Amalia

Waterkant, 1920

Voor de zoveelste keer had ze de stoffen in haar kraam gerangschikt. Eerst op kleur, daarna op design, dan zomaar door elkaar heen – zelfs naar kwaliteit had ze ze op volgorde gelegd: de Suzanna-organdie in verschillende kleuren en patronen, de satinet-, samson- en herculesdril, de verschillende soorten anitri-strepi, poplin, sephire, de effen katoentjes in diverse kleuren, modo blauw, rode en blauwe pina ede, sarpusu, een keur van omslagdoeken, en allerlei kant dat ze van Kanti Mesyu betrok, plus de hoofddoeken die ze bij Lew Plew kocht…

Nadat ze haar assortiment voor de zoveelste keer had omgegooid, zat ze verveeld voor zich uit te staren. De verkopers waren bijna de enige aanwezigen op de stoffenafdeling. De lange houten toonbanken met de uitgestalde waar zagen er netjes uit. Voor het overgrote deel waren het creoolse vrouwen van middelbare leeftijd die hier hun waar aanboden. De meesten waren in een geanimeerd gesprek verwikkeld. Aan de andere kant, waar groenten en andere levensmiddelen werden verkocht, was het iets drukker.

Amalia pakte een lap stof vanonder de toonbank. Met lange halen ging ze verder met een ingewikkeld borduurpatroon in de vorm van een pauwenstaart, daar waar ze gisteravond was geëindigd.

“Jezus, Amalia, dat is me een mooi patroon waar je mee bezig bent!” Trude stond tegen de toonbank geleund. Haar enorme boezem vertoonde verschillende bulten. Trude was gewoon haar geld in verschillende dichtgeknoopte zakdoeken in haar bh te bewaren. Ze droeg eenfeda, waarvan ze de punten omhoog had gebonden. Ze verplaatste de alanyatiki van de ene hoek van haar mond naar de andere. “Pff, wat is hetheet! Het vuur slaat mij naar buiten!” Demonstratief wiste ze zich de zweetparels van het voorhoofd met haar rode boerenbonte zakdoek. Ze blies tegen haar boezem om wat verkoeling te vinden tegen de hitte die onder het lage dak bleefhangen.

“Als ik flink doorwerk, heb ik een koto voor ijuli.” Met een ferme beweging perste Amalia de naald door de stof. Daarna duwde ze de rode draad er behendig met haar nagel tegenaan, trok de naald tussen stof en draad en voltooide de steek met een extra ruk aan de draad.

“Vrouw, daar zeg je wat! De tijd vliegt zo snel! Voor je het weet is het ijuli. Nu ik hier toch sta kan ik meteen een lapje stof uitkiezen voor die dag.” Terwijl het zweet vanonder haar hoofddoek via haar slapen in de dikke plooien van haar hals verdween, ging Trude met haar zwaar beringde vingers door de stoffen.

“Ik had er niet op gerekend dat ik vandaag nog iets zou verkopen! Eigenlijk zat ik te wachten tot w ‘woyoyagi. Vanmorgen heb ik nog wel wat verkocht, maar vanaf de middag heb ik duimen zitten draaien. Ik verkoop nooit veel midden in de week, maar om mijn vaste klanten ter wille te zijn ben ik er elke dag. Ik kan het niet over mijn hart verkrijgen dat ze voor niets naar de markt zouden komen. Niet dat ik bang ben ze kwijt te raken – ze weten dat ze bij mij kwaliteit krijgen tegen een billijke prijs.” Amalia vouwde de Suzanna-organdie die Trude had uitgekozen op en wikkelde die in een stuk papier.

“Ik weet het, woensdag is een moeilijke dag. Ik heb besloten mijn fruitstal te sluiten. Eigenlijk was ik al op weg naar huis. Maar ik moest even een roddel doorgeven.”

“Laat eens horen,” zei Amalia belangstellend. Trude stond bekend om haar sappige roddels.

“Vrouw, heb je gehoord wat Pauline is overkomen…?” Met haar zakdoek veegde Trude het water weg dat in stromen haar hals in liep. Haar neusvleugels stonden wijd open en haar ogen rolden in hun kassen.

“Welke Pauline?”

“Pauline van de Drambrandersgracht.”

“Bedoel je die hier verderop snuisterijen verkoopt?”

“Ai, precies! Die constant met haar neus in de wind en haar borst naar voren loopt.”

“Vrouw, vertel.”

“Waar zal ik beginnen, ghèghèghè…”

“Hou me niet zo lang in spanning, zeg!”

