Elfde hoofdstuk

STEVENS IN ACTIE

Ze overlegden wat ze zouden doen: doorrijden of hier in het hotel overnachten. Ze voelden het meest voor het eerste. Hoe verder ze van de grens verwijderd waren, des te liever was het hun. Maar was het wel verantwoord om nu de rit voort te zetten? De spanning trilde nog in hun lichaam. Het meisje was op van de zenuwen. De Westduitse douanebeambten, die hun papieren en vergunningen hadden gecontroleerd, hadden hun ook aangeraden vannacht maar hier te blijven. De chauffeurs mochten nu wel met veel bravour rondlopen, een uur of acht gezonde slaap konden ze allebei best gebruiken. Ze zouden dan de emoties van de laatste dagen kunnen vergeten.
„We raken een stuk achter op ons schema, " waarschuwde Rinus zijn maat. „Bel de baas op. "
„Ik kijk wel uit. Als ik hem vertel wat we geriskeerd hebben, schrikt hij zich lam. Het is altijd nog vroeg genoeg, als hij ervan hoort en dan leg ik het hem liever op mijn gemak uit. Bovendien hindert het niks. Hij is gewend dat we hier aan de grens soms een uur of tien oponthoud hebben. Als we eens een keer op tijd zijn, kijkt hij gek op. "
„Dat zal wel niet meer gebeuren, " meende Koos. „Wij komen nooit meer achter het ijzeren gordijn. Wij staan voorgoed op de zwarte lijst. "
„Ik ben er echt niet rouwig om dat ik Karlsstadt nooit meer zal zien, " zei Rinus uit het diepst van zijn hart. De mannen zaten in het hotel koffie te drinken. Dat hadden ze in ieder geval wel verdiend, vonden ze, ook al was er nog niet beslist of ze hier zouden overnachten. Carla zat bij hen. Ze keek een beetje verwezen om zich heen. Ze scheen nog altijd niet te kunnen geloven dat ze hier in het westen was. Ze had gevraagd naar Hektor. Niemand had durven vertel-len wat er was gebeurd. Rinus had gauw gezegd dat de hond achter in de bijkeuken was, omdat hij niet 'in de zaal hier mocht komen. Het meisje had er direct heen gewild, maar ze hadden haar kunnen tegenhouden. Het scheen dat ze nog de invloed onderging van het slaapmiddel, want ze had nu alle moeite om haar ogen open te houden. Net als Heiligers trouwens, die tolde ook bijna om van de slaap. Toen de chauffeurs dat merkten, was de zaak voor hen beslist. Ze bleven vannacht hier.
Nog geen halfuur later lagen ze allemaal in bed. Ze waren de enige gasten in het hotel, dat weldra ook in diepe rust verzonken lag. Alleen het lampje boven de ingang brandde nog.
De overvallers hadden gemakkelijk spel. Ze kwamen met twee auto's uit het donker aanzetten. Het was na twaalven en in heel het dorp was geen leven meer te bespeuren. Een honderd meter van het hotel kwamen de beide auto's tot stilstand. Als robots, zonder enig geluid te maken en in diep stilzwijgen, stapten de mannen uit. Er werd geen woord gesproken, ieder scheen precies te weten wat hem te doen stond. Er vatte een man post bij de ingang en een bij de achterdeur. Twee anderen stelden zich zo op, dat ze de ramen in het vizier hadden. Een aluminium ladder werd snel gemonteerd en tegen de muur gezet. Onhoorbaar klommen vier mannen naar boven. Ze hadden het eenvoudig, want er stond een raam open en ze konden zonder moeite naar binnen. Het was de kamer van Bas waarin ze beland waren. De mannen sloten het raam en gingen naar zijn bed toe, maar toen ze zagen dat het een jongen was die daar te slapen lag, begaven ze zich snel naar de deur.
