Negende hoofdstuk

HET VIADUCT

De nacht was voorbij. Het was al enige tijd geleden sinds de laaiende schijf van de zon boven de einder was verschenen. Het zag er naar uit dat het een snikhete dag zou worden. De warmte lag nu reeds, terwijl het toch nog vroeg in de morgen was, als een last op het landschap. De asfaltweg glinsterde ver voor hen uit, alsof het geregend had. Het was de weerkaatsing van het zonlicht op het wegdek. Met haar gebruikelijke snelheid trok de truck voort. De mannen hadden wel gewild dat ze met een vaart van honderdvijftig kilometer vooruit konden komen, zodat ze zo gauw mogelijk het land uit waren. Van het meisje achter zich hadden ze al die tijd nog niets gehoord. Ze veronderstelden dat ze nog steeds lag te slapen.
„We hebben de nodige biscuits en een thermosfles met chocolademelk bij haar neergezet, " vertelde Koos. „Als ze daarvan drinkt, valt ze meteen weer in slaap. "
„Ik vind het toch wel een beetje bar om dat kind zulke slaapmiddelen toe te dienen, " verklaarde Heiligers. „Wat had u dan gewild?" vroeg Rinus op enigszins scherpe toon. „Veronderstel dat ze vierentwintig uur in het donker had moeten zitten. Je kan er niks zien en nauwelijks iets horen. Je weet van niks en je zit maar in spanning. Je kunt met niemand praten. Denkt u zich dat eens in. Is het niet om gek van te worden. Dat kun je toch zo'n kind niet aandoen?"
„Als je het zo bekijkt, " antwoordde Heiligers. „Natuurlijk zijn het krankzinnige dingen die we doen, " vervolgde de chauffeur. „Wij lijken wel misdadigers zoals we hier een meisje uit het land smokkelen. Je moet zo'n kind verdoven om te zorgen dat het ons niet kan verraden. En dat allemaal, omdat je een kind bij haar moeder wilt brengen. Is het niet verschrikkelijk dat er dan zulke dingen moeten gebeuren?" Heiligers kon niet anders doen dan ja knikken.
Van de hond ondervonden ze niet de minste hinder. Die lag achter hen op de slaapbank of zat tussen hen in. Het dier at wat mee van de boterhammen, die de mannen het voerden. Het hield zich rustig, omdat het wel scheen te beseffen dat Carla daarachter in veiligheid verkeerde. De mannen zouden best zin gehad hebben om hier of daar te stoppen en wat te eten. Al zou het waarschijnlijk niet zo'n beste maaltijd of koffie zijn geweest die ze voorgezet hadden gekregen — in Oostduitsland mocht je nu eenmaal geen grote verwachtingen hebben op dit gebied — het zou in alle geval een welkome onderbreking van de eindeloze rit zijn geweest. Maar de mannen wilden geen tijd verliezen. Er was maar één ding dat hun voor de geest stond: zo gauw mogelijk de grens over... Tot nog toe hadden ze geen enkel oponthoud gehad. De truck liep rustig en de motor zoemde gelijkmatig. De uren kropen verder. De hitte nam steeds meer toe. Ze hadden de raampjes van de cabine opengedraaid en er waaide frisse wind langs hen heen. Toch hadden ze last van de warmte. Zweetdruppels stonden op hun voorhoofd en hun handen voelden klam aan. De verte trilde van de warmte. Het was nu wel wat drukker op de weg, maar je kon het toch bij lange niet vergelijken met de drukte op een van de Autobahnen in het westen. Rinus zat aan het stuur. Het was Koos' beurt om te slapen, maar ook hij zat voor in de cabine. Hij had geen rust om te slapen. Met een paar uur rijden zouden ze aan de grens zijn en de spanning, die enigszins geweken was toen ze veilig uit de garage vertrokken waren, begon weer toe te nemen...
Het was tegen een uur of vier 's middags toen het gebeurde. De truck naderde een kruispunt, waar een zijweg afsloeg naar de nabijgelegen stad. Boven dat kruispunt liep een groot spoorwegviaduct. Tegen de blauwe hemel staken de metalen spanten af. Er tussen bewogen zich enkele figuurtjes, arbeiders die aan het werk waren. Ze waren aan het lassen, meende Heiligers te zien, want een witte vonkenregen spatte langs een der spanten. Ineens was er een verblindend lichten een doffe knal. Stukken metaal vielen van de brug omlaag. Geschrokken trapte Rinus op de rem. De truck kwam tot stilstand op misschien vijftig meter afstand van het viaduct.
„Wat is er aan de hand?" vroeg Koos geschrokken.
„D'r is natuurlijk een fles met acyteleen ontploft!" was hetantwoord.
„Wat kan ons dat schelen. Doorrijden. "
„Maar je ziet dat het er brandt. Er kunnen misschien nogmeer flessen springen. " Ze zagen inderdaad de vlammen alsslangen over de brug heen en weer schieten.
