Vierentwintig merels

Agatha Christie

De jaren 1920 en 1930 worden beschouwd als de 'Gouden Eeuw' van de verzonnen misdaadverhalen, en bij het lezen van romans uit die tijd valt het op hoe vaak de moordenaar zich aan de eettafel ontdoet van zijn slachtoffers. Zoals een kenner opmerkte, werd het bord de 'speelplaats van de gif moordenaar', en omdat het zo gemakkelijk ging, is het daarna altijd populair gebleven - hoewel het zeker moeilijker is geworden om het gebruikte gif voor de gedegen gerechtelijke wetenschap te verbergen. Sommige van de beroemdste speurders uit verzonnen verhalen hebben niet alleen zaken opgelost waarbij moord op het menu stond, maar gaven er tevens blijk van grote fijnproevers te zijn: onder hen bevinden zich de baanbrekende inspecteur Bucket van Charles Dickens, Hercule Poirot, Jules Maigret en Nero Wolfe, en Van Der Valk van Nicolas Freeling. (Overigens was Freeling enige tijd leraar aan een school voor koks.) In dit hoofdstuk beginnen we met Poirot in de zaak van de 'Vierentwintig merels' van Agatha Christie (1890-1976).


Herculc Poirot zat met zijn vriend Henry Bonnington te dineren in de Gallant Andeavour in de King's Road, Chelsea.

De heer Bonnington was dol op de Gallant Endeavour. Hij hield van de ontspannen sfeer en hij hield van het eten dat 'eenvoudig', 'Engels' en 'zonder veel bombarie' was. Mensen die met hem gingen dineren, vertelde hij graag waar precies Augustus John had willen zitten, waarna hij hun aandacht vroeg voor de namen van beroemde kunstenaarsin het bezoekersboek. De heer Bonnington was zelf helemaal niet kunstzinnig - maar hij was op een bepaalde manier trots op de artistieke prestaties van anderen.

Molly, de sympathieke serveerster, begroette de heer Bonnington als een oude vriend. Ze ging er prat op nog precies te weten wat haar klanten wel of niet lekker vonden.

'Goedenavond, meneer,' zei ze, toen de twee mannen aan een hoektafeltje gingen zitten. 'U heeft vandaag geluk - kalkoen gevuld met kastanjes - dat is toch uw lievelingsgerecht? En we hebben ook een heerlijke Stilton. Wilt u eerst soep of vis?'

De heer Bonnington overwoog het punt zorgvuldig. Waarschuwend zei hij tegen Poirot, die het menu bestudeerde:

'En nu geen Franse liflafjes, maar degelijk Engels eten.'

'Vriend,' zei Hercule Poirot met een handgebaar, 'ik wil niet anders! Ik laat het helemaal aan jou over!'

'A... hruup... er... hm,'antwoordde de heer Bonington en besteedde er alle aandacht aan.

Nadat die gewichtige zaken en de wijn waren geregeld, ging de heer Bonnington met een zucht achteroverzitten en terwijl Molly snel wegliep, ontvouwde hij zijn servet.

'Een goeie meid,' zei hij goedkeurend. 'Was vroeger een echte schoonheid - ze werd door kunstenaars geschilderd. Ze wist ook alles van eten af - en dat is nog belangrijker. Waar het eten betreft zijn vrouwen in de regel zeer ongezond bezig. Er zijn veel vrouwen die, als ze gaan eten met een man die ze leuk vinden, niet eens weten wat ze eten. Ze bestellen gewoon het eerste het beste wat ze zien.'

Hercule Poirot schudde zijn hoofd.

'C'est terrible

'Mannen zijn godzijdank niet zo!' zei de heer Bonnington zelfvoldaan.

'Nooit?' Er lag een schittering in het oog van Hercule Poirot.

'Nou ja, misschien als ze jong zijn,' meende de heer Bonnington. 'Jonge honden! De jonge kerels van tegenwoordig zijn allemaal hetzelfde-geen lef-geen uithoudingsvermogen. Ik heb niets aan jonge mensen-en zij,' voegde hij er onverschillig aan toe, 'hebben niets aan mij. Misschien hebben ze gelijk. Maar als je sommigen van die jonge kerels hoort praten, zou je denken dat geen man het recht heeft langer dan zestig jaar te leven! En als je dan hoort hoe ze daarop doorgaan, vraag je je af waarom er niet meer zijn die hun oudere relaties de wereld uit helpen.'

'Misschien doen ze dat ook wel,' zei Hercule Poirot.

'Leuke opmerking, Poirot, dat moet ik zeggen. Al dat politiewerk ondermijnt je idealen wel.'

Hercule Poirot glimlachte.

