Ik ben vijf jaar en enige maanden oud, ik draag mijn apebroek met bonte ballen, ik draag mijn helmhoed, ik draag mijn schoenen van eelt en aan mijn rechtervoet een rolschaats.

Het is begin Augustus 1945, - ik bevind mij, maar dat weet ik nog niet, in een epicentrum van de wereldgeschiedenis: wat er gebeurt verandert het aanschijn der aarde, god wordt ontgoddelijkt, het leven zal vanaf deze dagen nooit meer zijn wat het v��r deze dagen is geweest, want in ��n klap zijn alle epoques ten einde en het einde wordt gemarkeerd door het in eeuwen niet onzichtbaar te maken litteken van een brandwond op de huid van de wereld en van de hele mensheid.

Op 6 Augustus valt de atoombom op Hiroshima, drie dagen later valt de atoombom op Nagasaki.

De bewoners van het Tjideng-kamp worden tot straf voor deze bombardementen te hoop gedreven op het koempoelanplein en zullen twaalf, dertien uur in de houding moeten blijven staan, de Jap gaat schietend, sabelhouwend en geselend rond, er moet opnieuw worden gekikkerd en gekwaakt.

Bij die gelegenheid versnippert de Jap alles wat zich aan papier in het kamp bevindt: bijbeltjes, kerkboekjes, andere lectuur, dagboekjes, tekeningen, brieven (maar ik draag mijn eigen boek, Daantje gaat op reis, op mijn blote lichaam bij mij, tussen de bladzijden van dit boek bewaar ik de foto van mijn vader in het uniform van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger), de Jap snijdt matrassen open en gooit als een gravende hond de kapok om zich heen, de Jap slaat vensterruiten aan diggelen, de Jap breekt vloeren open, de Jap sticht brand in de uitgewoonde kamphuizen, waarbij kleren, klompschoenen, klamboes, meubelstukken (en ook onze strijkplank) tot as verkruimelen.

V��l is er niet meer dat kan branden of op een andere manier kan worden vernietigd, maar het zijn de laatste kostbare bezittingen van de levende doden in dat kamp.

Wie beseft de waarde van een pannetje, of van een blikje, of van een pollepel, of van een pispot, als een dergelijk voorwerp het enige is dat men nog bezit om het allerkostbaarste in te bewaren dat men in een concentratiekamp in de tropen kan bezitten: water, een bodempje water, vijf druppels water, waarvoor men urenlang in de rij heeft moeten staan, omdat er per straat maar ��n kraan is die water geeft, die bovendien op pesterige wijze is afgesteld op het leveren van een draaddun straaltje.

Wie zou weten hoe onschatbaar het bezit is van een doosje of trommeltje of enig ander afsluitbaar ding, die niet heeft meegemaakt dat het ding moet dienen als safe om de paar centimeters brood of de paar grammen rijst in te bewaren die soms worden verstrekt als er eens iets anders wordt verstrekt dan boeboer, en met welk voedsel zo zuinig mogelijk moet worden omgesprongen omdat niemand weet of en wanneer er nieuwe rantsoenen worden verstrekt, en men zich ook nog dient te beschermen tegen de diefachtigheid van mede-kampbewoners: mensen, ratten en kakkerlakken, allen belust op eten, allen alleen nog levend met de aandrift om te blijven leven.

De Jap gaat rond met de klaarblijkelijke bedoeling het hele kamp te verwoesten, zoals in het op deze data al bevrijde Europa ook de mof in de laatste oorlogsdagen is rondgegaan door sommige van zijn concentratiekampen om ze volledig te verwoesten, - die kampen weggummend uit de landschappen opdat er niet zou kunnen worden getuigd, of dan toch niets zou kunnen worden bewezen.

