Hoofdstuk 25

Een week later, op vrijdagmiddag, was ik weer bij meneer Williams op kantoor. Het was er zo warm en benauwd dat hij de hoge schuiframen open had gedaan en, na zich uitputtend verontschuldigd te hebben, zijn donkergrijze colbertje had uitgetrokken en over de rugleuning van zijn stoel had gehangen. ‘Mag ik?’ vroeg hij nu, met zijn hand op zijn donkerblauwe stropdas.

‘Gaat u gerust uw gang,’ zei ik. ‘Al trekt u alles uit.’

‘Ha! Ik denk niet dat ik zo ver zal gaan.’ Na de knoop van de das wat losser te hebben getrokken, pakte hij de opgevouwen zakdoek van zijn bureau en veegde er de zweetdruppel mee weg die zich in een van zijn woeste wenkbrauwen had genesteld. ‘Ik weet dat we uw verklaring al hebben doorgenomen, en ook de vragen die u volgende week van de advocaat van uw man kunt verwachten. Maar voor u hier vandaag weggaat, mevrouw Curtis, is er één ding dat ik nog tegen u wil zeggen.’

‘Ja? En dat is?’

Hij haalde diep adem. ‘Er is nog tijd om het af te blazen.’

Ik keek stomverbaasd naar de gestalte achter de stapels papieren op het mahoniehouten bureau. Ik had altijd al gemeend dat hij een tikje excentriek was, maar nu had ik het gevoel dat hij echt helemaal gek was geworden. ‘U bedoelt dat er nog tijd is om mijn scheiding af te zeggen?’

Hij schudde zijn hoofd en er dwarrelde sneeuw op zijn schouders. ‘Nee, hoewel dat natuurlijk ook een mogelijkheid zou zijn. Nee, ik bedoelde de hoorzitting van volgende week.’

‘Maar dat is – wat? – over zes dagen. Ik ben er al helemaal klaar voor en ik dacht dat u dat ook was.’

‘O, natuurlijk ben ik dat, mevrouw Curtis.’ En dat was hem geraden ook, dacht ik, want ik had zojuist zijn meest recente, astronomisch hoge rekening betaald. ‘Maar het feit dat we op het randje van de afgrond van de Grand Canyon zijn aanbeland, betekent nog niet automatisch dat we onszelf ook in de afgrond moeten storten. Het is juist in ons belang – het is in het belang van elk echtpaar dat wil scheiden, om precies te zijn – om de rechtbank te mijden. Heel wat zaken worden op het laatste moment nog geregeld – op de trappen van de rechtbank zelfs nog. Als u wilt, kan ik nu de telefoon opnemen en de advocate van uw man bellen met het voorstel om op het laatste moment alsnog tot een akkoord te komen.’

Ik ging voor het open raam staan en keek uit over Lincoln’s Inn Fields waar groepjes toeristen en kantoorpersoneel bij elkaar op het gras zaten. Velen leken gewoon lekker in het zonnetje te zitten en hun boterham te eten. Mensen die een normaal leven hadden en daarvan genoten. Een leven zonder zorgen. O, wat verlangde ik ernaar me weer zo te kunnen voelen. Maar ik kon me niet voorstellen dat dat ooit zou gebeuren. Ik kon niet verder vooruitdenken dan die hoorzitting van donderdag.

‘Wat we ook kunnen doen,’ ging Williams verder, toen ik geen antwoord gaf, ‘is maandag een gesprek aangaan met meneer Curtis en mevrouw Greenwood, waarin we proberen een compromis te bereiken. Een beetje geven en nemen. Fluffy afwegen tegen uw Banksy. Volle voogdij over de hond in ruil voor een iets groter aandeel in de flat. Ik noem maar wat.’

Ik draaide me naar hem om. ‘Geeft u mij een goede reden waarom ik Mark ook maar een haarbreed tegemoet zou willen komen. Het enige wat ik wil is Fluffy. Degene die er helemaal naast zit, is Mark.’

Zijn blik dwaalde van mijn gezicht naar de vage schaduw van mijn beha die door de dunne zijde van mijn Derek Lam-blouse te zien was. ‘Ik heb u al vaker gezegd,’ zei hij, ‘dat uw situatie niet geheel klip en klaar is. U staat wel heel sterk, mevrouw Curtis –’

‘Natuurlijk,’ viel ik hem in de rede.

