Hoofdstuk 11
Ongeveer zes maanden later, op een woensdagmiddag in de tweede week van oktober, lag ik, met mijn schoenen uit en mijn benen omhoog, op de bank van de besloten receptie van mijn afdeling een glas champagne te drinken. Voor onze beste klanten hadden we altijd een fles Bollinger in de koeler klaarstaan – dat beschouwden ze, samen met in driehoekjes gesneden vers gemaakte sandwiches, als een vast onderdeel van onze service. Maar sinds ik tien jaar eerder als assistente op de personal shopping-afdeling van Haines was komen werken, had ik er een gewoonte van gemaakt om nooit te drinken tijdens het werk.
Die dag echter was een uitzondering. Ik was net klaar met een potentieel belangrijke klant met wie ik sinds elf uur die ochtend bezig was geweest, en ik had dringend behoefte aan een borrel. Tiffany George was de tweeëntwintig jaar oude vrouw van Ralph, een gevierde voetballer die onlangs door Arsenal was gecontracteerd. Hello! wijdde een artikel aan het nieuwe huis dat het stel in Mill Hill had gekocht, en Tiffany was bij me gekomen om kleren uit te zoeken voor tijdens de fotosessie.
Tiffany was, in haar lycra spijkerbroek en een strakker dan strak roze T-shirt van Stella McCartney, twee uur te laat op haar afspraak verschenen, samen met haar slecht opgevoede zoontje van drie, een oververmoeide baby en een onhandig en onaantrekkelijk kindermeisje – het was duidelijk dat ze niet van plan was haar man kwijt te raken aan de een of andere volupteuze au pair.
Eileen Grey bracht haar de ruime suite binnen waar ik op haar zat te wachten, en het ontging me niet dat het glimlachje van mijn bazin nogal geforceerd was. Eileen, een slanke, elegante vrouw die haar lange grijze haren in een chignon droeg en, net als haar grote voorbeeld Jean Muir, altijd minimalistische zwarte kleren aanhad, werkte al ruim dertig jaar bij Haines – eerst als inkoopster en daarna als cheffin van de personal shopping-afdeling die door haar was gestart. In de loop van die tijd was Haines binnen het high-fashioncircuit uitgegroeid tot de belangrijkste modezaak van Londen. Toen ik er was komen werken, had ze me onder haar vleugels genomen en me alles geleerd wat ik moest weten van stijl en kleding.
‘Tiffany, dit is mijn assistente, Annie,’ zei ze. ‘Ik draag je aan haar over omdat ik er zeker van ben dat ze de perfecte kleren voor je zal kunnen vinden.’
Tiffany plooide haar opgeblazen siliconenlippen in een pruilmondje en liet haar Louis Vuitton Murakami-tas op een stoel vallen. ‘O, best,’ zei ze op een verveeld toontje.
Eileen glimlachte ijzig. ‘Annie, ik weet dat je je best zult doen voor mevrouw George. Het woord is aan jou.’ En terwijl ze de deur achter zich dichttrok vormde ze – achter Tiffany’s rug en alleen voor mij zichtbaar – met haar lippen het woord: ‘Kreng!’
Hoewel Tiffany van nature een schoonheid was – een klein neusje, grote blauwe ogen, een lichaam om een moord voor te plegen en lang, zijdezacht blond haar – gaven haar oranje huid, gouden hakken van acryl en verblindende overdaad aan dure accessoires haar een hard en ordinair voorkomen. Haar zure gezicht en verwaande gedrag maakten haar er nog onsympathieker op. Terwijl Acapulco, haar zoontje van drie (dat verwekt was tijdens haar verblijf in een vijfsterrenhotel in Mexico) het witte kleed onder de chocola smeerde en op de meest negatieve manier om aandacht vroeg en de gedeprimeerde nanny haar best deed om de huilende Croydon (verwekt tijdens een logeerpartij bij Tiffany’s ouders) stil te krijgen, werkte ze zich chagrijnig door de twee rekken prachtige kleren die ik eerder die dag voor haar had geselecteerd. Al die tijd bleef ze de koptelefoon van haar iPod, hét modeaccessoire van dat seizoen, op houden. Ze wilde dat we haar de kleren zouden lenen, en toen ik haar beleefd vertelde dat de zaak dat nooit deed, verlangde ze vijftig procent korting. Toen ik haar nóg beleefder zei dat we dat ook nooit deden, deugde er ineens niets meer.