Bas was wakker geworden. Hij had een angstige droom gehad en daaruit was hij schielijk ontwaakt. Nog slaapdronken zag hij de vier mannen naar de deur gaan. Wat had dat te betekenen? Wat moesten die kerels hier? Het angstzweet brak hem uit. Dat was natuurlijk om hetmeisje te doen. Voorzichtig, zonder enig geluid te maken, keerde hij zich om, zodat hij de deur in het oog kon houden. Het bed piepte. Hij zag een van de mannen naar zijn zak grijpen en iets te voorschijn halen. Een revolver? Nee, er verspreidde zich een vreemde zoete geur door de kamer. Bas snoof het op. Het leek of hij duizelig werd. Meteen wist hij het. Het was natuurlijk een of ander bedwelmend middel, dat die kerel in de kamer had gespoten. Je maakte alle kans dat ze dat ook in de andere slaapkamers zouden doen, zodat niemand iets kon ondernemen. Dan zouden ze Carla ontvoeren en terugbrengen naar het oosten.
Maar dat zou zo maar niet gebeuren... Bas wilde zich oprichten. Een zware loomheid had zich al van hem meester gemaakt. Hij zag nog nauwelijks kans zich te bewegen. Maar hij moest alarm slaan.
Daar, een eindje van zijn bed, moest een stoel staan. Zijn hand tastte in het donker tot hij de leuning gevonden had. Het was zijn bedoeling de stoel om te gooien en meteen een kreet te slaken. Maar zijn hand viel krachteloos terug. Het bedwelmende middel had zijn werk al gedaan. De vier mannen namen niet eens de moeite de andere gasten buiten gevecht te stellen. Zij vertrouwden zo op hun overmacht, dat ze direct aan hun eigenlijke opdracht begonnen. De eerstvolgende deur die ze openden, bleek die van de kamer te zijn waar het gevluchte meisje lag te slapen. In een ogenblik hadden ze haar gebonden en door een prop in haar mond te duwen gezorgd, dat ze geen gerucht kon maken. Een van de mannen opende het raam. Beneden kwam er iemand aan om de ladder te verplaatsen. Hij klom naar boven en nam het meisje over. Niemand scheen iets van de ontvoering te merken en het zag er naar uit dat de kerels in hun opzet zouden slagen.
Nee toch, één was er die hun aanwezigheid had ontdekt. Het was Stevens, wiens caravan aan de overkant van het hotel stond. Hij was nog niet ingeslapen, toen hij de beide auto's hoorde naderen. Tot heel laat was hij aan het experimen-teren geweest met zijn bandrecorder, maar op een gegeven ogenblik had hij er genoeg van gekregen. Hij had niet eens de moeite genomen de apparatuur weg te bergen. Dat kwam hem nu te pas.
Terwijl hij lag te wachten tot de slaap kwam, hoorde hij de auto's stoppen. Eerst sloeg hij er geen acht op, maar toen de tien mannen over de weg naderden, kreeg hij toch argwaan. De mannen deden wel hun best geen geluid te maken, maar in een doodstille nacht ontgaat het je niet als er zoveel mensen passeren.
Stevens vertrouwde het helemaal niet. Wat moest dat alles in het hartje van de nacht, terwijl het dorp om deze tijd altijd uitgestorven was? Het was vrij donker buiten, maar door het raam van de caravan kon hij toch wel zo ongeveer zien wat er zich afspeelde. Hij onderscheidde de mannen die het hotel omsingelden. Aan heel hun gedoe kon je nagaan dat die kerels een militaire opleiding hadden gehad. Dan zag hij hoe een ladder tegen een muur van het hotel werd gezet en even later drongen er vier man via een openstaand raam naar binnen.
Het was Stevens duidelijk wat er hier aan de hand was. Hij wilde wel ingrijpen, maar hij moest eerst eens bij zichzelf overleggen wat hij het beste kon doen. Die kerels waren met z'n tienen. Die kon je in je eentje niet baas. Hij zou natuurlijk wel kunnen proberen enkele omwonenden te waarschuwen, maar dat was een onderneming waarin hij naar alle waarschijnlijkheid niet zou slagen. Die kerels zouden hem vast horen, als hij zijn caravan verliet, en dan hoefde je er niet aan te twijfelen wat er gebeurde. Die lui kenden geen pardon. Ze hadden een opdracht en die zouden ze uitvoeren! Hij had geen wapens om een alarmschot af te vuren. Wat kon hij dan wel doen? Plotseling kreeg Stevens een idee. Ondanks de benarde situatie had hij zoveel schik in die inval, dat er een brede lach op zijn gezicht kwam...
