In het Tjideng-kamp leefde mijn moeder, zo heeft ze het mij ooit gezegd, van de dag in de dag: - iedere dag dat zij samen met de haren in leven bleef was er ��n. Daarna leefde ze nog van uur tot uur en ten slotte van minuut tot minuut.
De knechten van de dood hadden een okerkleurig gezicht en amandelvormige ogen. De knechten van de dood waren gekleed in bruingroene uniformen en droegen bruingroene petten op hun sluikharige hoofden. De knechten van de dood waren bewapend met een geweer, een bajonet, een sabel, een rotan stok, een zweep. De knechten van de dood waren toegerust met een grote bek en spraken hi�roglifische taal.
Mijn moeder, die nu de veerman heeft ontmoet, zal de taal die hij spreekt hebben herkend.
Laat ons bidden.
Ik heb nooit geweten wat dat precies is: bidden. Wel is er een tijd geweest dat ik alle gebeden, litanie�n en formules van de katholieke godsdienst uit mijn hoofd kende. Ik zag al spoedig in, dat het uitspreken all��n van deze teksten niet 'bidden' was, maar wat er m��r bij te pas moest komen begreep ik niet, - ik ben opgehouden daarover na te denken.
Miljoenen weesgegroeten heb ik opgezegd, maar nooit heb ik ��n weesgegroet gebeden.
'Van bidden word je rustig,' zei mijn grootmoeder.
Zo word ik rustig van het staren in de vlammen van een open vuur.
Dat bidden, evenals staren in de vlammen van een open vuur, tot niets dient en tot niets leidt, behoort tot mijn 'levensbesef' dankzij mijn kleuterjaren in het Tjideng-kamp.
Bidden liet mijn moeder aan haar moeder over, die in de aanrecht waar wij woonden al de houding had aangenomen alsof ze in een reliekschrijn van graniet en hout als een heilige lag opgebaard, handen op haar borst gevouwen, een rozenkrans van zwarte kralen in haar vingers. Bloemetjesjurk. Dat zij wel degelijk nog leefde zagen mijn zus en ik aan het bewegen van haar duim waarmee ze kraal na kraal door haar hand liet schuiven, weesgegroet na weesgegroet mummelend, - bid voor ons, zondaars, nu en in het uur van onze dood, amen.
Als mijn moeder op corvee ging liet ze mijn zus en mij bij onze grootmoeder achter: de grootmoeder moest op ons passen en wij moesten op de grootmoeder passen. Mijn zus moest mijn grootmoeder in leven zien te houden door haar om de zoveel tijd lepels pap te voeren, 'boeboer' geheten, een koude dunne, stijfselachtige substantie, zonder kleur, zonder smaak, zonder voedingswaarde, waar wij allemaal, honger of geen honger, van kokhalsden alleen al bij de aanblik ervan.
Ik vluchtte weg wanneer mijn grootmoeder geduldig door mijn zus werd gevoerd: - mijn zus zag er uit als een ouwe bes in de gestalte van een zevenjarig kind, en mijn grootmoeder liet de pap uit haar mond en over haar gezicht druipen als een zuigeling in de gestalte van een bejaarde stervende vrouw. Mijn zus had een hoofd vol kleine natuurlijke krullen, mijn grootmoeder had het haar strak over het hoofd getrokken en droeg het in een dunne 'kond�' (= wrong, of knot) in haar nek, - het haar van mijn zus was even grijs als dat van mijn grootmoeder.
Zeker was, dat mijn grootmoeder lag dood te gaan. Ik zag het aan de vliegen die op haar neerstreken en over haar lichaam en gezicht bleven rondkruipen zonder te worden verjaagd.
Voordat ik kon lezen wist ik al alles omtrent dood, - het behoorde tot de vanzelfsprekendheden van mijn kleuterjaren in die mate geconfronteerd te worden met dood dat ik niet anders wist dan dat er geen enkele gemoedsaandoening bij werd gevoeld, geen angst, geen verdriet, geen afkeer.
Wie dood was werd in een rieten mat gerold en op een handkar weggereden. Om haar nagelaten bezittingen, zeker als zich daar een kruimel of korrel voedsel onder bevond, werd gevochten, en het lege plaatsje dat ze zou achterlaten werd 'getjoept' nog v��rdat haar lijk ervan was verwijderd ('tjoepen' = kamptaal: beslag leggen op, claimen).
'Mevrouw die en die is dood' was een mededeling als: 'het regent'.
Ik zag iedere dag dode mevrouwen: ze stuikten door hun benen tijdens de langdurige app�ls in de hamerende hitte op het koempoelanplein (= app�lplein), ze vielen voorover of achterover of opzij tijdens de corveedienst, ze stonden niet meer op als het 's morgens licht werd, of midden op de dag gingen ze zitten of liggen, deden hun ogen dicht en bleken dood te zijn.
