Twaalfde hoofdstuk

HET ERGSTE

„Maar nu wou ik toch eerst wel eens van meneer Stevens weten wat hij hier aan de grens kwam doen, ' zei Bas. Ze zaten met zijn allen, de beide chauffeurs, meneer Stevens, meneer Heiligers, Carla en Bas in de eetzaal van het hotel. Bas - had nog eens in geuren en kleuren te horen gekregen hoe meneer Stevens 's nachts via zijn bandrecorder de volkspolitie had verjaagd. De fotograaf had op zijn beurt uitvoerig beschreven wat er zich allemaal aan de grens had afgespeeld. Het enige wat Bas nu nog niet wist, was wat nu precies de plaats van meneer Stevens was. Aan alles was het nu wel duidelijk dat de man op hun hand was, maar waarom was hij hen gevolgd en waarom had hij zo geheimzinnig gedaan? Ik kan het hem maar het best recht op de man af vragen, dacht Bas. Dat had hij nu gedaan. Meneer Stevens trok een gezicht of hij die vraag nou helemaal niet leuk vond. „Toe, vertelt u het eens, " drong Bas aan. „Liever niet, " zei Stevens, „ik sla er namelijk nogal een potsierlijk figuur in. Jullie lachen je krom, als je hoort wat ik hier ben komen doen. "
„Maar dan moet u het juist vertellen, " vond Koos, die al lang weer het hoogste woord had. Hij keek eens of Carla wel voldoende at. Als een zorgzaam vader was hij naast haar gaan zitten en hij verloor haar geen minuut uit het oog. Stevens zag wel in dat hij er niet aan zou ontkomen of hij moest zijn verhaal opbiechten. Allemaal keken ze hem vol verwachting aan en Bas zou zeker net zo lang blijven aandringen, tot hij met zijn verhaal voor de dag kwam. „Ik heb al gezegd dat ik nogal een figuur heb geslagen. Dat komt, omdat ik zo bezeten ben van alles wat met auto's te maken heeft. Bas weet wel dat ik alles op dat gebied verzamel. Ik heb die belangstelling van mijn vader. Die heeft indertijd als constructeur bij de vermaarde fabriek gewerkt, waar deSpijkers gebouwd werden. Ik ben in 1920 naar Amerika gegaan en heb daar nogal geboft. Het bedrijfje dat ik er vijfendertig jaar geleden begonnen ben, is uitgegroeid tot een groot concern. Ik heb hard gewerkt en veel geld verdiend. Mijn belangstelling voor auto's was er intussen niet minder op geworden, maar ik had er slechts weinig tijd voor. Een jaar geleden werd ik ziek en de dokter raadde me aan het eens wat kalmer aan te doen. Ik moest het er maar eens van nemen. Dat hoefde hij geen twee keer te zeggen, want ik was dat harde werken langzamerhand beu geworden. En wat had ik aan dat vele geld, als ik er toch nauwelijks gebruik van kon maken. Ik heb me teruggetrokken uit zaken en besloot voor een jaar naar Europa te gaan. Ik wilde mijn verzameling automodellen en -afbeeldingen aanvullen en meteen eens plezierig vakantie houden, want daar was in jaren niets van gekomen. Ik heb hier een caravan laten bouwen en besloot daarmee rond te trekken. Het eerst van alles ben ik naar de oude Spijkerfabriek in Amsterdam gegaan, de fabriek waar mijn vader had gewerkt. Het is er tegenwoordig een papierfabriek en er is maar weinig wat nog aan die vermaarde auto's herinnert.
„Weet u dat er weer een Nederlandse auto gaat komen, " zei de man, die mij in de fabriek rondleidde. „D'r is er toch al een, de truck van de Daf?" antwoordde ik, trots dat ik dit wist.
