Hoofdstuk 33

‘En is de vrouw die uw hond heeft gestolen hier vandaag in de rechtszaal aanwezig?’ vroeg Marks advocate, toen Holtby klaar was met zijn verhaal.

Holtby wees me aan. ‘Zij is het,’ zei hij. ‘Ik onthou elk gezicht.’

‘Dank u, meneer Holtby,’ zei ze. ‘Ik heb verder geen vragen.’

Ik voelde mezelf rood worden van schaamte. Ik kon geen woord uitbrengen. Williams pakte zijn balpen, krabbelde iets op een papiertje en schoof het naar me toe. ‘Geef vooral niets toe. Onder geen enkele voorwaarde,’ stond er. Toen fluisterde hij iets in het oor van mijn pleitbezorger, die opstond en zich tot de rechter wendde.

‘Edelachtbare, ik heb een paar vragen voor meneer Holtby.’

Mevrouw Khan keek op haar horloge en zuchtte. ‘Dat is goed, maar zet u er wel een beetje haast achter, alstublieft. Het is bijna lunchtijd en ik weet zeker dat meneer en mevrouw Curtis er geen behoefte aan hebben deze kostbare zitting vanmiddag voort te zetten. Ik heb dat in ieder geval niet.’

Simon sloeg zijn armen over elkaar, stak zijn duimen onder zijn oksels en wendde zich tot Holtby. ‘Meneer Holtby, bent u alcoholist?’

De zwerver stak zijn kin in de lucht en antwoordde trots: ‘Ja, dat ben ik.’

‘En had u de middag van die zogenaamde puppydiefstal gedronken?’

‘Ik drink ’s middags altijd een glaasje.’

‘En kunt u zich nog herinneren hoeveel glaasjes dat die middag waren geweest?’

‘Nee, dat ben ik vergeten.’

‘Hebben we het over een enkele eenheid alcohol? Meer dan één? Twee? Drie eenheden, misschien? Vier? Zes? Acht?’

Holtby trok een bedenkelijk gezicht. ‘Ik weet niet wat u met “eenheden” bedoelt, maar het kan niet meer zijn geweest dan een liter Strongbow-cider en een halve fles whisky.’

‘Niet meer dan een liter Strongbow én een halve fles whisky?’ Simon glimlachte. ‘Dank u. Dus zou het redelijk zijn om te zeggen dat u op dat moment een tikje onder invloed verkeerde?’

Holtby keek beledigd. ‘Nou, niet zo erg dat mijn geheugen eronder te lijden zou hebben gehad.’

‘Meneer Holtby, kunt u op enigerlei wijze aantonen dat u ooit een puppy hebt bezeten, en dan met name het dier waar we het over hebben? Hebt u er een rekening van? Of een gezellige foto van u en uw hondje samen? Of moeten we u zomaar geloven? Het woord van een dakloze alcoholicus,’ verklaarde hij, terwijl hij zich naar de rechter omdraaide, ‘tegen dat van een hardwerkende vrouw die, vlijtig en gul als ze is, haar man jarenlang een luxeleventje heeft laten leiden.’

‘Bezwaar, edelachtbare!’ Marks pleitbezorgster stond op. ‘Deze vragen zijn – ’

‘Afgewezen. Meneer Holtby, wilt u die vraag beantwoorden, alstublieft.’

‘Nee, dat soort bewijzen heb ik niet.’

‘En als ik u het voordeel van de twijfel zou geven en zou geloven dat u in het verleden eigenaar was van een puppy – desnoods van deze hond hier – kunt u dan wel bewijzen dat hij van u is gestolen? Bent u bijvoorbeeld naar de politie gegaan om aangifte te doen?’

Holtby trok een gezicht. ‘Ik? Naar de polítie? Nee, natuurlijk niet!’

Opnieuw kwam Marks pleitbezorgster van haar stoel. ‘Bezwaar, edelachtbare. We hebben al vastgesteld dat meneer Holtby indertijd dakloos en niet geheel nuchter was. Het is hoogst onwaarschijnlijk dat de politie de man te woord zou hebben gestaan of dat ze hem zelfs maar serieus zouden hebben genomen.’

‘Toegestaan. Komt u terzake alstublieft, meneer.’

