Een afschuwelijk verhaal
In het volgende verhaal van Gaston Leroux (1868-1927), de beroemde schrijver van Het spook van de opera, komt een aantal ongewone gasten dineren. Als journalist en fijnproever in de bistro's van Parijs en Toulon, die hij graag bezocht, deed Leroux inspiratie op voor veel van zijn verhalen. Tussen zijn korte verhalen komen we een serie tegen over een viertal oude zeelieden, die in een typisch Frans café in Toulon samenkomen om over hun ervaringen te vertellen. Van die verhalen behoort 'Een afschuwelijk verhaal' tot de beste, maar de lezer zij gewaarschuwd dat het geen verhaal is voor mensen met een zwakke maag!
Kapitein Michel had slechts één arm, die hem goed van pas kwam als hij een pijp wilde opsteken. Hij was een oude zeerot met wie ik, samen met nog vier oude zeelieden, op een avond kennismaakte op het terras van café Vieille Darse in Toulon, waar ik een aperitiefje nam. En zo ontstond de gewoonte om onder het genot van een glaasje, op een steenworp afstand van de kabbelende golven en de dansende bootjes, samen te komen rond de tijd dat de zon achter Tamaris verdwijnt.
De vier oude zeelieden waren bekend als Zinzin, Dorat - kapitein Dorat- Bagatelle, en Chanlieu-die ouwe Chanlieu. Ze hadden vanzelfsprekend alle zeeën bevaren en van alles beleefd; en nu ze met pensioen waren, brachten ze hun tijd door met elkaar vreselijke verhalen te vertellen.
Alleen kapitein Michel haalde nooit herinneringen op. En daar hij zich nooit leek te verbazen over wat hij hoorde, kregen zijn oude kameraden daar op den duur genoeg van.
'Luister nou eens, kapitein Michel, is jou nou nooit eens iets bijzonders overkomen?'
'O ja,' kwam het antwoord van de kapitein, nadat hij zijn pijp uit zijn mond had genomen. 'Ja, mij is ook weieens iets overkomen, één keer maar.'
'Nou, laat dan eens horen.'
'Nee.'
'Waarom niet?'
'Omdat het veel te erg is. Jullie zouden er misschien niet tegen kunnen. Ik heb het verhaal vaak proberen te vertellen, maar de mensen gingen al van hun stokje voor ik ermee klaar was.'
Onder bulderend gelach keken de vier zeerotten elkaar aan en beweerden dat kapitein Michel een excuus zocht, omdat hem in werkelijkheid nooit iets bijzonders was overkomen.
De oude man bleef hen even aankijken, gaf zich gewonnen en legde zijn pijp op tafel. Dat ongewone gebaar was op zich al angstaanjagend.
'Messieurs, ik zal jullie vertellen hoe ik mijn arm heb verloren,' begon hij.
'In die tijd -zo'n twintig jaar geleden - bezat ik een kleine villa in de buitenwijk van Le Mourillon, die mij was nagelaten, want mijn familie woonde heel lang in deze omgevingen ik was er zelf ook geboren.
Het toeval wilde dat ik na een lange reis eerst even wilde uitrusten alvorens de zee weer op te gaan. Bovendien was ik daar graag en woonde rustig tussen zeevarenden en kolonialen, die me zelden lastig vielen en die ik zelden zag, omdat ze zich in de regel met vriendinnen bezighielden met het schuiven van opium, of met andere zaken waarmee ik niets te maken had. Over smaak valt natuurlijk niet te twisten, maar zolang ik geen last van hen had, vond ik het geschikt...
Zo kon het gebeuren dat ze mijn slaap verstoorden. Ik werd met een schok wakker door een wel heel bijzonder tumult, waarvan ik de bedoeling absoluut niet vatte. Ik had zoals gewoonlijk mijn raam open laten staan. Verbijsterd luisterde ik naar een enorme herrie, die het midden hield tussen het gerommel van onweer en de roffel op een trommel, maar wat voor trommel! Het was alsof er met een paar honderd trommelstokken werd geslagen, niet op een gewoon trommelvel, maar op een houten trommel.
Het lawaai was afkomstig van de tegenover mijn huis gelegen villa, die al ongeveer vijf jaar leeg stond en waarop ik de avond tevoren een bord had zien staan met "Te Koop" erop.
Ik keek eens uit mijn slaapkamerraam op de eerste verdieping, achter de kleine tuin waarin het huis stond. Mijn blik gleed langs elke deuren elk raam, zelfs langs de deuren en ramen op de begane grond. Die dag had ik gezien dat ze allemaal dicht waren en dat waren ze nog; maar er scheen licht door de kieren in de luiken op de begane grond. Wie waren dat en wat waren dat voor mensen? Hoe hadden ze dat alleenstaande huis aan de rand van Le Mourillon gevonden? Wat voor soort gezelschap had zich toegang verschaft tot dat verlaten huis en waarom maakten ze zo'n herrie?
Er kwam nog geen einde aan het ongewone lawaai, dat afkomstig leek van het donderende slaan op een houten trommel. Het lawaai ging nog een uur door, en toen het dag begon te worden ging de voordeur open en verscheen er in de deuropening een stralend wezen, zoals ik er nog nooit een had gezien. Ze had een jurk aan met een laag uitgesneden hals en hield heel gracieus een lamp vast waarvan de stralen over de schouders van een godin vielen. Terwijl er een vriendelijke, kalme glimlach over haar gezicht gleed, hoorde ik haar heel duidelijk in de stille nacht zeggen:
"Tot ziens, beste vriend, tot volgend jaar."