„Nee, een personenauto. De Daf gaat een personenwagen brengen. " Dat was nieuws voor me. „Er gaan verhalen dat ze er volgend jaar mee op de markt zullen komen, " wist mijn zegsman nog te vertellen. Nou, dat was wat voor mij. Een Nederlandse personenauto, daar moest ik meer van weten. En als het inderdaad waar was, dan zou ik niet rusten voor ik er een model van had voor mijn verzameling. Ik trok de brutale schoenen aan en ging naar de Daf-fabriek in Eindhoven. Daar konden ze me niet helpen. Ze lieten er zich niet eens over uit of er wel een personenwagen in aanbouw was. Gegevens waren niet beschikbaar. Als er een personenautokwam, werd het er in elk geval een met vier wielen, dat was wel zeker... Ze lieten me dus al even wijs als ik gekomen was. Of nee, toch niet helemaal. Ik had begrepen dat er bij de Daf echt wel iets aan de hand was. Mijn besluit stond vast: ik zou proberen te weten te komen hoe die nieuwe auto er uitzag. Misschien lachen jullie daarom, maar je moet niet vergeten: ik heb niets omhanden en ik ben gek op alles wat met auto's te maken heeft*..
-Goed, ik zette mijn caravan een eindje buiten Eindhoven neer. Vandaar ging ik regelmatig naar de Geldropseweg, om de situatie daar in het oog te houden. Na een week had ik succes, 's Avonds kwam er een vreemd bestelautootje het fabrieksterrein afrijden. De achterzijde ervan was met zeildoek overtrokken. Het was een model, dat ik helemaal niet kende en ik dacht: dat zou 'm wel eens kunnen zijn. Ik ging er achteraan. Er viel me al aanstonds iets heel merkwaardigs op. Je hoorde bij die auto niets van schakelen. De snelheid werd opgevoerd, maar van schakelen hoorde je niets. Nou, jullie begrijpen het wel. Mijn nieuwsgierigheid was nu helemaal niet meer te houden. Twee dagen later kreeg ik contact met twee jonge mannen, die zich ook al in de buurt van de Daf-fabriek ophielden. Dat was op de dag van het onweer, toen jij met je vriend bij ons kwam, Bas. Die twee bleken verslaggevers van een autoblad. Zij lagen op de loer om een foto te maken van het Dafje, zoals zij de nieuwe auto noemden. Na wat heen en weer gepraat, besloten we verder samen te werken.
's Avonds moest ik eerst wachten tot Bas en zijn vriend naar bed waren, daarom kwam ik te laat bij de Daf-fabriek aan. Maar de beide reporters van het autoblad hadden wel succes gehad. Ze zagen hoe om tien uur twee gecamoufleerde auto's het terrein verlieten. Zij er achterheen met hun wagen. Het werd een rit van honderd kilometer voor de beide wagentjes van de Daf stopten. De reporters sprongen uit hun auto om opnamen te maken met behulp van een blitzapparaat. Er ontstond natuurlijk een hele consternatie bij de bei-de auto's en de reporters verdwenen. Ik sprak hen na hun terugkeer. Ze waren vol van hun vangst en spoorslags reden ze naar den Haag om de film te ontwikkelen. De volgende dag kreeg ik het resultaat te horen. Alle opnamen waren mislukt. Het blitzapparaat had niet gelijktijdig met de sluiter van de camera gewerkt.
Het was een bittere tegenvaller en de beide jongemannen kwamen de volgende middag terug. Ze hadden zelfs een derde man bij zich. Maar nu waren ze bij de Daf op hun hoede. Terwijl de twee reporters in hun auto in de omgeving van de fabriek wachtten, kwam er plotseling een Dafje langsrijden. "
„O, dat hebben wij gezien, " wist Bas, wie nu plotseling een licht was opgegaan.
„Precies, " zei meneer Stevens. „Jullie kwamen dat café binnen, toen ik er ook zat. "
„Achter die krant?" vroeg Bas.