‘Ik probeer de feiten vast te stellen, edelachtbare. En die zijn, ten eerste, dat meneer Holtby zelf toegeeft dat hij alcoholist is en dat hij de middag waarop die zogenaamde diefstal heeft plaatsgevonden een aardige hoeveelheid alcohol had geconsumeerd. Ten tweede, dat zelfs áls hij de waarheid vertelt en iemand zijn puppy heeft gestolen, het nog helemaal niet automatisch vaststaat dat mijn cliënte de dief was, of zelfs maar dat Fluffy de gestolen hond zou zijn. Gezien het feit dat puppy’s groter worden en sterk veranderen –’

‘Ja, ja, ik zie wat u bedoelt. Misschien kunnen we veel beter rechtstreeks aan mevrouw Curtis vragen wat zij op de bewering van meneer Holtby te zeggen heeft.’

‘Bezwaar, edelachtbare. Mijn cliënte is…’

‘… bereid om het uit te leggen,’ zei ik, terwijl ik opstond.

‘Edelachtbare, ik maak bezwaar,’ zei Simon.

‘Bezwaar afgewezen. Als uw cliënte deze zaak op wil helderen, dan zal ik haar daar niet van weerhouden. Deze zaak begint eindelijk interessant te worden.’

Williams draaide zich naar mij toe en fluisterde: ‘Ik raad u dringend aan om helemaal niets te zeggen, mevrouw Curtis.’

‘Maar ik hoef me nergens voor te schamen.’

‘Mevrouw Curtis, toe, luistert u naar mij. Ik weet wat ik zeg.’

Intussen had ik schoon genoeg van al zijn goede raad. Ik schoot er niets mee op. Koppig, en een beetje roekeloos ook, stond ik op en liep naar het getuigenbankje. De rechter knikte me toe terwijl ik ging zitten. ‘Dank u, mevrouw Curtis. Maar voordat u het woord neemt, wil ik u eraan herinneren dat u onder ede staat.’

‘Ja, dat weet ik.’ Ik haalde diep adem en de waarheid rolde van mijn lippen. ‘Het is waar, Fluffy is meneer Holtby’s puppy,’ bekende ik. ‘Ik heb Fluffy van hem gekocht omdat hij anders verhongerd zou zijn. Ik had met hem afgesproken dat hij honderd pond van me zou krijgen, maar ik had maar dertig op zak, dus ik heb hem gegeven wat ik had en ben toen naar de bank gegaan om de rest van het geld uit de automaat te halen, zoals ik al eerder heb verteld. Maar toen ik weer bij de portiek in Jamestown Road kwam, was Holtby er met Fluffy én mijn geld vandoor gegaan. Hij had van míj gestolen. Ik heb urenlang naar hem lopen zoeken – niet omdat ik mijn geld terug wilde, maar omdat ik Fluffy wilde redden. Uiteindelijk vond ik hem – hij was achtergelaten in een kartonnen doos achter een afvalcontainer in een doodlopende steeg. Hij had geen water en geen eten, en hij lag in zijn eigen vuil. En hij jankte. U kunt zich niet voorstellen hoe wreed dat was. En toen heb ik hem meegenomen. En dat was geen stélen, want ik had meneer Holtby al dertig pond voor hem gegeven.’

‘We hadden honderd afgesproken!’ riep Holtby.

‘En dat is ook de prijs die u vanochtend onder ede hebt genoemd als het bedrag dat u voor hem had betaald,’ zei mevrouw Khan. ‘Hebt u vanochtend dan gelogen, mevrouw Curtis?’

Ik keek onzeker om me heen. ‘Nou, niet echt.’

‘Ik heb u een simpele vraag gesteld. Wilt u alstublieft antwoorden met ja of nee.’

‘Nou, in dat geval is het antwoord ja.’ Ik zag Williams zijn handen voor het gezicht slaan. ‘Maar het was niet echt een leugen. Ik bedoel, ik zou meneer Holtby de rest van het geld hebben gegeven als hij zich aan de afspraak had gehouden. Ik was alleen maar weggegaan om het voor hem te halen, verdorie nog aan toe!’

Rechter Khan keek me afkeurend aan. ‘Hebt u er niet bij stilgestaan dat meneer Holtby wel eens van gedachten veranderd had kunnen zijn en had besloten dat hij zijn hondje niet wilde afstaan?’

‘Nee, het enige waar ik aan kon denken was dat hij er met mijn geld vandoor was gegaan. En dat was ook zo!’