Tegen wie ze dat zei? Dat kon ik niet zien, omdat ik niemand naast haar zag staan. Met de lamp bleef ze nog even bij de ingang staan tot het tuinhek vanzelf open- en dichtging. Toen ging de deur van het huis dicht en was er niets meer te zien.
Ik had het gevoel dat ik mijn verstand verloor of dat het een droom was, want ik wist dat er geen sprake van was dat iemand door de tuin kon lopen zonder dat ik hem zag.
Ik stond nog steeds bij het raam zonder me te kunnen bewegen of te kunnen denken, toen de deur van het huis voor de tweede keer openging en dezelfde schoonheid verscheen met nog steeds die lamp in haar hand en nog steeds alleen.
"Ssst!" zei ze. "Jullie moeten niet zoveel lawaai maken. We mogen onze buurman van hier tegenover niet wakker maken. Ik ga met jullie mee."
En geruisloos en alleen liep ze door de tuin en bleef staan bij het hek waarop het volle licht van de lamp viel; ik kon zelfs heel duidelijk zien hoe de deurknop van het hek vanzelf omdraaide, zonder dat er een hand op werd gelegd. En in bijzijn van die vrouw, die bovendien geen enkele verbazing toonde, ging het hek opnieuw vanzelf open. Moet ik er nog bij zeggen dan ik vanaf mijn plaats de voor- en achterkant van het hek kon zien; met andere woorden dat ik er van opzij op keek?
Die "prachtige verschijning" maakte een elegante beweging met haar hoofd in de richting van de lege duisternis die door het schijnsel van de lamp zichtbaar werd gemaakt; daarna glimlachte ze en zei:
"Tot volgend jaar. Mijn man is heel blij dat niemand van u zijn oproep heeft genegeerd. Tot ziens, messieurs."
'En ik hoorde verschillende stemmen in koor zeggen:
"Tot ziens, madame, tot ziens, lieve madame, tot volgend jaar."
En toen de geheimzinnige gastvrouw zelfde deur dicht wilde doen, hoorde ik een stem zeggen:
"O, doet u geen moeite."
En toen ging de deur opnieuw dicht.
Even later klonk er een vreemd geluid; het leek wel op het getjirp van een zwerm vogels, en het was net of die mooie vrouw een kooi met huismussen had opengezet.
Op haar gemak liep ze naar het huis terug. Het licht op de benedenverdieping was toen uit, maar ik zag nog net het flauwe schijnsel achter de ramen van de eerste verdieping.
Bij het huis aangekomen, zei ze:
"Ben je boven, Gérard?"
Ik kon het antwoord niet horen, maar de voordeur ging weer dicht, en een paar minuten later ging ook het licht op de eerste verdieping uit.
Om acht uur 's ochtends stond ik nog steeds voor het raam en keek met stomme verbazing naar het huis en de tuin, waar in het donker zulke vreemde dingen waren gebeurd, en die er nu in het volle daglicht niet anders dan anders uitzagen. De tuin was een woestenij en het huis zelf zag er even verlaten uit als de dag tevoren.
Het was zelfs zo sterk, dat toen ik de oude werkster die net binnen was gekomen, vertelde over de vreemde gebeurtenissen waarvan ik getuige was geweest, zij met een vuile wijsvinger op mijn voorhoofd tikte en mompelde dat ik een pijp te veel had gerookt. Nu heb ik nooit opium geschoven en haar antwoord was meteen een goede gelegenheid om mij te ontdoen van de oude slons, die ik al een tijd kwijt wilde en die elke dag een paar uur kwam om de boel "schoon te maken". Bovendien had ik niemand nodig, daar ik de volgende dag weer zou uitvaren.
Ik had amper tijd om mijn spullen bij elkaar te pakken, nog wat inkopen te doen, afscheid te nemen van mijn vrienden, en de trein te halen met bestemming Le Havre. Ik had een contract afgesloten met de transatlantische maatschappij, waardoor ik een maand of elf, twaalf niet in Toulon zou zijn.
Op den duur zou ik weer teruggaan naar Toulon, maar hoewei ik met niemand over mijn avontuur had gesproken, moest ik er toch steeds weer aan denken. Overal waar ik ging bleef dat beeld van de dame met de lamp mij achtervolgen, en de laatste woorden die ze tegen haar onzichtbare vrienden had gezegd, klonken nog in mijn oren:
"Tot ziens, tot volgend jaar."
De gedachte aan die ontmoeting liet me niet los. Ook ik was vastbesloten van de partij te zijn om tegen elke prijs de oplossing te ontdekken van het mysterie dat voor een verstandig man als ik, die niet in geesten of spookschepen gelooft, volkomen onbegrijpelijk was.
Ik zou helaas algauw tot de ontdekking komen dat hemel noch hel zich druk maakte om dat vreselijke verhaal.
Het was zes uur in de avond toen ik mijn huis in Toulon weer betrad; en over twee dagen zou het een jaar geleden zijn dat die wonderlijke nacht plaatsvond.
'Het eerste wat ik deed toen ik binnen was, was naar mijn kamer rennen en het raam openzetten. Het was zomer en klaarlichte dag, en opnieuw viel mijn blik op een dame van grote schoonheid die rustig in de tuin aan de overkant bloemen liep te plukken. Bij het geluid dat ik maakte door het raam open te zetten, keek ze op.
Het was de dame van de lamp. Ik herkende haar en overdag zag ze er net zo mooi uit als 's nachts. Haar huid was even wit als de tanden van iemand uit Afrika, haar ogen waren blauwer dan het water bij Tamaris, haar haar was zo zacht en blond als het fijnste vlas.