'Tout de même,' zei hij. 'Het zou interessant zijn om eens een tabel te maken van mensen boven de zestig die tengevolge van een ongeluk de dood vonden. Ik geef je de verzekering dat jou dat ook te denken zou geven.'

'De moeilijkheid met jou is dat jij gaat zoeken naar misdaad - in plaats van te wachten tot de misdaad naar jou toe komt.'

'Neem me niet kwalijk,' zei Poirot. 'Ik zit weer over mijn werk te kletsen. Vertel me eens iets over jezelf, vriend. Hoe gaat het met jou in deze wereld?' 'Het rommelt!' zei de heer Bonnington. 'Zo gaat het tegenwoordig in de wereld. Te veel rommel. En te veel mooie praatjes. Met die mooie praatjes probeert men de rommel te bedekken. Net zoals je met een heerlijke saus probeert te verheimelijken dat de vis eronder niet zo best is. Geef mij maar een eerlijke scholfilet en dan zonder zo'n smerige saus erover.'

Op dat moment kreeg hij die van Molly en hij gromde goedkeurend.

'Jij weet wat goed is voor een mens, meid,' zei hij.

'Nou, u komt hier immers regelmatig, meneer? Dan moet ik toch weten wat u lekker vindt?'

Hercule Poirot zei:

'Vinden de mensen dan altijd dezelfde dingen lekker? Nemen ze soms niet eens iets anders?'

'Heren doen dat niet, meneer. Dames variëren graag - heren houden altijd van dezelfde gerechten.'

'Wat heb ik je gezegd?' gromde Bonnington. 'Vrouwen zijn in principe ongezond waar het voedsel betreft.'

Hij keek het restaurant rond.

'Het kan toch gek gaan in de wereld. Zie je die vreemd uitziende oude vent met die baard daar in de hoek? Volgens Molly zit hij daar altijd op dinsdag en donderdagavond. Hij komt hier al bijna tien jaar - hij is een soort oriëntatiepunt in het restaurant. Toch weet niemand hier hoe hij heet. waar hij woont of wat hij doet voor de kost. Toch vreemd, als je erover nadenkt.'

Toen de serveerster met de porties kalkoen aankwam, zei hij:

'Ik zie dat Vadertje Tijd daar ook nog zit?'

'Inderdaad, meneer. Dinsdagen donderdag, dat zijn zijn vaste dagen. Alleen kwam hij vorige week op een maandag. Ik was er helemaal door van streek. Ik had het gevoel dat ik in de war was met de datum en dat het zonder dat ik het wist, toch dinsdag was! Maar hij kwam de volgende avond ook - die maandag was zogezegd een soort extraatje geweest.'

'Een interessante afwisseling,' mompelde Poirot. 'Wat zou daar de reden voor zijn geweest?'

'Als u het mij vraagt, meneer, denk ik dat hij een beetje van streek was of zorgen had.'

'Waarom denk je dat? Was het zijn manier van doen?'

'Nee, meneer - niet zijn manier van doen. Hij was even stil als altijd. Zegt alleen maar goedenavond bij het binnenkomen en weggaan. Nee, het was de volgorde.'

'De volgorde?'

'U zult me wel uitlachen,' zei Molly en ze kreeg er een kleur van, 'maar wanneer een heer hier al tien jaar komt, weet je zo langzamerhand wel wat hij lekker vindt en wat niet. Hij neemt bijvoorbeeld nooit niervetpudding of bramen en ik heb hem nog nooit dikke soep zien eten - maar op die bewuste maandagavond bestelde hij dikke tomatensoep, biefstuk, niervetpudding en bramentaart. Het was net of hij niet eens wist wat hij bestelde!'

'Weet je,' zei Hercule Poirot, 'dat vind ik bijzonder interessant.'

Voldaan liep Molly weg.

'Welnu, Poirot,' zei Henry Bonnington lachend, 'laat maar eens horen wat jij hieruit opmaakt.'

'Dat wil ik eerst weieens van jou horen.'

'Jij wilt dus dat ik Watson ben? Welnu, de man ging naar een dokter en de dokter gaf hem een ander dieet.'

'Een dieet bestaande uit dikke tomatensoep, biefstuk, niervetpudding en bramentaart? Ik kan me niet voorstellen dat een dokter dat zou doen.'

'Dan geloof je het maar niet, ouwe jongen. Dokters doen de vreemdste dingen.'

'Is dat de enige oplossing die jou te binnen schiet?'

Henry Bonnington:

'Maar nu in ernst. Volgens mij is er maar één verklaring mogelijk. Onze onbekende vriend was overmand door een grote mentale emotie. Hij werd er zo door in beslag genomen, dat hij niet merkte wat hij bestelde of at.'

