Hoofdstuk 29
Met nog maar enkele dagen te gaan tot de beslissende zitting, veel te doen op de zaak en geen hondenuitlater, bracht ik een aanzienlijk deel van de maandag en dinsdag in taxi’s tussen de winkel en Fulham door. Het was een nachtmerrie. Mijn werk leed eronder, en Fluffy en ikzelf ook. Zelfs Vlad leed eronder. Op dinsdag ontstond er een lek in een flat op de tweede verdieping, waardoor de etage eronder blank was komen te staan. Hij was gekomen om een deel van de keuken te demonteren om te zien waar het lek zat. Het versplinteren van meubelplaat, in combinatie met de muziek van een Poolse punkgroep die luid door zijn iPhone schalde, was niet in staat de herrie van Fluffy’s blaffen te overstemmen.
‘Ik krijg barstende koppijn van die hond,’ zei Vlad toen ik die dinsdagavond om zeven uur eindelijk thuiskwam van mijn werk. Hij zat op zijn knieën op de overloop en was bezig met het lostrekken van het laminaat dat hij nog maar pas had gelegd. Mijn blik bleef even rusten op het zichtbare deel van een prachtige bouwvakkersbil.
‘Het spijt me verschrikkelijk,’ zei ik terwijl ik snel doorliep naar boven. ‘Ik wilde eerder thuis zijn, maar het lukte me niet om tijdig weg te komen.’
Hij hield op met werken en trok de oortelefoon los. ‘Die oude trut van nummer drie heeft geklaagd. Het blaffen gaat haar op de zenuwen werken, ze gaat de gemeente bellen, geluidsoverlast, huisdieren zijn niet toegestaan, enzovoort, enzovoort, enzovoort. Ik zeg tegen haar: “Hé, ik ben de huisbaas, dame, en ik maak hier de regels. En deze hond is van de baas van mijn zus, dus sodemieter op, oude tang!”’ Vlad lachte vriendelijk. ‘Misschien heb ik dat anders gezegd, Annie, maar toch, ik heb haar gezegd dat ze niet moet zeuren. Zeker weten.’
‘Het spijt me heel erg!’
‘Hé, je hoeft heus niet mijn hielen te likken, hoor je? Het arme dier verveelt zich zo alleen.’ Terwijl hij dat zei klonk er vanboven een hartverscheurende kreet, gevolgd door een razendsnel gekrabbel aan de deur waar Fluffy onderdoor probeerde te graven.
‘Vlad, ik zweer je dat ik alle schade zal vergoeden. En ik zweer je ook dat dit niet eeuwig zo door zal gaan,’ zei ik terwijl ik verder doorliep naar boven. ‘Het is alleen dat die verrekte hondenuitlaatster van mij… Nou ja, laten we maar zeggen dat ze me deze week heeft laten zitten en dat ik Fluffy niet mee kan nemen naar mijn werk.’
‘Ja, ik hoor van Eva wat er is gebeurd toen je hem naar binnen hebt gesmokkeld. Hele toestand, hè?’
Toen ik de voordeur naderde en Fluffy hoorde of rook dat ik het was, ging het janken en krabbelen weer over in bezeten blaffen. Ik had de deur nog niet op een kiertje of hij schoot langs me heen naar buiten en rende de trap af. Tegen de tijd dat ik zijn riem had gevonden, was hij al bij Vlad op de overloop en waren ze als twee jonge honden aan het dollen.
‘Hé, Fluffy, jij lastig beest, hè?’ zei Vlad. ‘Weet je, Annie? Ik werk hier morgen de hele dag. Mijn vriend kan mij helpen. Hij hoeft niet de hele dag opgesloten te zitten en iedereen gek te maken met zijn geblaf. Ik zal voor hem zorgen.’
‘O, Vlad! Meen je dat? Je bent een engel!’
De volgende ochtend vertrok ik haastig naar mijn werk. Ik had de deur van de flat op een kiertje laten staan en Fluffy was in de half gedemonteerde keuken op de tweede verdieping bij Vlad gebleven, waar ze zich samen te goed deden aan een ontbijt van broodjes met Poolse worstjes. ‘Zul je goed op hem letten?’ had ik gevraagd.
‘Geen probleem. Hij en ik, wij amuseren ons best.’
‘Dank je, Vlad. Dank je!’