“Luister. Je weet toch dat die man van haar als balata-tapper in het bos werkt?”

“Ai.”

“Wel, meneer is vaak lange periodes weg van huis. Dus: mevrouw miste de warmte. Zonder dralen heeft ze een vervanger in huis gehaald…!”

“Je méént het. Die geeft geen tori…” zei Amalia terwijl ze dichter naar Trude toe schoof, die nu op fluistertoon verderging.

Trudes ogen schoten onder het praten schichtig van links naar rechts om te kijken of niemand hen hoorde. “Vrouw, dat is nog niet alles… Het beste gedeelte moet nog komen: op een dag kreeg ze bericht van haar man dat hij die zaterdag in de stad zou zijn. Tot haar pech kwam hij een dag eerder…”

Mi Gado!” riep Amalia, maar ze drukte snel haar hand voor de mond toen ze merkte dat er in hun richting gekeken werd. Om hen heen begonnen mensen hun waar in te pakken.

Trude genoot zichtbaar van het effect dat haar verhaal op Amalia had. “Dus: manlief klopt thuis aan. Je kan je de reactie van het tortelduifje voorstellen toen ze de ware heer des huizes op de stoep zag staan. Ze viel zowat achterover! En hij ging er natuurlijk van uit dat haar reactie voortkwam uit enthousiasme omdat hij eerder thuis was. Hij wist natuurlijk niet dat de tijdelijke heer des huizes in zijn bed lag te dutten.”

“Het is niet waar!”

“Vrouw, ik zeg het je! Pauline rende de slaapkamer in en probeerde haar Casanova wakker te maken. Maar die was diep in slaap. Zonder nadenken sprong ze uit het slaapkamerraam en vluchtte weg. Terwijl manlief in de gang staat te wachten, met het idee dat zijn vrouw voor hem een verrassing aan het voorbereiden is. Maar zijn geduld raakt op, dus hij begeeft zich naar de slaapkamer. Tastend in het donker stapt hij in bed. Aan de harde vormen voelt hij meteen dat het niet zijn liefhebbende Pauline is die hem ligt op te wachten. Hij begint er meteen op los te slaan. “Mijn God, dood me niet! Ik ben het, Herman! Je kent mijn vader…!” hoort hij de man in het duister roepen. Woest pakt hij een stoel en slaat die stuk op Hermans lijf…”

Amalia was sprakeloos. Met een hand voor haar mond en ogen groot van ongeloof keek ze naar Trude, die even was gestopt om op adem te komen. Met een snelle beweging veegde ze het zweet van haar gezicht en decolleté.

“Vrouw, het verhaal is nog niet af: het ergste moet nog komen. De zaak kwam voor bij het gerechtshof. Zul je willen geloven dat mevrouw de zaak bijwoonde vergezeld van een stoet vriendinnen? En die maakten de nodige opmerkingen vanaf de tribune. Toen ze moest getuigen liep ze naar voren, gekleed in een van die moderne calicot-jurken. Aan haar armen bengelden de gouden armbanden bijna van pols tot elleboog. Maar het toppunt van droge ogen zat op haar hoofd. Ze had een wan mannengre n’e fur’ kros’ kasi-hoofddoek op.”

“Ik moet even zitten. Zoiets schaamteloos heb ik van mijn leven niet gehoord!”

“Meisje, wat dacht je! Die meiden van tegenwoordig geven geen tan!”

Onder de balkons die de voorgevels van de winkels aan de Saramaccastraat sierden, zochten ze op weg naar huis beschutting tegen de zon. Trude was blijven wachten totdat Amalia haar kraam had opgeruimd en had haar geholpen haar koopwaar op te bergen in de opslagruimte. Op de hoek van de Steenbakkerijstraat waren ze even blijven staan om van een koud glas gemberbier te genieten. Amalia liet de zoete, scherpe smaak die de gemberdrank achterliet over haar tong rollen.

Bij de veelal Portugese en Libanese winkels was een verscheidenheid aan artikelen uitgestald.

“Moet je die prachtige mahoniehouten sisi-stoelen zien. En die prijzen! Helemaal niet duur!” riep Amalia enthousiast.

Trude reageerde lauw.

Amalia porde haar met haar elleboog in de zij. “Het lijkt wel alsof je op de peinsbrug zit!” Het was haar al eerder opgevallen dat Trude ergens over liep te piekeren.