Hij wachtte even en zei toen:

'Straks vertel je me nog dat je weet waar hij over inzat. Dan zeg je misschien dat hij erover zat te denken om een moord te plegen.'

Hij moest lachen om zijn eigen fantasie.

Hercule Poirot lachte niet.

Hij heeft toegegeven dat hij zich op dat moment ernstig zorgen maakte. Hij beweerde toen waarschijnlijk een voorgevoel te hebben gehad van wat er stond te gebeuren.

Zijn vrienden verzekerden hem dat zo'n voorgevoel met fantasie te maken heeft.

Ongeveer drie weken later kwamen Hercule Poirot en Bonnington elkaar weer tegen - dit keer in de ondergrondse.

Slingerend stonden ze naast elkaar met één hand aan een lus en knikten naar elkaar. Op Piccadilly Circus stapte bijna iedereen uit en vonden ze voorin nog twee plaatsen naast elkaar - een rustige plek, omdat daar niemand in- of uitstapte.

'Zo, dat is beter,' zei Bonnington, 'Stelletje egoïsten, die mensen, al vraag je het nog zo vriendelijk, ze lopen niet door.'

Hercule Poirot haalde zijn schouders op.

'Wat wil je?' zei hij. 'Het leven is veel te onzeker.'

'Dat is zo. Vandaag ben je hier nog, morgen ben je weg,' zei Bon-nington met een soort somber welbehagen. 'En nu je het er toch over hebt, herinner jij je nogdie ouwe man die we in de Gallant Endeavour zagen zitten? Het zou mij niets verwonderen als hij een betere wereld was ingestapt. Hij is er al een hele week niet geweest. Molly is helemaal van streek.'

Hercule Poirot ging rechtop zitten. Zijn groene ogen flitsten.

'Is dat zo?' vroeg hij. 'Is dat zo?'

Bonnington zei:

'Weet je nog dat ik opperde dat hij naar een dokter was geweest, die hem een dieet had voorgeschreven? Dat dieet is natuurlijk onzin, maar het zou me niets verwonderen als hij voor zijn gezondheid naar een dokter was geweest en dat hij geschrokken was van wat de dokter hem vertelde. Dat zou verklaren waarom hij dingen van het menu bestelde, zonder te weten wat hij deed. Waarschijnlijk is hij door de schrik eerder uit deze wereld gestapt dan anders het geval zou zijn geweest. Dokters moeten voorzichtig zijn met wat ze tegen iemand zeggen.'

'Dat zijn ze gewoonlijk wel,' zei Poirot.

'Dit is mijn halte,'zei Bonnington. Tot ziens. Ik denk niet dat weer ooit achter komen wie die oude man was - zelfs zijn naam blijft een raadsel. Rare wereld!'

Hij liep de trein uit.

Hercule Poirot zat met een frons op zijn voorhoofden keek alsof hij het helemaal niet zo'n rare wereld vond.

Hij ging naar huis en gaf zijn trouwe knecht, George, instructies.

Hercule Poirot liet zijn vinger langs de lijst met namen gaan. Het was de opsomming van sterfgevallen binnen een bepaald gebied.

De vinger van Poirot stopte.

'Henry Gascoigne. Negenenzestig. Die ga ik eerst proberen.'

Later op de dag zat Hercule Poirot in de spreekkamer van dokter MacAndrew vlak bij King's Road. MacAndrew was een lange roodharige Schot met een intelligent gezicht.

'Gascoigne?' zei hij. 'Ja, dat klopt. Een excentrieke oude vogel. Woonde alleen in een van die vervallen oude huizen die worden ontruimd om plaats te maken voor moderne flats. Ik was nog niet eerder bi j hem geweest, maar ik had hem weieens zien lopen en wist wie hij was. De eerste signalen kwamen van de melkbezorgers. Er stonden op een gegeven moment te veel flessen melk voor de deur. De buren namen toen contact op met de politie en zij braken in en vonden hem. Hij was van de trap gevallen en had zijn nek gebroken. Hij had een oude ochtendjas aan met een versleten koord - misschien was hij daar wel over gestruikeld.'

'Aha,' zei Hercule Poirot, 'gewoon - een ongeluk dus.'

Inderdaad.'

'Had hij familie of kennissen?'

'Er is een neef. Die kwam zijn oom eens in de maand bezoeken. Lorrimer heet hij, George Lorrimer. Hij is zelf medicus. Woont in Wimbledon.'

'Was hij van streek door de dood van de oude man?'

'Ik kan niet zeggen dat hij echt van streek was. Ik bedoel, hij mocht de oude man graag, maar kende hem niet echt goed.'