‘Dus toen hebt u uit wraak die hond gewoon maar meegenomen?’

‘Nee!’ hield ik vol. ‘Ik heb hem meegenomen omdat hij anders binnen een paar uur dood zou zijn geweest. En ik hád al dertig pond voor hem betaald – meer nog, om precies te zijn, want eerder op de dag had ik meneer Holtby al geld gegeven om iets te eten voor zichzelf te kopen.’

‘Dat was heel wat anders!’ riep Holtby uit. ‘Dat was een aalmoes voor de armen!’

Ik keek totaal verslagen om me heen. ‘Het feitelijke bedrag dat ik heb betaald kan toch op zich niet zo belangrijk zijn?’

‘Wat volgens u wel of niet belangrijk is, is niet relevant,’ zei mevrouw Khan. ‘Wat belangrijk is, is dat u gezworen hebt dat u de waarheid vertelde, maar dat u hebt gelogen. En daarmee hebt u meineed gepleegd.’

‘Wát?’ Ik kon mijn oren niet geloven en keek naar mijn vader. Hij zou vast opstaan en tegen de rechter zeggen dat ze zich vergiste. Maar pap beet op zijn lip en tuurde naar zijn knieën.

‘Meineed geldt als een van de zwaarste misdrijven,’ ging mevrouw Khan verder. Ze had de hele ochtend nog niet zo enthousiast geklonken. ‘Er staat een gevangenisstraf van één tot zeven jaar voor, plus zware boetes. Ik zie mijzelf genoodzaakt u van dit misdrijf te beschuldigen, mevrouw Curtis. En voor wat de zitting ten aanzien van uw scheiding en de voogdij over uw hond betreft, mevrouw en meneer Curtis, bepaal ik dat hij op dit moment moet worden teruggegeven aan zijn rechtmatige eigenaar, meneer Joseph Holtby.’

Toen Holtby opstond, zijn gebalde vuist in de lucht stak en riep: ‘Lang leve het Engelse recht!’ kwamen Mark en ik gelijktijdig van onze stoelen en riepen in koor: ‘Nee!’

‘Dat kunt u niet doen!’ riep Mark.

Ze wierp hem een vernietigende blik toe. ‘Meneer Curtis, mag ik u erop wijzen dat ik het hier, in deze rechtszaal, voor het zeggen heb en dat ik kan doen wat ik wil zolang ik me maar aan de wet hou? En dat ik, als u nog zo’n opmerking maakt, én op die toon, u een straf zal opleggen wegens weigering de instructies van de rechtbank op te volgen?’

‘Maar Annie verdient dat helemaal niet, zo’n veroordeling wegens meineed!’ ging hij verder. ‘En meneer Holtby heeft geen idee van hoe hij voor een hond moet zorgen. Hij kent Fluffy helemaal niet. En hij kan hem niet eens een behoorlijk thuis bieden.’

‘Nou, meneer Curtis, het was uw advocaat die meneer Holtby als getuige heeft opgeroepen. U had dit eerder moeten bedenken. En als mijn uitspraak u niet bevalt, hebt u dat alleen maar aan uzelf te wijten. Zal ik mijn vonnis wijzigen en eisen dat de hond in plaats daarvan wordt afgemaakt?’

‘Nee!’ riepen we opnieuw in koor.

En ik voegde eraan toe: ‘Edelachtbare, ik bedoel mevrouw, ik smeek u om Fluffy niet aan die man te geven. Geeft u hem toch alstublieft aan Mark!’

Rechter Khan keek me met een ijzige blik strak aan. ‘Begrijp ik het goed, mevrouw Curtis, dat u, nadat u juist tienduizenden ponden van uw eigen geld aan deze bespottelijke zitting hebt vergooid, om nog maar te zwijgen over mijn kostbare tijd én het feit dat u op de koop toe meineed hebt gepleegd, nu wilt beweren dat ik mijn werk niet goed zou hebben gedaan?’