Wij staan in de zon, ik op mijn rolschaats hang tegen mijn moeder aan, haar magere dij omklemmend met mijn beide armen. Haar lichaam is klam zoals alle kamplichamen klam zijn: het zijn lichamen die niet meer kunnen zweten van vervuiling en omdat in die lichamen bijna geen vocht meer is dat kan worden uitgezweet (of uitgehuild, - huilen doen die lichamen zonder vochtverlies. Zo ook kunnen die vrouwenlichamen niet meer menstrueren omdat daartoe te weinig bloed aanwezig is gebleven).

Tegen de avond, als de zon zo rood als een afgeslagen hoofd in de aarde verzinkt, verschijnt commandant Sone op het app�lplein, - hij is te voet, maar draagt laarzen met sporen zodat iedere stap die hij zet rinkelt. Hij heeft een rotan stok bij zich, waarmee hij de lucht om zich heen loopt te ranselen, - het bijna zingende geluid dat dit veroorzaakt is hoorbaar tot in de verste hoeken van het plein, tot in de verborgenste kronkels van mijn hersens, waar het wordt opgeborgen in het geluidenarchief van mijn geheugen. Hij is dronken en houdt zich maar met moeite op de been, zijn ogen zijn rood, zoals ook de sterren, de medailles en de overige glinsterdingen waarmee hij zich heeft opgetooid rood zijn, - de kleur van de lucht weerspiegelt zich erin, de kleur van de lucht blijft rood nadat de zon volledig is verdwenen: er staan hele huizenblokken in brand, de vlammen vervangen de hitte en het licht van de zon die ik in de versierselen op het lichaam van Sone heb zien ondergaan.

De commandant houdt een kwartieren durende toespraak, waarbij hij nu en dan dreigt om te vallen, - nu eens trekt hij zijn sabel, dan zijn pistool, hij is verschrikkelijk kwaad en hij heeft het verschrikkelijk warm: zijn hoofd is vloeibaar, zozeer staat hij te zweten, staat hij tranen te storten, staat hij speeksel uit te stoten bij ieder woord dat hij uitschreeuwt en dat zou moeten worden nagesynchroniseerd in enige begrijpelijke taal, want niemand van de vrouwen en kinderen begrijpt wat hij zegt.

(Ik hoef niet te begrijpen wat hij zegt om hemzelf te begrijpen, - ik sta gefascineerd naar zijn natte gezicht te kijken, naar hoe dat in druppels en straaltjes van hem af druipt. Heeft Sone ook een moeder? H�bben Jappen dan moeders? Is de moeder van Sone soms dood en staat hij daarom zijn geweldige dramatische toespraak op te voeren terwijl de coulissen branden en de honderden figuranten naar hem opzien met niets in hun holle lichamen, tenzij haat, en hun magen knorren als kikkers?)

Banzai! Banzai! Banzai!

Er worden houwelen, patjols en schoppen uitgedeeld, en nadat Sone-zelf met zijn stok de plaats heeft aangewezen, - op enkele meters verwijderd van waar ik, hoed op ��n oor, met mijn wang tegen het bovenbeen van mijn moeder sta te leunen, - beginnen vrouwen het zachte asfalt te openen om vervolgens in de rode aarde die er onder zichtbaar wordt een metersbrede en -diepe kuil te hakken en uit te graven.

De Jap decreteert dat daarbij gezongen moet worden. Het 'kamplied', zoals dit ooit toevallig moet zijn ontstaan: 'Laat nu de klok maar luiden, laat nu de klok maar slaan, ' want er is geen land in het zuiden, dat Tjideng kan verslaan, 't zal niet gaan...'

Aan de rand van de kuil staat een vrouw met beide armen de maat te zwaaien. Sone, die naast haar staat, tikt met zijn stok de maat van het lied mee tegen haar achterwerk en kuiten, - zijn kop is rood, bij iedere ademhaling zwelt zijn borst als de balg van een kikker, hij voedt zich met het bloed en de lichamen van vliegen.

