Op de avond dat mijn moeder stierf had ik bezoek. Van een schrijver. (Voor de nieuwsgierigen, voor de historie: die schrijver was Ger Verrips.) Wij spraken over literatuur en over politiek. Voornamelijk spraken wij over de Vereniging Van Letterkundigen: waarom ik daarvan geen lid wil zijn en hoe deze afkeer verklaarbaar is uit mijn asociale en parano�de karakterstructuur. Ik heb niemand nodig en ik wens ook niemand nodig te hebben, ik doe alles wel alleen. Ik beschouw viervijfde van het aantal der leden van die Vereniging Van Letterkundigen niet als mijn collegae. Ik wens een oeuvre te schrijven in plaats van mijn tijd te verdoen met gelul. Laat mij nu maar met rust, want waar ik verschijn blijft niets onaangeraakt en ontstaat onrust en commotie.
Toen mijn gast was vertrokken, waren de televisieprogramma's op Nederland 1 en Nederland 2 al ten einde, - maar op Duitsland 1 was nog een speelfilm aan de gang: Kumonosujo, 'Het kasteel in het woud van spinneweb', een Japanse versie van het Macbeth-verhaal van de regisseur Akira Kurosawa.
Ik heb verstrooid naar de beeldbuis zitten staren, niet echt kijkend om de gang van zaken te volgen, maar als ik keek ergerde ik mij: het barbaarse moffenvolk had de Japanse dialogen in het Duits nagesynchroniseerd.
Het einde van de Japanse Duitssprekende Macbeth, zoals de film het weergaf, was hetzelfde als ten deel is gevallen aan Kenitji Sone, de kampcommandant van Tjideng:
Een zucht is hoorbaar, geslaakt door het zwaard, zoevend doorsnijdt het de lucht. (Haiku.)
De misdadiger draagt opeens een boord van bloed. Hij verliest zijn hoofd. (Haiku.)
Zo rood als het hoofd dat in modder verzinkt is de zon die verrijst. (Haiku.)
(Wie waren 'erger' in de oorlog, de Duitsers of de Japanners, en welke kampen waren gruwelijker, de Duitse of de Japanse?...
Over de Duitse kampen heeft geen der overlevende slachtoffers ervan ooit met vertedering of zelfs heimwee gesproken; om de Duitse kampen is door degenen die ze hebben overleefd niet zo gelachen als er door ex-gevangenen van de Japanners om de Japanse kampen is gelachen, - zogenaamd ter relativering van het niet-relativeerbare.
De knechten van de dood hebben Duits gesproken �n zij hebben Japans gesproken. Soms, via mijn televisietoestel, hoor ik hoe de knechtentaal van het ene cultuurvolk wordt vervangen door de knechtentaal van het andere, en zie ik: de Jap spreekt Duits, zoals voorstelbaar is dat in Japan de taal van de mof is weggesynchroniseerd tot Japans.
Het maakt de dood niet uit welke taal zijn knechten spreken.)
Terwijl de film zich ontrolde, en ik er nu eens naar keek en dan weer niet, wachtend tot ik slaap zou krijgen, hield ik mij bezig met het verwijderen van het eelt aan mijn voetzolen: eerst met een rasp, toen met een grove vijl, toen met een fijne vijl.
Eens in de zoveel maanden dient deze hygi�nische daad te worden gesteld omdat de hoornachtige korsten, behalve onverdraaglijke jeuk die op geen enkele manier kan worden verdreven, gaten in sokken en zelfs lakens veroorzaken.
Naarmate het opmarcherend woud dichteren dichterbij kwam om Macbeth zijn eindloon te bezorgen, viel mij het afgeraspte eelt ritselend van de voeten en vormde het een steeds dikkere laag grijzig meelachtig poederstof op de onder mijn voeten uitgespreide krant (de Volkskrant van 26 januari 1981. 'Weduwe Mao krijgt doodstraf. Uitstel van executie').
Ik ging de tuin in om het op de krant verzamelde eeltvijlsel weg te gooien, ik wierp het in de lucht zoals de as van een gecremeerd lijk in de lucht wordt gegooid om het door de wind te laten verstuiven, maar het stofferige lichaamsafval viel onmiddellijk naar de aarde terug, er was geen wind die het meevoerde of zelfs aanraakte, - een deel ervan kwam in mijn gezicht terecht en bleef aan mijn voorhoofd, wangen en oogleden plakken.
In de weilanden rondom het huis schoven blokken mist tegen elkaar en op elkaar, - het was een Hollandse kwakkelwinternacht, niet koud, en ook niet nietkoud. Als het niet toevallig nacht was geweest had het ook dag kunnen zijn: in dit jaargetijde in deze landstreek is de dag zo grauw als de nacht, en het uitzicht is hetzelfde, er valt een wekenlang aanhoudende nattigheid die overdag even onzichtbaar en onhoorbaar is als 's nachts, de stilte is diep. De bomen, struiken en heggen in mijn tuin, die de begrenzingen vormen tussen mijn wereld en de overige, tussen mij en honderden letterkundigen, tussen mij en de lezers van mijn boeken, stonden als zetstukken op hun vaste plaats, ze bewogen niet, ze lieten zich inwikkelen in de mist, - zoals Macbeth geloofde ik niet dat dit decor misschien ooit zal gaan wandelen.