Waarom zou ik het niet opbiechten? Toen ik die vrouw zag van wie ik een jaar had gedroomd, kwam er een vreemd gevoel over mij. Zij was geen illusie van een ziekelijke fantasie. Ze stond in levenden lijve voor me; en de ramen van het huis stonden allemaal open en er waren door haarzelf bloemen voor gezet. Dit had niets met fantasie te maken.
Ze kreeg me in de gaten en toonde meteen een lichte ergernis. Ze deed nog een paar stappen over het middenpad van de tuin en schouderophalend alsof ze ontdaan was, zei ze:
"We gaan naar binnen, Gérard. Het wordt een koele avond."
Ik liet mijn blik over de tuin glijden. Ik kon niemand ontdekken. Tegen wie sprak ze?.. .Er was niemand!
Was ze dan gek? Dat leek er niet op.
Ik zag haar naar het huis teruglopen. Ze ging naar binnen, de deur werd gesloten en de ramen werden meteen dichtgedaan.
Die avond merkte ik niets dat het zien of horen waard was. De volgende ochtend om tien uur zag ik mijn buurvrouw de tuin uitlopen. Ze was gekleed alsof ze ging wandelen. Ze deed de poort achter zich op slot en liep in de richting van Toulon.
Ook ik ging op pad. Wijzend op de modern geklede vrouw voor mij, vroeg ik aan de eerste de beste winkelier die ik zag of hij wist hoe de dame heette.
"Maar natuurlijk. Dat is uw buurvrouw. Met haar man woont ze in Villa Makoko. Ongeveer een jaar geleden, vlak nadat u bent vertrokken, zijn ze daar ingetrokken. Leuke mensen zijn het niet. Ze spreken met niemand als het niet absoluut noodzakelijk is, maar zoals u weet gaat in Le Mourillon iedereen zijn eigen gang en niemand verbaast zich meer ergens over. Neem nou de kapitein..."
"Welke kapitein?"
"Kapitein Gérard. Hij schijnt vroeger kapitein te zijn geweest bij de marine. Niemand heeft hem ooit gezien... Soms als er iets moet worden bezorgd, en de dame niet thuis is, wordt er vanachter de deur het bevel geschreeuwd om de rommel op de trap neer te leggen en dan wordt er gewacht tot je een heel eind weg bent, voordat alles binnen wordt gehaald."
Jullie kunnen je voorstellen dat ik me steeds meer dingen ging afvragen. Ik ging naar Toulon om bij de makelaar die de villa had verhuurd eens naar die mensen te informeren. Ook hij had de man nooit gezien, maar volgens hem heette hij Gérard Beauvisage.
Toen ik de naam hoorde, riep ik uit: "Gérard Beauvisage! Maar die ken ik!"
Ik heb eens een vriend gehad die zo heette en die ik al vi jfentwintig jaar niet meer had gezien. Hij was marine-officier en was rond die tijd uit Toulon weggegaan. Dat moest hem zijn, hoe kon ik daar nog aan twijfelen? Ik had nu in ieder geval een goede reden om diezelfde avond nog hij hem op bezoek te gaan, alhoewel hij bezoek verwachtte van zijn vrienden, aangezien die beroemde avond precies een jaar geleden had plaatsgevonden. Ik besloot onze vriendschap te hernieuwen.
Terug in Le Mourillon zag ik op de lager gelegen weg naar Villa Makoko mijn buurvrouw lopen. Ik aarzelde niet, maar ging sneller lopen om haar in te halen.
"Heb ik de eer met madame Beauvisage te spreken, de echtgenote van kapitein Gérard Beauvisage?" vroeg ik met een buiging.
Ze bloosde en wilde doorlopen zonder antwoord te geven.
"Madame, ik ben uw buurman, kapitein Michel Alban," ging ik verder.
"O vergeef me, monsieur," antwoordde ze, "mijn man heeft het vaak over u gehad... kapitein Michel Alban..."
Ze voelde zich kennelijk niet op haar gemak, maar in haar verwarring zag ze er zo mogelijk mooier uit dan ooit. Het was wel duidelijk dat ze me kwijt wilde, maar ik ging verder:
"Hoe komt het dat kapitein Beauvisage naar Frankrijk is teruggekeerd zonder dat aan zijn oude vrienden te laten weten? Doet u mij het genoegen aan Gérard te zeggen dat ik hem vanavond nog de hand kom schudden."
Toen ik zag dat ze haar pas versnelde, boog ik, maar terwijl ik sprak, draaide zij zich om en toonde een ergernis, waar ik niets van begreep.
"Vanavond kan echt niet... Ik beloof u dat ik Gérard van onze ontmoeting zal vertellen. Meer kan ik niet voor u doen. Gérard wil niemand zien - niemand. Hij woont alleen... wij wonen alleen... En we hebben dat huis genomen, omdat ze ons vertelden dat het volgende huis maar een paar keer per jaar wordt bewoond door iemand die zich nooit laat zien!..."
En met een stem vol droefheid voegde ze eraan toe:
"U moet het Gérard niet kwalijk nemen, monsieur. Wij ontvangen niemand - niemand. Goedendag, monsieur."
"Madame, de kapitein en u ontvangen af en toe wel vrienden," antwoordde ik een beetje ongeduldig. "Vanavond verwacht u bijvoorbeeld vrienden met wie u een jaar geleden heeft afgesproken."
Ze bloosde hevig.
"O, maar dat is een uitzonderlijk geval...dat is een heel uitzonderlijk geval... Dat zijn heel bijzondere vrienden van ons."
Na dat te hebben gezegd, ging ze ervandoor, maar plotseling bleef ze staan en kwam terug.
