In de stilte van de kamer was alleen het geluid van de vliegen te horen. Het gezoem als hun vleugels bezeten fladderden. De man in de stoel bewoog niet. Dat had hij al een hele tijd niet meer gedaan. Het was overigens geen man meer. Niet als je een man definieerde als iemand die leefde, ademde en voelde. Nu was hij gereduceerd tot voedsel. Een herberg voor insecten en larven.
De vliegen raasden in groten getale om de roerloze gestalte heen. Soms streken ze neer. Hun kaken maalden. Dan vlogen ze weer op. Zoemden rond. Zochten een nieuw plekje. Ze probeerden het nu eens hier, dan weer daar. Botsten tegen elkaar aan. Vooral het gebied rond de wond op het hoofd van de man was buitengewoon interessant. De metaalachtige geur van bloed had al lang geleden plaatsgemaakt voor een andere, muffere, zoetere lucht.
Het bloed was gestold. Aanvankelijk was het naar beneden gelopen. Langs het achterhoofd. Langs de rugleuning. Naar de grond, waar het in een plas tot stilstand was gekomen. Eerst was het rood geweest, vol levende bloedlichaampjes. Nu was het zwart van kleur. De stroperige vloeistof die door de aderen van een mens stroomt, viel er niet meer in te herkennen. Het was alleen nog maar een plakkerige, zwarte massa.
Een paar vliegen probeerden naar buiten te komen. Ze waren verzadigd. Voldaan. Hun eitjes waren gelegd. Hun kaken hadden hard gewerkt en hun inwendige was gevuld, hun honger gestild. Nu wilden ze weg. Ze sloegen met hun vleugels tegen het raam. Probeerden tevergeefs langs de onzichtbare barrière te komen. Als ze het glas raakten, weerklonk een zacht getik. Vroeg of laat gaven ze het op. Kregen weer honger. Vlogen terug naar wat ooit een man was geweest. Naar wat nu alleen nog maar vlees was.
Het had Erica de hele zomer beziggehouden. Ze had de voor- en nadelen tegen elkaar afgewogen, was naar boven gegaan en vervolgens niet verder gekomen dan de zoldertrap. Ze zou kunnen zeggen dat ze de afgelopen maanden veel te veel aan haar hoofd had gehad. De nasleep van de bruiloft, de chaos in huis toen Anna en de kinderen nog bij hen woonden. Maar dat was niet de hele waarheid. Ze was gewoon bang. Bang voor wat ze zou tegenkomen. Bang dat er dingen aan het licht zouden komen die ze liever niet wilde weten.
Erica wist dat Patrik een paar keer op het punt had gestaan haar ernaar te vragen. Ze kon aan hem zien dat hij zich afvroeg waarom ze de dagboeken die ze op de zolder hadden gevonden niet had willen lezen. Maar hij had zijn mond gehouden. Ze zou ook geen antwoorden hebben gehad. Wat haar het meest beangstigde, was dat ze haar beeld van de werkelijkheid misschien zou moeten aanpassen. Het beeld dat ze van haar moeder had, van wie zij was geweest en hoe ze haar dochters had behandeld, was niet erg positief. Maar het was wel haar beeld. Ze kende het. Het was in alle jaren overeind gebleven, als een onwrikbare waarheid die ze wist te hanteren. Misschien zou dat beeld worden bevestigd. Misschien zou het zelfs worden versterkt. Maar wat als het omvergeworpen werd? Wat als ze een totaal nieuwe werkelijkheid kreeg voorgeschoteld? Pas nu had ze de moed de stap te zetten.
Erica plaatste haar voet op de onderste tree. Beneden in de woonkamer hoorde ze Maja’s vrolijke gelach toen Patrik met haar stoeide. Het geluid stelde haar gerust en ze zette haar andere voet op de volgende tree. Vijf passen later was ze boven.
Toen ze het luik openduwde en de zolder op stapte, dwarrelde er allemaal stof rond. Patrik en zij hadden het erover gehad de ruimte op een gegeven moment in te richten en er misschien een kamer voor Maja van te maken als ze wat ouder was en meer op zichzelf wilde zijn. Maar tot nu toe was de zolder nog onafgewerkt. De vloer bestond uit brede houten planken en de balken van het schuine dak waren zichtbaar. De helft van de zolder werd in beslag genomen door allerlei rommel. Kerstspullen, kleren die Maja te klein waren geworden, dozen met dingen die te lelijk waren om ze neer te zetten, maar te mooi of een te dierbare herinnering om ze weg te gooien.
De kist stond helemaal achteraan bij de korte muur. Het was een oud model van hout en metaal. Erica meende dat het een Amerikakoffer werd genoemd. Ze liep erheen en ging op de vloer zitten. Veegde met een hand over de kist. Haalde diep adem, pakte het slot en tilde het deksel op. Een muffe lucht kwam haar tegemoet en ze trok haar neus op. Ze vroeg zich af waardoor die pregnante, verzadigde oude geur werd veroorzaakt. Waarschijnlijk door schimmel, dacht ze, en ze had meteen het gevoel dat haar hoofd begon te jeuken.
Ze herinnerde zich nog goed hoe het was toen Patrik en zij de kist hadden gevonden en de inhoud hadden bekeken. Langzaam had ze alles er stuk voor stuk uit gehaald. Tekeningen die Anna en zij hadden gemaakt. Kleine frutsels die ze tijdens de handenarbeidles hadden geknutseld. Bewaard door Elsy, de moeder die nooit belangstelling had getoond wanneer ze als kind enthousiast waren thuisgekomen en haar de dingen hadden gegeven die ze met zoveel moeite hadden gemaakt. Erica deed nu hetzelfde. Ze haalde de voorwerpen er een voor een uit en zette ze naast zich op de vloer. Wat ze eigenlijk zocht, lag helemaal onderin. Voorzichtig pakte ze de stof die ze nu met haar vingers kon voelen. Het babyhemdje was ooit wit geweest, maar nu ze het tegen het licht hield, zag ze dat het geel van ouderdom was. Ze kon haar ogen niet van de bruine vlekken afhouden. Aanvankelijk had ze gedacht dat het roest was, maar vervolgens had ze beseft dat het opgedroogd bloed moest zijn. Het contrast tussen het hemdje en de bloedvlekken had iets hartverscheurends. Hoe was het hemdje hier beland? Van wie was het? En waarom had haar moeder het bewaard?
