Verklarende woordenlijst
1 juli: nationale feestdag, ter viering van de afschaffing van de slavernij.
♦
Afu skoinsi: (lett.: ‘half schuin’) ‘standje schaar’.
Agutobo: Varkenstrog.
Akapu dyari: erf dat aan alle zijden open is.
Alanyatiki: jonge stengel van de citrusplant.
Als jullie praten moeten jullie niet liegen: Jullie zoeken stof tot roddelen.
A Luku Dun Dun A Si Fra Fra: Ze ziet slecht, want ze is scheel.
Anitri-strepi: Hernhuttersstreep: witte stof met blauw streepmotief die wordt gedragen door vrome aanhangsters van de Evangelische Broeder Gemeente.
A no bon prit’ en: hij is niet door een boom op de wereld gezet; hij is ook een mens.
Awara: vrucht van een palmsoort (Astrocaryum vulgaré)
♦
Baka-iri: (lett.: ‘hiel’) werd zo genoemd omdat ze zulke enorme hielen had dat ze gedwongen was slippers te dragen.
Bakerspeld: veiligheidsspeld.
Bakpun: ‘achterom’; op z’n hondjes.
Balata: rubbersoort, een mengsel van melksap en hars uit de boletriboom.
Baya: ik begrijp je.
Bere: (lett.: ‘buik’) geheim; inside.
Beyan: Engels zoals men dat in het Caribisch gebied spreekt.
Bigiman sani: dingen die volwassen mannen doen.
Bigi sensi: tweeënhalve cent.
Bigisma de nayu oso ma bigisma de na mi oso tu: (lett.: ‘Ik heb net zo goed ouders als jij’) Dat kan ik ook.
Bigisma: volwassene.
Bigi Spikri: (lett.: ‘Grote Spiegel’) gedeelte van de Saramaccastraat waar veel prostituees zich ophielden; als er mannen voorbijliepen maakten zij opmerkingen over hun kleding; ze hielden ze bij wijze van spreken een spiegel voor.
Bita: (lett.: ‘bitter’) bitter, bloedzuiverend en -verdunnend kruid, dat onder meer gebruikt wordt om besmetting met malaria te voorkomen; bijwerking: zorgt voor stevige erectie.
Black Bottom: dansstijl, zeer populair in de jaren dertig en veertig.
Blessie: zegen.
Bobi: vrouwenborst; wijze van mango eten: het vruchtvlees wordt voorzichtig tegen een muur tot moes geslagen, waarna er een gat aan de bovenkant wordt gemaakt waaruit het vruchtvlees naar buiten wordt gezogen.
Bonuman: winti-priester.
Botoketi: ketting met dikke ronde schakels.
Brasa: knuffel, omhelzing.
Brokobere koto: dracht bestaande uit twee delen: een wijd uitstaand jak, met daaronder een eveneens wijd uitstaande rok, die vlak onder de borsten wordt opgerold; werd veelal door marktkoopvrouwen gedragen.
Browru ati: hoge hoed; ‘Browru’ is de Surinaamse naam voor ‘Brouwerslust’, een van de eerste suikerplantages die een fabriek met een hoge schoorsteen had: een browru ati is een hoed als een schoorsteen.
Het ‘buiten’ zoeken: de winti raadplegen.
♦
Calicot-jurk: jurk met jasmodel.
Casanova-cream: crème die gebruikt wordt voor mannen met potentieproblemen.
Court Charity: gebouw van een orde van de Vrijmetselaars, waar regelmatig feesten werden georganiseerd.
♦
Demerara: huidig Brits-Guyana.
Delaila’s: plastic slippers (made in China)
Dagublat: bladgroente, vergelijkbaar met spinazie; groeit in het water; lievelingskost van de Javanen.
Didon: ‘recht op en neer’.
Die meid heeft het voor je gezet!: die zit!
Draiwinti: wervelwind.
Driemaalsdaags: eten.
Droge ogen, het toppunt van extreme schaamteloosheid.
Dyamun: koelidruif.
♦
Ek-rupia: (Hindoestaans) een gulden.