"Wat u ook doet, kom niet vanavond," smeekte ze en verdween de tuin in.
Ik liep naar mijn huis terug en begon de buren in de gaten te houden. Ze lieten zich niet meer zien en het was nog lang niet donker toen ik zag dat de luiken werden gesloten en het licht tussen de kieren door scheen, zoals dat een jaar geleden op die vreemde avond ook het geval was geweest. Maar ik hoorde nu niet het lawaai dat leek op het harde slaan op een houten trommel.
Om zeven uur ging ik me aankleden, want ik herinnerde me de laag uitgesneden japon van de dame met de lamp. Na de laatste woorden van madame Beauvisage stond mijn besluit vast. De kapitein ontving die avond een paar vrienden; hij zou mij de toegang niet durven weigeren. Na me te hebben aangekleed wilde ik naar beneden gaan, maar toen schoot me te binnen dat ik beter een revolver in mijn zak kon steken. Ik deed het echter toch niet, omdat me dat niet verstandig leek.
Onverstandig was het echter dat ik hem niet meenam.
Bij de ingang van Villa Makoko aangekomen draaide ik aan de klink van de poort - de klink die ik vorig jaar vanzelf had zien omdraaien. En tot mijn grote verbazing ging de deur nu open. Mijn buren verwachtten dus bezoek. Ik liep naar het huis en klopte aan.
"Kom binnen!" riep een stem.
Ik herkende de stem van Gérard. Opgewekt liep ik naar binnen. Ik kwam eerst door de hal, en daar de deur van een kleine zitkamer openstond en de kamer verlicht was, ging ik er naar binnen.
"Gérard, ik ben het!" riep ik. "Je oude vriend Michel Alban."
"Hoe bestaat het! Je bent dus toch gekomen, mijn beste Michel! Ik zei nog tegen mijn vrouw dat je zou komen en dat ik je graag wil zien... Maar behalve onze bijzondere vrienden ben jij de enige... Weet je, m'n beste Michel, je bent niet veel veranderd..."
Ik kan niet zeggen hoe verbaasd ik was. Ik hoorde Gérard praten, maar zag hem niet. Zijn stem klonk in mijn oren, maar er was niemand in de buurt, er was niemand in de zitkamer. De stem ging verder:
"Ga toch zitten. Mijn vrouw komt zo, want het zal haar nog wel te binnen schieten dat ze mij op de schoorsteenmantel heeft laten staan."
Ik keek omhoog en ontdekte toen boven mij... boven mij op de schoorsteenmantel... een borstbeeld.
Dat borstbeeld had gesproken. Het leek op Gérard. Het was het lichaam van Gérard. Het was op de schoorsteenmantel neergezet, zoals mensen dat wel meer doen. Het was een borstbeeld zoals beeldhouwers dat maken, dat wil zeggen, het had geen armen.
"Ik kan je geen hand geven, beste Michel," ging de stem verder, "want ik heb geen handen, zoals je ziet, maar als je op je tenen gaat staan, kun je me in je armen nemen en me op tafel zetten. Mijn vrouw heeft mij in haar ongeduld even hier neergezet, omdat ik volgens haar in de weg stond toen ze de kamer veegde. We lachen wat af samen."
En het borstbeeld begon hard te lachen.
Ik had het gevoel het slachtoffer te zijn van een optische illusie, zoals je die vaak ziet in van die amusementstenten, waar je een levend hoofd en schouders midden in de lucht ziet hangen, doordat er met spiegels wordt gewerkt. Na mijn vriend op zijn verzoek op tafel te hebben neergezet, moest ik echter toch toegeven dat zijn hoofd en lichaam zonder armen en benen het enige was wat er van de uitstekende officier, die ik lang geleden had gekend, over was. Zijn lichaam stond op een plateautje met wieltjes, zoals lichamelijk gehandicapten zonder rolstoel die gebruiken, maar Gérard had zelfs geen stompjes been, zoals je die vaak bij gehandicapten ziet. Te bedenken dat mijn vriend alleen nog maar uit een borstbeeld bestond!
Op de plaats van de armen bevonden zich nu kleine haken en ik kan niet goed uitleggen hoe hij, steun zoekend op een van de twee haken, sprong, gleed en hupte en wel honderd snelle bewegingen maakte om van de tafel naar een stoel te komen en van een stoel naar de grond, waarna hij plotseling weer op de tafel stond, waar hij een vrolijk gesprek voerde.
Ikzelf was helemaal verbijsterd. Ik was sprakeloos. Ik zag die vreemde snuiter zijn kunsten vertonen en met een lach, waarvan ik schrok,zeggen:
"Ik geef toe dat ik veel ben veranderd. Vind je niet, beste Michel, je had me nauwelijks herkend. Je hebt er goed aan gedaan vanavond op bezoek te komen. Het kan nog leuk worden. Wc hebben een paar heel bijzondere vrienden en zoals je weet, ontmoet ik niet graag andere mensen - dat heeft alleen met trots te maken. We hebben zelfs geen bediende. Blijf hier even op me wachten. Ik moet mijn jacquet nog aantrekken."
Hij ging weg en bijna gelijktijdig verscheen de dame van de lamp.