‘Wat een klotetroep!’ riep ze bij herhaling uit terwijl ze zich, meekronkelend op de ritmische klanken die we uit haar koptelefoon konden horen, uit jurken van Vivienne Westwood, blouses van Burberry, pantalons van Dries Van Noten en jasjes van Pringle wurmde en alles als oud vuil op de grond liet vallen. Acapulco, die ongestoord zijn gang kon gaan omdat zijn moeder totaal niet op hem lette, dook er voordat we dat konden voorkomen prompt bovenop en rukte en trok eraan met die smerige chocoladevingers van hem. Toen Tiffany een halve fles Bollinger soldaat had gemaakt en het beleg van de sandwiches had gegeten zonder er iets van aan haar zoontje of het kindermeisje aan te bieden, stapte ze op zonder iets te kopen, en dat na verklaard te hebben dat ze naar Harvey Nichols zou gaan om echt stijlvolle kleren te zien.
Toen het onthutste kindermeisje de Mexicaan bij de pols greep en de kinderwagen achter haar aan de suite uit duwde, stopte ik haar een grote zak make-upmonsters toe. ‘Hier, voor jou,’ fluisterde ik. Ze keek zó dankbaar dat ik heel even dacht dat ze in tranen uit zou barsten.
‘Hé, wat zit er in die zak?’ hoorde ik Tiffany vragen toen ze op de lift stonden te wachten.
‘O, een vieze luier,’ stamelde het arme kind. Mooi zo, dacht ik, en voor het eerst die dag glimlachte ik.
‘En, hoe ging het met Cartier hoe-heet-ze-ook-alweer?’ vroeg George Haines, de eigenaar van de zaak, gretig toen hij van zijn kantoor naar mijn afdeling belde.
‘Ze heet Tiffany, meneer Haines. Hoewel Ratner een veel betere naam voor haar zou zijn – zeg maar Rat. Laat ik u zeggen dat ik van nu af aan nooit meer mijn zilveren Tiffany-oorbellen zal dragen. Als die trut hier ooit nog eens binnenkomt, zult ú haar moeten helpen.’
‘Kom, kom, Annie, zo praat je toch niet over onze klanten.’ George, een milde gentleman van de oude stempel, klonk geschokt.
‘U hebt helemaal gelijk. Alleen het woordje “klant” impliceert dat iemand ook daadwerkelijk iets bij ons koopt, en dat geldt dus niet voor Tiffany.’
‘Wat? Heeft ze dan niets gekocht?’
‘Nee. Niets.’
‘Hemeltje, hemeltje, Annie,’ zei hij bezorgd. ‘Ik had nog wel zo gehoopt dat we haar zouden kunnen strikken, want waar de echtgenote van één overmatig betaalde voetballer haar bevallige voetje zet, zouden er wel eens meer kunnen volgen, niet?’
‘Een groot aantal van hen koopt al op onze afdeling en ze zijn allemaal even aardig. Maar zo iemand als Tiffany – neemt u nu maar rustig van mij aan dat u niet zou willen dat zo iemand onze kleren droeg.’
Toen ik had opgehangen besloot ik de rest van de champagne op te drinken voor de volgende klant zou komen. Ik was er bijna doorheen toen mijn Nokia ging. ‘Ik zit met een probleem,’ zei Mark, met de deur in huis vallend.
Ik zette mijn glas op de lage tafel. ‘Is er iets met Fluffy?’
‘Nee, maar jij bent de enige die me kan helpen.’
Inmiddels stelde ik me alle denkbare rampen in huis voor. ‘Wat is er dan, Mark?’
‘Is Fluorescerend Groen het Nieuwe Zwart?’
‘Pardón?’
‘Of Fluorescerend Groen deze winter het Nieuwe Zwart wordt. Dat moet ik weten, want ik sta hier op de markt van Chapel Street en ik ben nieuwe sportschoenen aan het kopen en in mijn maat hebben ze alleen maar fluorescerend groen.’ Ik begon te lachen, terwijl hij volkomen serieus vervolgde: ‘De verkoper hier beweert dat fluorescerende kleuren het weer helemaal gaan maken.’
‘Ik kan me niet herinneren dat ze ooit echt in waren. Dat wil zeggen niet sinds de disco chic van 1970.’
‘Betekent dat dat je vindt dat ik ze niet zou moeten kopen?’
‘Zeg nou zelf, denk je dat ze leuk zullen kleuren bij het gras van Hampstead Heath?’
‘Hé, ja, daar zeg je zo wat. En verder,’ ging hij verder, ‘heb ik Fluffy hier bij me, en we vroegen ons af of je iets nodig had voor het avondeten.’