“O… ik… ik liep na te denken over wat ik de kinderen vandaag zal voorschotelen. Zoals je weet, heeft mijn dochter haar kinderen bij me gedeponeerd. Ze is haar man gevolgd naar het binnenland, waar hij in de houtkap werkt. Ze heeft ze zonder geld achtergelaten, dus ik kan mijn hoofd weer breken over hoe ze aan hun driemaalsdaags komen. Die kinderen van tegenwoordig hebben totaal geen verantwoordelijkheidsbesef meer! Maar laat me je niet lastigvallen met de problemen van mijn dochter. Wat zei je ook alweer?”

Amalia wees naar de sisi-stoelen. “Zijn ze niet prachtig? En zo kunstig afgewerkt! Weet je hoelang ik al op zoek ben naar zoiets?”

“Vrouw, ik kan me zulke luxe niet permitteren. Dus sluit ik mijn ogen ervoor. Neemt niet weg dat je gelijk hebt. Het is een plaatje. Eh… eh…” Trude schraapte haar keel. “Eh… hoe gaat het met je dochter?”

“Wilhelmina? Die maakt het goed. Ze komt iedere dag even langs. Ik moet niet jokken: ze laat haar oude moeder niet in de steek.” Ze wist dat Trude ergens op zat te broeden en dat ze alleen maar op zoek was naar voer voor haar geliefde bezigheid. Maar omdat het leven van Wilhelmina haar zorgen baarde, greep ze de mogelijkheid om haar hart te luchten met beide handen aan. “Als je in mijn hart kon kijken, zou je zien hoe ik eronder lijd. Als ik kom te overlijden, is verdriet daar de oorzaak van.”

Baya. Maar vrouw Amalia, je moet tot God bidden, hoor! Met Zijn wil zal ze een keer inzien dat op het leven dat ze leidt geen zegen rust.”

“Haar vader zaliger hebben we reeds naar zijn graf gedragen. Verdriet heeft hem te vroeg doen gaan. Ze was zijn oogappel, alles had hij voor haar over! Ik heb het betreurd dat hij haar voor zijn overlijden niet heeft kunnen erkennen. Hij had het zo graag gewild…”

“Waarom heeft hij het dan nooit gedaan?” Trude stak haar hand in haar decolleté en graaide naar een van haar zakdoeken. Haar hand verdween tot onder haar massieve linkerborst.

“Toen Wilhelmina werd geboren, zat Ferdinand in het binnenland. Het was een zware bevalling. Een van zijn collega’s die op dat moment in de stad was, is met me meegegaan om het kind aan te geven. Ferdinand was er niet bij, dus kon hij haar niet erkennen. Daarom draagt ze mijn achternaam: Rijburg. Wilhelmina Angelica Adriana Merian Rijburg…” Ze spelde de namen een voor een nadrukkelijk uit.

“Wat een gewichtige naam…”

Trude maakte de knoop in haar opgeviste zakdoek los, pakte er wat geld uit en gaf het aan Amalia.

“Voor ik het vergeet, Amalia, dit is voor de Suzanna-organdie. Maar waarom heeft Ferdinand haar niet op een later tijdstip erkend?”

“Hij was nooit lang genoeg in de stad en als hij er was, moest hij zoveel regelen dat er nooit tijd was om naar de burgerregistratie te gaan,” antwoordde Amalia verdrietig.

Trude legde een bemoedigende hand op haar schouder. “Als moeder kan ik me voorstellen hoe je je voelt. Je hebt haar zo netjes opgevoed! Jij en Ferdinand hebben hard gewerkt om haar alles te geven wat haar hartje begeerde… Vooral voor een vader lijkt zoiets me moeilijk.”

“Het werk op de goudvelden was keihard. Weet je hoeveel mensen tussen vier planken terugkeerden? Hij deed het voor haar, opdat ze een onbezorgde toekomst zou hebben. Hij was niet een van die vaders die ervan uitgingen dat er wel een man zou komen die voor hun dochter zou zorgen. Terwijl anderen de zuurverdiende dollars gebruikten om sigaren aan te steken en zo anderen de ogen uitstaken, spaarde hij élke cent…! Zijn droom was om het perceel waarop we woonden te kopen. En die droom heeft hij verwezenlijkt. En nog veel meer. Toen hij stierf bezaten we vier percelen! Twee liet hij haar na en twee waren voor mij. De huur die de huizen opbrengen is genoeg voor Wilhelmina om een onbezorgd leven te kunnen leiden.” Ze pauzeerde om even op adem te komen. Nu was het haar beurt het zweet van haar gezicht en hals te wissen. “Nog zo’n glas gemberbier zou nu wel op zijn plaats zijn,” zei ze.