‘Nee, natuurlijk niet, maar –’

‘Mooi! En nu heb ik meer dan genoeg van dit circus, en ik herhaal mijn vonnis: in de zaak van Curtis versus Curtis gaat de hond naar meneer Holtby. Voor wat het bezit van het echtpaar betreft – zo er na het betalen van de kosten en de boete voor mein eed die mevrouw Curtis zonder enige twijfel zal worden opgelegd nog wat over is – dat zal in gelijke delen tussen de eiser en de gedaagde moeten worden verdeeld. En nu adviseer ik u, meneer Holtby, om hier met die hond zo snel mogelijk zo ver mogelijk vandaan te gaan. Mevrouw Curtis, u meldt zich morgenochtend vroeg bij uw plaatselijke politiebureau voor de tenlastelegging. Doet u dat niet, dan zal er een arrestatiebevel voor u worden uitgevaardigd. Hebt u dat begrepen? Deze zaak is nu gesloten. Ik heb honger.’ Ze verliet de rechtszaal en liet ons allemaal behoorlijk overdonderd achter.

Toen de deur achter haar was dichtgevallen, barstten alle aanwezige vrouwen – Clarissa, Norma en zelfs Jackie Curtis – in snikken uit. Mijn vader sprong op en vloog met gebalde vuisten op Mark af. Jackie zette het op een krijsen, Norma trok pap terug en riep: ‘Niet doen, Bob! Niet doen! Je maakt alles er alleen nog maar erger op!’ Clarissa was naar mij toe gekomen en had haar armen om me heen geslagen. Toen ik over haar schouder keek, keek ik recht in de ogen van Mark, en we bleven elkaar aanstaren over de puinhopen van ons huwelijk, terwijl we nauwelijks konden bevatten wat we hadden gedaan.

Williams beëindigde zijn overleg met Simon. ‘Ik vrees dat dit niet het verwachte resultaat heeft opgeleverd,’ mompelde hij terwijl hij opstond en zijn papieren op een stapel schoof.

‘U meent het,’ zei Clarissa woedend, terwijl ze mij losliet. ‘Hoe hebt u dit kunnen laten gebeuren? Dit is een ramp voor Annie.’

‘Ja, inderdaad, deze meineedkwestie is hoogst onfortuinlijk,’ ging hij verder. ‘Ik had haar nog wel zo op het hart gedrukt om vooral niets te zeggen. Ik vrees dat u opnieuw een advocaat nodig zult hebben, mevrouw Curtis. U hebt mijn e-mailadres en mijn telefoonnummer. Misschien dat we het er buiten even over moeten hebben. Ik weet zeker dat we het eens kunnen worden over mijn honorarium.’

Op dat moment kwam Holtby naar me toe, pakte me de riem af en begon Fluffy bij me vandaan te trekken. Fluffy zette zich schrap. ‘Vooruit, stom beest,’ mompelde de zwerver, het dier hardhandig mee rukkend naar de uitgang. Fluffy bleef zo ver mogelijk uit zijn buurt en gromde met ontblote tanden. Ik wist dat hij elk moment tot de aanval kon overgaan. En Mark wist dat ook. Hij haastte zich naar hen toe, en toen hij bij Fluffy was, sprong de hond tegen hem op.

‘Kom, u wilt deze hond toch zeker niet écht hebben, wel?’ vroeg Mark aan Holtby.

De zwerver keek hem strak aan. ‘Hoe kom je daar zo bij?’

Fluffy begon weer te grommen. ‘Ik koop hem van u,’ zei Mark.

‘U wilt hem kopen? Há, alweer iemand die mijn hond van me wil kopen. Nou, maar deze keer is hij niet te koop.’

‘O, dat meent u niet! Hou op, Fluffy! Zit!’

‘Dit hier is een waardevol dier, zeg ik u.’ Holtby gaf opnieuw een harde ruk aan de riem. ‘Dat moet wel, met alle moeite die u doet om hem te kunnen houden. En nu is hij weer van mij. Au! Donder op, vals kreng!’ Fluffy had zijn kaken in een van Holtby’s broekspijpen gezet.

‘Stop, Fluffy!’ riep Mark. Juist op dat moment boog Holtby zich naar voren en gaf Fluffy met zijn vuist een dreun op zijn kop. Fluffy viel kermend opzij, en het volgende moment greep Mark Holtby bij de revers van zijn jasje. ‘Waag het niet deze hond ooit nog eens te stompen, te slaan of te schoppen, hebt u dat goed begrepen?’ Toen hij Holtby losliet, wankelde de man naar achteren. ‘En laten we ophouden spelletjes te spelen en ons tot de kern van de zaak bepalen,’ ging Mark meesterlijk verder, terwijl hij Fluffy’s riem pakte toen de hond de zwerver, blaffend en grommend, opnieuw te lijf wilde gaan. ‘U zult nooit iets aan deze hond hebben – kijkt u zelf maar hoe hij zich naar u toe gedraagt! Dus hoeveel wilt u voor hem hebben?’