‘Zeg maar dat ik dat reuze lief van hem vind.’ Sinds we eind augustus met onze nieuwe regeling waren begonnen, hadden Mark en ik een ontspannen, luchtige en vrolijke telefoon- en sms-relatie ontwikkeld waarvan de hond – het enige wat we met elkaar gemeen hadden – het middelpunt vormde. Daarnaast had Mark zichzelf meer en meer onmisbaar gemaakt – niet alleen als hondenuitlater en hondenoppas, maar ook in mijn huis, dat, nu hij er ook zijn elektronische keyboard, computer en een tweede gitaar had neergezet, steeds meer op een muziekstudio begon te lijken. Maar al die apparatuur in de hoek van de kamer was de moeite van het beetje overlast ruimschoots waard, want Mark in huis was als een inwonende huishoudster. Niet alleen werd er tijdens mijn afwezigheid voor Fluffy gezorgd, maar wanneer ik ’s avonds terugkwam van mijn werk was het huis schoner dan ik het in de ochtend had achtergelaten. De vloer was geveegd, mijn vuile mueslikom was afgewassen en in plaats van dat de theedoeken over de kranen hingen, waren ze keurig netjes opgevouwen. En nu deed Mark ook al de boodschappen.
‘Nou, eigenlijk kan ik best een nieuwe zak Hill’s Science Diet gebruiken,’ zei ik. ‘De konijn-met-rijst-smaak.’
‘Ik dacht dat Fluffy dat at. Eet jij het ook?’
Ik moest altijd lachen om die droge humor van hem. ‘Ja, nou, ik wil dolgraag een glanzender vacht, en ik probeer een staart te krijgen.’
Hij grinnikte. ‘Even serieus, Annie. Wat wil je eten vanavond? Je hebt alleen maar een beschimmeld stuk Cheddar, twee oude eieren, een bakje hummus waarvan de datum is verstreken en een verschrompelde citroen in de koelkast liggen.’
‘Je wilt me toch niet vertellen dat je de hele dag met je hoofd in de koelkast hebt gezeten, wel? Ik dacht dat je aan dat nummer van je werkte.’
‘Dat doe ik ook. Dat deed ik ook. Maar tijdens mijn pauze kon ik niet helpen dat me opviel dat ik je koelkast nog nooit zó leeg heb gezien.’
‘Maak je geen zorgen. Ik ga op weg naar huis wel even bij M&S langs.’
‘Waarom zou je?’ zei hij. ‘Ik sta voor een echte slager. Sterker nog, Fluffy trekt hard aan zijn riem om me mee naar binnen te krijgen. Hé, mallerd, hou je eens even in! Ik kan zó naar binnen en iets voor je halen. Het is echt belangrijk om bij buurtwinkels te blijven kopen, weet je, anders is Engeland straks één grote supermarkt. Wat denk je van een paar lekkere braadworsten? Of koteletten? Er ligt ook een mooie lendenbiefstuk in de vitrine – mooi doorregen en zo.’
‘Doorregen? Wat bedoel je daarmee?’
‘Je weet wel, dat er vet doorheen loopt.’
‘Dat klinkt walgelijk.’
‘Maar dat is het niet. Vet houdt het vlees mals door te smelten, en door het, onder het bereiden, van binnenuit met vet te overgieten. Echt hoor, Annie, heeft je moeder je dan helemaal niets van koken geleerd?’
‘Ik had geen moeder,’ zei ik. Het was eruit voordat ik het in had kunnen slikken.
Even was het stil en op de achtergrond hoorde ik de geluiden van de markt van Chapel Street. ‘Wat?’ vroeg Mark ten slotte.
Zelf aarzelde ik ook. ‘Ik bedoel, ik had natuurlijk wel een moeder, maar ze was niet echt een moeder, als je snapt wat ik bedoel. Toen ik acht was, heeft ze mij en mijn vader laten zitten.’
Toen Mark opnieuw niets zei, begreep ik dat hij zich schaamde. Maar toen vervolgde hij, alsof ik niets had gezegd: ‘Er liggen ook een paar mooie fazanten in de vitrine.’
‘Bedankt, maar ik zou niet weten wat ik daarmee moest doen, afgezien dan van er een veer van op mijn hoed zetten.’
‘Het stelt niets voor. Je hoeft ze alleen maar in de oven te doen met een beetje boter in hun poeperd, en – ’
‘Laat maar, Mark. Moet je horen, ik moet weer aan het werk. Maak je over mij maar geen zorgen. Zoals ik al zei, ik haal zelf wel wat.’