'Hoe lang was de heer Gascoigne al dood toen u hem zag?'

'Aha,' zei dokter MacAndrew. 'Nu gaan we officieel doen. Niet minder dan achtenveertig uur en niet meer dan tweeënzeventig. Op de ochtend van de zesde is hij gevonden. Feitelijk kunnen we het preciezer zeggen. Er zat een brief in de zak van zijn ochtendjas-geschreven op de derde - die middag gepost in Wimbledon - waarschijnlijk bezorgd rond twintig over negen 's avonds. Het tijdstip van overlijden moet daardoor ergens na twintig over negen in de avond van de derde liggen. Dat komt overeen met de maaginhoud en de spijsvertering. Ongeveer twee uur voor zijn dood had hij gegeten. Ik onderzocht hem op de ochtend van de zesde en de toestand van zijn lichaam klopte als de dood zestig uur tevoren was ingetreden - ongeveer rond tien uur in de avond van de derde.'

'Het klopt allemaal. Kunt u me ook vertellen wanneer hij voor het laatst levend werd gezien?'

'Diezelfde avond, donderdag de derde, is hij om ongeveer zeven uur in King's Road gesignaleerd, en hij heeft om halfacht gegeten in het restaurant de Gallant Endeavour. Hij schijnt daar altijd op donderdag te gaan eten. Hij hing een beetje de kunstenaar uit, weet u. Een heel slechte, weliswaar.'

'Had hij nog andere connecties afgezien van die neef?'

'Er was nog een tweelingbroer. Het is nogal een vreemd verhaal. Ze hadden elkaar al jaren niet meer gezien. Die andere broer, Anthony Gascoigne, schijnt te zijn getrouwd met een rijke vrouw en de kunst te hebben opgegeven - en daar maakten de broers ruzie over. Ik geloof dat ze elkaar na die ruzie niet meer hebben gezien. Vreemd genoeg zijn ze op dezelfde dag overleden. De oudere helft van de tweeling stierf die middag van de derde om drie uur. Ik heb al eens eerder een geval meegemaakt waarbij een tweeling op dezelfde dag overleed - in verschillende delen van de wereld! Misschien was het gewoon toeval - maar nu dit weer.'

'Leeft de vrouw van die andere broer nog?'

'Nee, zij is een paar jaar geleden overleden.'

'Waar woonde Anthony Gascoigne?'

'Hij had een huis op Kingston Hill. Als ik dokter Lorrimer mag geloven, leefde hij in afzondering.'

Hercule Poirot knikte peinzend.

De Schot keek hem nieuwsgierig aan.

'Wat voert u precies in uw schild, meneer Poirot?' vroeg hij bot. 'Ik heb uw vragen beantwoord - wat ik ook verplicht ben tegenover een man als u. Maar ik weet nu nog niet waar het precies om gaat.'

Poirot zei langzaam:

'Een eenvoudig geval van dood tengevolge van een ongeval, dat zei u toch? Wat ik in gedachten heb, is even eenvoudig - een simpele duw.'

Dokter MacAndrew keek verschrikt.

'Met andere woorden, moord! Heeft u daar gegronde redenen voor?'

'Nee,' zei Poirot. 'Het is slechts een veronderstelling.'

'Er moet toch iets zijn -' drong de ander aan.

Poirot hield zijn mond. MacAndrew zei:

'Als u de neef verdenkt, Lorrimer, moet ik u toch meteen zeggen dat u het aan het verkeerde eind hebt. Om halfnegen speelde Lorrimer tot middernacht bridge in Wimbledon. Dat kwam bij het onderzoek aan het licht.'

Poirot mompelde:

'En dat werd waarschijnlijk nagetrokken. De politie is voorzichtig.'

De dokter zei:

'Weet u soms iets dat tegen hem pleit?'

'Ik wist van het bestaan van die man niet af, tot u het erover had.'

'Verdenkt u dan iemand anders?'

'Nee, nee. Dat is het helemaal niet. Het gaat hier om de gewoonten van het beestje. Dat is erg belangrijk. En de overleden meneer Gas-coigne past daar niet in. Het zit niet goed.'

Ik begrijp het echt niet.'

Hercule Poirot mompelde:

'De ellende is, dat er te veel saus over de bedorven vis is gegoten.'

'U zegt, meneer?'

Hercule Poirot glimlachte.

'Straks laat u mij nog opsluiten omdat ik krankzinnig ben, Monsieur le Docteur. Maar dat ben ik echt niet. Ik ben alleen iemand die van orde en regelmaat houdt en die zich zorgen maakt als hij op een feit stuit dat niet klopt. Vergeeft u mij, dat ik u zoveel last heb bezorgd.'