„Ja, dat moest ik wel doen, anders waren jullie natuurlijk naar me toegekomen. Goed, terwijl we daar zaten, kwam er een telefoontje van een kennis, die voor ons op de uitkijk stond dat het Dafje over de weg reed. Die drie reporters naar buiten. Even later kwam het Dafje inderdaad opdagen en zij er achteraan. Ik verliet het café en volgde de beide auto's op mijn beurt. Maar het werd weer een teleurstelling. Het Dafje reed het fabrieksterrein op. Het was duidelijk dat de proefrit van die dag achter de rug was. De beide reporters gingen dan ook maar de stad in. Ik bleef er nog wat. En wat zag ik? Een tijdje later kwamen er twee Dafjes naar buiten rijden. Men had de beide reporters misleid. Het was te laat om die twee nog te waarschuwen en ik kon dus alleen maar toekijken hoe de proefmodellen er vandoor gingen. Dat was de tweede mislukking. De derde keer zaten we er ook naast. Laat op de avond keerden de beide reporters terug. Bij de Daf had men dat al spoedig ontdekt en ze besloten daar er voorgoed een eind aan te maken. Om halfelf gingen alle lichten op de proefbaan aan en daar verscheen eenDafje. De fotograaf van het autoblad ging er natuurlijk op af om een opname te maken. Maar toen bleek, dat men hem een hinderlaag had gelegd. Vlak bij de auto hadden zich twee mannen verstopt. Zij kwamen nu op de fotograaf af, die zo verschrikkelijk schrok, dat hij hals over kop in het donker verdween. Hij struikelde over een koe, stapte in iets wat een koe had achtergelaten en verdwaalde in het donker. Het was aan alle kanten een mislukking.
De tweede reporter ging op zoek naar zijn collega, maar ik besloot het nog eens aan te kijken. En toen zag ik het. Op een gegeven ogenblik kwam er een grote truck van de Daf van het terrein af rijden. Aan de achterzijde staken twee balken naar buiten. Dat was het, dacht ik. Ze hadden het proefmodel natuurlijk in die truck gereden en gingen ermee naar een afgelegen plaats om daar de proefritten voort te zetten. Die maandag daarop ondernamen de reporters nog een poging om een foto te maken. Maar het enige resultaat was, dat de fotograaf van de Daf een opname van hen maakte. Toen gaf ik er de brui aan. Op deze wijze zou ik niets bereiken. Maar er was intussen een ander plan bij me opgekomen. Ik herinnerde me die truck, die ik 's avonds had zien wegrijden. Ik herinnerde me ook de brief, die Bas van meneer Heiligers had gekregen. Die lag 's morgens op de grond met een envelop van de Daf-fabriek er bovenop. Ik was wel zo nieuwsgierig geweest om eens te kijken wat er in die brief stond. Die kwam immers van de Daf. Jullie kennen de inhoud wel. Meneer Heiligers vroeg Bas of hij zin had met een truck mee te gaan naar Duitsland. Nu heet de fotograaf van de Daf-fabriek Heiligers. Ik had een truck van de Daf zien rijden met de personenwagen aan boord. Jullie kunnen mijn gedachten-gang wel volgen: ik verkeerde in de veronderstelling dat de Daf met de nieuwe auto naar Duitsland ging om daar proefritten te maken. Ik nam aan, dat ze de bergen in zouden trekken om ook daar de wagen te beproeven. "
„Is er werkelijk bij de Daf een fotograaf, die Heiligers heet?" vroeg Bas ongelovig.