Om zeven uur die avond was ik terug in Islington. Tussen de voedselschappen van de M&S tegenover het metrostation wemelde het zoals gewoonlijk van de bewoners van het Workhouse die, net als ikzelf, op weg van hun werk naar huis iets te eten kochten. Ik herkende een vrouw die op de parterre woonde en de man van verderop in de gang die, op de eerste ochtend nadat ik Fluffy mee naar huis had genomen, was komen klagen. We groetten elkaar met een strak gezicht en een knikje zoals we ook altijd deden wanneer we elkaar in hal van de flat tegenkwamen en liepen door met onze blik op de koeling, op zoek naar iets wat na drieënhalve minuut in de magnetron eetbaar zou zijn. Een gezonde portie bloemkool met kaassaus, gemaakt met echte boeren-Cheddar uit de West Country, sappige kip-tikka met saffraankleurige pilav-rijst, lasagne van de Italiaanse chef, smakelijke zalm met waterkerssaus – dit waren geen gewone kant-enklaarmaaltijden die we kochten, het was volwaardig, sexy eten dat speciaal bedacht en gemaakt was voor ongehuwde, hardwerkende lieden zoals wij. Ineens bedacht ik dat het eigenlijk wel erg triest was, zoals we daar als jonge deskundigen, elk in zijn of haar eentje op de dure bank in zijn of haar prachtige flat, voor onze prijzige flatscreen-tv’s of de huwelijksadvertenties doorkijkend onze opgewarmde hap zaten te eten. Wat het gebouw nodig had, was een gemeenschappelijke keuken, of desnoods een restaurant waar de alleenstaande bewoners bij elkaar konden komen, en samen konden eten en praten over hun eenzame bestaan – een soort kruising tussen Central Park en het Leger des Heils.
Anders dan in vriendschappen was ik nooit goed geweest in relaties. Sinds ik als meisje van zestien na twee weken gedumpt was door mijn grote liefde Melvyn, die in Hampstead Garden Suburb bij ons om de hoek woonde, had ik besloten om er nooit meer aan te beginnen. Ik had natuurlijk wel eens een minnaar – tot op heden waren dat er vier geweest en dat was volgens moderne maatstaven echt een bescheiden aantal voor een vrouw van mijn leeftijd – maar telkens wanneer de boel ook maar een beetje serieus dreigde te worden, had ik er zo snel mogelijk een punt achter gezet.
Intussen was ik eraan gewend om alleen te zijn – ik stond er eigenlijk amper bij stil. Volgens Clarissa – die, als maatschappelijk werkster, vol zat van dit soort psychologisch gewauwel – was dat omdat ik onbewust bang was om me aan iemand te hechten, en daarom wilde ik er niets van weten. Sinds mijn moeder me in de steek had gelaten, zei ze, weigerde ik onbewust mijzelf opnieuw in een vergelijkbare kwetsbare positie te plaatsen.
Onzin, had ik tegen haar gezegd. Alles bij elkaar had ik het volmaakt naar mijn zin in mijn eentje.
Dat nam echter niet weg dat er ook momenten waren waarop ik me eenzaam voelde en tot voor kort had daar ook het alleen thuiskomen toe behoord. Maar dat was intussen wel anders. Ik was niet langer een van de vele bewoners van het Workhouse die op weg naar een lege flat, precies voldoende eten voor zichzelf kochten, om de simpele reden dat mijn flat niet langer leeg was. En het was ook niet meer zomaar een flat – het voelde als een echt thuis. Fluffy was er en ik popelde om hem te zien. De laatste tijd leek hij altijd precies te weten wanneer ik thuiskwam. Zodra ik de trap op kwam of de lift uit stapte, hoorde ik hem onder de kier van de voordeur door snuffelen, en als ik dan even later voor mijn deur stond en in mijn tas naar mijn sleutels zocht, begon hij te blaffen en aan de deur te krabbelen. En op het moment dat ik de deur opendeed, besprong hij me met van vreugde glanzende ogen en zijn tong uit zijn bek – hij deed alsof we elkaar jaren niet hadden gezien.
Maar vanavond hoorde ik geen gesnuffel toen ik uit de lift stapte. In de gang weergalmde rockmuziek en het geluid kwam uit mijn flat. Aarzelend drukte ik mijn oor tegen de deur en luisterde. Ik hoorde ook een vals zingende mannenstem. Toen ik de deur langzaam openduwde, kwam mij een verrukkelijke geur tegemoet. Op de vloer in de hal lagen een stel modderige canvas sandalen, een enorme sleutelbos en een gestreept plastic tasje met een stel monsterlijke groene sportschoenen erin.