Met een onthutst gezicht sloeg Holtby het stof van zijn colbertje. Toen griste hij de riem weer uit Marks handen. ‘Deze hond zorgt ervoor dat ik te eten krijg.’

‘Hoeveel?’ herhaalde Mark.

‘Twintig.’

Nu was het Marks beurt om verbaasd te kijken. ‘Twintig pond?’ vroeg hij zacht.

‘Ik geef u veertig!’ riep mijn vader.

‘Zestig!’ schreeuwde Dennis.

Holtby liet zijn hoofd naar achteren vallen en schaterde het uit. ‘Jullie denken zeker allemaal dat ik gek ben, hè? Alleen omdat ik af en toe een slok drink en geen huis heb. Twintig, veertig, zestig pond? Ha! Twintigduizend wil ik voor hem hebben!’

We slaakten collectief een gesmoorde kreet – zelfs mijn vader die zwaar op een van de banken ging zitten, naar voren boog en zijn hoofd op zijn handen steunde. ‘Een komediant, verdomme! Dat ontbrak er nog maar aan!’

Ondertussen stond Mark mij aan te kijken. Hij was lijkbleek geworden. Toen wendde hij zich weer tot Holtby. ‘Dat is bespottelijk,’ zei hij.

Holtby haalde zijn schouders op. ‘Nee hoor, het is gewoon een kwestie van vraag en aanbod. Je moet weten dat ik niet altijd zwerver ben geweest,’ voegde hij eraan toe bij het zien van onze verbaasde gezichten. ‘Ik was leraar vroeger – o ja, voor mijn vrouw me verliet en alles meenam, met inbegrip van de kinderen. Ziezo.’ Hij verstevigde zijn greep op de riem. ‘En nu heb ik, voor het eerst van mijn leven, eindelijk dan eens het monopolie op een product, en ben ik vrij om de prijs ervoor te bepalen. Als jullie het beest willen, kun je ervoor dokken. Ja of nee. Jullie mogen het zeggen.’

Mark keek me weer aan. Ik stond ondertussen te huilen. Arme Fluffy! Het was totaal hopeloos, allemaal. ‘Ik voel me gechanteerd,’ zei Mark tegen Holby. ‘Moet je horen, je kunt vijfhonderd van me krijgen. Nou goed dan, duizend.’

‘Wat?’ riep Dennis ontsteld uit.

‘Geen sprake van!’

‘Vijfduizend, dan? Tien?’ Gesmoorde uitroepen van iedereen.

‘Jongen, gebruik je verstand!’ riep Dennis. Hij liep naar Mark toe en pakte hem bij de elleboog. ‘Zie je ze vliegen?’

Holtby liep weg en trok Fluffy achter zich aan.

Mark schudde zijn vader van zich af en ging de zwerver achterna. ‘Vijftienduizend,’ zei hij. Holtby liep door. ‘Goed dan, dan kun je krijgen wat je wilt hebben,’ zei Mark, toen Holtby bij de deur was gekomen. ‘Twintigduizend pond.’

Holtby bleef staan. En draaide zich met een stralende glimlach om. Net toen hij Mark een hand wilde geven, hoorde ik mezelf roepen: ‘Dertigduizend!’

‘Annie!’ riep Clarissa geschokt uit. ‘Wat dóé je?’

‘Hou je mond, Annie!’ brulde mijn vader.

‘Veertig!’ riep Mark.

‘Vijfenveertig!’ schreeuwde ik.

Clarissa pakte me bij de arm. ‘Hou op, verdomme!’

Opnieuw keek Mark me aan. ‘Vijftigduizend!’

Ik aarzelde. ‘Annie, niet doen!’ siste Clarissa me toe. ‘Zo veel geld heb je niet!’

Even kon je in de rechtszaal een speld horen vallen. Toen zei Holtby: ‘Zei je vijftigduizend? Voor dit smerige mormel?’ Mark knikte langzaam. Hij zag inmiddels lijkbleek. Holtby glimlachte en stak opnieuw zijn hand uit. Mark slikte, en schudde hem. ‘Dat is een heel stuk beter,’ zei Holtby. ‘U bent nog eens een echte heer.’