Hoofdstuk 28
‘O!’ verzuchtte Mark, terwijl hij me in het holletje van zijn arm trok. ‘Dat was erg, erg lekker!’
Ik gaf hem een por in zijn ribben. ‘Lékker?’
‘Sorry. Fantastisch. Onvoorstelbaar. Overdonderend. En hoe was het voor jou?’
‘Och, het ging wel.’
Mark was even stil. ‘Je bent een monster!’ zei hij toen, en begon me te kietelen. Met mijn geschreeuw om hulp maakte ik Fluffy wakker, die naast ons op de vloer in slaap was gevallen. Vervaarlijk grommend – laat niemand het wagen om aan zijn bazinnetje te komen! – sprong hij op bed, bereid om mijn belager te lijf te gaan. Maar toen hij zag dat het Mark was, besloot hij onze pret te delen, klemde het laken tussen zijn kaken en trok het, wild met zijn kop schuddend alsof het een wilde rat was, van ons af.
Een paar minuten later liet ik ze touwtrekkend met een opgerolde krant achter en ging naar de badkamer voor een plas. Toen ik na afloop mijn handen waste en ze afdroogde aan de nogal vuile handdoek aan het rek – nu Mark hier alleen woonde nam hij het kennelijk niet meer zo nauw – keek ik mijzelf in de spiegel boven de wastafel aan en grijnsde. Die lieve Jackie had gelijk gehad, dacht ik. Ons huwelijk was nog te redden. Sterker nog, onze liefde was nog springlevend. Het enige wat ervoor nodig was geweest, was dat ik de eerste stap naar Mark toe had gedaan, en dat we ons alle twee over onze bespottelijke trots heen hadden gezet.
Ik was extatisch van pure opluchting. En wat was het heerlijk om weer terug te zijn in mijn schitterende flat! Straks zou ik mijn spullen uit Fulham halen – ik wilde zo lang en zo optimaal mogelijk van deze momenten genieten – en ik wilde ook nooit meer van Mark gescheiden zijn. Ondanks alles wat er was gebeurd en alles wat we elkaar hadden aangedaan, hielden we nog altijd van elkaar. En dat liefde alles overwon, was bekend. Godzijdank dat we op het nippertje nog tot inzicht waren gekomen.
Ik zag er evenwel niet uit! Ik had een knalrode kin van al dat zoenen, mijn mascara was uitgelopen en mijn wangen waren rood van het schuren. En mijn haren zaten zo door de war dat ik wel Amy Winehouse in een windtunnel leek. Omdat ik niet wilde dat Mark me zo zou zien, en zeker niet nu we net hadden besloten om weer bij elkaar te komen, spatte ik koud water op mijn kin, veegde de mascara weg met een tissue en wilde mijn borstel pakken. Die lag natuurlijk niet op zijn vaste plaats naast de wastafel. Hij lag in Fulham. En ook al zat Marks haar dan altijd vreselijk in de war, hij móest ergens een borstel of een kam hebben, dacht ik, en ging op zoek.
Enkele minuten later keerde ik, in de badjas die ik hem ooit eens voor Valentijnsdag cadeau had gegeven, terug naar de slaapkamer en ging op de rand van het bed zitten. Mark duwde Fluffy weg en trok me tegen zich aan, maar ik hield me zo stijf dat hij me even later weer losliet. ‘Wat is er, liefste?’
Ik ging rechtop zitten en keek hem aan met een totaal uitdrukkingsloos gezicht. ‘Sinds wanneer gebruik jij Protect and Perfect?
Mark fronste zijn voorhoofd. ‘Protect en wat, engel?’
Ik toonde hem de doffe plastic verpakking van de antirimpelcrème. ‘Dit stond in het badkamerkastje.’
Er volgde een stilte die naar mijn idee net even iets te lang duurde. Mark slikte, en zei: ‘Die moet van jou zijn.’
‘Nee, dit is niet van mij. Ik heb al mijn crèmes meegenomen toen ik hier weg ben gegaan.’