Ze had dezelfde laag uitgesneden japon van verleden jaar aan. En zodra ze mij in de gaten kreeg, leek ze vreemd genoeg verontrust, en zei met een onnatuurlijke stem:
"O, u bent er dus toch! Dat had u niet moeten doen, kapitein Michel. Ik heb uw boodschap aan mijn man gegeven, maar ik heb u verboden vanavond op bezoek te komen. Ik kan u wel vertellen dat toen hij hoorde dat u hier woonde, hij mij vroeg u voor vanavond uit te nodigen, maar dat heb ik niet gedaan, omdat," ging ze verder, maar ze voelde zich kennelijk niet op haar gemak, "ik daar goede redenen voor had. Wij hebben bepaalde heel bijzondere vrienden over wie wij ons nogal zorgen maken - ze zijn dol op herrie, lawaai. U moet ze vorig jaar hebben gehoord," voegde ze eraan toe, mij schuin aankijkend. "Beloof me vroeg weg te gaan."
"Dat beloof ik, madame," antwoordde ik, maar ik kreeg tijdens dat gesprek toch al een vreemd gevoel, dat ik niet begreep. "Dat beloof ik echt, maar kunt u mij vertellen hoe het komt dat ik mijn oude vriend in die staat aantref? Heeft hij een ongeluk gehad?"
"Helemaal niet, monsieur, helemaal niet."
"Helemaal niet? Hoe bedoelt u dat? Weet u niets af van een ongeluk waarbij hij zijn armen en benen verloor? Toch moet hem na uw huwelijk iets zijn overkomen."
"Nee, monsieur, nee. Toen ik met de kapitein trouwde, was hij al zoals hij nu is... Wilt u mij nu verontschuldigen? Onze gasten kunnen zo hier zijn en ik moet mijn man in zijn jacquet helpen."
Ik bleef alleen achter met die ene verbijsterende gedachte: Toen ze met de kapitein trouwde, was hij al zoals hij nu is! en toen hoorde ik gelijk al geluiden in de hal, de vreemde geluiden die de dame met de lamp omringden en waar ik me vorig jaar al over verbaasde. Dat lawaai werd gevolgd door de verschijning van vier invaliden zonder armen of benen op plankjes met wielen, die me verwonderd aankeken. Ze waren alle vier gekleed in perfect zittende avondkleding met een sneeuwwit overhemdfront.
Een van hen had een pince-nez met een gouden randje op, iemand anders, een oude man, droeg een bril, de derde had een monocle en de vierde moest het doen met zijn eigen trotse, schrandere ogen waaruit verveling sprak. Ze begroetten me echter alle vier met hun haakjes en vroegen naar kapitein Beauvisage. Ik vertelde, dat hij zich aan het omkleden was en dat madame Beauvisage het goed maakte. Toen ik de vrijheid nam over madame Beauvisage te spreken, zag ik dat er plagende blikken werden uitgewisseld.
"Zo, zo, dan bent u zeker een goede vriend van onze goede, oude kapitein," teemde de invalide met de monocle.
'De anderen glimlachten met een allesbehalve prettige blik in hun ogen en toen begonnen ze allemaal tegelijk te praten:
"Neemt u ons niet kwalijk, monsieur, neemt u ons vooral niet kwalijk... Wij zijn natuurlijk nogal verbaasd u aan te treffen in het huis van de goede oude kapitein, die op zijn trouwdag heeft gezworen zich met zijn vrouw op het platteland op te sluiten en niemand meer te ontvangen - op zijn bijzondere vrienden na, begrijpt u. En als je zo invalide bent als de kapitein en getrouwd bent met zo'n mooie vrouw. is dat begrijpelijk - heel begrijpelijk. Maar als hij tijdens zijn leven een gerespecteerd man heeft ontmoet, die toevallig niet invalide is, dan zijn we daar blij om... Gefeliciteerd."
En ze herhaalden: "We zijn er blij om... Gefeliciteerd."
Allemachtig, wat waren dat vreemde dwergen! Ik keek naar hen en hield me koest. Met twee of drie tegelijk kwamen er nog meer invaliden binnen. Ze bekeken me allemaal met een blik van verbazing, onzekerheid of spot. Ik was daarentegen sprakeloos bij het zien van zoveel invaliden zonder armen of benen. Eindelijk begon ik de meeste bijzondere gebeurtenissen waarmee ik me veel had beziggehouden, te begrijpen. Hoewel de invaliden al veel verklaarden met hun aanwezigheid, vroeg hun aanwezigheid ook om een verklaring, evenals die monsterlijke verbintenis van die prachtige vrouw met dat afschuwelijke hoopje mens.
Ik geef toe, dat ik nu pas besefte dat ik die kleine rondrijdende lijven op dat smalle tuinpad tussen de verbena en met aan weerszijden van de weg lage heggen, natuurlijk niet kon hebben gezien. Om de waarheid te zeggen heb ik, toen ik het niet voor mogelijk hield dat iemand ongezien dat pad kon aflopen, alleen aan mensen gedacht die rechtop op hun twee benen zouden staan.
Over de klink van de tuinpoort verwonderde ik me al niet meer en in gedachten zag ik de voor mij onzichtbare haak van de gehandicapte, die hem had omgedraaid.
Het vreemde geluid dat ik hoorde was slechts het gepiep van de kleine, slecht geoliede wieltjes van de karretjes van die vreemde wezens. Dan was er ten slotte nog dat ongewone geluid als het harde slaan op een houten trommel, maar dat werd kennelijk veroorzaakt door de vele karretjes en haken die op de vloer klapten toen onze invalide vrienden, na een uitstekend diner, een dansje maakten.
Ja, dat was allemaal verklaarbaar, maar toen ik de vreemde, begerige glans in hun ogen zag en het vreemde geluid van hun grijpijzers hoorde, voelde ik dat er nog iets vreselijks onverklaard bleef, en dat alles waar ik me over had verbaasd niet eens zo belangrijk was.