Tijdens de enkele seconden dat ik in mijn tuin stond dacht ik aan Liza, in haar libelblauwe doorzichtige kleren, jaren geleden, - en aan Liza zoals ik haar ternauwernood een maand tevoren had teruggezien. Geheiligd zij uw naam. Gezegend zijt gij. Onder alle vrouwen.
Dat zij op datzelfde ogenblik in het stadje waar zij woont aan het raam stond, - dat stadje lag onder een stolp van mist, maar zij kende de plattegrond ervan zo goed dat zij toch, alsof er geen mist was, met haar goudkleurige ogen de loop van de straatjes kon volgen. Waar zij en ik hebben gelopen, toen, alletwee even dronken of halfdronken, en alletwee op een vrijblijvende, toch godgelijke wijze geil op elkaar. Tingeling-stap-tingeling. Waar in die straatjes wij, voordat we haar appartement hadden bereikt, alvast in elkaars armen tegen elkaar aan waren gaan staan, om even een beetje te zoenen, een beetje te bijten, een beetje te aaien, begeleid met het zeggen van de millennia-oude woorden. Zoals dat stadje was versierd. Bloemen. Vlaggen.
Waar in dat stadje zij zei: dit is Het stalletje van Bethlehem, dit is Het huisje van Nazareth... - door mij beantwoord met honend commentaar, dat er uit bestond dat ik uit volle borst kikkergeluiden begon te maken.
(Ik ben 'niet lief'. Ik ben zo 'hard' en 'bitter'. Ik ben zo 'gevoelloos'.
Tegen de tijd dat ze dat zou beginnen te zeggen, zoals alle mensen in mijn leven dat uiteindelijk altijd beginnen te zeggen, was ik wel weer verdwenen.
Wat had die Liza met mij te maken?)
(Ik zit op mijn plompeblad en verzamel zo veel lucht, dat mijn keel en wangen ervan opbollen, en mijn kop een bloedkleur krijgt. Kus mij. Ik ben een vorst in de gedaante van een kikker. Soms werp ik, als een harpoen, mijn tong uit om een libel te verschalken, die tussen mijn kaken ritselt als cellofaan terwijl ik haar vermaal en daarna doorslik.)
In mijn verbeelding zag ik haar in het rechthoekige verlichte raam boven de etalage van de klokkenwinkel als op een televisiescherm. Zij was gehuld in haar slaapgewaad, maar ze kon de slaap nog niet vatten, ze was onrustig, ze dacht aan mij, zoals ik aan haar dacht, ze fluisterde mijn naam. Haar slaapgewaad was teer blauw en teer lila en het was doorzichtig, - maar helaas, van onder was de vensterbank net iets te hoog om haar als met goudverf bestreken heilige driehoek te kunnen zien, en van boven bestond het fr�le kledingstuk uit lubben en fronsels en hing het lange meisjeshaar er overheen, zodat ook haar borsten niet waren te zien. Zoals echter deze droom-Liza met haar ene arm de vitrage voor haar raam omhoog stond te houden, zag ik het gulden dons in haar oksel.
Een fragment van een seconde lang beeldde ik mij in dat ik bij Liza in haar slaapkamer was: - ik scheurde het gaasachtige kleed van haar af en schoof in haar lichaam zoals jaren tevoren, achteloos haar sperrend door haar knie�n ter weerszijden van haar lieflijke gezicht tegen de matras te drukken. Het gaat hier om het woord 'achteloos'. Bij iedere stoot die ik haar toediende riepen zij en ik om de beurt een aanroep tot de heilige maagd: Geestelijk vat, Eerwaardig vat, Heerlijk vat van godsvrucht, Mystieke roos, Toren van David, Ivoren toren, Gouden huis... Bid voor ons. Bid voor ons. Kwaak! Kwaak! Daarna ontplofte ik in een flits van spierwit licht en verdween ik in het getik en geruis van honderden klokken.
Later heb ik gedacht dat misschien in dìt secondefragment mijn moeder is gestorven.
Staande tussen mijn roerloze coulissen zoog ik mijn longen vol mist. Ik vouwde de krant in achten. Ik ging het huis weer in. Ik hoorde het ademen van mijn vrouw. Ik hoorde het ademen van mijn dochtertje.
Ik ben op de leeftijd gekomen dat de onbeweeglijkheid begint.
Leven, liefde, literatuur en dood, - mij gaat het allemaal niet meer aan. Het is te laat nu, ik ben ter bestemming, de dingen zijn bijna voltooid.
Ik zag mijzelf in de badkamerspiegel. Ik zag mijn kalende schedel en het wit in het mij resterende haar. Ik zag het stof van eelt op mijn gezicht.