Zevende hoofdstuk

EEN FOTO VAN DE PORTIER

Ze hadden die middag afgesproken in het restaurant, waar de chauffeurs meestal naar toegingen, wanneer zij in Karlsstadt waren.
„Niet omdat het er zo goed is, " zei Koos tegen Heiligers, „maar je moet toch ergens naar toe om te eten. Het is er huilen met de lamp aan. Een hele hoop geld voor een onsmakelijke prak en een slecht glas bier. Thuis zou de hond het nog niet moeten. " Dat was misschien een beetje overdreven, maar ook de fotograaf moest toegeven dat er weinig aardigheid aan het restaurant was. Er hing een sombere, bijna doodse sfeer en van gezelligheid of behaaglijkheid was geen sprake. De kelners liepen rond met gezichten of ze het liefst maar meteen hun jasje aantrokken en naar huis gingen. „Ja, zie je, " legde Koos uit, „de heren krijgen geen fooien meer. Dat hoort niet in een volksrepubliek. Maar je merkt het resultaat, hè. " Ze hadden een duur menu uitgezocht, maar het viel hun lang niet mee en de kelner serveerde de gerechten of hij puur vergif opdiende.
De spanning bij de mannen nam overigens toe. Tot nu toe was er niets aan de hand. Ze hadden nog niets ondernomen en er was nog geen contact geweest met de familie van het meisje. Ze hadden nog niets gedaan, wat strafbaar was in de ogen van de autoriteiten. Maar aanstonds zou het beslissende ogenblik komen. Dan zou er iemand van de familie hier verschijnen om met hen te overleggen hoe laat het meisje naar de garage moest komen.
„Ze kan het beste naar de garage komen, " vond Koos. „Ze moet er om halfacht zijn. Dan is iedereen weg, behalve Karl. Die houden we wel zoet, zodat hij niks in de gaten heeft. Het meisje moet dan maar aan de achteruitgang komen, dan smokkelen we haar daar naar binnen. "
„Hoe willen jullie haar verbergen?" wilde Heiligers weten.
„Net als toen met die Tsjechische machines. Als de auto door de douane gecontroleerd is en verzegeld, snijden we de nok-naad van het dekzeil los. Dat hebben we al die drie keren gedaan en het ging best. Het meisje laten we door het gat omlaag zakken en dan plakken we het zeil dicht. Als we het goed aanpakken, heeft niemand het in de gaten. Omdat de wagen verzegeld is, wordt hij aan de grens niet onderzocht. "
„Het moet natuurlijk allemaal wel meelopen, " meende Rinus. „D'r hoeft maar een handige jongen op het idee te komen toch eens in de truck te kijken en we zijn zwaar verkouden. "
„Nou moet je niet zo luguber gaan zitten doen, " reageerde Koos. „Anders nok ik nog even af. "
„Je kan nog terug, " verzekerde Rinus hem, „maar dan moet je wel gauw zijn. Als we direct a hebben gezegd, moet je ook b zeggen. Terugkrabbelen is er dan niet meer bij. " Koos hoefde op die woorden niets meer te zeggen, want er kwam een man naar hun tafeltje toe. Hij keek eens naar de kop van de krant, die Heiligers opvallend in zijn jaszak had zitten en knikte.
„Twee blonde en een donkere, " zei hij zachtjes. „U bent de heren uit Nederland. "
„Precies, " zei Rinus, „en vertelt u het maar gauw. " Ze waren op een plekje gaan zitten waar niemand hen kon afluisteren, maar de man scheen het toch niet erg te vertrouwen. „Kunnen we hier zo maar praten?" informeerde hij benauwd. „Ik kan me best voorstellen dat u niet bij mij thuis hebt willen komen, omdat het misschien een verdachte indruk zou maken, maar... "
„Kennen ze u hier?" vroeg Rinus, die de leiding van de operatie op zich had genomen.
„Nee, ik kom hier nooit. Zo'n gelegenheid is veel te duur. "
„We lopen overal risico. Laten we zachtjes praten en zo weinig mogelijk zeggen. Dat meisje is twaalf jaar oud. "
„Ja, ze is klein, " vertelde de man haastig, alsof dat er iets toedeed.
„Kunnen we van haar op aan? Ik bedoel: raakt ze niet gauw van streek, als er iets misgaat, of... " Rinus zweeg. De man schudde het hoofd.