„Vlug rijden, dan zijn we er onderdoor, voordat er een delucht ingaat, " hield Koos aan. Maar Rinus dacht er niet aande truck weer in beweging te zetten. Als er meer cilindersontploften, zei er kortaf, dan kon er een ramp gebeuren. Zemoesten poolshoogte nemen. Het kon best zijn dat er treinenop komst waren...
Met wit vertrokken gezicht bleef Koos achter, terwijl Rinus zich naar het viaduct haastte.
„Hoe kan hij het doen?" jammerde Koos tegen Heiligers. „Allemaal tijdverlies. Wie weet wat voor narigheid we daardoor krijgen. Wat kan ons het schelen wat daar gebeurt. Laat die kerels maar voor zichzelf zorgen. Wij hebben al genoeg aan ons hoofd. " Ook de fotograaf vroeg zich af of het wel verstandig was wat Rinus daar deed. De chauffeur was met een paar minuten terug. Hijgend bracht hij uit: „Er liggen daar vijf cilinders die elk ogenblik kunnen ontploffen. Ze zijn gloeiend heet, ze hebben heel de dag in de zon gelegen. Er zijn maar twee man en die zijn gewond. De rails zijn beschadigd. Als er een trein komt, ontspoort hij. Ik ga terug om treinen tegen te houden. Een van de gewonden kan nog lopen en zal de andere kant uitgaan. Meneer Heiligers, als u nu het verkeer aan deze kant tegenhoudt en Koos aan die kant... "
„Ik doe het niet, " zei Koos, maar zijn stem klonk onzeker. „We moeten aan onszelf denken. "
„En als er zo'n fles springt, terwijl er een trein passeert... Dat laat je niet gebeuren. "
„We riskeren het kind, Rinus. Ik wil best helpen, maar weet je wat er het gevolg van is? Oponthoud en ieder uur vertraging kan ons noodlottig worden. Er is alle kans dat aanstonds de politie komt. Die wil natuurlijk het naadje van de kous weten en gaat procesverbaal opmaken. " Rinus gaf op dat alles geen antwoord en keek Koos alleen maar eens aan. „We moeten helpen, " zei meneer Heiligers dan. Rinus was al weg. Hij keerde terug naar het viaduct, klom tegen de berm op en ging langs de spoorbaan om een eventuele naderende trein tot stilstand te brengen. Heiligers en Koos stelden zich aan weerszijden van het viaduct op om het verkeer te waarschuwen. Boven op de brug lagen nog altijd de gloeiende cilinders. Ieder ogenblik zou er zich weer een ontploffing kunnen voordoen. Enkele automobilisten klauterden naar boven om de gewonde arbeider, die op de spoorbrug lag, in veiligheid te brengen. Het was opvallend dat de meeste chauffeurs zich op een afstand hielden. Niet omdat zij bang waren voor een ontploffing. Nee, het was om een heel andere reden, begreep Heiligers, die hier en daar flarden van een gesprek opving. Het woord „sabotage" was gevallen en daarom wilden de meeste mannen er niets mee te maken hebben. Ze waren bang voor verwikkelingen met de politie. Onwillekeurig moest de fotograaf aan Rinus denken, die heel wat meer riskeerde en toch niet geaarzeld had hulp te bieden.
Op de spoorbrug bleek zich ook een diensttelefoon te bevinden en een van de gewonde arbeiders had kans gezien het dichtstbijzijnde station te waarschuwen. De politie en een ziekenauto moesten onderweg zijn. Er was echter ook een trein op weg naar het viaduct. Van het station uit kon men die niet meer bereiken of tot stilstand brengen door het sein op onveilig te zetten. Rinus zag de donkere schim van de locomotief al heel in de verte tegen de trillende lucht naderbij komen. Hij greep de rode zakdoek, die hij altijd in zijn broekzak had, en begon er mee te zwaaien. Er was natuurlijk geen mogelijkheid dat de machinist dat nu al zag. Daarom hield de chauffeur maar op.
Hij ging met de zakdoek over zijn gezicht. Dat was wel nodig, want het zweet stroomde over zijn gelaat. Hij stond daar in de laaiende zon, iedere beweging was hem haast teveel in de uitputtende warmte. Maar hij kon hier niet blijven staan. Hij keek achter zich. Hij bevond zich nog vrij dicht bij het viaduct. Als de machinist hem pas op het laatste ogenblik zag, zou het de vraag zijn of hij de trein nog voor de brug tot stilstand zou kunnen brengen.