Intussen verscheen madame Beauvisage in gezelschap van haar man. Ze werden met gejuich begroet. De haakjes "applaudisseerden" en dat gaf een hels kabaal. Ik werd er doof van. Toen werd ik voorgesteld. Overal zag je invaliden: op de tafels, de stoelen, krukken , op hoge tafeltjes waar meestal vazen op stonden, op de kast. Een van hen zat als een rustende boeddha op de plank van een kast. En elk van hen stak mij beleefd zijn haak toe. De meesten van hen leken van goede komaf, met titels en namen waaruit hun relatie met aristocratische families bleek, maar later hoorde ik dat ze mij om duidelijke redenen valse namen hadden opgegeven. Van alle invaliden hield Lord Wilmer het beste de schijn op met zijn mooie, goudblonde baard en dito snor, waar hij met zijn haak voortdurend over streek. Hij sprong niet zoals de anderen van stoel naar tafel, en gedroeg zich evenmin als een grote vleermuis, die van de ene muur naar de andere vloog.
"We wachten nu alleen nog op de dokter," zei de vrouw des huizes, die me af en toe met een duidelijk sombere blik aankeek, om daarna weer snel naar haar gasten te glimlachen.
De dokter kwam. Hij was wel invalide, maar had zijn beide armen nog.
Hij bood madame Beauvisage een arm aan en liep met haar naar de eetzaal. Ik bedoel dat ze met de toppen van haar vingers zijn arm aanraakte.
In de kamer met de gesloten luiken werden vorken en messen neergelegd. De tafel, die vol met bloemenen de hors d'oeuvre stond, werd verlicht door een grote kandelaar. Er was geen fruit. Een tiental invaliden sprong meteen op hun stoel en begon begerig met hun haken van de gerechten te plukken. Het was geen prettig gezicht en ik verbaasde me over de schrokkerigheid waarmee die lijven van mannen, die zoeven nog zo welgemanierd waren, hun voedsel verslonden.
En plotseling werden ze toen rustig; ze hielden hun haken stil en het kwam mij voor dat ze vervielen in wat gewoonlijk een "pijnlijke stilte" wordt genoemd.
Alle ogen waren gericht op madame Beauvisage, wier echtgenoot naast haar zat, en ik merkte dat ze haar gezicht achter haar servet had verborgen, waardoor het leek of ze zich niet op haar gemak voelde. Toen zei mijn vriend Gérard, terwijl hij met een zwierig gebaar de ene haak tegen de andere sloeg:
"Welnu, beste vrienden, er is niets aan te doen. Je kunt niet ieder jaar zoveel geluk hebben als vorig jaar. Maar wanhoop niet. Met een beetje fantasie lukt het ons nu net zo vrolijk te zijn als toen..."
En zich tot mij wendend, terwijl hij het glas dat voor hem op tafel stond aan het oortje optilde:
"Op je gezondheid, mijn beste Michel. En die van ons."
En iedereen tilde met het uiteinde van zijn haak het glas bij het oor op. Op een heel vreemde manier vlogen daarna de glazen over tafel.
Mijn gastheer vervolgde:
"Je bent kennelijk niet opgewassen tegen de situatie, beste Michel. Ik heb je weleens vrolijker gezien, dan deed je beter mee. Ben je zo somber omdat we "zo" zijn? Wat verwacht je dan? Zo zijn we nu eenmaal. Laten we wat plezier maken. We zijn nu bij elkaar, allemaal heel bijzondere vrienden, om die keer te vieren toen we "zo" werden. Waar of niet, vrienden van de Daphné?..."
Toen vertelde mijn oude kameraad ons,' ging kapitein Michel met een diepe zucht verder, 'hoe de Daphné, die tussen Frankrijk en het Verre Oosten voer, schipbreuk leed; hoe de bemanning in de boten ging en die zielige mensen hun toevlucht zochten op een toevallig aanwezig vlot.
Ook juffrouw Madge, een mooi jong meisje, dat bij de ramp haar ouders had verloren, werd door het vlot opgepikt. Er zaten toen ongeveer dertien mensen op en na drie dagen was al het voedsel op en na een week waren er overlevenden die stierven van de honger. Toen kwamen ze overeen dat er lootjes zouden worden getrokken om vast te stellen "wie er opgegeten zou worden".'
'Messieurs,' voegde kapitein Michel er op ernstige toon aan toe, 'zulke dingen zijn misschien vaker gebeurd zonder dat erover gesproken werd, want de prachtige blauwe zee heeft zich boven die vreemde wonderen van de spijsvertering gesloten.
'Ze stonden daarom juist op het punt op het vlot lootjes te gaan trekken, toen de stem van de dokter klonk: "Mesdames en messieurs," zei de dokter. "Tijdens de schipbreuk zijn jullie alles kwijtgeraakt, maar ik heb mijn tas met instrumenten en mijn tang voor het stoppen van een bloeding weten te redden. Ik stel het volgende voor: het heeft voor niemand zin om het risico te lopen helemaal opgegeten te worden. Laten we dan om te beginnen lootjes gaan trekken voor een arm of been en dan zien we morgen wel wat de dag brengt, en misschien is er inmiddels wel een zeil aan de horizon verschenen." '
Op dat punt in het verhaal van kapitein Michel riepen de vier zeelieden, die hem tot zover niet in de rede waren gevallen:
'Goed gedaan!'
'Hoe bedoel je dat?' vroeg kapitein Michel met gefronst voorhoofd.
'Ja, "goed gedaan!" Jouw verhaal is een goeie grap. Die mensen waren bereid om beurten een arm of been af te staan... Dat is een goeie grap, maar daar is niets engs aan.'