„Het meisje heeft al teveel meegemaakt, ze raakt zo gauw niet meer van de kook. Ze heeft maar één verlangen: naar haar moeder toe te gaan. U weet dat haar vader is... gestorven?" Rinus knikte ten antwoord. „En u weet hoe ze van haar moeder gescheiden is geraakt?" Dat wisten ze niet en de man vertelde het in enkele zinnen. „Begrijpt u, zo'n meisje is niet zo gauw meer overstuur. "
Nu nam Koos, die vond dat er te lang gepraat werd, het woord. „Weet ze de Gartenstrasse te vinden?"
„We wonen er misschien tien minuten vandaan. "
„Des te beter. Het loopt dan niet zo in de gaten, wanneer ze daar komt. " Rinus gaf nu de nodige instructies. Halverwege de Gartenstrasse bevond zich een brede, groen geschilderde deur. Dat was de achteruitgang van de garage waar hun truck stond. Vanavond om halfacht moest het meisje naar die deur komen en tweemaal kort en driemaal lang kloppen. Hij zou dan opendoen. Het meisje mocht geen koffer of wat voor bagage ook bij zich hebben. Ze moest echt net doen of ze alleen maar voor een boodschap kwam.
„En denkt u er om, " zei Rinus heel nadrukkelijk, „er mag niemand meekomen of bij voorbeeld in de straat staan wachten tot de auto wegrijdt. We gaan vanavond trouwens misschien nog niet eens weg. Dat zijn overigens onze zaken. Als u afscheid wilt nemen, moet u het thuis doen en dan zo dat geen buitenstaander er iets van zou kunnen denken. En het meisje moet in elk geval alleen naar de Gartenstrasse komen. " De bezoeker vond, dat was duidelijk aan hem te merken, het helemaal niet prettig dat hij het kind zo alleen zou moeten laten gaan.
„Hoe weet ik of het hier goed aangekomen is, " zei hij. „Begrijpt u me goed, ik heb het volste vertrouwen in u, maar er kan zo gemakkelijk iets gebeuren, zelfs op weg naar de garage. "
„Ons risico is toch al groot genoeg, " hielp Koos hem herinneren. „Pas als we veilig aan de overkant zijn, krijgt u van ons een prentbriefkaart met de groeten van, nou laten we zeggen Anna. Wanneer u die kaart krijgt, weet u dus dat het meisje veilig is. Eerder kunnen we niets laten weten. Tot zo lang moet u geduld hebben. Het is hard, maar het kan niet anders. "
„Hoe is uw adres?" wilde Rinus weten. „Moselstrasse 31, Karlsstadt, " vertelde de man. „Zegt u het nog eens. Probeert u het ook te onthouden, meneer Heiligers, " wendde Rinus zich tot de fotograaf. „We kunnen het adres toch noteren?" zei deze verbaasd. „Als er iets misloopt en we hebben dat adres bij ons, zijn we helemaal gloeiend de sigaar. Nu kunnen we nog zeggen dat we niet hebben geweten hoe het meisje heette. " Heiligers begreep het en samen herhaalden ze het adres verscheidene malen, zodat ze het zich weer zouden kunnen herinneren, wanneer ze het nodig mochten hebben. Er viel verder niets meer te bepraten en de man stond op. „Heren ik kan u niet genoeg bedanken... " begon hij. „Gooi dat maar in mijn pet, " viel Rinus hem in het Nederlands in de rede en dan vervolgde hij in het Duits. „Dat lijkt me wel een beetje voorbarig. Als we succes hebben gehad, lijkt het me nog vroeg genoeg voor bedankjes. " De man nam afscheid en ging heen. Niet veel later verlieten ook de Nederlanders het restaurant. Gezelligheid viel daar niet te zoeken en bovendien moesten ze werk gaan maken van het laden van hun truck. Dat deden de kaboutertjes vast niet voor hen. „Je loopt hier echt met je ziel onder je arm, " merkte Heiligers op, terwijl ze door Karlsstadt liepen. „Er valt hier eigenlijk niets te beleven. "