Ik liep op mijn tenen door naar de woonkamer en bleef op de drempel staan. Mark stond zingend achter het roestvrijstalen aanrecht op professionele wijze wat selderie te snijden. Naast hem zag ik een open fles wijn en een halfvol glas en achter hem, op het fornuis, stonden een steelpan en een braadpan waarin iets lag te braden. Fluffy zat met gespitste oren voor het kookeiland strak naar Mark te kijken. Na een poosje gooide Mark een stukje vlees vanaf de snijplank naar hem op dat hij, zonder van zijn plaats te komen, keurig opving in zijn bek.
‘Dat is het laatste stukje dat je krijgt, kleine vreetzak,’ zei Mark tegen hem. ‘Nu zul je op je eigen eten moeten wachten.’ Hij pakte de gesneden selderie met beide handen van de snijplank en gooide het in de braadpan.
Fluffy was de eerste die me opmerkte toen ik binnenkwam. Maar in plaats van zich naar me toe te haasten, volstond hij ermee zijn kop naar me toe te draaien en even te kwispelen, en toen draaide hij zich weer naar Mark, die de braadpan inmiddels van het vuur had getild en, uit volle borst zingend, als een beroepskok de groenten heen en weer bewoog.
‘Mark?’
Met een ontzettend kabaal liet hij de pan terugvallen op het fornuis en draaide zich naar me om. ‘Verdomme! Ik heb je helemaal niet binnen horen komen.’
Terwijl hij naar de cd-speler liep om het geluid wat zachter te zetten, liep ik naar het aanrecht en aaide Fluffy in het voorbijgaan even over zijn kop. Ik zette mijn boodschappen van M&S neer en keek naar een paar stukken vlees die in een kom lagen te marineren. ‘Wat is dit?’
Mark kwam op zijn blote voeten teruggelopen naar de keuken, pakte een vork en draaide een stuk om. ‘De fazant. Van de slager. Hij was zo spotgoedkoop dat ik hem niet kon laten liggen. Maar omdat je zei dat je geen idee had hoe je hem klaar moest maken, besloot ik het voor je te doen.’
‘Dat is erg aardig van je.’
Er verscheen een rimpel op zijn voorhoofd. ‘Ik hoop dat je geen andere plannen hebt voor vanavond? Ja? Verdomme, daar heb ik geen moment aan gedacht!’
‘Ja, ik had inderdaad andere plannen.’ Er gleed een schaduw over zijn gezicht. ‘Ik had met mijn benen omhoog willen zitten en dit willen eten.’ Ik haalde mijn eenpersoonsportie pasta uit het tasje en zette die op het aanrecht.
‘Wat heb je daar?’ Mark pakte het op. ‘Spaghetti carbonara?’ Hij keek naar de ingrediënten en huiverde. ‘Het is een misdaad om dat soort voedsel te kopen, Annie. Heb je er enig idee van hoe snel en gemakkelijk het is – om nog maar over goedkoop te zwijgen – om dit zelf te maken?’ Ik schudde mijn hoofd. ‘Nou, dan zal ik je dat moeten leren.’
‘Maar koken is zo ingewikkeld. Ik bedoel, ik kan koteletjes maken en zo. En ik kan bonen warm maken en restjes opbakken. Ik heb in mijn jeugd voor mijn vader moeten koken, weet je, nadat mijn moeder was weggegaan. Maar dit soort ingewikkeld eten hadden we nooit. Later pas, maar dan in restaurants.’ Ik keek naar alles wat hij op het aanrecht had klaargelegd – appels, groenten, kleingesneden plakjes bacon, olijfolie en een plastic pakje met bollige bruine dingen. ‘Wat zijn dát?’
‘Vacuüm verpakte kastanjes. Voor bij de kool. Het is een beetje oneerlijk om ze zo te kopen, maar het is niet het seizoen voor verse.’
‘Je hebt hier nogal wat eten voor één persoon.’
‘Nou, ik had gehoopt dat je het met de kok zou willen delen.’ Met de rug van zijn pols streek Mark zijn lange krullen van zijn voorhoofd. Sinds de enige keer dat we elkaar – drie maanden eerder – persoonlijk hadden gezien, was ik vergeten hoe knap hij was. Zoals hij daar achter het fornuis stond in zijn witte Wag the Dog Walks T-shirt, zijn kaki bermuda en met de theedoek om zijn middel geknoopt, het licht van de halogeenspotjes dat op zijn armen scheen en zijn haartjes deed glanzen, en met dat sterk doorgroefde gelaat van hem in een brede grijns, zag hij eruit om op te vreten.
‘Dat klinkt geweldig,’ zei ik. ‘Dank je.’
‘Dat hoort allemaal bij de service.’