Voor het raam staande volgden de indringers met hun ogende man die met het meisje op zijn rug de smalle ladder afdaalde. En toen begon de sirene te loeien. Het was een oorverdovend geluid in de nachtelijke stilte. Af en aan zwol het gehuil. Meteen daarop begon het geratel van machinegeweren, gevolgd door het donderend lawaai van een straaljager die overvloog.
Het lawaai weerkaatste tegen de muren van de huizen. Lichten gingen aan, ramen werden opengeschoven. Er ontstond verwarring. De mannen die zich voor het raam van het hotel bevonden, wilden zo snel mogelijk naar beneden. Ze stonden elkaar in de weg. Om het hotel renden de wachtposten naar elkaar toe. Niemand begreep wat er aan de hand was. De man, die het meisje droeg, legde zijn last neer, zo verrast was hij. Boven hem vloog een raam open. Het was Rinus, die daar verscheen. Koos kwam aan zijn raam en ook Heiligers. Dorpelingen riepen elkaar toe. Opnieuw begon de sirene te loeien. Het lawaai golfde heen en weer. De overvallers raakten in paniek en sloegen op de vlucht. Twee van hen probeerden nog het meisje mee te nemen, maar als een blok kwam Rinus uit het raam omlaag gesprongen. De mannen schrokken zo, dat ze hals over kop de vlucht namen. De vier, die het hotel binnengedrongen waren, lieten zich nu ook uit het raam omlaag vallen. Rinus zag hen, maar het was te laat. Een van hen hield hem een revolver onder de neus. De drie anderen grepen het meisje en gingen met haar weg. De man, die Rinus in bedwang had gehouden, volgde hen haastig.
Zouden de ontvoerders nu toch nog in hun opzet slagen? Zonder op het gevaar dat hij liep acht te slaan, zette de chauffeur de achtervolging in. Hij luisterde niet naar de ijselijke geluiden, die nu in het donker hoorbaar werden. Het was een afschuwelijk gekreun en gesteun, dat niets menselijks meer had, een hels gejoel en wat al niet meer. Maar op de ontvoerders miste het zijn uitwerking niet. Het was iets waarop ze in het geheel niet bedacht waren geweest en waarvan ze de oorsprong ook niet kenden. Zo snel ze konden,renden ze naar de auto's om te vluchten. Maar de twee, die het meisje tussen zich in droegen, konden niet zo snel uit de voeten. Rinus haalde hen in en naast hem verscheen een man, die eveneens de achtervolging had ingezet. Rinus zag even een flits van een bont gekleurd sporthemd. Was dat niet de man, die hij een paar uur geleden bij Bas had gezien? Het deed er ook niet toe. Eerst dat meisje terug. Hadden ze daarvoor zo in angst gezeten, hadden ze daarvoor alles geriskeerd, om haar nu terug te laten slepen achter het ijzeren gordijn?
Rinus liet zich niet weerhouden door het gevaar van wapens. Hij sprong voor de beide kerels, die nog een meter of twintig van de auto's verwijderd waren. Met een ruk had hij het meisje aan hun greep ontrukt.
Een joelend gegil krijste door de nacht. Daarna woedende stemmen, alsof er honderden mensen in aantocht waren. Dat was meer dan voldoende. De beide kerels, die eerst nog een poging hadden willen ondernemen om Rinus te lijf te gaan, schrokken zo, dat ze ijlings in de auto's verdwenen, die nu de duisternis in reden.
Het verschrikkelijke lawaai ging nog even door en dan brak het abrupt af.
„Daar was ik nou bang voor, " zei de man, die hijgend naast Rinus voortging. De chauffeur droeg het meisje in zijn armen. Het kind drukte zich snikkend tegen hem aan. Rinus had haar de prop al uit de mond genomen en het touw, waarmee ze gebonden was, losgemaakt.