'Vinden jullie dat nou echt een goeie grap?' gromde de kapitein geërgerd. 'Ik kan jullie verzekeren dat als jullie tussen al die invaliden hadden gezeten, wier ogen uit hun kassen puilden, en het verhaal hoorden, jullie het niet zo'n goeie grap zouden hebben gevonden... En als jullie hadden gezien hoe onrustig ze op hun stoel zaten! En hoe heftig ze met kennelijk plezier, waar ik geen reden voor zag maar dat me toch wel bang maakte, de haken over tafel heen in elkaar haakten.'
'Nee, nee,' viel Chanlieu, die goeie ouwe Chanlieu, hem weer in de rede, 'jouw verhaal is helemaal niet angstig. Het is grappig omdat het gewoon logisch is. Zal ik de afloop van het verhaal vertellen? Dan moet jij zeggen of ik gelijk heb of niet. De mensen op het vlot trokken lootjes. Het lot viel op juffrouw Madge, die een van haar prachtige ledematen zou moeten afstaan. Uw vriend de kapitein, een echte heer, bood de zijne daarvoor in de plaats aan en liet zijn vier ledematen amputeren zodat juffrouw Madge ongeschonden zou blijven.'
'Ja, ouwe, je hebt het geraden. Zo is het gegaan,' riep kapitein Mi-chel, die het liefst die imbecielen met de koppen tegen elkaar had geslagen omdat ze zijn verhaal als een goeie grap zagen. 'Ja, en daar kwam nog bij, dat toen juffrouw Madge aan de beurt was om haar ledematen af te staan, nadat de overlevenden, op de jongedame en de dokter na (wiens armen gespaard bleven omdat ze nodig waren), hun ledematen allemaal waren kwijtgeraakt, kapitein Beauvisage de moed had de stompjes die van de eerste operatie over waren, tot aan het lijf te laten afsnijden.'
'De jongedame kon toen niets anders doen dan de kapitein haar hand aan te bieden, die hij zo heldhaftig had gered,' viel Zinzin hem in de rede.
'Inderdaad,' gromde de kapitein in zijn baard. 'En jullie vinden dat een goeie grap?'
'Hebben ze die ledematen helemaal rauw opgegeten?' wilde die stomme Bagatelle nog weten.
Kapitein Michel sloeg zo hard op tafel dat de glazen als rubber ballen stonden te dansen.
'Zo is het wel genoeg, koppen dicht,' riep hij. 'Wat ik heb verteld is nog niets. Het angstigste gedeelte komt nu pas.'
De vier vrienden keken elkaar glimlachend aan en kapitein Michel verschoot van kleur. Toen ze zagen dat ze te ver waren gegaan, bogen ze het hoofd.
'Het afschuwelijkste deel van het verhaal was.' ging Michel zo somber hij kon verder, "dat die mensen die een maand later werden gered door een Japans zeilschip, dat hen ergens langs de Yang-Tse-Kiang aan land zette waar ze uiteengingen - het afschuwelijkste deel was dat die mensen het vlees van een mens lekker bleven vinden, en na terugkomst naar Europa spraken ze af eens per jaar bij elkaar te komen om voorzover dat mogelijk was dat abominabele feestmaal nog eens dunnetjes over te doen. Welnu, messieurs, het duurde niet lang voor ik daarachter kwam. Om te beginnen werden bepaalde gerechten, die madame Beauvisage zelf op tafel bracht, met weinig enthousiasme ontvangen. Hoewel zij beweerde, overigens weinig overtuigend, dat het ongeveer hetzelfde was, werd ze er door bijna niemand mee gefeliciteerd. Alleen bepaalde plakken tonijn werden redelijk ontvangen, omdat die, om de afschuwelijke uitdrukking van de dokter te gebruiken, "goed gesneden" waren en "ook als de smaak niet helemaal bevredigend was, het oog zich in ieder geval liet misleiden". De invalide met de bril kreeg echter algemene bijval toen hij zei, dat "het niet tegen de loodgieter op kon".'
'Bij het horen van die woorden voelde ik mijn bloed stollen,' gromde kapitein Michel schor, 'omdat ik mij herinnerde dat vorig jaar rond deze tijd een loodgieter in de buurt van de Arsenal van een dak was gevallen en de dood vond, en toen zijn lichaam werd gevonden, er een arm aan ontbrak.
Dan... O, dan... Ik moest onwillekeurig denken aan de rol die mijn mooie buurvrouw in dit afschuwelijke culinaire drama uit noodzaak moest hebben gespeeld. Ik richtte mijn blik op haar en zag dat ze haar handschoenen weer had aangetrokken, handschoenen die haar armen tot aan de schouder bedekten, verder had ze in haast een doek over haar schouders geslagen waardoor die helemaal aan het oog werden onttrokken. De gast rechts van mij, die dokter was, en, zoals ik al zei, onder de invaliden de enige was die zijn beide armen nog had, bleek hetzelfde te hebben gedaan.
In plaats van tevergeefs mijn hoofd te breken om de reden te ontdekken van dit nieuwe zonderlinge gedrag, had ik beter de goede raad kunnen opvolgen, die madame Beauvisage mij bij aanvang van dit helse feest had gegeven, namelijk het huis vroeg te verlaten - een goede raad die ze niet herhaalde.
Na aan het begin van dit verbazingwekkende feestmaal belangstelling voor mij te hebben getoond, waarin ik - ik weet niet waarom -een soort medelijden meende te ontdekken, vermeed madame Beauvisage het nu mijn richting uit te kijken en nam deel aan het afschuwelijkste gesprek dat ik ooit heb gehoord en dat viel me van haar tegen. Met veel gekletter en gerinkel van glazen vervielen die mensjes in wederzijdse verbitterde beschuldigingen of feliciteerden elkaar hartelijk met hun bijzondere eetlust.