Ik zing dapper mee, balancerend op het ene been waarmee ik op de rolschaats sta, die met kapotte riempjes en stukjes touw aan mijn blote voet vastzit, - ik laat mijn ogen niet van Sone los, tab� toean, ik groet in hem de glurende Dood persoonlijk.

Later is mij verteld, dat men bang was dat die nacht, in het kader van de totale vernietiging van het kamp, alle gevangenen zouden worden doodgeschoten, met tien of twintig tegelijk, tot de gegraven kuil vol lijken was, - waarna andere vrouwen een nieuwe kuil zouden moeten graven, om met het zand daaruit de vorige kuil te dempen en om dan zelf te worden doodgeschoten en met hun lichamen de nieuwe kuil te vullen, enzovoort. Dit alles onder het zingen van 'Hop Marjanneke', 'Daar was laatst een meisje loos', 'Hoog op de gele wagen' en zelfs, omdat er van de Jap gezongen moet worden, het geeft niet wat, 'Wij gaan nog niet naar huis, nog lange niet, nog lange niet...'

Als men mij dit later vertelt, gebeurt het lachend en met de stemklank van wat als vertedering, ja zelfs als heimwee zou kunnen worden ge�nterpreteerd, de haat is verzacht en toen verdwenen, men is de dood gestorven die genaamd is: mildheid. Zo zijn de geschiedenissen ongeschreven gebleven. Beter is, om relativerend te lachen om vroegere angsten: de tijd (Indus, Prisma, Pontiac...) heelt alle wonden, maar niet altijd, niet bij iedereen.

Bid voor ons.

Als de kuil gegraven is, worden er andere vrouwen gevorderd. Onder dezen is mijn moeder die ik, mager als ze is, van mij weg zie lopen alsof ze onzichtbaar wordt in het geflakker van het vuur dat ons omringt en terwijl in mij de angst begint te dreunen dat ik haar nooit zal terugzien. 'Hier blijven staan', zegt ze tegen mij. (Meer dan drie decenni�n later: ik ben daar blijven staan, ik sta daar nog steeds, ik zie mijzelf daar staan, ik kan daar niet weg.)

Met tientallen andere vrouwen verdwijnt mijn moeder door de kamppoort, maar niet lang later, - ik begin harder te zingen van opluchting en geluk, en ik zou willen springen, maar om een of andere reden lukt mij dit niet, - daar is ze weer.

Zij maakt deel uit van een trekploeg: zij en andere vrouwen zitten vast aan een touw waaraan ze een houten, zwaar beladen wagen het kamp in trekken. Bij het verschijnen van deze wagen en van nog een tweede, die door een andere ploeg het plein wordt opgereden, verstomt het gezang. Aan de zijkanten van de wagens zijn vlaggen gedrapeerd, die wit zijn en op het midden waarvan, geheel door het wit omgeven, een grafisch teken staat: rood, - niet een bol, zoals op de Japanse vlag, maar ren kruis: het zijn wagens van het Rode Kruis. De vrouwen die de wagens trekken lachen en roepen vrolijke dingen naar de andere vrouwen die op het plein zijn achtergebleven.

Eten! De wagens zijn beladen met zakken vol rijst en aardappelen, kisten vol brood, manden vol vruchten, en water, tonnen vol water, - de oorlog moet nu wel voorbij zijn, - er is meel, er is vlees, koekjes, kauwgum, koffie, thee, sigaretten, zeep, medicijnen en verbandmiddelen (ik denk: zijn er misschien ook boeken bij?)... Gaan wij nu allemaal naar onze huizen om onze pannetjes, blikjes, doosjes en trommeltjes te halen, en mogen we daarna misschien het kamp uit? Waar is mijn zus? Mijn zus zou hier bij moeten zijn. Waar is Nettie Stenvert? Ach, Nettie Stenvert is dood, - haar heb ik twee dagen geleden als een pop van zilverpapier met gesloten ogen in een kist van triplex zien liggen. Eten! Jippiejippiejee! Ik zwaai naar mijn moeder met mijn hoed. Er gebeurt iets anders dan alle vrouwen en kinderen denken en hartstochtelijk hopen:

Al het voedsel, al die overvloeden moeten van Sone, die er persoonlijk de instructies voor geeft, van de wagens af in de kuil worden gegooid. De knechten van de dood steken en snijden met hun sabels of bajonetten de zakken kapot zodat rijst neerklettert als regen, en meel verstuift zoals eelt verstuift dat men van zijn voeten heeft gevijld. De knechten van de dood gaan op het brood staan pissen, de knechten van de dood verbrijzelen ananassen, papaja's, sawo's, bananen, andere vruchten onder hun laarzen tot modder waar een zoetige geur van opstijgt. Met vlammenwerpers worden de twee wagens in brand geschoten en brandend de kuil in geduwd, waar alles dat branden kan begint te branden en alles dat verkolen kan verkoolt.

Wij staan ernaar te kijken, - mijn moeder, vanuit de verte, geeft mij door middel van dwingende gebaren te verstaan dat ik moet blijven waar ik ben, en niet moet doen zoals sommige vrouwen, die krijsend hun dood tegemoet rennen door de Jap te lijf te willen gaan, of door zich voorover in de kuil te storten, de voedselvoorraden die daarin liggen met beide armen omhelzend, waarbij men de vlammen door hun kleren ziet slaan.

Mijn moeder: wat zie ik toch aan haar? Het is net of ze dikker is geworden. Alsof het Rode Kruis ook borsten heeft verstrekt, waarvan zij er stiekem alvast twee van de wagens heeft afgenomen, - het is niet te geloven, maar mijn moeder lacht, zoals ze altijd lacht. Wonderlijke moeder. Bid voor ons. Beminnelijke moeder. Bid voor ons. Moeder van de goddelijke genade. Bid voor ons. Moeder van Jeroen Brouwers. Banzai!

Alles wat zich in de kuil bevindt wordt ten slotte met water overgoten, daaroverheen wordt het rode zand gegooid, daaroverheen gaan nieuwe golven water en nieuwe lagen zand, totdat er een pruttelende, sissende, borrelende, stinkende blubber is ontstaan, waaruit hardnekkig zwartrode rookwolken blijven opstijgen alsof ze opstijgen uit een niet te doven of tot bedaren te brengen hel, - nooit heeft het Rode Kruis de gevangenen van het Tjidengkamp met enige gift bedacht, wie later zou willen getuigen zal niets kunnen bewijzen.

De gevangenen van het Tjideng-kamp zouden drie volle dagen niets te eten en niets te drinken krijgen, de Japanners zijn die dagen stomdronken en gedragen zich voor het laatst in hun oorlog als waanzinnige sadisten, en ik, diezelfde dagen, raak voorgoed verdwaald in mijn doolhof waarin ik tientallen jaren de weg zou blijven zoeken, hierheen, daarheen, stap-stap-stap, ik zoek mijn moeder.

'Moe'-'der'.

Al is ze nu dood, misschien toch vind ik haar, ooit, ergens, in een of andere mist, misschien in mijn eigen geschriften.

Tegen een achtergrond van vuur en roodzwarte wolken komt mijn moeder terug naar de plaats waar ik, op ��n been, op mijn rolschaats, volgens haar bevel, ben blijven staan, ik heb niet gedaan alsof er iets anders viel te zien dan er was te zien, ook heb ik er niet bij aan iets anders gedacht, - het is alles door mij gezien zoals het is geweest om door mij te worden onthouden. Tussen de schreeuwende en huilende, tussen de biddende en flauwvallende vrouwen door komt mijn moeder op mij toe, zo lang ik leef komt zij daar, op dat ogenblik, op mij toe, - haar volle borsten wiegen heen en weer, ik strek mijn armen naar haar uit, ik lach naar haar en zoals ik lach werpt het een echootje tegen het klankbord dat wordt gevormd door de rand van mijn hoed.