Ik zag hem regelrecht naar de kast lopen waar ik de wijnglazen had staan en hij haalde er eentje uit die hij vol schonk en aan me gaf. Hij leek zich volkomen thuis te voelen in mijn keuken – eigenlijk meer nog dan ik zelf. ‘Geef je al je klanten deze service?’ vroeg ik. ‘Een soort van hondendinerservice?’
‘Nou, als ik niet snel verder ga, wordt het inderdaad een hondendiner. Dus, neem me niet kwalijk…’ Hij boog zich over de sissende pan. ‘Ik hoop dat je honger hebt.’
‘Nou, om je de waarheid te zeggen, ik rammel. En ik ben bekaf. Ik heb echt een verschrikkelijke dag achter de rug.’
‘Ga dan maar lekker even douchen – of wat vrouwen dan ook plegen te doen – en dan staat dit over een halfuurtje op tafel. En neem Fluffy alsjeblieft mee. Ik heb de fout gemaakt om hem een paar stukjes te geven en nu blíjft hij maar zeuren.’
Anderhalf uur later – ik zou ontdekken dat Marks timing altijd aan de optimistische kant was – gingen we aan tafel en genoten we van een van de meest verrukkelijke thuis bereide maaltijden die ik ooit heb gegeten: fazant uit de oven met selderie en ui, geflambeerd in het restje cognac dat ik al sinds ik in mijn flat was komen wonen achter in de kast had staan. Het werd geserveerd met kool die gesauteerd was met de kastanjes en de bacon en er zaten appels uit de oven bij. Voor we begonnen te eten, hadden we Fluffy een extra bak van zijn konijn-met-rijstbrokjes gegeven in de hoop dat hij niet zou bedelen aan tafel. Maar de heerlijke geuren die van onze borden kwamen waren te onweerstaanbaar voor hem, en nadat Mark en ik tegenover elkaar waren gaan zitten, koos Fluffy voor een plekje halverwege onze benen, terwijl hij zachtjes jankte en ons om beurten aan onze knieën krabde.
Misschien kwam het wel door alle wijn die we hadden gedronken in afwachting van het moment waarop we aan tafel konden, maar ons gesprek verliep even vloeiend als onze sms’jes dat doorgaans deden. Ik besefte dat het praten met Mark bijna even gemakkelijk was als het praten met Clarissa. Het leek wel alsof we elkaar al jaren kenden.
‘Ik zie dat je uiteindelijk toch voor het fluorescerend groen hebt gekozen,’ merkte ik op terwijl ik aan mijn tweede portie fazant begon.
‘Je bedoelt mijn nieuwe gympies?’
‘Wat? O, je gympies. Zo noemde mijn vader zijn sportschoenen vroeger ook. Dat was in de tijd dat hij ze nog droeg – in de tijd voordat hij grof geld verdiende en spullen van Gucci begon te kopen.’
‘En hoe noemt hij ze nu?’
‘Nou, “mijn Gucci’s” natuurlijk. Hij is een aanhanger van de theorie “wie het breed heeft laat het breed hangen”.’
Mark lachte. ‘Nou, ik heb het niet breed en ik kan me ook niet voorstellen dat ik het ooit breed zal hebben. Maar met die groene gympies val ik beslist op. Denk je dat ze ermee door zullen kunnen bij die nieuwe fascisten van tegenwoordig, de fashionista fascisten?’
‘Geen idee, maar ze zijn ongetwijfeld origineel, ironisch komisch en flitsend, hetgeen, binnen de modewereld, synoniem is voor wansmaak. Hé, stoute hond, hou daarmee op!’
‘Wat doet hij daar beneden?’
‘Hij krabt aan mijn knieën. Maar als je ze op de London Fashion Week droeg, zou je er zeker diepe indruk mee maken. Wie weet zou het wel eens het begin van een nieuwe trend kunnen zijn. En tussen haakjes, ik dacht dat je niets van mode af wist.’
‘Dat doe ik ook niet.’
‘Hoe kom je dan aan termen als “fashionista” en “het nieuwe zwart”?’
Mark glimlachte een beetje beschaamd en haalde zijn schouders op. ‘Nou ja, je weet wel…’
‘Nee, ik weet het niet. Fluffy! Hou op! Zit!’ Fluffy kwam onder de tafel uit, ging liggen, legde zijn snuit tussen zijn poten en keek mokkend en verwijtend naar me op.
‘Nou,’ ging Mark verder, ‘soms, wanneer ik ’s middags hier ben om te werken, maak ik ook wel eens een kopje thee voor mezelf.’ Hij zweeg.