„Dat is in de meeste landen achter het ijzeren gordijn wel zo, " vertelde Rinus. „Het is er allemaal even grauw en troosteloos. D'r is geen aardigheid aan. Kijkt u maar in de etalages. Overal dezelfde stijve mantels en bordpapieren pakken. Het is allemaal hetzelfde en allemaal even saai. In Tsjecho-Slowakije, daar is het anders. Daar verdienen de mensen goed en er heerst een zekere welvaart, maar voor de rest is het overal net zo'n dooie boel als hier. "
Bas had wel eens de uitdrukking gehoord: hij leek wel een kip die haar ei niet kwijt kon. Nu meende hij te weten hoe zo iemand zich gedroeg: net als hijzelf. Hij wist met zichzelf geen raad. Hij kon geen vijf minuten rustig blijven zitten. Al gauw stond hij op en drentelde wat rond. Meneer Stevens deed of hij het niet merkte en ging rustig door met de voorbereidingen voor het middagmaal. Bas was namelijk gast in de caravan. Stevens had daar zó op aangedrongen, dat de jongen eenvoudig niet had kunnen weigeren, maar hij wou dat hij zó weg kon gaan. Nu was Stevens nog in de weer, maar aanstonds zouden ze tegenover elkaar aan tafel zitten en dan zou er een gesprek gevoerd worden. En dan moest hij, Bas, maar doen of er niks aan de hand was. Hij moest zich heel gewoon gedragen, hadden ze hem gezegd. Probeer het maar eens in dergelijke omstandigheden. Hij wist dat Doortje, de truck, nu al wel in Karlsstadt gearriveerd moest zijn. De mannen zouden reeds contact hebben opgenomen met de familie van het meisje. Zou het allemaal volgens plan verlopen? Was het al vast maar morgenavond... Nee, hij zou niet naar de grens gaan, maar op zijn hotelkamer zou hij luisteren naar de geluiden die in de stilte hoorbaar werden. En als daarbij het zware gebrom van een truck was, dan zou hij weten dat Doortje in aantocht was. Maar voorlopig zou het nog dertig uur duren eer het zover was. En nu was hij hier dan samen met een man, die niet te vertrouwen was. Bas wist niet wat hij van meneer Stevens moest denken, maar één ding was zeker: de man voerde iets in het schild. Zuivere koffie was het niet. Maar soms maakte Stevens een opmerking die Bas weer op de gedachte bracht, dat hij niets wist van de poging om het meisje over de grens te brengen. Het leek wel of Stevens op iets anders zinspeelde. Maar de jongen durfde hem er niet naar te vragen. Wanneer Stevens op een dwaalspoor was,dan moest hij hem daar laten. De man mocht in geen geval achterhalen wat er in werkelijkheid aan de hand was. „Ik blijf het toch raar vinden dat ze achter het ijzeren gordijn zijn gegaan, " zei Stevens nu. „Het is natuurlijk wel veiliger, want ze worden daar niet gevolgd. Maar ik kan niet zeggen dat ik het nou direct een sympathieke oplossing vindt. " Zie je wel, daar had je nou weer zo'n opmerking, waaraan Bas kop noch staart wist te ontdekken. Hij moest zich bij zijn 'antwoord maar op de vlakte houden.
„Ach, het is maar net van welke kant je het bekijkt, " zei hij heel vaag.
„Natuurlijk, " vond ook Stevens, „en de ervaringen van de laatste dagen hebben hen er misschien toe gebracht deze oplossing te zoeken, maar toch... Enfin, we zullen maar wachten tot ze terug zijn. Had jij niet graag meegewild, Bas?"
„Ik heb geen visum. "
„Dat is natuurlijk waar. En het duurt gauw een dag of veertien voordat je een visum te pakken hebt en daar was natuurlijk geen tijd meer voor. Het is allemaal nogal snel gegaan. Want ik geloof niet dat dit plan al lang bestond. "
„Nee, dat geloof ik niet, " zei Bas. Ze zaten al aan tafel en hij keek maar naar zijn bord, terwijl hij zijn ontwijkende antwoorden gaf. Meneer Stevens zou anders misschien aan zijn gezicht zien dat hij er maar wat omheen draaide. „Morgenavond zijn ze er weer, hè?" informeerde Stevens. „Dat was de bedoeling, " zei Bas. In een onbewaakt ogenblik had hij het tijdstip van terugkeer genoemd en hij kon daar nu moeilijk op terugkomen.