Hij hief zijn hand op om mij het zwijgen op te leggen. ‘We hebben heel wat bewijzen die we de rechter voor zullen kunnen leggen, we zullen het hebben over het feit dat uw man niet van werken houdt, over zijn herhaalde ontrouw, het feit dat hij niet bereid is om bij te dragen aan de niet geringe uitgaven die u als echtpaar hebt, enzovoort, enzovoort. En verder hebben we die intrigerende film.’ Hij pakte de dvd die Darcie met haar mobiele telefoon had gemaakt. ‘“Een Dag uit het Leven van Fluffy”,’ las Williams het etiket voor. ‘Ik heb hem gisteravond bekeken. De scène die mij het meeste aansprak, was die van u terwijl u in die roeiboot in Hyde Park aan het picknicken bent.’

‘O ja, dat hebben we een paar zondagen geleden gefilmd.’

‘Ik heb nooit geweten dat honden reddingsvesten aan moesten.’

‘Dat was een idee van Darcie. Ze dacht dat het een goede indruk zou maken als we hem dat aantrokken, want ze wilde niet dat de rechter zou denken dat ik geen rekening met zijn gezondheid en veiligheid hield.’

‘Ah, ja. Juffrouw Darcie Wells. Een vrouw met vele talenten, schijnt. Ik moet zeggen dat haar getuige-deskundigeverklaring wel eens van doorslaggevend belang zou kunnen zijn, ook al praat ze dan misschien een beetje veel. Het enige waar ik niet zo weg van ben is dat deel over Fluffy’s – hoe noemde ze dat ook alweer? Zijn kleurenaura.’ Hij bladerde door de stapel papieren die hij voor zich had liggen en haalde er Darcies verklaring uit. ‘Het stond op pagina vier, als ik me goed herinner. O, ja.’ Hij zette zijn bril goed en schraapte zijn keel. ‘De eerste keer dat ik Fluffy en mevrouw Curtis samen zag,’ las hij met een opzettelijk eentonige stem voor, ‘zag ik meteen al aan de heldere, goudgele aura rond zijn kwispelende staart dat hij een blije en tevreden hond was. Maar toen ik hem onlangs namens mevrouw Curtis moest afleveren bij de flat van meneer Curtis, kon ik onderweg goed zien hoe het geel langzaam maar zeker plaatsmaakte voor een lelijk dof grijs, waaruit bleek dat Fluffy het afschuwelijk vond om van zijn vrouwtje gescheiden te zijn.’ Williams keek me aan. ‘Ik weet niet goed hoe de rechter die donderdag zitting heeft daarop zal reageren.’

‘Hoezo? Wat is hij voor iemand?’

‘Nou, om te beginnen is het een vrouw, hoewel haar gedrag zodanig is dat je dat niet altijd zou denken. Mevrouw Khan, de rechter, is een bijzonder aantrekkelijke vrouw van in de vijftig. Goed figuur, beeldschoon gezicht. Maar ze mist de eigenschappen die je van een vrouw zou verwachten – vriendelijkheid, empathie, genegenheid, dat soort dingen. De welbekende termen dragonder en manwijf zijn ontoereikend om haar mee te omschrijven. Ze wordt achter haar rug om Djengis Khan genoemd.’

‘Nou, dat klinkt als een goed begin.’

‘Dat ben ik met u eens. Ik heb alleen geen idee hoe ze op deze zaak zal reageren. Het probleem is, zoals ik u al eens heb verteld, dat er in dit land geen precedent is voor voogdijzaken waarin honden de hoofdrol spelen. Honden, katten, tamme krokodillen – het zijn gewoon roerende goederen, meubels, voor wat de wet betreft.’

‘Nou, in dat geval hebben we toch zeker niets te vrezen, wel? Ik bedoel, ik heb Fluffy met mijn eigen geld van die zwerver gekocht, en op dat moment kénde ik Mark nog niet eens. Dus hij is mijn hond. Punt uit. En dan heb ik gewonnen.’

‘Dat is natuurlijk ons beste scenario. Maar volgens uw zeggen, hebt u Fluffy slechts enkele dagen voor de ontmoeting met uw man gekocht. En tijdens de duur van uw huwelijk heeft uw man meer tijd met de hond doorgebracht dan u. Inmiddels weten we dat zijn advocaten hún zaak baseren op het feit dat meneer Curtis, op grond van zijn kwalificatie van hondenuitlater –’

‘Kwalificatie? U bedoelt dat hij weet hoe hij een riem vast moet houden?’