Hij ging staan en dat deed de dokter ook.

'Weet u,' zei MacAndrew, 'eerlijk gezegd zie ik niet in wat er zo verdacht is aan de dood van Henry Gascoigne. Ik zeg dat hij is gevallen - u zegt dat iemand hem een zet heeft gegeven. Het is allemaal zo... zo... onzeker.'

Hercule Poirot zuchtte.

'Ja,' zei hij, 'het zit knap in elkaar. Iemand heeft knap werk verricht.'

'Denkt u nog steeds...?'

'Ik ben nu eenmaal eigenwijs - en heb zo wat ideetjes - overigens zonder enige reden. Had Henry Gascoigne eigenlijk een vals gebit?'

'Nee, zijn eigen tanden waren nog in uitstekende staat. Dat is echt goed op zijn leeftijd.'

'Hij verzorgde ze goed - ik bedoel, waren ze wit en goed gepoetst?'

'Ja, dat viel mij nog op. Als je ouder wordt hebben je tanden de neiging iets geler te worden, maar ze waren in goede staat.'

'Helemaal niet verkleurd?'

'Nee. Ik geloof niet dat hij rookte als u dat soms bedoelt.'

'Dat bedoelde ik niet direct - het was maar een gok - die misschien ongegrond is. Tot ziens, dokter MacAndrew en bedankt dat u zo vriendelijk heeft willen zijn.'

Hij gaf de dokter een hand en liep weg.

'En nu,' zei hij, 'die gok.'

In de Gallant Endeavour ging hij aan het tafeltje zitten, waaraan hij ook met Bonnington had gezeten. Het meisje dat bediende was niet Molly. Het meisje wist te vertellen dat Molly op vakantie was.

Het was nog maar net zeven uur en Hercule Poirot raakte heel gemakkelijk in gesprek met het meisje over de oude heer Gascoigne.

'Ja,' zei ze. 'Hij kwam hier al jaren en jaren. Maar geen van de meisjes kende zijn naam. We lazen in de krant over het onderzoek en er stond een foto van hem bij. "Kijk nou," zei ik tegen Molly. "Als dat ons Vadertje Tijd niet is" zoals we hem altijd noemden.'

'Hij heeft hier op de avond van zijn dood toch nog gedineerd?'

'Inderdaad. Op donderdag, de derde. Hij was hier op donderdag altijd. Dinsdags en donderdags - je kon er de klok op gelijkzetten.'

'Je weet zeker niet meer wat hij toen heeft gegeten?'

'Eens kijken, dat was kerriesoep, ja, en biefstukpudding of was het schapevlees - nee pudding, dat is ook zo, en taart met bramen en appel en daarna kaas. En dan te bedenken dat hij naar huis ging en diezelfde avond nog van de trap viel. Ze zeggen dat dat kwam door de rafels van het koord van zijn ochtendjas. Zijn kleren zagen er ook altijd verschrikkelijk uit-ouderwets en afgedragen, en dat terwijl hij met een houding rondliep alsof hij iemand was! O, we krijgen hier allerlei interessante klanten.'

Ze liep weer verder.

Hercule Poirot at zijn gefileerde tong. Uit zijn ogen straalde een groen licht.

'Toch raar,' zei hij bij zichzelf, 'dat de knapste mensen bijzonderheden over het hoofd zien. Dit zal Bonnington interesseren.'

Maar de tijd was nog niet rijp voor een gezellig gesprek met Bon-nington.

Gewapend met aanbevelingen uit een bepaalde invloedrijke hoek, had Hercule Poirot geen moeite met de lijkschouwer van het district.

'De overleden heer Gascoigne was een vreemde figuur,' merkte hij op. 'Een eenzame, excentrieke oude man. Toch wordt er ongewoon veel aandacht aan zijn dood besteed.' Terwijl hij dat zei, keek hij nieuwsgierig naar zijn bezoeker. Hercule Poirot koos zijn woorden zorgvuldig. 'Er zijn bepaalde omstandigheden, monsieur, die een onderzoek wenselijk maken.'

'Goed, hoe kan ik u helpen?'

'Als ik me niet vergis is het uw taak om documenten die van uw gerechtshof komen, te laten vernietigen, of ze in bewaring te geven, al naar gelang van toepassing. In de zak van de ochtendjas van Henry Gascoigne is toch een brief gevonden?' 'Dat is inderdaad het geval.' 'Een brief van zijn neef, dokter George Lorrimer?' 'Dat is juist. De brief werd tijdens het onderzoek gebruikt om het tijdstip van de dood te bepalen.'

'Met medisch bewijsmateriaal als ondersteuning?' 'Precies.'