Zorgvuldig legde Erica het hemdje naast zich neer. Toen Patrik en zij het hadden gevonden, was het ergens omheen gewikkeld, maar dat voorwerp lag niet meer in de kist. Het was het enige dat ze eruit hadden gehaald. In het babyhemdje vol vlekken had een nazimedaille gelegen. De gevoelens die waren bovengekomen toen ze die voor het eerst zag, hadden haar verbaasd. Haar hart had sneller geklopt, haar mond was droog geworden en beelden van alle journaals en documentaires die ze over de Tweede Wereldoorlog had gezien waren op haar netvlies voorbijgeflitst. Wat deed een nazimedaille hier in Fjällbacka? In haar huis? Tussen de spullen van haar moeder? Het had absurd gevoeld. Ze had de medaille terug willen leggen en het deksel op de kist willen doen. Maar Patrik had erop gestaan dat ze de medaille naar een kenner brachten om te kijken of ze er meer over te weten konden komen. Schoorvoetend had ze ingestemd. Het was alsof ze vanbinnen stemmen hoorde fluisteren, onheilspellend, waarschuwend. Iets zei haar dat ze de medaille moest verstoppen en vergeten. Maar haar nieuwsgierigheid was sterker dan de stemmen. Begin juni had ze de medaille naar een expert op het gebied van de Tweede Wereldoorlog gebracht en met een beetje geluk zou ze binnenkort meer over de oorsprong ervan te weten komen.
Het meest interessante had echter op de bodem van de kist gelegen. Vier blauwe schriften. Ze had haar moeders handschrift op de kaft herkend. De sierlijke, naar rechts hellende letters, maar in een jongere, rondere versie. Nu pakte Erica ze uit de kist, streek met haar wijsvinger over de kaft van het bovenste schrift. Op allemaal stond DAGBOEK geschreven. Het woord riep gemengde gevoelens bij haar op. Nieuwsgierigheid, opwinding, enthousiasme. Maar ook angst, aarzeling en het sterke gevoel dat ze iemands privéleven binnendrong. Had ze het recht de dagboeken van haar moeder te lezen?Had ze het recht om de diepste gedachten en gevoelens van haar moeder te weten? Dagboeken waren in principe niet voor andermans ogen bedoeld. Haar moeder had ze niet bijgehouden om de inhoud met iemand anders te delen. Misschien wilde ze absoluut niet dat haar dochter ze las. Maar Elsy was dood en Erica kon het haar niet vragen. Ze moest zelf tot een besluit komen en bepalen wat ze met de schriften zou doen.
‘Erica?’ Patriks stem onderbrak haar gedachten en ze riep terug: ‘Ja-a?’
‘Het bezoek is er!’
Erica keek op haar horloge. Oeps, het was al drie uur! Maja werd vandaag één en er zouden vrienden en familieleden langskomen. Patrik moest gedacht hebben dat ze op zolder in slaap was gevallen.
‘Ik kom!’ Ze veegde het stof van zich af, nam na enige aarzeling de dagboeken en het babyhemdje mee en klom de steile zoldertrap af. Beneden hoorde ze het geroezemoes van stemmen.
‘Welkom!’ Patrik deed een pas opzij om de eerste gasten binnen te laten. Het waren Johan en Elisabeth, een stel dat ze via Maja hadden leren kennen omdat ze een zoontje van dezelfde leeftijd hadden. Een zoontje dat met een ongekende hartstocht dol op Maja was. Soms was zijn liefde echter een beetje te hardhandig. Nu stormde hij bijvoorbeeld als een bulldozer op haar af en tackelde haar zo vaardig dat het een professionele ijshockeyspeler niet had misstaan. Vreemd genoeg waardeerde Maja de manoeuvre niet echt en Williams vader snelde toe om zijn blij kraaiende zoon van een nijdig brullende Maja af te halen.
‘Dat mag je niet doen, hoor. Je moet voorzichtig zijn met meisjes!’ Johan keek zijn zoon vermanend aan, terwijl hij met moeite kon voorkomen dat zijn amoureuze telg opnieuw op Maja afstormde.
‘Volgens mij lijkt zijn veroveringstechniek wel een beetje op die van jou,’ lachte Elisabeth. Haar man keek haar gegriefd aan.
‘Meiske toch. Zo erg was het toch niet? Kom maar overeind.’ Patrik tilde zijn huilende dochter op, omhelsde haar stevig tot haar boze gebrul overging in gesnik en duwde haar toen zachtjes naar William toe. ‘Kijk eens wat William bij zich heeft! Een cadeautje!’
Dat magische woord had het gewenste effect. Met een plechtig gezicht reikte William Maja een pakje met mooie strikken aan. Geen van beide kinderen kon nog echt goed lopen en omdat hij zijn voeten in bedwang moest houden en tegelijk een cadeautje moest overhandigen, belandde William op zijn achterste. Maar toen hij Maja’s gezicht bij de aanblik van het pakje zag oplichten, leek hij zijn eigen pijn te vergeten. Natuurlijk scheelde het ook dat hij een dikke luier droeg.