‘En… als ik dan wacht tot het water kookt, dan eh, ga ik wel eens een poosje op de bank zitten.’
‘En?’ drong ik nog eens aan.
‘En… nou… soms doe ik dan helemaal niks en hang ik alleen maar wat, maar andere keren…’
‘Ja?’
‘Nou, andere keren kijk ik wel eens in die dingen daar.’ Hij wees met zijn kin op de enorme stapel modebladen die op een van mijn bijzettafeltjes lag – bladen die ik voor mijn werk moest lezen.
Ik was stomverbaasd. ‘Echt?’
‘Is daar iets mis mee?’ vroeg hij, nogal defensief.
‘Nee, helemaal niet. Het verbaast me alleen maar dat je daarin geïnteresseerd bent.’
Hij haalde zijn schouders op. ‘Sommige ervan vallen best mee. Tatler, Marie Claire, Cosmopolitan en Style zijn best aardig. Wallpaper vind ik het beste. Dat is een redelijk gaaf blad. En dan natuurlijk al die Vogues – de Amerikaanse, de Italiaanse, de Vogue for Men, de Engelse, de Engelse Vogue for the Stylistically Challenged. Ik wed dat er ook een Vogue voor honden bestaat, denk je niet? Die zou je dan voor Fluffy moeten kopen. Dan is hij een paar uurtjes zoet met knagen. Het zijn niet de foto’s van de modellen die ik er het leukste aan vind – ze zijn me een beetje te mager, en sommige foto’s zijn zo raar dat je niet eens goed kunt zien wat ze aanhebben. Nee, wat ik er het leukste aan vind…’ Hij zweeg opnieuw.
‘Ja?’
‘Ach, laat maar zitten.’
‘O, toe nou. Nu wil ik het ook weten.’
‘Nou…’ Hij haalde diep adem. ‘Wat ik zo leuk vind, dat zijn die gratis monstertjes die bij sommige advertenties op de pagina zitten geplakt. Je weet wel, die zakjes met crème en shampoo en zo. Zo te zien gebruik jij die nooit. Ik vind het een lekker gevoel om ze van de bladzijden te trekken en er dan de lijm af te pulken. En sommige van die crèmes zijn nog lekker ook. Ik had er laatst een die vol zat met adenoïden.’
Ik deed mijn best om niet in schaterlachen uit te barsten. ‘Je bedoelt retinoïden?’
‘O ja, dat was het. Mijn handen werden er heerlijk zacht en glad van. Maar mijn echt, échte favorieten, dat zijn die advertenties waarvan je een deel van de bladzijde moet openvouwen – de geuradvertenties die zo lekker ruiken als je er overheen wrijft.’ Het idee van macho-Mark die daar op mijn bank de gratis monsters en luchtjes zat uit te proberen was zo onverenigbaar dat ik inmiddels al dubbel lag over mijn bord. ‘Ik wist wel dat je me uit zou lachen als ik het vertelde,’ zei hij terwijl hij knalrood werd.
‘Het spijt me! Maar je bent ontzettend komisch.’
‘Nou, daar had mijn ex-vriendin een ander woord voor. Als ik me goed herinner noemde zij me een lul.’
‘Misschien begreep ze je gevoel voor humor wel niet.’
‘Volgens haar hád ik helemaal geen gevoel voor humor. Maar, lieve help, zelf was ze ook niet bepaald een vrolijk type. En nu ik erover nadenk kan ik me eigenlijk niet herinneren dat we ooit samen ergens lol over hebben gehad.’
‘Dat moet een geweldige relatie zijn geweest. Hoe lang heeft hij geduurd?’
‘Alles bij elkaar zo’n jaar of vijf.’ Onze blikken vonden elkaar. ‘En jij?’
‘Ik?’
‘Waarom is er geen meneer Annie Osborne in jouw leven?’
Ik voelde dat ik langzaam maar zeker knalrood werd. ‘Hoe weet je dat die er niet is?’
Mark streek een lok haar uit zijn ogen. ‘Nou, laten we zeggen dat ik geen sporen van hem heb gevonden.’ De warmte sloeg van mijn wangen. ‘Ik bedoel,’ ging hij verder, ‘dat er geen knoedel stinkende zwarte sokken onder het bed ligt te rotten. En in de badkamer is geen scheercrème te vinden. ’s Ochtends staat er maar één lege koffiemok op het aanrecht. Er is maar één tandenborstel. En de dop van de tube tandpasta zit er altijd stevig op gedraaid.’