‘Heb je Fluffy bij mijn broer gelaten?’ riep Eva verbaasd uit toen ik haar over de oplossing voor die dag had verteld.
‘Waarom vraag je dat zo?’ vroeg ik, met een angstig voorgevoel. ‘Denk je dat dat onverstandig was?’
Ze glimlachte kort. ‘Nee hoor, helemaal niet. Je hoeft je geen zorgen te maken. Ik weet zeker dat Vlad tegenwoordig veel betrouwbaarder is dan vroeger.’
Waar had Eva het over? Maar er was geen tijd meer om door te vragen. Mijn agenda die ochtend zat vol met mijn cliënte die op het ministerie werkte, een televisiepresentatrice en de onlangs gedumpte echtgenote van een Russische oliemagnaat. ‘Ha, wraak-shoppen!’ had George Haines opgetogen uitgeroepen toen ik hem vertelde dat zij een afspraak had. ‘Dat wordt vast een rekening van zes cijfers!’ En daarna, om halftwee, zou mijn lievelingscliënte, Marion Barclay, langskomen om zich te verkleden en het Armani-mantelpak en de Burberry-blouse aan te trekken die ik de hele zomer voor haar had bewaard. ‘Ik kom van huis en ga regelrecht door naar dat sollicitatiegesprek,’ had ze me de vorige ochtend telefonisch laten weten. ‘Ik weet wel dat ik het niet tot het laatste moment had moeten uitstellen allemaal, maar we zijn nog maar net terug uit Italië. Weet je zeker dat alles voor me klaarhangt?’
‘Ja ja, mevrouw Barclay, maakt u zich geen zorgen. De naaister heeft de veranderingen aangebracht, het pakje is geperst en hangt in een plastic hoes aan de achterkant van de deur van mijn kantoor op u te wachten. Alles is geregeld. En ik ben hier om u met aankleden te helpen.’
‘Annie, je bent een schat.’
Na mevrouw Barclay werd ik voor een belangrijke bespreking in George’s kantoor verwacht. Alexis Collins, de redactrice van Zine – het meest invloedrijke en exclusieve online modeblad van de VS – was voor twee dagen in Londen. George ging met haar lunchen bij Nobu en dan zouden ze samen terugkomen naar de zaak. ‘Ik weet niet waarom hij dat doet,’ had ik tegen Eva gezegd. ‘Er wordt van haar gezegd dat ze nooit iets eet. Sterker nog, ze zeggen dat ze geen maag en zelfs geen ingewanden heeft. En ook geen hart.’ Alexis, die beroemd was om haar ranke gestalte en haar schoonheid maar berucht om haar veeleisendheid – een journalist had haar ooit eens gekarakteriseerd als een ‘pruik op een stokje’ – overwoog voor het voorjaarsnummer een hoofdartikel aan Haines and Hampton te wijden. En als ze dat deed, zou die publiciteit ons geheid bergen met goud opleveren. Het was mijn taak om George te helpen indruk op haar te maken met onze kennis ten aanzien van de allernieuwste mode-trends.
Dus alles bij elkaar had ik geen moment om aan Fluffy te denken. Dat wil zeggen, tot aan het moment waarop ik, om halfeen, bezig was de rekening op te maken voor de gedumpte echtgenote van de Rus – een bedrag van bijna honderdvijfduizend Engelse ponden, die ze betaalde met de American Express van haar ex – en mijn BlackBerry begon te rinkelen. Marks naam lichtte op en ik vroeg me af wat hij uitgerekend vandaag van me wilde.
Ik drukte op het groene knopje en snauwde: ‘Ik heb het verschrikkelijk druk. Als je me iets te vertellen hebt, zal dat tot morgen op de rechtbank moeten wachten.’
‘Nou, dat is pech, want ik moet je nu spreken,’ zei Mark, even kortaf.
‘Waarover?’
‘Waar is Fluffy?’
‘Bij mij thuis, natuurlijk.’
‘Nou, Annie, ik ben bang dat hij op het moment ergens anders is. Maar ja, als je nooit thuis bent, dan kun je dat natuurlijk ook niet weten, wel?’
‘Doe niet zo onbeschoft. Ik zorg heel goed voor hem!’
‘Ja, hoor.’