‘Iii,’ zei Maja opgewonden en ze trok aan de strikken. Na een paar tellen begon ze gefrustreerd te kijken en Patrik kwam haar haastig helpen. Toen ze met vereende krachten het cadeautje hadden opengemaakt, kwam er een prachtige grijze olifant tevoorschijn, die meteen succes had. Maja drukte hem trappelend tegen haar borst en sloeg haar armpjes stevig om het zachte lijfje. Hierdoor belandde zij ook op haar achterwerk. Williams pogingen om het knuffeldier te aaien leidden tot een sip gezicht en duidelijke lichaamstaal. Maja’s kleine bewonderaar beschouwde dat kennelijk als een aansporing om nog beter zijn best te doen en beide ouders vreesden een nieuw conflict.
‘Ik denk dat het tijd is voor koffie,’ zei Patrik. Hij tilde Maja op en ging naar de woonkamer. Williams ouders liepen achter hem aan en toen hun zoontje bij de grote kist met speelgoed zat, was de rust weergekeerd. In elk geval tijdelijk.
‘Hallo!’ Erica kwam de trap af en omhelsde het bezoek. William kreeg een aai over zijn bol.
‘Wie wil er koffie?’ klonk Patriks stem vanuit de keuken en hij kreeg drie keer ‘ik!’ ten antwoord.
‘Hoe bevalt het getrouwde leven?’ vroeg Johan met een glimlach. Hij was ondertussen op de bank gaan zitten en sloeg een arm om Elisabeth.
‘Goed. Er is niet veel veranderd. Behalve dat Patrik mij aldoor “vrouwtje” noemt. Misschien kun jij me vertellen hoe ik hem zover krijg dat hij daarmee ophoudt?’ Erica wendde zich met een knipoog tot Elisabeth.
‘O, daar is niets aan te doen. Op een bepaald moment verandert “vrouwtje” in “baas”. Dus je hebt niets te klagen. Waar is Anna trouwens?’
‘Ze is bij Dan. Ze wonen al samen…’ Erica fronste veelbetekenend haar wenkbrauwen.
‘Zo… daar zijn ze snel mee.’ Ook Elisabeths wenkbrauwen gingen omhoog. Goede roddels hadden vaak dat effect.
Ze werden onderbroken door de bel en Erica sprong overeind. ‘Daar zul je ze hebben. Of het is Kristina.’ De laatste naam werd met ijsblokjes tussen de lettergrepen uitgesproken. Sinds haar huwelijk was de relatie tussen Erica en haar schoonmoeder nog verder bekoeld. Dat kwam grotendeels door Kristina’s bijna manische pogingen om Patrik ervan te overtuigen dat het niet goed voor zijn carrière was dat hij vier maanden vaderschapsverlof nam. Maar tot haar grote ergernis had Patrik geen duimbreed toegegeven. Integendeel, hij had er juist op gestaan om tijdens de herfst voor Maja te zorgen.
‘Hallo… is hier ook een jarige?’ klonk Anna’s stem vanuit de vestibule. Elke keer dat Erica de opgewekte toon in haar zusjes stem hoorde, huiverde ze van blijdschap. Die klank was jarenlang weg geweest, maar nu was hij terug. Anna klonk sterk, gelukkig en verliefd.
In het begin was Anna bang geweest dat Erica iets op haar relatie met Dan tegen zou hebben. Maar die zorgen had Erica weggelachen. Het was een eeuwigheid, een heel leven geleden dat Dan en Erica een stel waren geweest, en hoewel het een beetje vreemd had gevoeld, was Erica daar makkelijk overheen gestapt, puur omdat ze zo blij was voor Anna.
‘Waar is mijn favoriete meisje?’ Dan, blond, groot en luidruchtig, keek zoekend rond. Maja en hij hadden een bijzondere liefdesrelatie en zodra ze hem hoorde, waggelde ze geestdriftig naar hem toe en stak haar armpjes omhoog. ‘Dootje?’ zei ze vragend, omdat ze ondertussen begreep waarom verjaardagen zo leuk waren.
‘Natuurlijk hebben we een cadeautje voor je,’ zei Dan en hij knikte naar Anna, die Maja een groot roze pak met zilveren linten gaf. Maja worstelde zich uit Dans omhelzing los en begon opnieuw aan de frustrerende procedure om de inhoud te bemachtigen. Deze keer hielp Erica haar en samen haalden ze een grote pop met slaapogen tevoorschijn.
‘Op,’ zei Maja gelukkig en ze omhelsde ook dit cadeautje stevig. Vervolgens kroop ze naar William om hem haar nieuwste schat te laten zien. Voor de zekerheid herhaalde ze ‘op’ toen ze haar kostbare bezit voor hem ophield.
Er werd weer aangebeld en nog geen tel later stapte Kristina naar binnen. Erica merkte dat ze meteen begon te tandenknarsen. Wat had ze een hekel aan de gewoonte van haar schoonmoeder om voor de vorm aan te bellen en vervolgens meteen naar binnen te komen!
De cadeauprocedure werd nog een keer herhaald, maar deze keer bleef het succes uit. Maja hield nadenkend de truitjes omhoog die uit het pakje kwamen, keek nog een keer of er echt geen speelgoed in zat en staarde haar oma toen met grote ogen aan.
‘Ik zag de vorige keer dat ze bijna uit haar truitje was gegroeid, dus toen ze bij Lindex in de aanbieding waren – drie halen, twee betalen – heb ik er een paar voor haar gekocht. Daar heb je tenminste wat aan.’ Kristina glimlachte tevreden. Maja’s teleurgestelde gezicht leek haar niet te deren.
Erica moest zich inhouden om haar schoonmoeder niet te vertellen hoe idioot ze het vond dat ze kleren had gekocht voor een kind van één. Niet alleen was Maja teleurgesteld, het was Kristina ook weer gelukt om Erica en Patrik een veeg uit de pan te geven. Kennelijk konden ze hun dochter niet naar behoren kleden.