„Wees maar stil, " trachtte hij het meisje op onhandige wijze gerust te stellen. „Die kerels zijn verdwenen. Ze kunnen je niets meer doen. " Dan wendde hij zich tot de man naast hem: „Waar was u bang voor?"
„Nou, dat de versterker het zou begeven. Ik had hem op zijn uiterst vermogen gezet, maar er zal nou wel een of andere buis zijn bezweken. Het was me anders het lawaai wel. "
„Hebt u dat dan gemaakt?"
„Met een geluidsbandje, " legde de man uit. „Mooi werk,hè? Ik had in de gaten hoe die kerels het hotel binnendrongen. In mijn eentje kon ik niet veel uitrichten. Ik ben trouwens zo'n held niet en ik waag mijn hachje maar liever niet aan een kogel. Ik had mijn bandrecorder nog op tafel staan. Nou, die heb ik op de versterker ingeschakeld. De knoppen zover mogelijk open gedraaid, zachtjes de deur van de caravan open gezet, nou, en toen kon de muziek beginnen.,, Ze waren bij het hotel gearriveerd. Daar was een complete volksoploop. Van de dorpsbewoners wist natuurlijk niemand iets van hetgeen er gebeurd was en de Nederlanders moesten dan ook tekst en uitleg geven. Het verhaal maakte diepe indruk. Niemand had verwacht dat de volkspolitie zulk een vermetele aanval zou durven ondernemen. Er werd echter luidkeels gelachen, toen men hoorde hoe Stevens hen beet had gehad.
„Lieve help, " zei er een, „ik dacht werkelijk dat er een luchtaanval was. Ik ben nog nooit zo vlug uit mijn bed gekomen. " Ze stonden in een groep bij elkaar in de eetzaal van het hotel. Het meisje zat er stilletjes in een hoekje een glas melk te drinken, dat iemand haar had gebracht. Ineens klonk er een kreet van Stevens.
„Waar is Bas?" Een nieuwe paniek ontstond. Mannen wilden al naar buiten snellen. Ze wisten zelf niet waarom. Misschien hadden ze een vaag idee dat ze achter de beide auto's aan moesten, maar die zouden natuurlijk al lang over de grens verdwenen zijn.
Heiligers was degene die op het idee kwam dat ze eerst eens op de kamer van de jongen moesten gaan kijken. Daar vonden ze Bas, levenloos, naar ze in hun eerste schrik dachten. Heiligers legde zijn oor te luisteren op de borst van de jongen en hoorde dat het hart klopte. Toen snoof hij ook de zoetige lucht op in de kamer; nog miste het middel zijn uitwerking niet en hij voelde zijn hoofd zwaar worden. Met twee, drie grote passen was hij bij het raam en opende dat. De frisse lucht streek verkoelend langs zijn gezicht. Maar Bas lag daar nog roerloos.
Er werd een dokter gealarmeerd. Die kon hen al spoedig geruststellen. Over een, hoogstens twee uur zou de jongen weer bij kennis zijn. Hij stond het nog te vertellen, toen Bas zijn ogen al weer opensloeg.
„Waar is Carla?" was zijn eerste vraag. Hij knikte opgelucht, toen hij hoorde dat ze in veiligheid was. Het was allemaal toch nog goed afgelopen.
„Zullen we maar gaan rijden?" vroeg Koos dan. „Die kerels krijgen dan niet de kans om het grapje nog eens uit te halen. " Rinus wees ten antwoord alleen maar op Bas en Carla. Koos begreep toen ook wel dat ze die twee beter nog wat rust konden gunnen.
„Maar niet zonder bewaking, " zei hij.
De politie was intussen natuurlijk ook komen opdagen en die beloofde dat het hotel heel de nacht bewaakt zou worden. Bovendien werden de grensposten gewaarschuwd, zodat men van de overkant uit er niet opnieuw in zou slagen de grens te passeren. Maar dat was Koos en Rinus nog niet voldoende. Om beurten zouden ze op de kamer van het meisje de wacht houden, spraken ze met elkaar af. Ze waakten over haar als was het de kostbaarste schat die ze ooit hadden vervoerd. En als zodanig beschouwden ze Carla ook...