♦
Fa a waka: hoe staan de zaken?
Fayalobi: (lett.: ‘vurige liefde’) bloem; rubiaceae.
Fay’e go?: hoe gaat het?
Feda: (lett.: ‘woede’, ‘verzet’) frivole hoofddoekstijl, waarbij de punten vaak naar boven wijzen.
Fedi: Magere Hein.
Fiadu: luxe cake met rozijnen, sucade en rum.
Fowru doti: maretak.
♦
Gi m’ tori!: vertel op! grikibi: zangvogel gudu: schat; liefje.
♦
If mi wan’ verdien mi sowtu: als ik mijn zout (= geld) wil verdienen.
Isri-bowtu: ‘IJzeren Dijen’, beroemd vanwege de kracht waarmee ze een man met haar dijen in haar greep hield.
♦
Kabugerin: onbestemde mix waar negerbloed in voorkomt.
(kabugru – ‘gemengdbloedige’)
Kapelka: vlinder.
Kapumeid: hoer.
Kartini: (Iboe Kartinï) beeldschone Javaanse prinses die vocht voor het afschaffen van de adat; stierfin het kraambed.
Kersten: oudste warenhuis van Paramaribo, opgericht door de Hernhutters.
Kimona: jurk waarvan de hals is geappliqueerd met uit de stof geknipte motieven en de wijd uitstaande mouwen een geschulpte rand hebben.
Kis’ i sreft: kom tot jezelf.
Kis’’yu blo: (lett.: ‘kom op adem’) maak je niet zo druk.
Kokolampu: olielamp.
Koolpot: soort stoof met houtskool, waar men op kookt.
Koto: klederdracht van creoolse vrouwen, ontwikkeld ten tijde van de slavernij door de blanke meesteres, met als doel de vrouwelijke vormen van de slavinnen voor mannenogen te verhullen; de koto bestaat uit een wijd uitstaand bovenstuk, een kussen op de rug en een wijd uitstaande rok.
Krasi – jeuk; geilheid.
♦
Laatste slokje water: (trad.) men geeft: een stervende een slokje water, voor de lange weg die hij of zij heeft af te leggen naar het dodenrijk lasman: verliezer.
Lijkwassers: orde met geheimhoudingsplicht; na het overlijden nemen de lijkwassers de zorg voor het stoffelijk overschot op zich; zij zouden de kunst verstaan met de dode te praten en er zodoende voor te zorgen dat hij of zij op zodanige wijze wordt afgelegd dat zijn overgang naar de wereld van de voorouders wordt vergemakkelijkt.
Limealcol: eau de cologne met een sterke limoengeur lont’ede: in ronde vorm gevouwen hoofddoek, als teken van rouw.
♦
Malata: halfbloed; mulattin.
Manya: mango.
Markusa: passievrucht.
Mi Gado: mijn God.
Mi gudu: mijn schat.
Mi Loto: ‘Mijn Stuiver’.
Mi mars: m’n reet.
Mi Masra mi Gado: mijn Heer en mijn God.
Mi mis’yu: ik heb je gemist.
Mi na mifefi sensi mi e suku: (lett.: ‘ik ben op zoek naar mijn stuiver’) geld verdienen.
Mis’ de neef: kleiner model getailleerde koto.
Modo blauw: blauwe stof met verschillende motieven.
Mof o kor anti: (lett.: ‘mondkrant’) ‘stadstamtam’.
Monki monki: doodskopaapje.
Mope: oranje vrucht die een zoetige geur verspreidt.
Motyo: hoer.
Motyop ‘pa: hoerenloper.
Motyotenti: hoerentent.
♦
Neuten: betonnen paaltjes waar sommige huizen op rusten.
♦
Obe: vrucht van de oliepalm.
Obiya: oorlogswinti.
Ondrobon: (lett.: ‘onder de boom’) Dokter Sophie Redmondstraat ter hoogte van de Zwartenhovenbrugstraat; op dit gedeelte staan aan weerskanten bomen waarvan de takken elkaar boven de weg raken.