'Is die brief er nog?'

Hercule Poirot wachtte vol spanning op het antwoord. Toen hij hoorde dat de brief nog voor onderzoek beschikbaar was, slaakte hij een zucht van verlichting.

Toen die brief eindelijk te voorschijn kwam, bestudeerde hij die met enige zorgvuldigheid. Hij was geschreven in een ietwat verkrampt handschrift met een vulpen. Er stond in:

Beste oom Henry,

Het spijt me u te moeten vertellen dat ik met betrekking tot oom Anthony geen succes heb gehad. Hij toonde zich weinig enthousiast overeen bezoek van u en wilde me geen antwoord geven op uw verzoek om het verleden te laten rusten. Hij is natuurlijk erg ziek en is er soms met zijn gedachten niet helemaal bij. Ik denk dat zijn einde nadert. Hij kan zich nauwelijks herinneren wie u bent. Het spijt me dat ik u niet heb kunnen helpen, maar ik kan u verzekeren dat ik mijn best heb gedaan.

Uw toegenegen neef, George Lorrimer

De brief was gedateerd op 3 november. Poirot keek naar het poststempel op de enveloppe - 3 nov. 16.30 uur.

Hij mompelde:

'Dat is toch keurig in orde?'

Kingston Hill was zijn volgende doel. Met wat moeite en opgewekte vasthoudendheid, kreeg hij een onderhoud met Amelia Hill, kokkin en huishoudster van wijlen de heer Anthony Gascoigne.

Aanvankelijk toonde mevrouw Hill zich stug en achterdochtig, maar voor de charmante hartelijkheid van die vreemd uitziende vreemdeling zou zelfs een steen niet ongevoelig blijven. Mevrouw Amelia Hill begon los te komen.

Net zoals zoveel andere vrouwen vóór haar, stortte ze haar hart uit bij die sympathieke luisteraar.

Veertien jaar lang had ze het huishouden van de heer Gascoigne geleid - voorwaar geen gemakkelijke taak! Nee, beslist niet! Menige vrouw zou zijn bezweken onder de lasten die zij te dragen kreeg. Het viel niet te ontkennen dat de oude heer excentriek was. Hij was opmerkelijk zuinig met zijn geld - een soort manie van hem - en hij was zo rijk als een heer maar zijn kon. Maar mevrouw Hill had hem trouw gediend en had veel met hem te stellen gehad, en natuurlijk had ze wel verwacht dat hij haar in ieder geval zou gedenken! Maar nee, helemaal niets! Er was slechts een oud testament waarin hij alles aan zijn vrouw naliet en als zij voor hem zou overlijden, zou alles naar zijn broer Henry gaan. Een jaren geleden opgemaakt testament. Het was niet eerlijk!

Geleidelijk wist Hercule Poirot haar los te weken van haar onbevredigde hebzucht. Het was inderdaad een gemene onrechtvaardigheid! Het was mevrouw Hill niet kwalijk te nemen dat ze zich gekwetst voelde en verbaasd was. Het was algemeen bekend dat de heer Gascoigne krenterig was. Er werd gezegd dat de dode man zijn enige broer hulp had geweigerd. Misschien wist mevrouw Hill daar meer van.

'Kwam dokter Lorrimer hem daarover spreken?' vroeg mevrouw Hill. 'Ik wist dat het iets met zijn broer te maken had, maar ik dacht alleen dat zijn broer zich met hem wilde verzoenen. Ze hebben jaren geleden ruzie gehad.'

'Als ik het goed heb begrepen,' zei Poirot, 'wees de heer Gascoigne die verzoeningspoging resoluut af?'

'Dat is zo,' knikte mevrouw Hill. ' "Henry?" zei hij met zwakke stem. "Wat is er met Henry? Ik heb hem al in geen jaren gezien en dat hoeft ook niet. Die Henry zoekt altijd ruzie." Zo zei hij dat.'

Daarna beperkte het gesprek zich tot de grieven van mevrouw Hill, en de onverschillige houding van de advocaat van wijlen de heer Gascoigne.

Het kostte Hercule Poirot enige moeite om te vertrekken zonder het gesprek abrupt af te breken.

En zo ging hij vlak na het avondeten naar Elmcrest, Dorset Road, Wimbledon, het huis van dokter George Lorrimer.

De dokter was thuis. Hercule Poirot werd naar de spreekkamer gebracht, waar dokter George Lorrimer even later bij hem kwam. Hij kwam kennelijk zo van tafel.

'Ik ben geen patiënt, dokter,' zei Hercule Poirot. 'En mijn komst is wellicht een beetje brutaal - maar ik ben een oude man en geloof in duidelijk en direct onderhandelen. Ik houd niet van advocaten en hun omslachtige methoden.'

