11 Kaarten met de duivel in café De Kers
Dit verhaal speelt zich af in café De Kers te Oerle, nu een modern café met danszaal, maar ten tijde van dit verhaal een ouderwets, klein cafeetje, met rieten stoelen en wit zand op de vloer. Nu kan men dit verhaal geloven of niet, maar de waardin van de herberg vertelde het de schrijver persoonlijk en het werd door vele inwoners van Oerle bevestigd.
Oerle, in een niet zo ver verleden, door Ben Janssen – Het was vroeger en nu ook nog op vele plaatsen de gewoonte in de Kempen om in de kerstnacht op te blijven om zich toch zeker niet voor de nachtmis te verslapen. De meeste mensen bleven in de huiselijke kring. Er waren er echter ook die dit deden in een herberg, al werd daar door de pastoor vele malen tegen gewaarschuwd. Maar niet iedereen wil gewaarschuwd zijn en zo gebeurde het dat op een zekere kerstnacht drie mannen in een herberg rond de tafel geschaard zaten in de hoop dat er wel een vierde man zou komen om mee te kaarten. Maar hoe ze ook wachtten, de vierde man kwam maar niet opdagen. Woedend om deze teleurstelling vloekten de drie mannen alle duivels uit de hel. Ten slotte besloten ze maar om naar huis te gaan. Juist wilden ze opstaan, toen een reiziger binnenkwam en zich aan een tafeltje neerzette. De drie mannen gingen ook weer zitten en een van hen ging naar de vreemdeling toe om te vragen of deze zin had om een spelletje mee te kaarten. De vreemdeling stemde toe en zo zaten ze even later met hun vieren kaart te spelen. Ze raakten zo verdiept in hun spel, dat ze niet eens merkten dat de tijd omvloog. Zo speelden ze uren en uren door.
Het was een koude kerstnacht. Door de met sneeuwvlokken gevulde lucht slingerde zich het gelui van een kerkklok. In de helderverlichte dorpskerk speelde zachtjes het orgel. Er liepen steeds meer mensen op straat die naar de kerk gingen, want niemand wilde de nachtmis overslaan. Maar in de herberg speelde het viertal rustig door. Zij luisterden niet naar de kerkklokken, noch naar de voorbijgaande voetstappen. Nee, ze kaartten en bleven kaarten. Plotseling keek een van de spelers op de klok en riep: ‘Hé, het is bijna vier uur en om vier uur begint de nachtmis, we moeten gaan!’ ‘Och, het helpt nu toch niet meer,’ zei de vreemdeling. ‘De mis is toch reeds half afgelopen als we bij de kerk aankomen.’ De spelers voelden wel dat ze verkeerd handelden, maar ze stelden elkaar gerust door te zeggen: ‘Och, er komen vandaag nog missen genoeg.’ Maar het spel wilde niet meer vlotten en met bevende handen deelde men de kaarten. Toen iemand weer de kaarten moest geven, beefde zijn hand zo erg, dat een kaart uit zijn hand viel en op de grond terechtkwam. De speler bukte zich onder de tafel om de gevallen kaart op te rapen. Hij tastte in het donker onder de tafel op de vloer. Toen gaf hij plotseling een gil van schrik, want hij greep in een ruige bokkenpoot. De gedachte dat het de duivel was, deed hem bewusteloos op de grond neervallen.
De vreemdeling sprong op en verdween met een angstaanjagende gil door het raam naar buiten, de drie anderen stom van schrik achterlatend. De herberg vulde zich met een verstikkende zwavelgeur en de drie mannen waren er nu van overtuigd dat ze met de duivel hadden zitten kaarten. Geen van het drietal heeft in de kerstnacht ooit nog kaart gespeeld.