Dan bevindt zich tussen haar, die mij nadert, en mij, die door een of andere oorzaak niet in staat is zich te bewegen: de kampcommandant, de kapitein Kenitji Sone met zijn rode kikkerkop, waggelend van de drank, steeds als een van zijn voeten de aarde raakt springt er een rinkelgeluid uit zijn laars. Hij heft zijn stok naar mijn moeder op en ik hoor het zoefgeluid dat die stok veroorzaakt in de lucht voordat hij zo hard op mijn moeder neerkomt dat ik denk dat ze met die ene klap in twee�n is geslagen. Andere Jappen komen toegesneld, rood en kwakend als hun leider, en beginnen met wat voor wapens ook eveneens op mijn moeder in te slaan, ik hoor haar schreeuwen, het gebeurt op minder dan vijf meter van mij vandaan, - ik kan mijn voeten niet bewegen.

Alweer: niet gebeurt er 'iets anders' en niet is er 'iets anders' in mijn gedachten dan:

de kleren worden mijn moeder van het lichaam gescheurd, - zij draagt de bloemetjesjurk van mijn dode grootmoeder, zij draagt een grote met baleinen verstevigde bustehouder en deze puilt aan haar uit als ik nooit een bustehouder heb zien uitpuilen of in later jaren nog zou zien uitpuilen. Kon ik nu maar aan iets anders denken, waarom schiet mij nu niet iets geks te binnen, - bij voorbeeld: 'Is het een feit dat een geit...' Ook de bustehouder verdwijnt van mijn moeders lichaam, zodat de rijst, waarmee zij het kledingstuk met handen tegelijk heeft volgepropt in een golf, die ritselt, van haar afvalt, en zij borstenloos is zoals tevoren. Hierna zie ik een tweede bui rijstkorrels tussen haar voeten vallen, - ook in haar onderbroek heeft mijn moeder kilo's rijst verzameld, de korrels springen in alle richtingen over het asfalt weg.

Nee, nu valt er voorlopig niets meer te lachen.

'Deze beroerde jaren', - met dit simpele understatement zou mijn moeder enige maanden later in de brief aan haar man haar kampleven omschrijven.

Veel later zou ze mij vertellen dat ze die rijst voor mij had gestolen, omdat ik het laatste was dat zij ten slotte nog bezat.

Wat moet ik aan met mijn 'kamp-syndroom' dat bestaat uit wroegingen, die ik probeer te verdrijven door mijzelf klappen in het gezicht te geven, steeds als mij, onverwacht, filmbeelden uit mijn leven in dat kamp voor ogen komen?

Ook dit filmbeeld moet mijn moeder hebben gezien op het ogenblik dat zij stierf, - van ons twee�n ben ik het nu die het blijft verderdragen tot het ogenblik van mijn eigen dood.

Vol van genade, de Heer is met u, gij zijt de gezegende onder alle vrouwen en gezegend is de vrucht van uw schoot... R�kket�kket�k! Daar gaat de rozenkrans van mijn grootmoeder, die mijn moeder als een ketting om haar nek draagt, - de zwarte kralen kaatsen weg en zijn in de gloed van het vuur zo rood als alle rijstkorrels.

Bidden, - neen, ik heb nooit geweten en nooit begrepen wat dat is, tenzij ik altijd heb geweten en begrepen dat het nonsens is, al zijn vele gebedswoorden van een aangrijpende schoonheid, vergelijkbaar met woorden als 'Seresta Forte', 'Eldopal Retard', 'Pyridoxine Labaz' en 'Mogadon'.