Zo gebeurde het, en het was even onopzienbarend als wanneer er een krijtje valt en in stukken breekt.
De letterlijkheid van de betekenis van het woord 'doodgewoon'.
Op zekere dag was Nettie Stenvert dood, die een pop bezat met ogen die open en dicht konden.
Aan de hand van mijn moeder stond ik bij het lijk van die Nettie, die mijn vriendinnetje was geweest. Men had het lijkje, met een strik in het pijpekrullenhaar, in een theekist gelegd en, op het hoofd na, toegedekt met het zilverpapier of het zilverglanzende tinpapier dat tegen de binnenwanden van die kist had gezeten.
Ik stond er bij te giechelen als het kind van tussen de vijf en zes jaar dat ik was, ik moest, heilige maria, moeder van god, van mijn moeder zelfs mijn hoed afnemen.
Ik keek naar de vliegen die over Netties gesloten, bijna doorzichtigwitte oogleden wandelden.
Alles wat ik dacht, was: als ze nu toch dood is, tjoep ik van Nettie haar pop met ogen.
Verder dacht ik niets. Beter is, te schrijven: ik voelde niets.
Ik vluchtte weg uit de keuken waar wij huisden en waar mijn grijze zus mijn grijze grootmoeder pap zat te voeren, omdat ik lucht en ruimte moest hebben, die ik niet kreeg op mijn plaatsje onderin de aanrecht, waar ik mij gehurkt ophield, mij verschuilend achter mijn hoed. Ik rende weg, nageroepen door mijn zorgelijke zus, - de zon in en met mijn ogen knipperend tegen het trillende licht, zwaaiend met mijn armen, schreeuwend, schreeuwend, mijzelf binnenstebuiten. Zeker was, dat iedereen dood ging, en even zeker was, dat wie dood ging binnen enige tijd in 'boeboer' zou veranderen.
Maar ik leefde. Stap-stap-stap. Ooit zou ik zelfs nog leven als mijn grootmoeder dood was, en mijn moeder dood was, en mijn grootvader dood was, en mijn vader, en de grootste van mijn grote broers, en iedereen. Ooit zou ik opschrijven dat ik daar liep, onder mijn hoed, in dat kamp, en dat ik daar de dingen zag die onbeschrijflijk zijn en niettemin door mij zouden moeten worden beschreven.
Om te blijven leven:
iedere dag repeteerde ik de letters en de woorden die mijn moeder mij intussen had geleerd door ze met haar vinger of met een stokje in het zand en gelijkertijd mij in mijn hersens te schrijven: -
'de', 'en', 'den', 'een', 'eend', 'oen', 'doen', 'roen', 'je' - 'roen'...
Op wie de vliegen neerstreken zonder door haar op wie ze neerstreken te worden verjaagd, was op weg naar de dood.
in het vangen van kakkerlakken vliegen, vooral vliegen, waren al dood. -dit was een van de onmiskenbare tekenen.
Van die tijd, denk ik, dateert mijn geobsedeerdheid door vliegen: - ik zie ze in dikke klonters op de zieke, uitgehongerde, beursgeslagen, bebloede of anderszins bevuilde lichamen rondkrioelen, bij duizenden tegelijk, en op duizenderlei manieren gonzend.
Ik heb in dat kamp rode vliegen gezien, boven mij of om mij heen lasso's trekkend door de lucht terwijl het bloed van hun vleugels droop.
Op mij streken de vliegen niet neer, ik zorgde ervoor altijd in beweging te zijn: 'vliegtuigje' spelend, - met gespreide armen rende ik rond, broembroem. Behalve dat ik aldus de grootste vlieg was die er bestonden waarvoor alle vliegen bang waren, was ik ook de grootste bommenwerper, mijn hoed was de cockpit en de geschutskoepel, ik vloog rond boven Japan om daar steden te bombarderen. Daar gaat Daantje. R�kket�kket�k! Er was geen vlieg die mij kon bijhouden, en alle Japanse vrouwen die mij in handen vielen schreeuwden van pijn en verdronken in hun eigen bloed.
In tijden van rust, als wij allen op en in onze aanrecht waren, zorgde ik ervoor stilletjes bij mijn moeder te zitten, scherp oplettend dat als ze sliep er geen vlieg op haar landde, - ik waaierde mijn hoed boven haar lichaam heen en weer, vliegen houden niet van wind en beweging.