„Ze mogen wel zorgen dat het niet al te laat wordt, want dan gaat de grenspost daar dicht voor de nacht. Enfin, dat weten ze zelf wel. We kunnen morgenavond wel eens gaan kijken. "
„Ik wacht wel in het hotel, " weerde Bas af. Hij was geschrokken van die laatste woorden van Stevens. Hij moest er voor zorgen dat de man zich morgenavond niet bij de grenspost vertoonde. Dat zou argwaan wekken. Bovendien, wat moest de kerel er? Hij was immers zelf niet te vertrouwen? Maarhet zou een hele opgave worden, wilde hij de man van de grens afhouden. Daar moest hij maar eens een goed plan voor bedenken. Hij had er dertig uur de tijd voor...
Het laden en stouwen van de vrachtwagen duurde langer dan ze hadden begroot. Met sommige kisten hadden ze nogal wat oponthoud en ze kregen behoorlijke vertraging, toen de verpakking van een der zendingen niet bleek te deugen. Tot overmaat van ramp verschenen ook de douane-beambten erg laat en het zou werkelijk een dubbeltje op zijn kant worden, of die om zeven uur klaar zouden zijn. En dan moesten ze de deur uit zijn, want een halfuur later zou het meisje komen.
„Vooruit jongens, schiet eens een beetje op, " mopperde Koos. „Laat die handjes van jullie maar wapperen. We willen vanavond nog op huis aan. "
„Overdrijf het nou niet, " zei Rinus. „Ze zouden zich eens kunnen gaan afvragen waarom we zo'n haast hebben. " De douane was weer even sikkeneurig als altijd. Alles nog eens controleren en nog eens tellen. D'r moest een kist opengemaakt worden en ze gingen tot op de bodem om te controleren wat er allemaal in zat. Ze vergeleken de papieren en op een er van bleken de aantallen niet te kloppen. Er werd getelefoneerd met een of andere instantie. Die kon ook niet direct uitsluitsel geven. Ze moesten maar afbellen en wachten op antwoord. Dat kon wel even duren, ja. De douane had geen haast en ging er bij zitten. Koos had wel haast en kon niet zitten. Hij ijsbeerde door de garage. Heiligers presenteerde hem een sigaar, dan had de chauffeur tenminste wat te doen. De man hield het haast niet uit. De telefoon rinkelde. Koos schoot wel een meter in de lucht. Merkwaardig dat de douane-beambten niks doorhadden, dacht Heiligers bezorgd. Dan begreep hij dat Koos' gedrag wel op hem een zonderlinge indruk maakte, maar niet op de douane-mensen, die immers niet wisten wat er op het spel stond. In hun ogen wou die Hollander natuurlijk gauw starten om morgenavond bijtijds over de grens te kunnen. De douane-beambten veranderden een cijfer op enkele documenten en volgens hen was de zaak nu in orde. Koos keek eens op de klok. Kwart voor zeven. Ze konden misschien toch nog op tijd weg zijn...
De beambten deden rustig aan. Ze telden de kisten nog eens en brachten, toen het dekzeil gespannen was, de loodjes een voor een aan.
„Je zou er wat van krijgen, ' zei Koos, die zijn sigaar meer had opgeknauwd dan opgerookt.
„Man, wat kan jou het schelen, " vond Rinus. „Ze kunnen me nou niet secuur genoeg zijn. Des te minder hebben we straks aan de grens kans dat we de truck open moeten maken. Ik wil nou desnoods mijn broekzakken ook nog binnenste buiten keren en laten verzegelen, als ze dat per se zouden willen. " Rinus wist zich veel beter te beheersen dan zijn maat. Zijn gelaat verried niets. Hij was het die de lading had gestouwd en hij had daarbij gezorgd dat er helemaal voorin, dicht bij de cabine, een ruimte was vrijgebleven om het meisje straks in te verbergen. Hij had er op gelet dat de schuilplaats gemakkelijk vanuit de hoogte te bereiken was. „Ze mag wel niet erg dik zijn, " zei Rinus tegen Heiligers, „als ik de ruimte groter had gemaakt, zou het in de gaten zijn gelopen. "
Koos keek maar weer eens naar de klok hoe laat het was. Het was nu vijf over zeven. Gingen die kerels dan nooit weg? Het leek wel of ze het er om deden...