Het is of de Jappen met hun wapens bezig zijn mijn moeder door het asfalt heen in de grond te slaan. Sone persoonlijk trapt haar met zijn laarzen die rinkelen alsof er belletjes aan zitten tussen haar benen, en ik persoonlijk ben daar getuige van. Pas op, Sone, ik ben die kleuter in de menigte en mijn ogen puilen van het kijken. Ik persoonlijk, meneer Sone, zoon van de zon, zal uw dood beschrijven in drie haiku, dit is drie maal: vijf lettergrepen, zeven lettergrepen, vijf lettergrepen, - m��r lettergrepen zal ik niet nodig hebben om uw nagedachtenis in mootjes te hakken. Ik kan lezen, en weldra kan ik ook schrijven, opeens draagt u een boord van bloed, mogen de vliegen u halen.

Mijn moeder bloedt, daar waar ik met mijn kop als een straatklinker uit haar ben opgedoemd, - ik voel haar pijn tussen mijn eigen benen, alsof ikzelf op die plaats een stoot met een bajonet krijg, de wonden van mijn moeder moeten met een gebogen naald worden gehecht.

Van al deze herinneringen komt mij dit voor als het verschrikkelijkste detail: - in het haar op de buik van mijn moeder blijven een paar rijstkorrels vastzitten, de Jappen lachen als Sone probeert die korrels van haar af te trappen.

Pas op, Sone, daar rolt je kop in de modder, zo rood als de bol op de Japanse vlag.

Koningin van de engelen. Koningin van de aartsvaders. Koningin van de profeten. Koningin van de apostelen. Koningin van de martelaren.'Koningin van de belijders. Koningin van de maagden. Koningin van alle heiligen. Koningin zonder erfsmet ontvangen. Koningin van de allerheiligste rozenkrans. Koningin van Atlantis. Bid voor ons. Spaar ons. Ontferm u over ons. Hoor ons. Verhoor ons. Ontferm u over ons.

Geboekstaafd is: 'Mijn moeder was de mooiste moeder, op dat moment hield ik op van haar te houden.'

Vanaf dat moment ben ik verdwaald. Mijn afkeer van het leven en mijn verlangen om er niet te zijn. Vanaf dat moment weet ik dat ik verder, voortaan, altijd het liefst alleen zou wensen te zijn, zonder mij aan iemand of iets te hoeven binden, want ik wil niet zien hoe mijn liefde en de schoonheid die ik koester worden verwoest of beschadigd. Ik dacht op dat moment: nu wil ik een andere moeder want deze is kapot, - zoals ik decenni�n later, staande bijde tafel waar men bezig was de beschadigingen aan het lichaam van mijn lieve mooie vrouw met een sikkelvormige naald te herstellen, dacht: nu wil ik een andere vrouw.

(Dat ik soms, de dagen na het overlijden van mijn moeder, de hoorn van het telefoontoestel tegen mijn gulp drukte en het rood mij achter de ogen kwam, schreeuwend:

'Kwaak kwaak!')

Wij zullen elkaar niet in de steek laten, h� mama? H�? H� mama?

Dit denk ik, terwijl ik nog altijd sta waar mijn moeder heeft gezegd dat ik moest blijven staan, al wil ik best met gespreide armen naar haar toe vliegen, bommen werpend, broembroem, tets! tets!, het glas van mijn cockpit bespattend met bloed, mijn moeders eigen Daantje op wie zij trots kan zijn, zijn hoed dient hem tot aureool: heilig, driewerf heilig is hij, Daantje de schrijver, Daantje die niet meer lachen kan.

Maar mijn ene voet is zwaarder dan de andere: zo ontilbaar zwaar dat ik niet weg kom van de plaats waar ik al uren sta, eerst in de zon en daarna tussen brandende huizen.

Geen wonder ook: mijn rolschaats is in het gesmolten asfalt verzonken en daarin onwrikbaar vast geraakt zodat de hele wereld aan mijn rechtervoet hangt.

Onbeweeglijk moet ik blijven staan toekijken, terwijl mijn gezicht van mij afdruipt van het huilen dat ik doe.