‘Moet je horen, ik ben op mijn werk. Weet je wat dat is, werk? En ik heb hem een paar uur geleden thuis achtergelaten.’
‘Nou, dat kan zijn, maar daar is hij nu niet meer.’
‘Natuurlijk wel!’ Ik aarzelde. ‘En hoe weet jij dat, trouwens?’
‘Omdat ik zojuist ben opgebeld door het politiebureau van Kensington, waar ze Fluffy hebben.’
‘Doe niet zo idioot! Dat bestaat niet!’
‘Nou, toch is het zo. Het schijnt dat hij een uur geleden in het Natuurhistorisch Museum is opgepakt, waar hij een bot van een dinosaurus te pakken had gekregen.’
Ik lachte een tikje bitter. ‘Oké, zo is het wel genoeg. En het is zo ongeveer de slechtste grap die ik ooit heb gehoord.’
‘Ik kan gewoon niet geloven dat je me niet gebeld hebt om te zeggen dat je hem kwijt was!’
‘Ik heb je niet gebeld omdat ik hem niet kwijt ben. Hij is thuis!’
‘Echt? En voordat hij naar het museum is gegaan, heeft hij kennelijk ook nog een stuk pizza gestolen in een broodjeszaak op Old Brompton Road. En verder is hij ook nog gesignaleerd in de kelder van de Conran Shop, waar hij met zijn staart een kostbare glazen vaas heeft omgegooid.’
‘Ik begrijp er niets van,’ zei ik. ‘Ze moeten de verkeerde hond voor zich hebben. En waarom hebben ze jou gebeld?’
‘Omdat het nummer van mijn mobiel op zijn halsband staat, weet je nog? En op zijn microchip.’
‘Nou, het kan gewoon niet waar zijn! Ik heb vanochtend, voor ik naar mijn werk ging, een heel eind met hem gelopen, en daarna heb ik hem in de flat gelaten. Of liever, in huis, maar bij Vlad.’
‘Wie is Vlad?’ vroeg Mark achterdochtig.
Ineens voelde ik me verschrikkelijk beroerd. Had Vlad de voordeur open laten staan en was Fluffy ontsnapt? Maar het Natuur-historisch Museum was kilometers uit de buurt van waar ik woonde. Hoe had hij zo ver kunnen komen? En zou Vlad me niet gebeld hebben als Fluffy hem was gesmeerd?
‘Annie, wie is Vlad?’ vroeg Mark opnieuw.
Wat had Eva daarstraks ook alweer gezegd, over Vlad die nu betrouwbaarder zou zijn dan vroeger? ‘Mijn huisbaas,’ antwoordde ik. ‘De projectontwikkelaar. Eva’s broer. Hij moest vandaag in huis werken en hij heeft aangeboden om op Fluffy te passen. Maar Fluffy moet ontsnapt zijn. O god, wat vreselijk. Het spijt me verschrikkelijk.’
‘Hoe heb je zo verdomd onverantwoordelijk kunnen zijn om hem aan een vreemde toe te vertrouwen?’ brulde Mark door de telefoon.
‘Vlad is geen vreemde! En ik was ervan overtuigd dat hij goed op Fluffy zou passen.’
‘Nou, maar dat bleek dus een vergissing, hè? En het is nog een wonder dat hij niet onder een auto is gekomen!’ Hij slaakte een wanhopige zucht. ‘Nou ja, je moet hem in ieder geval meteen bij de politie gaan halen. Het is het bureau op Earls Court Road.’
‘Wat?’ Ik keek op mijn Dolce & Gabbana. Het was tien over een. ‘Ik kan niet, Mark! Ik ben met een belangrijke klant bezig en om halfdrie komt de volgende. En dan heb ik een afspraak met een redactrice van een belangrijk modeblad. Ik heb nog geen seconde tijd vanmiddag.’
‘Nou, dan heb je pech,’ zei hij, ‘want ik zit in Islington, en ik moet naar het centrum voor een afspraak met mijn advocate. Vanwege ónze scheiding. En kennelijk heeft Fluffy zojuist geprobeerd om een vrouwelijke inspecteur of zo te naaien. Dus als hij niet binnen het komende halfuur of zo gehaald wordt, sturen ze hem naar het asiel in Battersea. En daarmee, Annie, zul je morgen op de rechtbank natuurlijk geen al te beste beurt maken, denk je niet?’