‘Nou, maar deze moet je dan zijn vergeten.’
‘Onmogelijk. Ik gebruik het spul elke dag. Bovendien gebruik ik altijd de grotere verpakking, en die zit in een glazen pot. En dan deze hier?’ Ik deed mijn andere hand open en toonde hem een flesje met een pompje als dop. ‘Van L’Oreal. “Infallible. Met Co-resistium Technologie”,’ las ik van het etiket. ‘“Bestrijdt tekenen van vermoeidheid”.’
Mark trok bleek weg. Toen zei hij: ‘O, dát. Ja, nou, ik voelde me totaal uitgeput de vorige week, en toen heb ik de drogist in Upper Street om iets van een extra oppepper, iets van vitamine, gevraagd en zo.’
‘En toen heeft hij je dit gegeven?’ Hij knikte. ‘En werkt het?’
‘Ja, ik voel me weer een stuk fitter.’
‘Dat is mooi.’ Hij loog. En toen zei ik: ‘Het is foundation, Mark.’
‘Wat?’
‘Je weet wel – make-up. “Voor een blijvend stralend resultaat”,’ las ik verder voor. ‘En de kleur is “vanilla”.’
We keken elkaar strak aan. Mark beet op zijn lip en haalde diep adem. ‘Goed, nou, ik heb een paar keer iets met een meisje gehad. Maar ik zweer je dat dat afgelopen is, nu jij en ik weer samen zijn. Het was gewoon maar een oppervlakkige flirt.’
Ik had het natuurlijk allang begrepen, maar nu ik het hem hardop hoorde zeggen, voelde ik me nog misselijker dan ik tot op dat moment was geweest. ‘Het moet meer dan oppervlakkig zijn geweest, als zij haar spullen hier in de badkamer laat staan.’
‘Echt, Annie. Ik wist niet dat ze hier dingen had neergezet.’
Mijn maag voelde alsof er een gat ter grootte van mijn Downtown in ontstond. ‘Je hebt met haar geslapen. Hier. In ons bed.’
Dit was geen vraag, maar een feit. Mark ging tegen het hoofdeinde zitten en sloeg zijn armen in een defensief gebaar over elkaar. ‘Het is al heel lang niet meer óns bed, Annie. Jij bent hier weggegaan. Je was van me aan het scheiden, weet je nog?’
Ik voelde me als verdoofd. Hij had gelijk. We waren aan het scheiden. Hoewel ik nog altijd de hypotheek van deze flat betaalde, kon mijn man, zonder zich ook maar een sikkepitje schuldig te voelen, in ons bed slapen met wie hij wilde, en ik had geen enkel recht meer om me jaloers of bedrogen te voelen. Maar dat nam niet weg dat ik dat toch deed.
‘Wie is ze?’ vroeg ik. Hij wendde zich af. ‘Wie, Mark?’
Hij zuchtte. ‘Het doet er niet toe, Annie. Het is geen relatie.’
‘Nee?’
‘Nee! Ze is gewoon iemand die ik een paar keer geneukt heb, dat is alles.’
‘En dat is zeker ook wat wíj net hebben gedaan, hè? Gewoon neuken?’ riep ik boos. ‘En als je al iemand anders hebt, waarom ben je dan met mij naar bed geweest?’
‘Omdat jij en ik nog steeds van elkaar houden,’ snauwde hij terug. ‘Omdat wíj belangrijk zijn.’ Hij zuchtte opnieuw, en toen hij me weer aankeek, leek hij verscheurd te worden door woede en schuld. ‘Ik heb je nergens toe gedwongen, Annie. Je wilde het net zo graag als ik.’
En hij had gelijk, verdomme. Dat maakte me nog bozer – op hem en op mezelf. ‘Ik zou nooit met je naar bed zijn gegaan als ik van tevoren had geweten dat je iemand anders had. En dat wist je natuurlijk best, ja toch?’ Hij zei niets. ‘Heb je me daarom niets over haar verteld?’