„Ja, informeer maar bij de fabriek. 1). Ik wou dat het anders was, dan had ik niet zo'n blunder gemaakt. Want jullie zullen het al wel begrepen hebben wat er is gebeurd. Toen het in Eindhoven niet lukte met het maken van foto's, ben ik bij Bas' ouders gaan informeren waar de truck heen zou gaan. Ze gaven me het adres van de garage in Frankfort. Daar kreeg ik te horen dat de auto vertrokken was naar Karlsstadt. Ik vond dat wel vreemd. Waarom zouden ze nu proefritten gaan maken achter het ijzeren gordijn, dacht ik. Maar ik was bezeten van het idee dat ik op een of andere wijze de auto te zien moest krijgen. Ik dacht verder niet na, sprong hals over kop in mijn wagen en zette de achtervolging in. Maar ik lag veel te ver achter en toen ik hier arriveerde, was de truck al lang en breed over de grens. Ik kon de grens niet over, omdat ik geen visum had. Daarom besloot ik hier te wachten. Bas maakte me ook al niet wijzer, anders had ik misschien al direct rechtsomkeert gemaakt. "
„Ik kon u niets vertellen, " verontschuldigde Bas zich. „Ik mocht met niemand er over praten en ik wist natuurlijk niet of u wel te vertrouwen was. "
„Mijn eigen schuld, " lachte Stevens. „Ik had je best recht op de man af kunnen vragen of het Dafje zich in de truck bevond. Aan je reacties had ik dan wel kunnen nagaan wat er aan de hand was, al had je ik weet niet wat verteld. Maar ik wou dat niet doen. Ik vond het niet sportief. Ik nam aan dat jij opdracht had gekregen te zwijgen en ik wilde je niet in moeilijkheden brengen. Ik zinspeelde er wel op, maar je reageerde helemaal niet. "
„Allicht niet, " zei Bas, „ik dacht dat u het over het meisje had. Maar nu snap ik waarom u eergisteravond dat verhaal over de Daf vertelde. Dat was natuurlijk om mij uit de tent te lokken. "
*) Hoe toevallig het ook lijkt, de lay-out man en bedrijfsfotograaf van de Daf heet inderdaad Heiligers. Afgezien van de figuur van Stevens berust het verhaal van de „spionage" rond de Daf op gebeurtenissen, die zich werkelijk hebben voorgedaan.
„Ja, maar toen jij zo lauw reageerde, begon ik toch te twijfelen. Ik had me al enkele malen afgevraagd of ik er niet naast zat, maar toen raakte ik helemaal in onzekerheid. Ik besloot toch maar te blijven, omdat ik haring of kuit wilde hebben. "
„Gelukkig maar, " vond Koos, „anders hadden die kerels Carla toch nog over de grens gekregen. "
„Dat is waar, maar ik heb achter het net gevist, " vond Stevens. „Ik heb nog steeds niets van het Dafje. "
„Daar weet ik raad op, " zei Bas. „Ik schrijf naar de Daf en vertel ze precies wat er allemaal gebeurd is. "
De truck naderde Frankfort. Bas zag reeds de borden, die de aftakkingen naar het vliegveld aangaven. „Direct krijgen we het ergste van alles, " zei Rinus. „Hoe bedoel je?" wilde Bas weten. Hij zat naast Carla in de cabine. Heiligers bevond zich in de Buick van meneer Stevens, die achter Doortje aankwam. Stevens had ook Carla een plaats in zijn auto aangeboden, maar daarvan hadden de chauffeurs niet willen weten. Ze bewaakten het meisje als hun oogappel en ze moest en zou in de cabine blijven. Carla zelf had niet veel gezegd. Ze was erg stil en zat meestal bedroefd voor zich uit te kijken. Meneer Heiligers had haar voor het vertrek verteld wat er van Hektor was geworden en dat trok ze zich erg aan. Het was maar goed dat ze aanstonds haar moeder terug zou zien. Dat zou haar afleiding geven, zodat ze niet aan de hond bleef denken. Haar moeder en haar grootvader hadden haar willen komen afhalen, maar Rinus had hun dat uit het hoofd gepraat. Hij had hun pas vanmorgen opgebeld om mee te delen dat het meisje veilig was. Gisteravond had hij dat niet meer gedaan, omdat het tweetal toch niet beter wist of de truck zou eerst vandaag terug zijn. De chauffeurs hadden dat indertijd gezegd om te zorgen dat de familie niet te vroeg naar het grensplaatsje zou komen en daardoor argwaan wekken. Het sprak vanzelf dat het bericht van Rinus grote vreugde had veroorzaakt. Mama en grootvader hadden direct willen komen.
„Nee, " had Rinus geantwoord, „doet u dat niet. Wij vertrekken direct en over een paar uur zijn we* bij u. We kunnen niet wachten, want we hebben al te veel tijd verloren. We zouden het trouwens erg plezierig vinden als we het meisje bij u mogen brengen. " En nu waren ze dus op weg naar Frankfort om Carla bij haar moeder af te leveren. „Hoe bedoel je?" herhaalde Bas zijn vraag, omdat hij nog geen antwoord van Rinus op zijn vraag had gekregen. „Nou, moet jij direct eens opletten, " gaf de chauffeur ten antwoord. „Direct staat daar een huilende moeder en een snikkende opa. Dat kind helemaal van streek. Dan komen ze ons bedanken met gesnotter. Ik wou dat het alvast achter de rug was. "
„Wat mij betreft ook, " zei Koos. „Maar hoe doen we het met de centen, om even zakelijk te wezen, Rinus?"