De belangstelling van Lorrimer was gewekt. De dokter was een gladgeschoren, middelgrote man. Hij had bruin haar, maar zijn wimpers waren bijna wit, wat zijn ogen een bleke, uitgekookte uitdrukking gaf. Hij was vlot en niet zonder humor.

'Advocaten?' zei hij met opgetrokken wenkbrauwen. 'Ik heb de pest aan die kerels! U maakt mij nieuwsgierig, beste heer. Gaat u toch zitten.'

Dat deed Poirot en daarna haalde hij een van zijn legitimatiekaartjes te voorschijn en gaf dat aan de dokter.

De witte wimpers van George Lorrimer knipperden.

Vertrouwelijk boog Poirot zich naar voren. 'Veel van mijn cliënten zijn vrouwen,' zei hij.

'Natuurlijk,' zei dokter George Lorrimer met een lichte twinkeling in zijn ogen.

'Net wat u zegt, natuurlijk,' zei Poirot instemmend. 'Vrouwen vertrouwen de officiële politie niet. Ze geven de voorkeur aan een privé-onderzoeker. Ze lopen niet graag met hun moeilijkheden te koop. Een paar dagen geleden kreeg ik bezoek van een oudere vrouw. Ze was verdrietig over een ruzie die ze vele jaren geleden met haar man had gehad. Die man van haar was uw oom, de overleden heer Gascoigne.' Het gezicht van George Lorrimer werd paars.

'Mijn oom? Onzin! Zijn vrouw is jaren geleden al overleden.'

ik heb het niet over uw oom Anthony Gascoigne, maar over uw oom Henry Gascoigne.'

'Oom Henry? Was die dan getrouwd?'

'O, ja,'zei Hercule Poirot en hij loog zonder blozen. 'Zonder enige twijfel. De dame had zelfs haar trouwboekje bij zich.'

'Dat is een leugen!' riep George Lorrimer met een gezicht dat nu even paars was als een pruim, ik geloof er niets van. U bent een schaamteloze leugenaar.'

'Dat is toch jammer, hè?' zei Poirot. 'U heeft nu voor niets een moord gepleegd.'

'Moord?' De stem van Lorrimer beefde. Zijn lichte ogen puilden uit van schrik.

'Overigens,' zei Poirot, 'zie ik dat u weer bramentaart heeft gegeten. Een onverstandige gewoonte. Bramen schijnen vol vitamines te zitten, maar ze zijn in andere opzichten dodelijk. In dit geval denk ik, dat ze geholpen hebben om de lus om de nek te leggen van een man -uw nek, dokter Lorrimer.'

'Zie je, mon ami, met jouw fundamentele veronderstelling ging je de mist in.' Hercule Poirot, die stralend tegenover zijn vriend aan het tafeltje zat, maakte een verhelderende handbeweging. 'Een man, die onder grote mentale spanning staat, kiest die tijd niet uit om iets te doen dat hij nog nooit heeft gedaan. Zijn reacties volgen de weg van de minste weerstand. Iemand die van streek is, komt misschien in zijn pyjama naar beneden om te eten-maar het is zijn eigen pyjama-niet die van een ander.

Iemand die niet van dikke soep, niervetpuddingen bramen houdt, bestelt die niet plotseling alle drie op één avond. Volgens jou komt dat omdat hij er met zijn gedachten niet bij was. Maar ik zeg dat iemand die iets aan zijn hoofd heeft, automatisch het gerecht bestelt dat hij al veel vaker heeft besteld.

Eh, bien, dan moest er een andere verklaring voor zijn, maar er schoot me gewoon geen redelijke verklaring voor te binnen. En ik maakte me zorgen! Er zat een luchtje aan. Er klopte iets niet. Ik zet graag alles op een rijtje, en er waren dingen die niet klopten. Die bestelling van de heer Cascoigne beviel me niet.

Toen hoorde ik van jou dat de man was verdwenen. Voor het eerst in jaren had hij een dinsdag en donderdag overgeslagen. Dat beviel me nog minder. Ik kreeg een vreemde ingeving. Als ik gelijk had, was de man dood. Ik ging op onderzoek uit. De man was inderdaad dood. Hij was keurig netjes dood. Met andere woorden, de slechte vis werd bedekt met saus.

Om zeven uur was hij nog gesignaleerd in de King's Road. Om half-acht heeft hij hier gegeten - twee uur voor zijn dood. Het klopte allemaal - de maaginhoud en de brief. Veel te veel saus! De vis was niet meer te zien!