Het was kwart over zeven, toen de laatste man van de garage tegelijk met de douane-beambten verdween. „Opgeruimd staat netjes, " zei Rinus met een zucht van verlichting. „Dat hebben we tenminste gehad. " De garage was nu geheel verlaten. Alleen voorin bij de uitrit zetelde Karl, de portier, in zijn hokje. Ogenschijnlijk leek de man een goedhartige kerel, maar de chauffeurs waren uiterst voorzichtig. Een man als Karl werd niet voor niets met de bewaking van de garage belast. Hij moest dan in de ogen van derode politie volkomen te vertrouwen zijn. En bovendien wisten ze hoe bang dit soort lieden was. Als ze maar dachten dat er iets niet in de haak was, sloegen ze alarm. Ze waren veel te benauwd voor hun eigen hachje om enig risico te durven nemen. De grote vraag was nu hoe ze konden voorkomen, dat de portier iets zou merken van het binnenlaten van het meisje. Bovendien moest hij zo bezig worden gehouden dat het hem ook zou ontgaan hoe ze het meisje aan boord van de truck, die achter in de garage stond, zouden verbergen. Hier begon de rol van Heiligers, die tot nu toe maar weinig daadwerkelijke hulp had kunnen verlenen. Hij had een aardig plannetje uitgebroed om, naar hij hoopte, de aandacht van de portier af te leiden.
Heel de middag had Heiligers al naarstig lopen fotograferen. In het begin had niemand van de Oostduitsers daarvan willen weten, maar de fotograaf had ijverig met zijn vergunningen gezwaaid en een verhaal opgehangen hoe hij het westen door zijn foto's zou laten zien hoe snel en efficiënt er in Oostduitsland werd gewerkt. Datzelfde verhaal had hij ook opgehangen bij de douane-beambten, die eerst bijna de stuipen kregen, zodra ze zijn camera's zagen. Toen ze Heiligers' vergunningen hadden ingekeken, draaiden ze wat bij. Hij adviseerde hen voor alle zekerheid toch maar contact op te nemen met de desbetreffende instantie. „Het was hoog spel, dat ik op dat moment speelde, " zei hij later tegen Rinus, „maar je hoorde het: het liep goed. " De beambten kregen namelijk te horen dat ze Heiligers alle medewerking moesten verlenen bij het maken van zijn foto's. Toen de douane-beambten de garage verlieten, had Heiligers hen nog eens laten poseren voor een laatste opname. Die werd gemaakt vlak bij de loge van de portier. Karl zat daar toen al op zijn post. Het was nu even voor halfacht, Heiligers pakte een van zijn camera's en liep naar de portier, om hem te vertellen dat hij ook van hem een foto wilde maken. Karl, die had gezien hoe bereidwillig de douane-beambten poseerden, wilde natuurlijk in ijver niet voor hen onderdoen enging al echt mooi zitten. Maar dat was niet goed, vertelde de fotograaf hem, zo viel het licht verkeerd. Hij wees welke houding de portier het beste kon aannemen. Hij draaide zijn stoel een halve slag opzij en duwde het hoofd van de man in de goede richting, precies zo, dat hij noch de achteringang noch de truck kon zien. Heel omslachtig plaatste Heiligers de camera nu op het statief. De portier keek eens opzij of het al opschoot, maar meteen snelde de fotograaf naar hem toe om hem weer in de juiste houding te zetten. „Stil blijven zitten, " zei hij. „anders komt er niets van terecht. Het is hier zo donker. "
„Maar u kunt toch uw blitzapparaat gebruiken, " zei de nachtwaker, die nou niet helemaal van gisteren was. „Die is defect, " zei Heiligers spijtig. Meteen keek hij schuins opzij en op dat moment zag hij net nog iets van het meisje, dat naar binnen was geglipt. Het leek hem inderdaad een klein wicht. Het scheen daar overigens niet helemaal naar wens te verlopen, want Koos stond nogal schutterig te kijken. Wat er aan de hand was, kon Heiligers niet onderscheiden, want hij kon maar een moment kijken. Hij mocht immers de portier niet uit het oog verliezen. Met veel gepraat en veel gebaren maakte Heiligers zijn opname. Hij schroefde de camera van het statief en ging naar de portier.