„Wat moeten we?"
„Dat geld hebben we eerlijk verdiend. "
„Als jij vindt dat die uren van angst in geld te betalen zijn. "
„Je wou toch zeker niet terugkrabbelen?"
„Dat zeg ik toch niet. "
„Nee, want nou moet je even goed luisteren, Rinus. Ik heb best wat willen wagen om dat meisje te helpen, maar niet voor niks. Ik zelf hoef er niks voor te hebben, helemaal niet. Met nog geen tienduizend gulden maken ze die uren van angst goed, dat ben ik roerend met je eens. Maar ik heb het gedaan voor mijn gezin, Rinus. Ik ben helemaal geen held, dat weet je ook wel. Die oudste jongen wil zo graag studeren, Rinus... Nou kan hij het... " Bas was geroerd door die woorden. Wat moest Koos met zijn hazehart in angst hebben gezeten, wat moest die man hebben doorgemaakt... Hij had er alleen de moed voor gehad, omdat hij zijn oudste jongen zo graag de kans gunde om verder te studeren. Koos staarde voor zich uit. „Als ze nou maar niet gaan vertellen dat ik me zo heldhaftig gedragen heb en van dat soort flauwekul... " Hij zweeg. „Ach, verroest, ik heb het natuurlijk om dat meisje gedaan en om die jongen van mij. " Rinus knikte.
„Ja, bij jou heeft dat zin. Jij weet nog, waarvoor je zoiets doet. Maar nou stoppen ze mij straks een pakje bankbiljetten in handen. Wat moet ik er mee? Op de spaarbank zetten, dan krijg ik er rente van. En wat doe ik met die rente? Op de spaarbank zetten, krijg ik daar weer rente van... "
„Weet je wat jij moest doen, Rinus?" zei Koos. „Ja, ik weet het al, " antwoordt Rinus grijnzend. „Trouwen moet ik. Maar daarvoor moeten er twee zijn, Koos. "
„Nou, en zou er dan voor jou geen meisje zijn?"
„Jawel, als Rinus maar thuis wil blijven. Als Rinus maar niet op stap gaat. Niet vandaag naar München en volgende week naar Barcelona of Kopenhagen. Ik kan me best voorstellen dat een vrouw dat niet gezellig vindt. "
„Dat is waar, " gaf Koos toe, „de mijne heeft er ook nogal wat op tegen. Maar wij waren al de nodige jaren getrouwd, toen ik op de afstand ging rijden en d'r waren kinderen. Dat maakt een hoop verschil, want zij zit 's avonds niet alleen, hè? Maar als je nou eens bij huis bleef?"
„Man, dat kan ik niet. Ik ben geen man voor een stadsbus of besteldienst. Ik moet met zo'n grote truck over de wegen. Vijfhonderd, duizend kilometer in één ruk. Fernfahrer noemen de Duitsers ons. Op de verre afstand rijden... Ik heb er wel eens over gedacht om er mee op te houden. Maar zelfs na zo'n avontuur als nu, hè, kan ik er nog niet genoeg van krijgen... " Rinus zwijgt, maar zijn gedachten gaan verder. Er zijn twee dingen bij zijn werk, die hem niet bevredigen. Dat hij alleen is, dat er dus niemand is voor wie hij werkt. En op de tweede plaats dat hij geen eigen baas is. Hij heeft het bedrijf van zijn vader verkocht, maar het bloed van zijn vader stroomt in hem: hij zou net als hij eigen baas willen zijn. Soms droomt hij er wel eens van, dat hij de leiding heeft over een groot expeditiebedrijf en dat hij zijn wagens van het ene punt van Europa naar het andere stuurt. Hij kent de grote routes uit ervaring en hij zou weten hoe hij het bedrijf het beste zou kunnen opzetten. Desnoods zou hij zelf weer achter het stuur kruipen, om een vracht op de bestemmingte brengen. Als hij eigen baas was, zou hij het minder erg vinden om thuis te blijven. Iedere auto, die uit zijn garage vertrekt, zou voor hem de beelden oproepen van de plaatsen, die de truck zal aandoen en die hij uit eigen aanschouwing kent. Een eigen expeditiebedrijf... Maar het is een te vermetele droom. Goed, hij heeft wat kapitaal op de bank staan, maar het is te weinig om zelfs maar één truck te kopen. Nee, daar zal wel nooit iets van komen. En zo zal hij een eenzame zwerver blijven op de wegen van Europa, denkt hij mismoedig.