De toegewijde neef schreef de brief, de toegewijde neef had een keurig alibi voor het moment van overlijden. Een heel eenvoudige dood-een val van de trap. Een eenvoudig ongeluk? Een eenvoudige moord? Iedereen houdt het op het eerste.

De toegewijde neef is het enige nog in leven zijnde familielid. De toegewijde neef zal erven - maar valt er wel iets te erven? De oom gaat ervoor door arm te zijn.

Dan is er nog een broer. En die broer trouwde indertijd een rijke vrouw. En die broer woont in een groot, duur huis op Kingston Hill, dus heeft het er alle schijn van dat die rijke vrouw hem al haar geld heeft nagelaten. Een logische gevolgtrekking is, dat de rijke vrouw geld nalaat aan Anthony, Anthony geld nalaat aan Henry, terwijl Henry's geld naar George gaat - dan is de cirkel rond.'

'Een mooie theorie,' meent Bonnington. 'Maar wat heb je toen gedaan?'

'Als je het eenmaal weet, vind je meestal wel wat je zoekt. Henry was twee uur na de maaltijd gestorven - verder zijn ze niet gaan kijken . Maar stel dat die maaltijd nu eens niet de avondmaaltijd maar de lunch was? Wat zou jij in de plaats van George doen? George wil heel graag geld hebben. Anthony Gascoigne is stervende - maar George heeft niets aan zijn dood. Zijn geld gaat naar Henry, en die kan nog wel jaren leven. Dus moet Henry ook dood - hoe eerder hoe beter maar eerst moet Anthony dood, en moet George een alibi hebben. De gewoonte van Henry om regelmatig tweemaal per week in een restaurant te gaan eten, brengt George op een idee voor een alibi. Omdat hij erg voorzichtig is, probeert hij zijn plan eerst uit. Op maandagavond geeft hij zich in het bewuste restaurant uit voor zijn oom. Dat gaat gesmeerd. Iedereen ziet hem daar voor zijn oom aan. Hij is tevreden . Hij hoeft alleen maar te wachten tot zijn oom Anthony definitieve tekenen vertoont ertussenuit te willen knijpen. Die tijd komt. Op de middag van de tweede november schrijft hij een brief aan zijn oom, maar dateert die op de derde. Op de middag van de derde gaat hij naar de stad, brengt een bezoek aan zijn oom en voert zijn plan uit. Een flinke zet en oom Henry duikt de trap af. George pakt de brief die hij heeft geschreven en schuift die in de zak van zijn ooms ochtendjas. Om half acht is hij in de Gallant Endeavour, compleet met baard en borstelige wenkbrauwen. De heer Henry Gascoigne is zonder enige twijfel om halfacht nog in leven. Snel verkleedt hij zich op het toilet en rijdt daarna in volle vaart met zijn auto naar Wimbledon om er een avondje te gaan bridgen. Het volmaakte alibi.'

De heer Bonnington keek hem aan.

'En dat poststempel dan?'

'O, dat was heel eenvoudig. Dat poststempel was een beetje gevlekt. Hoe dat kwam? Omdat het met lampezwart van twee naar drie november was veranderd. Als je er niet naar zoekt, valt het niet op. En dan waren er nog de merels.'

'Merels?'

'Vierentwintig in een taart gebakken merels! Ofte wel bramen, als je ze letterlijk wilt nemen. Zoals je begrijpt, was George helemaal niet zo'n goede toneelspeler. Herinner jij je nog die vent die zich helemaal zwart maakte voor de rol van Othello? In de misdaad moet je zo'n toneelspeler zijn. George leek op zijn oom, liep als zijn oom, sprak als zijn oom en had de baard en wenkbrauwen van zijn oom, maar hij vergat te eten als zijn oom. Hij bestelde de gerechten die hij zelf lekker vond. Bramen verkleuren de tanden - de tanden van het lijk waren niet verkleurd en toch had Henry Gascoigne die avond bramen gegeten in de Gallant Endeavour. Er zaten echter geen bramen in zijn maag. Ik heb het vanochtend gevraagd. En George was zo dom geweest de baard en de rest van de make-up niet te verwijderen. O, als je ernaar zoekt, vind je genoeg bewijsmateriaal. Ik ben bij George op bezoek geweest en heb hem bang gemaakt. Toen ging hij door de knieën. Hij had overigens weer bramen zitten eten. Hij is een hebzuchtige vent, die veel om eten geeft. Eh bien, die hebzucht wordt hem fataal, of ik moet me al erg vergissen.'

Een serveerster bracht hun twee porties taart met bramen en appel.

'Neem maar weer mee,' zei de heer Bonnington. 'Een mens kan niet voorzichtig genoeg zijn. Breng mij maar een klein schaaltje lammetjespap.'