‘Tja, dat zou overtuigend bewijs moeten zijn.’ Maar inmiddels was mijn verlegenheid aan het omslaan in woede. Ik herinnerde me wat Clarissa had gezegd over Mark – dat hij een stalker was. ‘Nou moet je me toch eens vertellen. Wat doe je eigenlijk als je hier bent? Zit je in al mijn spullen te snuffelen? Bespioneer je mij?’
Hij keek ontzet. ‘Ik, jou bespioneren?’
‘Ja, De koelkast. Het kastje van mijn badkamer. De ruimte onder mijn bed.’
‘Ik heb onder je bed gekeken omdat ik Fluffy er onderuit probeerde te krijgen,’ zei hij beteuterd. ‘Hij zat eronder op iets te kauwen en wilde er niet uit komen.’
Op de voet gevolgd door de puppy in kwestie, die op hetzelfde moment opsprong als ik dat deed, pakte ik de vuile borden van tafel, liep ermee naar de keuken en liet ze in de gootsteen vallen. Er viel een lange stilte. Ten slotte vroeg Mark: ‘Ben je boos op mij?’
‘Het maakt niet uit,’ snauwde ik. Ik trok de vaatwasser open en begon, terwijl Fluffy in de hoop op restjes om me heen draaide, het bestek in het mandje te doen.
Mark observeerde me zonder iets te zeggen. Na enkele minuten haalde hij diep adem. ‘Ik heb je niet bespioneerd. Het zijn alleen maar dingen die me, zonder dat ik daar op uit was, zijn opgevallen.’ Hij zuchtte. ‘Maar dat geloof je niet, hè?’ Ik gaf geen antwoord. ‘O, verdomme. En nu heb ik het verknald, hè?’
‘Wát heb je precies verknald, als ik vragen mag?’
‘Hét. Mijn kans.’
‘Wat voor kans?’
‘Nou, ik dacht dat ik misschien een kansje maakte. Want weet je, Annie, ik vind het echt heerlijk om met je te praten. Je weet wel, door de telefoon. En ik had eigenlijk gehoopt dat er een soort van plekje voor me beschikbaar zou zijn.’
Ik draaide de kraan open en begon als een gek de borden te spoelen. ‘Ik snap niet wat je bedoelt.’
‘Een plekje. Je weet wel. Een vacature.’
‘O, hou toch eens op met de dingen zo ingewikkeld te zeggen. Waar héb je het over?’
‘Nou, je weet wel, die contactadvertenties in de krant. “Gezocht, partner voor LR. NR. GvH. HUGMFG”.’
De vloer onder mijn voeten leek te kantelen en ik voelde een glimlach doorbreken op mijn boze gezicht. Ik ging met mijn rug naar hem toe staan en laadde de borden in de vaatwasser. ‘Dat van Liefdevolle Relatie, dat weet ik. Niet Rokend. Gevoel voor Humor. Maar waar staat dan andere voor, dat HU-weet ik veel?’
‘HUGMFG? Nou, voor Honden Uitlatende Gitarist Met Fluorescerende Gympies, natuurlijk.’
Mijn schouders schokten van de lach. Het duurde even voor ik mijn stem weer onder controle had, maar toen zei ik: ‘Dus dan heb je niet alleen de Vogues zitten lezen, maar ook de contact advertenties! Componeer je eigenlijk wel eens wat wanneer je hier bent?’
‘Ja, hoor. Maar ik verveel me altijd vrij snel. Er zijn veel leukere dingen te doen.’
‘Zoals het tellen van de tandenborstels, of het gebrek daaraan?’
‘Ja, daar ben ik een paar dagen mee zoet geweest. En met de vraag of ik je ooit nog weer eens in levenden lijve zou zien, in plaats van altijd maar telefonisch contact met je te hebben.’ Mark stond op van tafel, kwam naar me toe en sloeg zijn armen van achteren om me heen. Ze voelden sterk en veilig en ik verzette me niet toen hij me tegen zich aan trok.
‘En wat als ik op zoek was naar een hondenuitlatende gitarist met fluorescerende gympies?’ vroeg ik zacht.
Hij blies de haren uit mijn nek. ‘Nou,’ antwoordde hij, terwijl hij me daar een kusje gaf, ‘dan zou ik wel willen solliciteren.’
Ik draaide me naar hem toe. En voor ik het wist waren we elkaar hartstochtelijk aan het zoenen.
Het volgende moment begon Fluffy als een gek te blaffen. Hij sprong tegen ons op en probeerde ons, gek van de jaloezie, van elkaar te scheiden. Mark en ik haalden onze lippen van elkaar en zeiden in koor: ‘O, Fluffy, hou je kóp!’