Bij de garage, waar ze moeten zijn, staat het zwart van de mensen. De mannen letten er niet op. Maar als die honderden lieden beginnen te juichen bij het zien van de truck uit Nederland, kijken ze verbaasd op. „Wat moet dat nou?" vraagt Rinus. „Dat zal toch niet voor ons wezen?" weifelt Koos. „Nee toch?" schrikt Rinus. „Wegwezen, Koos. " Maar het is te laat. De truck staat nog niet eens stil of er springt al iemand op de treeplank en rukt het portier open. De chauffeurs worden bijna naar buiten getrokken. Een vrouw stort zich naar voren. Nou, en dan draait Bas zich maar even om. Het is wel hartroerend, als een moeder haar kind begroet, maar je moet er niet naar gaan staan kijken. Hij hoort de door snikken verstikte stem van de vrouw en het hese geluid van Carla. Lieve help, en dat met al die mensen er omheen. Maar het ergste komt inderdaad nog. De moeder maakt zich los van het meisje en valt dan Rinus om de hals. Die staat net te kijken of hij het in Keulen hoort donderen. Hij weet gewoon niet wat voor gezicht hij moet trekken. De vrouw bedankt hem en bedankt hem nog eens, zegt hem dat hij zo moedig is geweest.
„Heb ik het niet gezegd, " verklaart Koos, die nu ook zijn beurt krijgt. Maar ze zijn er nog niet. Er komen journalisten aan, die het nodige willen weten. Er zijn officiële lieden, die hun een hand geven. Ja hoor, en daar staan ze ook al metfilmcamera's. Van de televisie. Ze maken me een heisa van jewelste. Ineens beginnen de mensen te lachen. Ze wijzen naar Heiligers. Die is uit de Buick gestapt en staat nu op zijn gemak al de fotografen en cameramensen te fotograferen. De grootvader van Carla komt er aan. Hoelang de Nederlanders blijven. „Hooguit een uur, " zegt Koos, ze moeten de verloren tijd inhalen. De man kijkt teleurgesteld. Men heeft de Nederlanders op grootse wijze willen onthalen. Ja, heel de geschiedenis is al bekend. Vanmorgen stonden de kranten vol.
„Des te meer reden om er rap tussenuit te gaan, " zegt Koos in het Nederlands. In het Duits verklaart hij dat het hun ontzaglijk spijt, maar ze moeten echt verder. Meneer begrijpt het, maar ze kunnen toch wel samen een hapje eten. „Ja, maar zonder officieel gedoe, " zegt Koos haastig, „want daar zijn we niet op gekleed. Pakkie deftig heb ik niet aan. " Hij wijst op zijn manchester pak. De grootvader knikte geruststellend.
Een kwartier later zitten ze aan tafel. Het fijnste van het fijnste wordt er opgediend. De mannen moeten aan mama en grootvader uitvoerig vertellen hoe het allemaal in zijn werk is gegaan. Dan is het weer tijd voor het vertrek. De Nederlanders staan op. Koos geeft Carla zo'n stevige hand, dat ze het bijna uitschreeuwt van de pijn.
„Dan vergeet je ons niet zo gauw, " zegt Koos wat schutterig. „Ik zal u nooit vergeten, " verklaart het meisje ernstig... De belofte komt uit het diepst van haar hart!