“Maar waarom doet ze dat dan, als het niet voor het geld is? Wat heeft haar er dan toe gedreven?” vroeg Trude. Haar gezicht was een en al ernst.

“Dat weet God alleen. Tot haar dertiende was ze een voorbeeldig kind. Ze had haar onhebbelijkheden – natuurlijk! – maar daarin verschilde ze niet van andere kinderen. Plotseling werd ze nukkig en onhandelbaar. Ze klaagde de hele tijd over pijn in haar buik. Soms was de pijn zo erg dat ze niet eens kon lopen! We hebben haar naar de dokter gebracht, maar die kon niets vinden. Toen hebben we het buiten gezocht. Ons werd verteld dat de pijn in haar buik veroorzaakt werd door een papa winti. Die bonuman zei ook dat haaryeye kwaad was over het feit dat haar vader zo vaak van huis was. Hij moest haar betalen met een gouden ketting. Iedere keer als een collega van hem naar de stad kwam, bracht die wat sieraden mee. Hij overdreef het nogal, en hoe ik ook praatte, hij wist van geen ophouden.”

“Heeft hij haar dus bedorven?”

“Dat kun je wel stellen, ja. Alle sieraden en winti-rituelen ten spijt, ik kreeg mijn oude vertrouwde Willemientje niet terug. Op een gegeven moment dacht ik dat het te maken had met het plotselinge verhuizen van Nelis. Ze was zo gek op hem… Dus dacht ik dat ze zich zo gedroeg als vorm van protest.”

“Daar zit wat in, buurvrouw.”

De beide vrouwen sloegen de Ladesmanstraat in. Hier moesten ze midden op straat lopen: het trottoir was dicht met gras begroeid. De schelpen in de bestrating lieten een snerpend geluid horen als ze door hun gewicht werden vermalen. De wind, die uit de richting van de Drambrandersgracht in hun richting waaide, voerde een onaangename lucht met zich mee, een gevolg van de latrines van de huizen aan de Saramaccastraat, die alle op de gracht uitkwamen. Hieraan dankte de buurt de naam van Tingi Uku: ‘Stinkhoek’.

“Na ongeveer een jaar waren de buikklachten verdwenen. Maar toen kregen we nieuwe problemen. Wilhelmina werd plotseling zo werderl Ik hoefde maar met mijn ogen te knipperen en ze was verdwenen. Hoe ik ook op haar inpraatte en haar erop wees dat het niet gepast was voor een net meisje om zich zo te gedragen, en dat ze haar reputatie te gronde richtte, het was aan dovemansoren gericht. Het was bepaald geen pretje. Het werd algauw bekend dat ze zich aan iedere man gaf die zich aandiende. Ze was net een loopse teef. De kerels hingen constant rond het erf. Vergeef me de taal die ik gebruik, maar zo zag ik het…”

Tyé, mi Gado,” zuchtte Trude.

“Op een gegeven moment wilde haar vader er niets meer over horen. Als hij in de stad was zag ik aan zijn ogen hoezeer hij leed. Ik had eigenlijk toen al kunnen zien dat hij het leven diep van binnen vaarwel had gezegd. Godzijdank! Hij heeft niet lang genoeg geleefd om te zien wat voor leven ze nu leidt. Kort voor haar zestiende verjaardag kwam hij te overlijden. Wïllemien bleef nog een tijdje bij me wonen, daarna verhuisde ze naar het huis dat haar vader haar had nagelaten, twee erven verderop. Toen ze eenmaal het huis uit was, ging het van kwaad tot erger. Ik wist dat ze dat werk deed, maar het heeft me heel wat tijd gekost voordat ik dat over mijn lippen kon krijgen. Maar wat er ook gebeurt, ze blijft mijn dochter. Een hen vertrapt haar kuikens niet…”

Inmiddels waren ze bij Trudes huis aangekomen.

“Vrouw Amalia, hier scheiden onze wegen. Onthoud één ding: er is een God daarboven, alleen Hij weet waarom we hier op aarde zijn. Bid tot Hem en Hij zal je gebed verhoren. Er komt een dag dat Wilhelmina het licht zal zien. Ga met God, Amalia.”

“Vrouw Trude, bedankt voor je oor. Ik heb mijn hart kunnen luchten. God zegen je! Kom, ik ga mijn maag maar eens verwennen. Ik zie je morgen op de markt.” Voor Amalia het houten bruggetje opliep draaide ze zich nog eens om. “Hé, Trude, dat verhaal van Pauline! Wat heeft dat mens droge ogenl Ghèghèghè!”