Opanka’s: schoenen met open hiel.
Orgeade: amandeldrank.
♦
Pans boko: afranseling.
Papa winti: slangengeest.
Pel: minnaar; lover.
Pepre-nanga-sowtu: ‘peper-en-zout’; grijze stof gebruikt bij halfrouw.
Pina ede: rood en blauw katoen met witte stippen; wordt gedragen bij rituelen voor indiaanse winti’s.
Pingo: wild zwijn.
Plei: (lett.: ‘spel’) nummertje; beurt.
Poezenogen: lichte ogen.
Pomeraks: peervormige vrucht.
Porter batra: portfles; Maxi noemt Marius zo vanwege zijn plompe lichaamsbouw en geringe lengte.
♦
Rampaneren: met kracht iets vernietigen rode aarde: bauxiet.
♦
Saka saka: strontzak.
Sang.’: wat!!?
Sarpusu: effen katoenen stof.
Sebrefata: ellendeling.
Sephire: blauwe ruwe stof, soort denim.
Sibi busi: zware tropische regenbui.
Sisi-stoel: houten geverniste stoel met rieten zitting waarvan de leuning sierlijk bewerkt is.
Smoelcourant: (lett.: ‘mondkrant’) ‘stadstamtam’.
Soft: frisdrank.
Soro g’go boi: (lett.: jongen met een zweer op zijn gat) nietsnut.
Soso boto: (lett.: ‘lege boot’) de eerste de beste.
Speedfire Foundation: inzamelingsactie waarbij de bevolking geld gaf voor de aanschaf van een vliegtuig ten behoeve van de Nederlandse luchtmacht.
Steen: scrotum.
Sukru manya: zoete mango.
Switi: zoetigheid, snoepje, schatje.
Swit’ kontrentyi, te yu go yu sa kon baka: Zoete geneugten, ga en je zult wederkeren.
♦
Takitaki: Sranantongo.
Tingi Uku: Stinkhoek.
Tjoerie: tjilpend geluid dat gemaakt wordt door de lippen te stulpen en de lucht naar binnen te zuigen; gebaar van afkeuring.
Tjow mein: Chinees bamigerecht.
Tyépöti: och arme.
Tompi: driekanten doek die over de hoofddoek wordt gedragen en onder de kin wordt vastgebonden, als teken van diepe rouw.
Tongo!: (lett.: ‘tongen!’) aansporing tot meezingen.
Tori, geen tori geven: niet voor de poes zijn; het je niets kunnen schelen.
♦
Waka nanga bun: het ga je goed.
Wan mannengre n’efar’ kros’ kasi: ‘één man vult nog geen klerenkast’; men had de gewoonte dergelijke boodschappen via hoofddoeken te communiceren.
Wan tak libi e kon bogo bogo: er komt werk in overvloed.
Was’uma: wasbord.
Watra m’ma: zeemeermin.
Werder: jongensgek.
Wilde bus: zo genoemd omdat de chauffeurs het niet zo nauw nemen met de verkeersregels.
Winti: Afro-Amerikaanse godsdienst, door de slaven vanuit Afrika naar Suriname geïmporteerd; centraal staan de ‘winti’ of geesten, die als een soort beschermengelen met het lot van het individu verbonden zijn.
Wisi: zwarte magie.
W ‘woyo yagi: sluiting van de markt.
♦
Yanasei: gene zijde; hiernamaals yayolibi: losbandige levenswijze.
Yeye: ziel.
Yongu: ‘jong!’ als uiting van teleurstelling.
Yorka fowru: reuzennachtzwaluw; doodsboodschapsvogel, die met krassend geluid aankondigt dat iemand binnen afzienbare tijd zal komen te overlijden.
Yu motyo beest yu.’: smerige hoer dat je d’r bent!
Yu na watra taya, yu no bunfu nyan mayu no bunfu trowe tu: Je bent een knol, je bent oneetbaar, maar je weggooien hoeft nu ook weer niet.
♦
Zacht, iets zacht durven zeggen: de waarheid durven vertellen.
Zoutjes: wratten.
EOF