlangen naar goud schroeide als een gloeiende keten om z’n ziel.

Op deze namiddag overpeinsde de scheper, liggend op de Strijbeekse heide, de gestage vermeerdering van zijn zoete rijkdom. Vóór hem kronkelde de zandige baan door de vlakte, de oude Turnhoutse baan, die de hoofdstad der Baronie met de hoofdstad der Vrijheid verbond. Heel in de verte straalden de torentjes van Galder en Ulvenhout blankwit in de zon. Ward tuurde voor zich uit in de verte. Zonneschitters sparkelden als de naaldentakjes der schaarse dennenstruikjes even bewogen.

Een ruiter naderde over de witte zandweg. ‘Koest, wolf,’ beval de scheper met een barse vloek tot de hond die hem gewaar was geworden. Hij loerde strak naar de vreemdeling. Het was geen landsman, hij zag het aan de weidse zwier van z’n kleding, de donkere opslag van z’n ogen, die zwarte vonken schenen onder de breedgerande ruitershoed. Ward begreep het al. Het was weer een Spaanse koerier die berichten of geld bracht voor Spinola die Breda genomen had.

De sinjoren uit Turnhout zonden geregeld brieven, stonden op goede voet met het garnizoen der zusterstad. Het ros, reeds moe en bezweet, brieste; daar werd het door de Spanjaard in galop gezet, dat het zand hóóg opregende.

Plots zag Ward hoe een tas losraakte van de zadelriem en neerviel. Zwart vlekte ze op het gele zand van de baan. De haastige ruiter had niets van het verlies bemerkt.

Als een kat, zo vlug, omzichtig, behendig, was de scheper al toegeslopen en greep de tas. Zijn hart popelde, bonsde in zijn borst. Hij wilde het uitschreeuwen, want met één oogopslag had hij het bemerkt, deze tas bevatte geld, – och, dat heerlijke geld – gerande rijders, goudstukken. Hoeveel, hij wist het niet, onmeetbaar was de schat, die hem nu in de schoot geworpen werd. De gierige scheper kende geen eerlijkheid: ‘Die Spanjool zal lang kunnen zoeken eer hij hem terug vindt. Die buit is mijn. Nu valt het geluk mij op eenmaal te beurt. Ik zal dit geld begraven, dat geen sterveling het vindt.’

Ward was zichzelf niet meer: zijn ogen brandden in felle begeerte. Hij legde het geld onder z’n frak, schopte Wolf weg, die snuffelend naderbij wou komen.

Sakkerdoerne, wat was dat? Ward vloekte als een bezetene. Zie! Zie! Zie dan toch!! Die vervloekte Spanjool kwam teruggereden, spoorslags als een razende! Hij heeft het verlies bemerkt!

Ward bukt zich, wil doen als een onnozele, schaapherder die ter wereld van geen kwaad weet. Maar inwendig kookt het! De Spanjool, bruingebronsd het gelaat, nu met een trek van spannende gejaagdheid, is al van het paard gesprongen.

‘Scheper, mijn tas is losgeraakt van de zadelgesp. Hebt ge niets gezien, misschien?’ Zo klinkt het met vreemde tongval in gebrekkig Brabants.

‘Neen, sinjoor!’ zegt de scheper hoofdschuddend.

‘Helemaal niets?’ vorst de ruiter. ‘Het is toch hier gebeurd in de heide.’

‘Ik mag eeuwig branden als ik iets gevonden heb! Zo waar als God leeft!’ getuigt de scheper.

Hij heeft de hand opgeheven om de waarheid te bezweren.

‘Gij liegt!’ schreeuwt de Spanjaard en zijn blikken priemen diep, doordringend in de ogen van Ward, de scheper.

Toen gebeurde het. Het was de scheper niet meer, die daar stond, dit moest de satan zelve geweest zijn. Als een tijger, lenig en ras, was Ward de Spanjaard naar de keel gesprongen. Zijn taaie vingers nepen en klemden als straffe ijzeren klampen. De Spanjool waggelde door de schok. Zijn gezicht verbleekte, werd rood, dan blauwig. Als koorden zwollen de aderen op zijn voorhoofd op. Ging hij schreien? Ging hij lachen? Verwrongen krampten zijn trekken onder de klemmende greep van de woedende scheper. Zoals de tijger op zijn prooi, hing Ward op zijn slachtoffer, dat tuimelend neerviel.

Dof bonsden ze beiden in het zand. Dan was de dood gekomen. De handen van de Spanjaard maakten zwakke kinderlijke bewegingen, daarna werd het stiller; hij rilde, met wijd- open ogen lag hij nu te staren in de zon. Hij was dood.

Ward liet hem los. Nu de moord geschied was, kwam de scheper tot het besef van de misdaad. Wee! Wee!

Het bloed bruist hem door de hersens, daar kwamen vlammen op hem af, de heide stond in brand, uit de zonnekrater sloegen sissende en sijfelende vuurtongen, die hem loeiend omgolfden. Hij stond in een poel van vuur. Wee! Wee!

Hij brandde, hij brandde, vanbinnen, vanbuiten...

Hij brandde in duizenden vlammen: de hel... de hel...

Sindsdien vertoont zich van tijd tot tijd de brandende scheper op de Strijbeekse heide. In gure novemberavonden gaat hij om en meent men z’n kreet te horen; de kreet van een gefolterde ziel, kreunend in helse pijnen. Wee hem...!

Mysteries in Noord-Brabant / druk 1
titlepage.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_0.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_1.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_2.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_3.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_4.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_5.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_6.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_7.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_8.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_9.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_10.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_11.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_12.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_13.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_14.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_15.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_16.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_17.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_18.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_19.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_20.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_21.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_22.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_23.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_24.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_25.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_26.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_27.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_28.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_29.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_30.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_31.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_32.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_33.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_34.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_35.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_36.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_37.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_38.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_39.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_40.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_41.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_42.xhtml