Hij zuchtte ongeduldig. ‘Ik heb het je niet verteld omdat het niet ter sprake is gekomen. En omdat ik geen relatie met haar heb. Ze is niet belangrijk!’
‘Ach, nou dát heb ik vaker gehoord.’ Ik stond op en begon tussen de kleren op de vloer koortsachtig naar mijn Agent Provocateur-slipje te zoeken, dat die schoft me van het lijf had gerukt toen we naar bed waren gegaan. Met de badjas nog aan trok ik het slipje aan, en vervolgens mijn spijkerbroek.
‘Wat doe je?’ vroeg hij.
‘Wat dacht je? Ik ga naar huis.’ En ik vergat voor het gemak maar even dat dít mijn huis was, de flat waar ik nog steeds voor betaalde. Ik haalde mijn beha onder zijn schoenen uit en stampvoette naar de badkamer om hem daar aan te trekken. Ondertussen was die hufter uit bed gekomen. Hij kwam me in zijn nakie achterna en sloeg zijn armen van achteren om me heen terwijl ik mijn beha stond vast te maken.
‘Annie?’ vroeg hij vleiend. ‘Ik dacht dat we hadden besloten om het nog een keertje te proberen.’
Hij probeerde mijn nek te kussen. ‘Hé, kunnen we hier niet volwassen over doen?’
‘Ik bén volwassen! Laat me los!’ Toen hij dat niet deed, haalde ik uit met mijn elleboog.
Dat werkte, want hij deed een stap naar achteren en masseerde zijn ribben. ‘Au! Dat doet echt pijn!’
‘Mooi.’ Ik stormde de slaapkamer weer in, waar Fluffy bezig was met het kapotscheuren van een tissue die hij op de grond had gevonden. Over de bende heen stappend trok ik mijn T-shirt aan. Juist op dat moment begon Marks Nokia in de woonkamer te rinkelen. Diedeliedie-ie-die, diedeliedie-ie-die, diedeliedie-iedie! Hij aarzelde, maar kwam niet in beweging. ‘Neem je niet op?’ vroeg ik, terwijl ik de pinnetjes van mijn oorknopjes door de gaatjes in mijn lelletjes ramde. ‘Misschien is het je vriendín wel!’
‘Ik heb je toch gezegd dat ze mijn vriendín niet is!’
‘Nou, je gelíefde dan, of wat dan ook.’
‘Annie, toe! Je hoeft op niemand jaloers te zijn!’
‘Hoe durf je!’ krijste ik. ‘Ik ben niet, ik herhaal, niet jaloers!’
Zijn Nokia zweeg. Maar toen, toen ik naar de woonkamer was gegaan om mijn Jonathan Kelseys te zoeken, begon hij opnieuw. Diedeliedie-ie-die, diedeliedie-ie-die, diedeliedie-ie-die. Degene die belde liet zich duidelijk niet zo gemakkelijk afschepen, dacht ik, terwijl de glimmende zilveren mobiel vibrerend over de glasplaat van de salontafel danste. ‘Neem op!’ riep ik.
‘Nee, dat wil ik niet!’
‘Nou, dan doe ík het!’
‘Waag het niet!’
Mark probeerde me voor te zijn, maar ik was als eerste bij de tafel en griste hem er vanaf. Ik rende ermee naar de kleine wc en het lukte me de deur af te sluiten voordat hij bij me was. Het schermpje lichtte op met een mobiel nummer. Ik meende dat het mij bekend voorkwam, maar kon het niet meteen plaatsen. Ondertussen stond Mark tegen me te schreeuwen en op de deur te bonzen. Ik drukte op de groene toets, en nog voordat ik de kans had gekregen om hallo te zeggen, hoorde ik een vrouwenstem die zei: ‘Hé, seksbroek! Is ze, weet je wel, al langs geweest om Fluffy te halen?’
Even was ik sprakeloos.