‘Nu is het tijd voor taart,’ riep Patrik, die met een feilloos gevoel voor timing leek te merken dat hij de aandacht moest afleiden. Erica slikte haar ergernis in en ze gingen met z’n allen naar de woonkamer voor het grote moment waarop het kaarsje zou worden uitgeblazen. Maja concentreerde zich en deed haar uiterste best, maar slaagde er alleen in de taart met spuug te bedekken. Patrik hielp haar onopvallend het vlammetje te doven en plechtig liet Maja zich toezingen en toejuichen. Over Maja’s blonde hoofd heen ontmoette Erica’s ogen die van Patrik. Ze kreeg een brok in haar keel en zag dat Patrik ook door het moment was ontroerd. Eén jaar. Hun baby’tje was één geworden. Een klein meisje dat ronddartelde, in haar handen klapte bij haar favoriete tv-programma, zelf at, de natste kussen van heel Noord-Europa gaf en van de hele wereld hield. Erica glimlachte naar Patrik. Hij glimlachte terug. Op dat moment was het leven volmaakt.
Mellberg zuchtte diep. Dat deed hij tegenwoordig vaak: zuchten. De tegenslag van afgelopen voorjaar beïnvloedde nog altijd zijn humeur. Maar hij was niet verbaasd. Hij had de controle uit handen gegeven en het zichzelf toegestaan te zijn, te voelen. Dat kon je niet ongestraft doen. Dat had hij kunnen weten. Eigenlijk kon je zeggen dat het zijn verdiende loon was. Je zou het zelfs een goede les kunnen noemen. Maar die had hij nu geleerd, en hij was niet iemand die twee keer dezelfde fout beging, dat was een ding dat zeker was.
‘Bertil?’ Annika’s stem klonk dwingend vanuit de receptie. Met vaardige hand bracht Bertil Mellberg het haar dat van zijn hoofd was gegleden terug op zijn plek, en hij stond met tegenzin op. Er waren weinig vrouwen van wie hij bevelen accepteerde, maar Annika Jansson behoorde tot die exclusieve schare. In de loop van de jaren had hij ongewild zelfs respect voor haar gekregen en hij kon geen enkele vrouw bedenken over wie hij hetzelfde kon zeggen. De miskleun met de vrouw die het politiekorps afgelopen voorjaar had versterkt, bewees dat wel. En nu zou er weer een vrouw komen. Mellberg zuchtte nog een keer. Dat het zo lastig was om hier een vent in uniform te krijgen. Maar nee, ze bleven maar meiden sturen om Ernst Lundgren te vervangen. Het was één doffe ellende.
Geblaf bij de receptie deed hem zijn wenkbrauwen fronsen. Had Annika een van haar honden meegenomen? Ze wist wat hij van die mormels vond. Hij moest eens een hartig woordje met haar spreken.
Maar het was niet een van Annika’s labradors. Bij de receptie stond een kleine, donkerharige vrouw die een schurftig Fikkie van een onbestemd ras en met een onbestemde kleur aan de lijn hield.
‘Ik heb hem hierbuiten gevonden,’ zei ze met een duidelijk Stockholms accent.
‘O, en wat doet hij dan hierbinnen?’ vroeg Bertil knorrig en hij draaide zich om om weer naar zijn kamer te gaan.
‘Dit is Paula Morales,’ zei Annika snel en Bertil draaide zich nogmaals om. Dat was waar ook: de vrouw die hier zou komen werken had een Spaans klinkende naam. Maar wat was ze klein van stuk en tenger! De blik waarmee ze Bertil aankeek was echter allesbehalve slap. Ze stak haar hand uit.
‘Leuk je te ontmoeten. De hond liep los. Zo te zien heeft hij geen baasje. In elk geval geen baasje dat goed voor hem zorgt.’
Haar toon was dwingend en Bertil vroeg zich af waar ze naartoe wilde. Vragend zei hij: ‘Nou, dan breng je hem toch ergens heen?’
‘Er is hier geen opvang voor honden die komen aanlopen. Dat heeft Annika me al verteld.’
‘Niet?’ vroeg Mellberg.
Annika schudde haar hoofd.
‘Dan… Dan moet jij hem maar mee naar huis nemen,’ zei hij, terwijl hij de hond probeerde weg te wuiven, die zich nu tegen zijn been aan drukte. Maar het beest negeerde hem en ging onbeschaamd op Mellbergs rechtervoet zitten.
‘Dat kan niet. Wij hebben al een hond en die houdt niet van gezelschap,’ antwoordde Paula rustig, met dezelfde doordringende blik als voorheen.
‘Maar jij dan, Annika? Hij kan toch wel met jouw honden… spelen?’ vroeg Mellberg op steeds gelatener toon. Waarom moest hij zich altijd met dit soort details bezighouden? Hij was verdorie de baas van dit bureau!
Annika schudde gedecideerd haar hoofd. ‘Die zijn alleen aan elkaar gewend. Dat zou niet goed gaan.’
‘Jij moet hem maar nemen,’ zei Paula en ze gaf hem de riem aan. Mellberg was zo verbaasd over haar brutaliteit dat hij die aanpakte, en de hond reageerde onmiddellijk. Het beest drukte zich nog steviger tegen zijn been aan en begon te janken.
‘Zie je wel? Hij vindt je aardig.’
‘Maar ik kan niet… Ik heb geen…’ stotterde Mellberg, voor de verandering niet in staat om een gepast antwoord te bedenken.
‘Jij hebt geen dieren, en ik beloof je dat ik zal rondvragen of iemand hem mist. Anders moeten we iemand zien te vinden die voor hem wil zorgen. We kunnen hem niet zomaar weer op straat zetten. Straks wordt hij nog overreden!’
Tegen zijn zin merkte Mellberg dat Annika’s smeekbede hem raakte. Hij keek naar de hond. Die keek naar hem. Zijn blik was vochtig, smekend.
‘Oké, vooruit dan maar. Ik zorg wel voor die stomme hond als jullie er zo’n heisa om maken. Maar niet langer dan een paar dagen. En jij moet hem voor me wassen voordat ik hem mee naar huis neem.’ Hij stak een dreigende vinger op naar Annika, die er opgelucht uitzag.