Ik was zeer bedreven in het vangen van kakkerlakken, wandluizen, muskieten en vliegen, vooral van vliegen. Ik zag ze nog niet of ze waren al dood. De klamboes waaronder wij sliepen waren stijf en stonken van de bloederige overblijfselen van deze ongedierten: ik ving ze door ze met mijn ene hand in het klamboegaas klem te zetten door dit met een snelle beweging over hen heen te gooien, - gelijkertijd drukte ik ze met de duim of de knokkels van mijn andere hand dood. Om van dit dooddrukken het geluid niet te hoeven horen, maakte ik het z�lf, door het hardop na te doen: 'Tets!'
Ik voelde daarbij een prikkeling in mijn scrotum en kneep er mijn billen krampachtig bij tegen elkaar.
Zeker was, dat iedereen dood ging, - maar mijn moeder mocht niet doodgaan. Wij zouden na het kamp weer allemaal bijeen zijn, mijn vader, mijn broers, mijn geweldige grootvader, en teruggaan naar ons huis met het zwembad in de tuin, onaangeraakt, onsterfelijk, en zonder dat wij ons ooit iets van de Jappenkampen zouden herinneren...
Wat is er over van de doden in mijn leven?
Die Nettie Stenvert, - zou er thans ook nog maar iets van haar over zijn? Het fragment van een botje, geconserveerd in een kluit modder, het fragment van een haarkrul in een propje tinpapier?
Ook mijn moeder kreeg later, tot ver in de jaren zestig, als 'het kamp' weer eens ter sprake werd gebracht, in haar ogen de uitdrukking van 'verte', alsof ze terugverlangde naar Tjideng en die jaren.
'Ach, we hebben er ook heel wat afgelachen.'
Ik heb daar niets of dan toch weinig van gemerkt, maar misschien lachten de volwassenen op tijdstippen dat ik sliep of ergens anders was dan zij waren.
Ik herinner mij dat er bij ons thuis, lang na de oorlog, werd geschaterd als mijn ouders, mijn broers, andere familieleden of kennissen, herinneringen aan hun kampjaren vertelden. Zo is de geschiedenis van die kampen weggespoeld in golven van hilariteit.
Hirohito, de keizer van Japan, een oorlogsmisdadiger van hetzelfde formaat als Hitler, - tot 1945 werd hij door zijn onderdanen nog als god vereerd, - werd ongeveer een kwart eeuw na zijn misdaden met pontificaal eerbetoon door de Nederlandse regering als bevriend staatshoofd ontvangen. Daartegen is geprotesteerd, onder meer door de cabaretier Wim Kan, die de Japanse kampen ook heeft meegemaakt, maar er was door de ex-gevangenen van die Japanse kampen tevoren waarschijnlijk al te v��l om hun kampverleden gelachen: het protest werd niet serieus genomen en genegeerd.
'Indische mensen': een merkwaardig vrolijk en lachlustig volkje.
Terwijl ik nu over de tijd in dat kamp het mijne zit te schrijven, dwarrelt paus Woytila met zijn vliegtuig omlaag in Japan om gedurende enige seconden een bedroefd gezicht te trekken bij de gedenktekens ter nagedachtenis van de slachtoffers van de atoombommen op lliroshima en Nagasaki en om vervolgens ex-god Hirohito aan zijn hart te drukken.
Mijn vader heeft de gigantische champignon van licht, die bij de explosie van de bom op Hiroshima uit de aardkorst brak, op de horizon zien staan: - hij zou ten gevolge daarvan enige uren, dagen of weken blind zijn geweest, onder zijn linkeroog ontstond een wrat zo groot als een ei.
(Voor de waarheid van die blindheid wil ik niet instaan, zo klinkt mij het gelach om zijn kampwedervaren nog in de oren, maar de lillende paarse wrat, die als een kleine replica van de grote champignon uit zijn gezicht puilde, heb ik zelf nog gezien en op een van de staatsieportretten die hij in de loop van zijn leven van zichzelf liet maken is waarneembaar gebleven dat de wrat door de fotograaf is weggeretoucheerd, het ding werd in 1949 operatief verwijderd.)
Vanwege de bommen op Hiroshima en Nagasaki hebben mijn moeder, mijn zus en ik en duizenden andere uitgehongerde krijgsgevangenen drie dagen lang niet te eten en te drinken gehad, - zelfs boeboer werd niet verstrekt.
Dit hoort tot mijn kleuterherinneringen zoals het tot de kleuterherinneringen van anderen hoort dat hun op de leeftijd die ik had toen ik in dat kamp zat de amandelen werden geknipt (mijn amandelen waren toen al geknipt).
Er is nog m��r dat tot de vanzelfsprekendheden van mijn kleuterjaren heeft behoord. Het is door mij gezien, het ligt opgeborgen op de vlieringen van mijn geheugen.
Toen heeft het mij onaangeraakt gelaten, - ik zou er pas later door worden aangeraakt.
Soms overvalt mij de paniekangst: soms ben ik terug in dat kamp: -