‘Hallo?’ zei de vrouw. ‘Mark, schat? Hallo? Hoor je mij?’
‘O ja,’ zei ik, ‘ik hoor je uitstekend.’
Er viel een geschokte stilte aan de andere kant van de lijn.
‘Inderdaad, Darcie, ik ben het, Annie,’ ging ik verder. ‘En niet ophangen, alsjeblieft. Ik ben blij dat je belt, want ik wil je iets vertellen.’
‘O? W-wat?’ stotterde ze.
‘Je bent ontslagen.’
Ik drukte op het rode knopje en maakte een einde aan het gesprek. Ineens was alles me volkomen duidelijk. Mark moest het begrepen hebben, want toen ik uit de wc kwam zat hij, spiernaakt en met zijn hoofd in zijn handen, op de bank.
‘Mark, hoe kón je?’ zei ik zacht.
Hij schudde zijn hoofd. ‘Geen idee. Het spijt me verschrikkelijk. Het is gewoon gebeurd. Ik denk dat ik me eenzaam voelde. En ik miste je.’
‘O, hou op, zeg!’
Hij keek op. Er lag een intens berouwvolle uitdrukking op zijn schijnheilige gezicht. ‘Geloof me, Annie. Twee weken geleden kwam ze langs om Fluffy te brengen. Die avond voelde ik me echt heel erg down. Ze hield maar niet op tegen me te praten, en uiteindelijk heeft ze zich opgedrongen. Darcie is iemand tegen wie je geen nee kunt zeggen. En ik hoef jou heus niet te zeggen hoe ze is. Je kent haar!’
‘Duidelijk niet zo intiem als jij.’
‘Het spijt me,’ mompelde hij. ‘Verdomme, dit moet verschrikkelijk lijken.’
‘Líjken is niet het goede woord. Ik had nooit gedacht dat je echt zo vals en doortrapt was.’
‘Waar heb je het over, Annie?’
‘Je hebt het met opzet gedaan, niet?’
‘Wat?’
‘Je bent met haar naar bed gegaan opdat zij zich terug zou trekken als mijn getuige-deskundige.’
‘Wat? Ik wist niet eens dat je een getuige-deskundige had!’
Ik moest bijna lachen. ‘En dat moet ik geloven?’
‘Ik zweer het je, Annie!’ Opnieuw schudde hij zijn hoofd, en toen mompelde hij: ‘Ik weet niet waarom je haar zojuist ontslagen hebt.’
‘Oe-hoe, goeiemorgen? Op welke planeet leef jij eigenlijk?’ ‘Ze zorgt toch heel goed voor Fluffy? En ze heeft niets verkeerds gedaan.’
‘Nou, een verhouding hebben met de echtgenoot van je werkgever is reden genoeg om iemand eruit te gooien. Tenminste, zo zie ik het.’
‘O, allemáchtig nog aan toe!’ riep Mark. ‘Over een paar dagen ben ik je ex!’
‘Inderdaad, en hoe eerder hoe beter!’ riep ik terug. ‘Maar op dit moment zijn we nog getrouwd, niet?’
‘Moet je horen, het spijt me. Ik geef toe dat het een ernstige vergissing was. Een verschrikkelijke vergissing.’
‘Je meent het.’ Ik pakte mijn tas en liep met nijdige stappen naar de gang. Fluffy kwam achter me aan gedribbeld, en ik deed hem aan de riem. ‘Kom op, Fluffy, we smeren hem.’
Mark kwam me achterna. ‘Ga alsjeblieft niet zo weg, Annie! Alsjeblieft! We moeten praten.’
Ik draaide me naar hem om. ‘Waarover?’
‘Over de toekomst. Over ons!’
Ik keek hem ongelovig aan. ‘Mark, er is geen ons meer,’ zei ik. ‘We hebben geen toekomst. We zien elkaar in de rechtbank.’
Fluffy achter me aan trekkend en verblind door de tranen van vernedering, verliet ik de flat, smeet de deur achter me dicht en rende de trap af.