‘Ik zal hem hier op het bureau douchen. Geen enkel punt,’ zei ze enthousiast. Vervolgens voegde ze eraan toe: ‘Heel erg bedankt, Bertil.’
Mellberg bromde: ‘Zorg er nou maar gewoon voor dat dat beest blinkend schoon is als ik hem weer onder ogen krijg. Anders komt hij bij mij de deur niet in.’
Hij stapte nijdig door de gang en smeet de deur achter zich dicht.
Annika en Paula keken elkaar glimlachend aan. De hond jankte en sloeg met zijn staart op de vloer.
‘Ik hoop dat jullie het gezellig samen hebben.’ Erica zwaaide naar Maja, die op de grond naar de Teletubbies zat te kijken en haar moeder negeerde.
‘We maken er iets leuks van,’ zei Patrik en hij gaf Erica een kus. ‘De kleine meid en ik zullen ons de komende maanden prima redden.’
‘Nu klinkt het net alsof ik op wereldreis ga,’ zei Erica lachend. ‘Ik kom in elk geval met de lunch weer naar beneden.’
‘Denk je dat het goed gaat als jij hier thuis zit te werken?’
‘Dat zullen we wel zien. Je moet maar gewoon doen alsof ik er niet ben.’
‘Geen probleem. Zodra je de deur van de werkkamer dichtdoet, besta je niet meer voor me.’ Patrik knipoogde.
‘Hm. We zullen zien,’ antwoordde Erica en ze liep de trap op. ‘Maar het is in elk geval de moeite van het proberen waard. Dan hoef ik geen kantoor te huren.’
Ze ging naar de werkkamer en sloot met gemengde gevoelens de deur. Ze was een heel jaar thuis geweest met Maja. Een groot deel van haar had naar deze dag uitgekeken, vol verlangen het estafettestokje door te geven aan Patrik, weer een volwassen bezigheid te hebben. Ze was alle speeltuinen, zandbakken en kinderprogramma’s meer dan zat. Ze kon alleen maar constateren dat het perfecte zandtaartje maken onvoldoende intellectuele stimulans bood, en hoezeer ze ook van haar dochter hield, ze zou binnenkort gek worden van vertwijfeling als ze nog een keer ‘Hansje Pansje Kevertje’ moest zingen. Nu was het tijd dat Patrik dit soort dingen op zich nam.
Eerbiedig ging Erica achter de computer zitten, drukte op de aanknop en genoot van het vertrouwde gezoem. De deadline voor haar nieuwe boek in de true crime-reeks was in februari, maar ze had tijdens de zomer al wat research kunnen doen, dus ze was klaar om te gaan schrijven. Ze startte Word, opende het bestand dat ze ‘Elias’ had genoemd omdat dat de naam van het eerste slachtoffer van de moordenaar was en plaatste haar vingers op het toetsenbord. Een bescheiden klopje op de deur onderbrak haar.
‘Sorry dat ik stoor.’ Patrik keek haar verstolen aan. ‘Weet je toevallig waar je Maja’s overall hebt opgehangen?’
Patrik knikte en sloot de deur weer.
Opnieuw legde ze haar vingers op het toetsenbord en haalde diep adem. Weer werd er geklopt.
‘Nogmaals sorry. Ik laat je zo meteen met rust, maar ik wil even met je overleggen hoeveel kleren Maja vandaag aan moet. Het is nogal kil, maar ze wordt meestal vrij zweterig en dan is ze natuurlijk maar zo verkouden…’ Patrik glimlachte schaapachtig.
‘Trek haar maar een dun truitje en een dunne broek onder de overall aan. Meestal doe ik haar het dunne katoenen mutsje op omdat ze het anders zo warm krijgt.’
‘Dank je,’ zei Patrik en hij sloot de deur weer. Erica wilde net de eerste regel typen toen ze van beneden boos gejammer hoorde. Het geluid werd steeds sterker en nadat ze er een poosje naar had geluisterd, stond ze met een zucht op en liep de trap af.
‘Ik help je wel even. Als je haar nu moet aankleden, is dat bijna niet te doen.’
‘Fijn. Dat merk ik, ja,’ zei Patrik. De zweetdruppels stonden op zijn voorhoofd omdat hij met zijn jas aan met een beangstigend boze en bovendien sterke Maja had moeten worstelen.
Vijf minuten later was zijn dochter weliswaar nog altijd flink chagrijnig, maar ze had wel haar overall aan, en Erica gaf haar en Patrik een kus op hun mond voordat ze hen naar buiten duwde.
‘Maak maar een lekkere lange wandeling, dan kan mama even werken,’ zei ze, en Patrik zag er schuldbewust uit.
‘Ja, sorry dat we… Het duurt waarschijnlijk wel een paar dagen voordat we de procedure onder de knie hebben. Daarna kun je in alle rust werken, dat beloof ik je.’
‘Het geeft niet,’ zei Erica, terwijl ze gedecideerd de deur achter hen dichtdeed. Na een grote mok koffie te hebben ingeschonken, ging ze weer naar de werkkamer. Eindelijk zou ze kunnen beginnen.
‘Sst… maak verdomme niet zo’n lawaai.’
‘Ach wat, ma zegt dat ze alle twee weg zijn. Ze hebben al de hele zomer hun post niet uit de brievenbus gehaald, maar ze zijn kennelijk vergeten dat te regelen, dus sinds juni leegt ma die. We kunnen net zoveel lawaai maken als we willen.’ Mattias lachte, maar Adam keek nog steeds sceptisch. Het oude huis had iets engs. En de oude mannen ook. Mattias kon zeggen wat hij wilde; hij, Adam, zou zo voorzichtig mogelijk naar binnen sluipen.