Rinus liep de trein tegemoet, zo hard als hij kon. Hij zwaaide weer met de rode zakdoek. De zware locomotief werd groter en groter. Hij kon duidelijk de koplampen onderscheiden en de handel, die zich voor op de ketel bevond. Dreigend doemde de machine op. De rails trilden onder het naderend geweld. Zou de machinist het noodsein opmerken? Rinus zwaaide nog wilder. En dan hoorde hij het knarsend geluid van de remmen, die aansloegen. De machinist had het teken gezien en steunend kwam de trein tot stilstand. Spoorwegemployé's sprongen uit de trein om te informeren wat er aan de hand was. De machinist, die van zijn locomotief omlaag geklauterd kwam, wees naar Rinus. De chauffeur kende het Duitse woord voor acetyleenflessen niet en vroeg zich koortsachtig af hoe hij de mannen zou uitleggen wat voor gevaar er dreigde. Het was niet meer nodig. Met twee, drie scherpe knallen ontploften enkele van de stalen flessen. „Sabotage!" riep iemand in het uniform van de volkspolitie. Er waren spoorwegemployé's, die haastig in dekking gingen, als liepen zij gevaar beschoten te worden. Rinus legde de politieman zo goed mogelijk uit wat er aan de hand was. De man scheen het niet erg te vertrouwen. Bars beval hij de chauffeur mee te gaan. Hij wilde zich naar het viaduct begeven. Dat was Rinus echter te riskant. Er konden zich immers nog meer ontploffingen voordoen. Hij wees de agent op dat gevaar. Die scheen nu helemaal achterdochtigte worden. Dreigend keek hij Rinus aan en blafte: „Ausweis!"
Rinus had natuurlijk zijn pas, maar die bevond zich in de truck bij alle documenten. Hoe moest hij de politieman dat nu weer aan het verstand brengen? Die vertrouwde hem toch al helemaal niet, omdat hij met een buitenlands accent sprak. Op dat ogenblik weerklonk het geloei van sirenes. Politieauto's en ziekenwagens kwamen snel aangereden. Ook de brandweer was uitgerukt. De politieman scheen nu te begrijpen dat die buitenlandse chauffeur toch wel eens gelijk kon hebben met zijn waarschuwingen.
„Mit!" zei hij. Maar ze gingen niet naar de spoorbrug. Langs de berm van de oprit lieten ze zich omlaag glijden en begaven zich naar de verkeersweg. Daar stond de truck als eerste van een reeks auto's, die hier waren opgehouden. Een agent stond met Koos en Heiligers te praten en nu kwam er een tweede politieman met Rinus aan. Het zag er allemaal nogal bedenkelijk uit en het had er alles van weg dat ze hier voorlopig nog niet weg waren.
Er waren enkele chauffeurs, die wat moediger waren dan de meeste, welke zich veiligheidshalve maar achteraf hielden. Ze gingen naar de politie toe en vertelden hoe die drie Nederlanders zonder op levensgevaar te letten het verkeer en de trein hadden gewaarschuwd.
„Als zij dat niet hadden gedaan, was er een ramp gebeurd, " zeiden ze.
De politie scheen dat maar niet zo voetstoots te willen aannemen. Die kerels hadden zoveel te slikken gekregen over spionnen en agenten van het westen, dat zij in iedere buitenlander al bij voorbaat een gevaar zagen. Ze begonnen de drie*Nederlanders compleet te verhoren. Een van de automobilisten, die het voor hen had opgenomen, was het daarmee niet eens. Hij pakte zijn portefeuille en liet een of andere legitimatie zien. Kennelijk was hij wel een bijzonder hoge ome — of liever een bijzonder rode ome, zoals Rinus het later zou uitdrukken — want de agenten knipten meteen voorover alsmessen. De man zei hun dat zij de drie Nederlanders met rust moesten laten. Het drietal had de staat een onschatbare dienst bewezen. Als de loftuiting niet uit zo'n verdachte mond was gekomen, zouden de beide chauffeurs en de fotograaf er groots op zijn geweest. Nu luisterden ze er maar eens naar en dachten er het hunne van.
Rinus meende echter ineens een kans te zien om iets te bereiken. Hij ging naar de man, die hun te hulp gekomen was toe, en vertelde dat zij op weg waren naar de grens. „We hebben door dit alles veel oponthoud gekregen en het zal nog wel even duren, voor we weg kunnen, " legde hij uit. „Het ziet er naar uit dat we pas op het nippertje bij de grens aankomen. Zoudt u misschien een briefje aan ons willen geven, waarin u verklaart waarom wij opgehouden zijn. Misschien laten ze ons dan nog door. " Heiligers vond het een gewaagde onderneming van Rinus, maar de man knikte en schreef een briefje.
„Wie waagt die wint, " zei Rinus, terwijl hij het document opborg, „en een beetje geluk mogen we wel hebben. " Het duurde nog ruim een uur, voor de brandweer de weg vrijgaf. De twee flessen met gas, die er toen nog op de spoorbrug lagen, leverden geen gevaar meer op. Er ging een zucht van verlichting bij de Nederlanders op, toen de truck zich weer in beweging kon zetten.
„Als we niet hadden gestopt, waren we al aan de grens geweest, " kon Koos niet nalaten op te merken. „Had jij liever die trein zien verongelukken?" vroeg Rinus. „D'r zou vast wel een ander zijn gaan waarschuwen. "
„Hij was misschien te laat geweest. "
„Ik vind dat het onze plicht was om te helpen, " gaf Heiligers als zijn mening te kennen, „al had ik liever gehad dat het niet nodig was geweest. "
„In ieder geval hebben we dat briefje te pakken, " zei Rinus. „We zullen eens kijken of het helpt, " merkte Koos somber op. Hij begon het benauwd te krijgen, nu ze de grens naderden...