Zes � zeven jaar jonger dan ik nu ben was ik 'verdwaald in het diepst van het woud, de rechte weg geheel verloren': mijn leven bestond uit zwalken, hierheen daarheen, permanent in staat van halfdronkenschap uit afkeer van het leven en uit verlangen om er niet te zijn.
Op een zomeravond, in een caf� in het stadje ***, waar ik toevallig was aangespoeld, ontmoette ik Liza, of Liza ontmoette mij. Ze had een vriendelijk, zachtaardig en schrander gezicht, - ze had pastelkleurige, gaasachtige kleren aan die ritselden bij iedere beweging die ze maakte.
'Zullen we dan nu maar met elkaar naar bed gaan?' Na een uurtje zei ik dit, of Liza zei het, - het is de achteloze taal van die jaren, na 'de revolutie': de taal van de dodelijke verveling, de verbitterdheid en de illusieloosheid.
Twee of drie dagen ben ik bij haar gebleven, en toen begaf ik mij weer 'op weg', in mijn auto, alleen, op zoek, Liza vergetend, en allengs alles omtrent haar vergetend, zelfs haar naam, - maar heel soms kwam wel dat stadje nog in mijn gedachten terug: dat het was versierd met vlaggen en vanen, groen, bloemen, tapijten en rustaltaren.
Van 'zwalken' en 'aanspoelen' is thans geen sprake meer, ik heb mijn onderkomen gevonden en laatst bracht mijn vrouw nog een dochtertje ter wereld, ongeveer op de stip des tijds dat ik, uit walging niet bij de geboorte aanwezig, in de spiegel keek en van angst mijn gezicht niet herkende. Ik zag dat in de haardos die ik vroeger bezat het vel van mijn schedel doorschemert, en dat in het haar dat mij nog rest witte strepen blijken te zijn ontstaan. Nog even, en ik zie in de spiegel het portret van mijn vader, zoals het zeventien jaar lang vanaf zijn plaats op het televisietoestel mijn moeder heeft aangekeken.
Alle decorstukken en coulissen waartussen mijn leven verstrijkt staan waar en zoals ze moeten staan, - mijn leven is ongeveer aan het einde van het tweede bedrijf, vlak voor de pauze. Ik waak er angstvallig voor dat die decorstukken en coulissen blijven staan waar en zoals ze staan: valt ��n ervan om, vallen ze allemaal om en verpletteren mij. Ongeveer een maand voor de dood van mijn moeder, omstreeks kerstmis, was ik opnieuw in het stadje ***, en ontmoette ik Liza, of ontmoette Liza mij, na al die jaren opnieuw. Ik was op een feest: in het vertrek vol vrolijke lachende drinkende mensen waar ik mij bevond, bevond zij zich opeens ook, - hetmoment dat ik haar zag was het moment dat zij mij zag. Ik herkende haar met mijn hele lichaam: ergens in mijn hoofd werd een filmprojector aangezet en in twee seconden was de film die ik dacht volstrekt te zijn vergeten voor mij afgedraaid. Tussen het gewemel van feestelijk aangeklede lichamen door kwam Liza naar mij toe als door een versierde stad vol flapperende vlaggen (Liza lachend; Liza starend aan het raam van haar appartement, ze woont boven een klokkenwinkel; Liza naakt en hoe ik haar streel; Liza meelopend in een optocht; alles in kleur, - een kleine, onbelangrijke gebeurtenis in mijn leven, maar zes of zeven jaar later veroorzaakte het gerommel achter de coulissen en zag ik de decorstukken wankelen). Terwijl mijn gezicht nog lachte voelde ik een groot, door spijt gevoed, verdriet in mij ontstaan: om mijn nonchalance van jaren tevoren, om die jaren z�lf die zo vol van leegte waren geweest, en om mijzelf, omdat ik ben zoals ik ben.
Ouder geworden alle twee, zeiden we tegen elkaar. Maar zij is altijd nog jaren jonger dan ik ben.
Het ritselen van haar kleren en de klank van haar stem.
Jij bent een hele beroemdheid intussen, zei zij tegen mij. Ja. zei ik.
Waar is je belletje? vroeg ze, met dat lachje van haar. Weg, zei ik, ik ga tegenwoordig geluidloos door het leven. En jij?
Wat ik?
Ben jij nog altijd schooljuffrouw? Ja, zij was nog altijd schooljuffrouw.
Verder niet veranderd, zeiden we van elkaar, al was dat natuurlijk onjuist. Wat mij betreft, nietveranderd zijnde ben ik totaal veranderd, ik woon nog in hetzelfde lichaam dat gelijktijdig niet meer hetzelfde lichaam is.
Belletje?
In de dagen dat Liza en ik elkaar voor het eerst ontmoetten droeg ik onderaan mijn rechter broekspijp, op de buitenenkel, een zilveren belletje, - z�maar, stap-tingeling-stap, Daantje op de versiertoer.
Z� ben ik nu niet meer. Die broek zou mij nu in verschillende opzichten niet meer passen.
Overigens zeiden we niet zo veel, maar het was duidelijk dat we aan hetzelfde dachten (Toren van David, Ivoren toren, Gouden huis. Deur van de hemel) en dat we maar hetzelfde tegen elkaar hadden hoeven te zeggen als jaren tevoren, om elkaar dan bij de hand te nemen en het feest te verlaten en
Maar ik ben de drama's beu die zich vroeger tussen mijn decorstukken en coulissen hebben afgespeeld.
'Het beste dat mensen elkaar kunnen toewensen is: dat ze niet van elkaar zullen gaan houden.' (Ik, in een interview.)
Maar niets bestaat dat niet iets anders aanraakt.
Hoe komt het dat ik ben zoals ik ben?
De dagen na de dood van mijn moeder dacht ik aan mijn moeder �n aan Liza, in dezelfde mate hartstochtelijk onhartstochtelijk: met weerzin om rouwgevoelens te koesteren voor de een en verliefdheidsgevoelens voor de ander en ook wel beide gevoelens gelijkertijd. Deze gedachten en gevoelens irriteerden mij en maakten mij bang, - ze stoorden mij bij mijn werk (ik schreef een boek over zelfmoord in de Nederlandstalige literatuur, ik schreef het hoofdstuk over de Nederlandse schrijver-zelfmoordenaar Jacob Hiegentlich), tijdens het eten (ik kreeg geen hap door mijn keel van het zuchten), en in mijn slaap (ik droomde van beide vrouwen, soms op hetzelfde ogenblik, in dezelfde droom).
Laat mij met rust. Ik ben er niet. Doe geen beroep op mij. Ik voel niets en ik wil niets voelen.
In de mist. Bevend geschreven. De dood gaat mij niet aan. Het leven gaat mij niet aan. Laat ook mij maar eenzaam sterven, - wat maakt dat in godsnaam uit?
Die dagen, in de stilte van mijn huis, drukte ik soms de hoorn van het telefoontoestel tegen mijn oor en riep ik zo hard als ik kon tegen de zoemtoon:
'Kwaak kwaak!'