‘Hoe komen we er dan in?’ Hij vond het vreselijk dat zijn onrust als een zeurderige toon in zijn stem doorklonk, maar hij kon er niets aan doen. Vaak wilde hij dat hij meer op Mattias leek: moedig, onbevreesd, soms op de grens van doldriest. Maar hij kreeg daardoor wel alle meiden.
‘Dat komt wel in orde. Je komt altijd wel ergens binnen.’
‘Dat zeg je zeker omdat je zo’n ervaren inbreker bent?’ Adam lachte, maar hij zorgde er wel voor dat het niet te hard was.
‘Ik heb een hoop dingen gedaan waar jij geen flauw idee van hebt,’ zei Mattias hautain.
Ja, ja… dacht Adam, maar hij durfde Mattias niet tegen te spreken. Soms had Mattias de behoefte zich stoerder voor te doen dan hij was. Hij deed maar. Adam was wel zo verstandig daarover niet in discussie te gaan.
‘Wat denk je dat hij binnen heeft?’ Mattias’ ogen schitterden terwijl ze langzaam om het huis kropen op zoek naar een raam of een luik – iets wat ze konden gebruiken om in het onneembare huis binnen te dringen.
‘Geen idee.’ Adam keek aldoor angstig om zich heen. Hij vond dit met de minuut minder leuk worden.
‘Misschien wel allerlei coole nazispullen. Stel je voor dat hij uniformen en zo heeft!’ De opwinding in Mattias’ stem was onmiskenbaar. Sinds ze dat werkstuk over de ss hadden gemaakt, leek hij wel bezeten. Hij las alles wat hij maar over de Tweede Wereldoorlog en het nazisme te pakken kon krijgen, en de man die verderop bij hem in de straat woonde, van wie iedereen wist dat hij een soort expert op het gebied van Duitsland en de nazi’s was, had sindsdien een onweerstaanbare aantrekkingskracht op hem uitgeoefend.
‘Misschien heeft hij dat soort dingen helemaal niet in huis,’ probeerde Adam in te brengen, maar hij wist van tevoren al dat het geen zin had. ‘Mijn vader zei dat hij voor zijn pensioen leraar geschiedenis was en hij heeft vast alleen maar een hoop boeken en zo. Misschien is er wel helemaal niets cools.’
‘We komen er gauw genoeg achter.’ Mattias’ ogen glinsterden toen hij triomfantelijk op een raam in de zijmuur van het huis wees. ‘Kijk eens! Dat raam staat op een kiertje.’
Teleurgesteld constateerde Adam dat Mattias gelijk had. Hij had stiekem gehoopt dat het onmogelijk zou blijken naar binnen te komen.
‘We moeten dat raam verder open zien te krijgen.’ Mattias keek zoekend om zich heen. Een uitzethaak die van een raam was afgevallen en nu op de grond lag, bood de oplossing.
‘Oké. Laten we eens kijken.’ Met chirurgische precisie slaagde Mattias erin de haak boven zijn hoofd in een hoekje tussen het raam te wringen. Hij duwde. Niets bewoog. Het raam zat vast. ‘Shit. Dit moet lukken.’ Met zijn tong in zijn mondhoek probeerde hij het nog een keer. Het was inspannend om de haak boven zijn hoofd te houden en tegelijk kracht te zetten, en hij ademde stotend. Uiteindelijk slaagde hij erin de haak nog een paar centimeter verder naar binnen te duwen.
‘Zo kunnen ze zien dat er iemand heeft ingebroken!’ protesteerde Adam met zwakke stem, maar Mattias leek hem niet te horen.
‘Nu moet dat kloteraam verdomme opengaan!’ Terwijl de zweetdruppels op zijn voorhoofd stonden, gaf Mattias de haak nog een keer een zet en toen vloog het raam open.
‘Yes!’ Hij balde zegevierend zijn vuist en wendde zich opgewonden tot Adam. ‘Help me eens omhoog.’
‘Misschien kun je ergens op gaan staan of ligt er een ladder…’
‘Kom op, help me nou maar omhoog, dan trek ik jou daarna op.’
Gehoorzaam ging Adam tegen de muur staan en hield zijn handen bij elkaar om Mattias een opstapje te geven. Zijn gezicht vertrok toen Mattias’ schoenen in zijn palm sneden, maar hij weerstond de pijn en duwde zijn vriend omhoog terwijl die zich afzette.
Mattias kreeg de vensterbank te pakken, trok zich op en slaagde erin eerst zijn ene voet en vervolgens zijn andere erop te zetten. Hij haalde zijn neus op. Jezus, wat een meur. Verdomd smerig. Hij trok het rolgordijn opzij en probeerde naar binnen te turen. Het leek als of hij in een bibliotheek was beland, maar alle rolgordijnen zaten dicht, dus de kamer was in duisternis gehuld.
‘Het stinkt hier een uur in de wind.’ Terwijl hij zijn neus dichtkneep, draaide hij zich half om naar Adam.
‘Laat dan maar,’ zei Adam met een hoopvolle glinstering in zijn ogen vanaf de grond.
‘Nee, joh. We zijn binnen. Nu wordt het pas echt leuk! Pak mijn hand.’
Hij liet zijn neus los en hield de vensterbank vast terwijl hij zijn rechterhand naar Adam uitstak.
‘Kun je me houden?’
‘Natuurlijk. Kom!’ Adam pakte zijn hand en Mattias trok zo hard hij kon. Even leek het een onmogelijk project, maar toen kon Adam de vensterbank pakken, en Mattias sprong op de vloer om ruimte voor Adam te maken. Op het moment dat hij neerkwam, hoorde hij een vreemd gekraak. Hij keek omlaag. Er lag iets op de vloer, maar omdat het zo donker was, kon hij met geen mogelijkheid zien wat. Waarschijnlijk dorre blaadjes.