‘– dat hij op grond van zijn beroep, en zijn rol als voornaamste verzorger van Fluffy, veel geschikter is om voor Fluffy te zorgen dan u. En hij heeft er ook veel meer tijd voor.’

Soms vroeg ik me af voor wie meneer Williams eigenlijk was. ‘Maar de laatste tijd hebben we Fluffy gedeeld, niet? En zoals uit de dvd blijkt, kan ik, met de juiste hulp, uitstekend voor hem zorgen. Fluffy vindt het fijn bij mij. Hij is bij mij net zo blij en gelukkig als bij Mark.’ Dat zei ik nu wel, maar helemaal geloven deed ik het niet.

Williams aarzelde even, pakte een fijnschrijver die op zijn vloeiblad lag en draaide hem tussen zijn vingers. Kennelijk had hij besloten om zijn Mont Blanc ver buiten mijn bereik te houden. ‘Nee, twee dingen tegelijk, dat kan niet, mevrouw Curtis. Of u vraagt de rechter om rekening te houden met Fluffy’s wensen en zijn welzijn – bijna alsof hij een kind van u beiden zou zijn – of u vraagt haar hem als roerend goed te beschouwen, hetgeen hij volgens de Engelse wet ook is. Maar waar we ook voor kiezen, er is geen enkele garantie dat mevrouw Khan in uw voordeel zal beslissen. Haar besluit zal afhangen van haar stemming. Ze zou wel eens iets kunnen beslissen waar u helemaal niet blij mee bent, en dan gaat u er, vergeleken met de huidige situatie, alleen nog maar verder op achteruit. Dus het enige wat ik u kan aanraden is: in dubiis non est agendum.’

‘Pardon?’

‘Waar het resultaat niet duidelijk is, is handelen onverstandig. En ik heb u er in de loop van de voorbije maanden al herhaaldelijk op gewezen dat deze officiële zitting u niet alleen wel eens al uw geld kan gaan kosten, maar dat het bovendien voor beide partijen een bijzonder onplezierige ervaring kan zijn – nee, niet kán zijn, dat wórdt het. “Contumeliam si dices, audies,” om met Plautus te spreken.’

Ik had sterk het vermoeden dat hij me met dat Latijn om de oren sloeg om me het gevoel te geven dat ik een enorme domoor was. En het laatste wat ik op dat moment nodig had, was dat ik me nog ellendiger ging voelen dan ik al deed. ‘Meneer Williams, spreekt u alstublieft Engels tegen mij.’

‘“Hij die beledigt, zal beledigd worden.” Met andere woorden, we kunnen erop rekenen dat we alle verwijten die we hem naar het hoofd zullen slingeren, in gelijke mate van zijn advocate terug zullen krijgen.’

‘Ik heb niets verkeerd gedaan. En Mark dus wel. Wat heb ik te vrezen?’

‘Ja, wat? Als u echt heel zeker weet dat u het door wilt zetten, dan is het enige wat mij nog rest u erop te wijzen dat u vooral kalm moet blijven tijdens de zitting. Vergeet u niet dat u onder ede staat, en denkt u eraan dat u zich niet door de advocaat van uw man van uw stuk laat brengen – wat er ook gevraagd of gezegd wordt, u dient te allen tijde rustig te blijven. Houdt u uw antwoorden kort en duidelijk. En voor wat uw uiterlijk betreft…’ zijn blik zakte opnieuw naar mijn half doorschijnende blouse ‘…netjes, damesachtig en…’

Ik stond op het punt Williams eraan te herinneren tegen wie hij het had – als er één ding was dat ik niet nodig had van hem, was het wel een kledingadvies. Maar juist op dat moment ging de telefoon.

‘Wat is er, Sarah?’ vroeg hij. ‘Ik zit met een cliënt. O? Aha. Nou, in dat geval, verbind haar dan maar door.’

Hij legde zijn hand op het mondstuk, trok zijn wenkbrauwen op en keek me aan. ‘Grappig genoeg is het juffrouw Wells,’ zei hij. ‘Ze zegt dat het dringend is. Ik raad u aan te gaan zitten terwijl ik me laat vertellen wat ze van ons wil.’

Ik ging zitten. Ik luisterde. Het was geen goed nieuws.