Tot mijn grote schrik sloeg Lord Wilmer, die zich tot dusver correct had gedragen, de invalide met de monocle "aan de haak", omdat laatstgenoemde er op het vlot over had geklaagd dat eerstgenoemde hard was. De vrouw des huizes had de grootste moeite een en ander in het juiste daglicht te plaatsen. Ze zei tegen het borstbeeld met de monocle, dat ten tijde van de schipbreuk kennelijk een goed uitziende jongeman was, dat het ook heus niet zo leuk was om te moeten leven met "een beest dat te jong was".'
'Dat vind ik ook grappig,' kon de oude zeerot Dorat niet nalaten op te merken.
Het leek of kapitein Michel hem naar de keel zou vliegen, vooral daar de drie andere zeelieden kennelijk schudden van ingehouden lachen, wat bleek uit de vreemde kleine geluidjes die ze maakten. Voor de kapitein was de maat vol. Na te hebben gepuft als een zeehond, wendde hij zich tot de roekeloze Dorat:
'Monsieur, u heeft nog allebei uw armen en ik hoop niet dat u er één kwijtraakt, zoals mij op die bewuste avond is overkomen. Luister nu verder naar het angstige deel van het verhaal. De invaliden hadden veel gedronken. Er waren er een paar die op de tafel stonden te springen en op een heel pijnlijke manier naar mijn armen keken. Ik stopte mijn handen ten slotte maar zo diep mogelijk in mijn zakken.
Toen begreep ik het, en het was een angstige gedachte, waarom madame Beauvisage en de dokter, de enigen die hun armen en handen nog hadden, ze niet lieten zien. Ik snapte waarom sommigen van hen plotseling zo woest uit hun ogen keken. Het toeval wilde, dat ik op dat moment mijn zakdoek nodig had en intuïtief een beweging maakte waarbij onder mijn mouw de blanke huid zichtbaar werd. Meteen vlogen drie afschuwelijke haken op mijn pols af en drongen mijn huid binnen. Ik gaf een angstige gil.'
'Zo is het wel genoeg, kapitein,' onderbrak ik het verhaal van kapitein Michel. 'U had gelijk. Ik ga weg. Ik kan er niet meer tegen.'
'Hier blijven, monsieur,' zei de kapitein gebiedend. 'Hier blijven, monsieur, want dit angstaanjagende verhaal, waar vier imbecielen om moesten lachen, is zo uit. Een ongelovige Thomas,' voegde hij eraan toe met iets van onbeschrijflijke minachting in zijn stem, terwijl hij zich tot de vier zeelieden wendde, die kennelijk hun lachen wilden onderdrukken en daar bijna in stikten, 'een ongelovige Thomas is niet te overtuigen.
En iemand die in Marseille woont, gelooft nu eenmaal niets. En daarom, monsieur, voor u, voor u alleen vertel ik dit verhaal en u kunt er zeker van zijn dat ik u niet alle afschuwelijke details zal vertellen, omdat ik weet hoeveel een heer kan verdragen. De tragedie van mijn martelaarschap speelde zich zo snel af, dat ik me alleen hun onmenselijke kreten nog herinner, de protesten van sommigen en de haast van anderen, terwijl madame Beauvisage opstond en mompelde:
"Voorzichtig, doe hem geen pijn."
Ik probeerde nog overeind te springen, maar was inmiddels al omringd door een groep gek geworden invaliden, die me lieten struikelen, waardoor ik op de grond viel. En ik voelde hoe ze met hun afschuwelijke haken mijn vlees vasthielden, net zoals het vlees in een slagerij aan haken hangt.
Ja, monsieur, ik zal u de bijzonderheden besparen. Dat heb ik u beloofd; bovendien zou ik ze u niet kunnen geven, daar ik de operatie niet heb gezien. Als grap doopte de dokter een dot watten in de chloroform en hield die voor mijn mond.
Toen ik bijkwam, bevond ik mij in de keuken en was ik één arm kwijt. De invaliden stonden om mij heen. Ze maakten geen ruzie meer. Ze leken verenigd in uiterst ontroerende harmonie; in werkelijkheid waren ze verdoofd waardoor ze met hun hoofd heen en weer gingen als kinderen die willen gaan liggen na zich zat te hebben gegeten. Ik twijfelde er niet aan of, helaas! ze waren begonnen mij op te eten... Ik lag languit op de grond, stevig vastgebonden, en kon me niet meer bewegen, maar ik kon hen zien en horen. Mijn oude vriend, Gérard Beauvisage, had tranen van vreugde in zijn ogen toen hij uitriep:
"Ik had nooit gedacht dat jij zo mals was!"
Madame Beauvisage was er niet bij, maar ik twijfel er niet aan of ook zij had aan dat feestmaal deelgenomen, want ik hoorde iemand aan Gérard vragen hoe "zij haar portie vond".
Ja, monsieur, ik ben klaar met mijn verhaal. Na hun zwakheid bevredigd te hebben, moeten die walgelijke invaliden de volle omvang van hun zonde uiteindelijk toch hebben beseft. Ze maakten dat ze wegkwamen en vanzelfsprekend ging madame Beauvisage met hen mee. Ze lieten de deuren wijd open staan, maar pas na drie dagen, toen ik al bijna gestorven was van de honger, kwam iemand mij bevrijden...
Die ellendelingen hadden niet eens het bot
achtergelaten!'