‘Wat is dat, verdomme?’ zei Adam toen hij ook op de vloer was gesprongen, maar hij kon evenmin identificeren wat het krakende geluid veroorzaakte. ‘Jezus, wat een stank,’ zei hij vervolgens, en het leek alsof hij kotsneigingen kreeg van de muffe lucht.
‘Dat zei ik toch?’ zei Mattias vrolijk. Zijn neus was nu een beetje aan de geur gewend en hij had er niet meer zo’n last van. ‘Nu gaan we kijken wat voor leuke dingen die ouwe allemaal heeft. Trek het rolgordijn eens omhoog.’
‘Maar wat nou als iemand ons ziet?’
‘Wie zou ons hier moeten zien? Trek dat rolgordijn nou maar omhoog.’
Adam deed wat Mattias hem had opgedragen. Het gordijn schoot zoevend naar boven en liet een fel licht de kamer binnen.
‘Gave kamer,’ zei Mattias terwijl hij bewonderend rondkeek. Het hele vertrek was vanaf de vloer tot aan het plafond bedekt met boekenplanken. In een hoek stonden twee leren fauteuils om een tafeltje. In een andere hoek troonde een enorm bureau. Een ouderwetse kantoorstoel met een hoge rugleuning was een halve slag gedraaid, waardoor ze alleen de achterkant zagen. Adam deed een pas naar voren, maar het gekraak deed hem weer naar beneden kijken. Nu zagen ze allebei waar ze op hadden getrapt.
‘Wel god…’ De vloer lag vol vliegen. Zwarte, gore, dode vliegen. Ook de vensterbank lag er vol mee, en in een reflex veegden Adam en Mattias hun handen af aan hun broekspijpen.
‘Shit, wat goor.’ Mattias vertrok zijn gezicht.
‘Waar komen al die vliegen vandaan?’ Adam keek verbaasd naar de vloer. Vervolgens legden zijn door CSI beïnvloede hersenen een onaangename link. Dode vliegen. Een vieze stank. Hij wuifde de gedachte weg, maar zijn blik werd onophoudelijk naar de afgewende bureaustoel getrokken. ‘Mattias?’
‘Ja?’ antwoordde die geïrriteerd, terwijl hij vol walging een plekje probeerde te vinden waar hij niet op allemaal dode vliegen trapte.
Adam gaf geen antwoord, maar liep aarzelend naar de stoel. Een deel van hem schreeuwde dat hij zich moest omkeren, dat hij via dezelfde route als hij was gekomen moest vertrekken en zo ver weg moest hollen als hij maar kon. Maar zijn nieuwsgierigheid was sterker en het was alsof zijn voeten hem vanzelf naar de stoel brachten.
‘Wat is er?’ herhaalde Mattias, maar hij hield zijn mond toen hij zag dat Adam gespannen en afwachtend verder liep.
Adam was nog zo’n halve meter van de stoel verwijderd toen hij zijn hand uitstak. Hij zag zelf dat die licht trilde. Langzaam, heel langzaam, millimeter voor millimeter, bracht hij zijn hand naar de rugleuning. Het enige geluid dat in de kamer te horen viel, was het gekraak wanneer hij zijn voeten neerzette. Het leer van de stoel was koel tegen zijn vingertoppen. Hij vergrootte de druk van zijn vingertoppen en duwde de rugleuning naar links, waardoor de stoel naar hem toe draaide. Adam deed een pas naar achteren. De stoel bewoog langzaam rond en liet geleidelijk steeds meer zien van wat erop zat. Achter zich hoorde hij Mattias overgeven.
De ogen die elke beweging van hem volgden, waren groot en vochtig. Mellberg probeerde ze te negeren, maar slaagde er niet in. De hond leek aan zijn zij gekluisterd en keek hem vol aanbidding aan. Uiteindelijk gaf Mellberg toe. Hij trok de onderste bureaula open, pakte een kokosbol en gooide die voor het beest op de grond. Binnen twee tellen was de bol verdwenen en even leek het alsof de hond glimlachte. Maar dat was waarschijnlijk puur verbeelding. Hij was nu in elk geval schoon. Door Annika ingezeept en gedoucht. Ze had goed werk verricht. Toch had Bertil het wat onsmakelijk gevonden toen hij vanochtend wakker was geworden en had ontdekt dat de hond op zijn bed was gesprongen en naast hem lag. Zeep doodde luizen en zo toch niet? Wat als zijn vacht vol met kruipend ongedierte zat dat nu niets liever wilde dan naar Mellbergs omvangrijke lichaam springen? Maar bij een grondige inspectie van de vacht had hij geen enkele vorm van leven kunnen ontdekken en Annika had hem ook met haar hand op haar hart verzekerd dat ze geen luizen had gezien toen ze hem waste. Maar daarom mocht de hond nog niet in zijn bed slapen. Er waren grenzen.
‘Zo, hoe zullen we jou noemen?’ vroeg Mellberg en hij voelde zich opeens dom omdat hij tegen een viervoeter praatte. Maar het beest moest wel een naam hebben. Hij dacht na en keek rond of hij iets zag wat hem op een idee kon brengen. Maar er tolden alleen maar domme hondennamen door zijn hoofd: Fido, Ludde… Nee, dat was niets. Opeens moest hij grinniken. Hij had een briljante inval. Sinds hij Lundgren had moeten ontslaan, had hij hem eerlijk gezegd best gemist. Niet veel, maar toch een beetje. Dus waarom zou hij de hond niet Ernst noemen? Dat had wel humor. Hij grinnikte weer.
‘Ernst – wat dacht je daarvan? Klinkt goed, hè?’ Hij trok de la weer open en pakte nog een kokosbol. Uiteraard mocht Ernst een kokosbol. Het was toch niet Mellbergs probleem als de hond te dik werd. Over een paar dagen had Annika vast wel een geschikte plek voor hem gevonden en het was niet erg als hij voor die tijd een paar kokosbollen at.
De telefoon rinkelde schel en zowel Mellberg als Ernst veerde op.
‘Bertil Mellberg.’ In eerste instantie kon hij de stem in de hoorn niet verstaan, hij hoorde alleen een hoog, hysterisch gekakel.
‘Sorry, je moet iets langzamer praten. Wat zeg je?’ Hij luisterde geconcentreerd en trok zijn wenkbrauwen op toen hij het eindelijk verstond.
‘Een lijk, zei je? Waar?’ Hij ging rechtop zitten. De hond, die nu Ernst heette, ging ook rechtop zitten en spitste zijn oren. Mellberg noteerde een adres op het notitieblok dat voor hem lag, beëindigde het gesprek met een ‘Blijf waar jullie zijn’ en sprong van zijn stoel. Ernst volgde hem op de hielen.
‘Blijf!’ Mellbergs stem was ongewoon autoritair en tot zijn grote verbazing zag hij dat de hond abrupt stil bleef staan in afwachting van nadere instructies. ‘Zit!’ probeerde Mellberg, terwijl hij naar de mand wees die Annika in een hoek van zijn kamer voor de hond in orde had gemaakt. Met tegenzin sjokte Ernst er braaf heen en ging met zijn kop op zijn poten liggen, terwijl hij zijn tijdelijke baasje beledigd aankeek. Bertil Mellberg voelde zich merkwaardig tevreden dat hij voor de verandering werd gehoorzaamd, en gesterkt doordat hij zijn gezag had kunnen laten gelden, stoof hij door de gang terwijl hij tegen alles en iedereen riep: ‘Er is een lijk gevonden.’
Drie hoofden staken uit evenzoveel deuropeningen, het rode van Martin Molin, het grijze van Gösta Flygare en het ravenzwarte van Paula Morales.
‘Een lijk?’ vroeg Martin terwijl hij als eerste de gang in stapte. Ondertussen kwam Annika ook aangelopen vanaf de receptie.
‘Ik ben net gebeld door een tiener die dat meldde. Kennelijk zijn ze een villa tussen Fjällbacka en Hamburgsund binnengedrongen en hebben ze daar een lijk aangetroffen.’
‘Van wie is dat huis?’ vroeg Gösta Flygare.
Mellberg haalde zijn schouders op. ‘Meer weet ik niet. Ik heb tegen de jongens gezegd dat ze daar moesten blijven. Wij gaan er meteen heen. Martin, Paula en jij nemen de ene auto en Gösta en ik de andere.’
‘Moeten we Patrik niet bellen?’ vroeg Gösta voorzichtig.
‘Wie is Patrik?’ vroeg Paula. Haar blik ging van Gösta naar Mellberg.
‘Patrik Hedström,’ verduidelijkte Martin. ‘Hij werkt hier ook, maar hij heeft vanaf vandaag vaderschapsverlof.’
‘We hoeven Hedström helemaal niet te bellen,’ zei Mellberg en hij snoof beledigd. ‘Ik ben er toch?’ voegde hij er gewichtig aan toe, en vervolgens ging hij spoorslags naar de garage.
‘Jippie!’ mompelde Martin zonder dat Mellberg het kon horen. Paula trok vragend haar wenkbrauwen op. ‘Laat maar,’ zei Martin verontschuldigend, maar hij kon het niet nalaten eraan toe te voegen: ‘Je begrijpt het vanzelf wel.’
Paula keek nog steeds verward, maar liet het onderwerp rusten. De dynamiek op haar werkplek zou ze na verloop van tijd wel doorgronden.
Erica zuchtte. Het was nu stil in huis. Te stil. Haar oren waren er een jaar lang op ingesteld geweest elk piepje of de volgende schreeuw te horen. Nu hing er een akelige, doodse stilte. Op de eerste regel van het Word-document knipperde de cursor. Ze had in een halfuur geen enkele letter getypt. Het was gewoon leeg in haar hoofd. Ze had haar aantekeningen doorgebladerd, evenals de artikelen die ze van de zomer had gekopieerd. Na diverse brieven te hebben geschreven, had ze eindelijk een afspraak met de hoofdpersoon, de moordenares, kunnen maken, maar die was pas over drie weken. Dus voorlopig moest ze het met het archiefmateriaal doen en dat als uitgangspunt nemen. Het probleem was echter dat er niets kwam. De woorden wilden niet op hun plek vallen en nu voelde ze een grote twijfel. De twijfel die je als schrijver steeds had. Waren er geen woorden meer? Had ze haar laatste zin geschreven, haar quotum gehaald? Zaten er geen boeken meer in haar? Haar logische verstand zei haar dat ze zich bijna altijd zo voelde als ze met een nieuw boek begon, maar het mocht niet baten. Het was een kwelling, een proces waar ze elke keer weer doorheen moest. Het leek wel een bevalling. Maar vandaag ging het ongebruikelijk langzaam. Gedachteloos stopte ze als troost een Dumle-toffee in haar mond. Met een schuin oog keek ze naar de blauwe dagboeken die naast de computer op haar bureau lagen. Het vloeiende handschrift van haar moeder trok haar aandacht. Ze werd heen en weer geslingerd tussen angst om dicht bij haar moeders teksten te komen en nieuwsgierigheid naar wat ze zou kunnen vinden. Aarzelend stak ze haar hand uit en pakte het eerste schrift. Ze woog het op haar handpalm. Het was dun, ongeveer zoals de schriften op de lagere school. Erica streek met haar vingers over de buitenkant. De naam was met blauwe inkt geschreven, die in de loop van de jaren aanzienlijk was verbleekt. ELSY MOSTRÖM – dat was de meisjesnaam van haar moeder. De naam Falck had ze gekregen toen ze met Erica’s vader trouwde. Langzaam sloeg ze het schrift open. De pagina’s waren gelinieerd, met dunne blauwe lijnen. Bovenaan stond een datum: 3 september 1943. Ze las de eerste regel:
Komt er nooit een eind aan deze oorlog?