„Moet u eens zien, " zei hij, „dan heb ik een verrassing voor u. Iets wat u waarschijnlijk nog nooit hebt gezien. " Heiligers had de Amerikaanse camera gebruikt, waarmee hij meteen een afdruk van de opname kon leveren. Hij opende de achterzijde van het toestel en overhandigde de verraste Karl een opname van zichzelf. De man was zo verbluft, dat hij geen acht sloeg op het onverwachte rumoer, dat even achter in de garage hoorbaar werd.
Karl wist niet hoe hij Heiligers moest bedanken. Die weerde bescheiden alle lof af en ging eens naar de beide chauffeurs, omdat hij meende dat de kust nu wel veilig zou zijn. „En?" vroeg hij langs zijn neus weg.
„Het meisje zit veilig, " vertelde Rinus. „Ze paste precies in de ruimte. De naad is al weer dichtgeplakt. Ik gleed bijna van de cabine, toen ik daarmee bezig was. U hebt het rumoer natuurlijk wel gehoord. "
„Karl had niets in de gaten, " vertelde de fotograaf. „Ruikt u de ace ton erg?" informeerde Koos bezorgd. „Het was me niet opgevallen, " antwoordde Heiligers. „Nu je het zegt, ruik ik wel iets, maar het is niet erg. Hebben jullie het meisje gezegd dat ze zich rustig moet houden?"
„U hoort haar de eerste vierentwintig uur niet meer. Ze zal al wel haast slapen als een roos. "
„Nu al? Daar zal ze wel te ongerust voor zijn. "
„We hebben haar wat laten drinken, " legde Koos uit. „Prima middeltje. Voor morgenavond om deze tijd is ze niet wakker. "
„Was dat nou wel nodig?" vroeg Heiligers, die dit wel een beetje een krasse methode vond.
„We kunnen beter het zekere voor het onzekere nemen, " zei Koos. „We zitten trouwens toch al met een grote puzzle. " Hij wees naar de cabine, waarvan het portier op een kier open stond. Heiligers keek naar binnen. Op de vloer lag een herdershond. „Een hond?"
„Ja, voor een poes is die wel een beetje te groot, hè?" zei Rinus spottend.
„Maar wat moeten we daarmee?"
„Is dat meisje mee aan komen zetten. Ze wil die hond per se mee hebben. Ze begon te simpen, toen we zeiden dat het niet kon. Die hond had haar leven gered en weet ik wat al meer. Nou hadden we het dier wel de garage uit kunnen zetten, " zei Rinus, „maar wat dan? Je kunt er van op aan dat het * beest dan voor de deur gaat staan janken. Dat trekt natuurlijk de aandacht en je hebt meteen de poppen aan het dansen. Dat meisje naar huis sturen om het dier weg te brengen? Dat kan ook niet meer, want u kunt dat geintje met die portier niet nog een keer uithalen. We moeten de hondmaar meenemen, er zit niks anders op. "
„Maar wat zal Karl zeggen, als hij het dier ziet?"
„Krijgt hij niet te zien. Het is een heel rustig beest, zegt dat meisje, en dat is ook wel te merken. Het heeft nog geen kik gegeven. Je zou haast zeggen dat hij het doorheeft waarom het gaat. We rijden straks doodkalm langs Karl, terwijl de hond op de vloer ligt. Hij heeft dan niks in de gaten. "
„Starten we meteen?" vroeg Koos, die geen rust meer had. „Ja, " zei Rinus, die eens op zijn horloge keek. „Dat moesten we maar doen. Nou mannen, vierentwintig uur een benauwd hart en een heleboel geluk, dan redden we het wel. " Koos ging de portier waarschuwen dat hij de deuren van de uitrit moest openen. Heiligers pakte zijn camera, zogenaamd om een opname te maken van het wegrijden van de truck. „Moet dat nou?" verzuchtte Koos, terwijl de motor met donderend lawaai startte. „Dat betekent alleen maar tijdverlies. "
„We moeten doen of er niks aan de hand is, " hielp Heiligers hem herinneren. De truck trok op. Koos klom in de cabine, waarbij hij er zorg voor droeg dat de portier de hond niet te zien kreeg. Karl had overigens toch geen oog voor de auto. Hij keek alleen maar naar Heiligers, die druk stond te fotograferen. De truck reed ongehinderd naar buiten. De fotograaf nam afscheid van de portier, die de deuren al weer ging sluiten. Heiligers klauterde in de cabine. „Rijden maar, " zei hij. De truck reed door de straten van Karlsstadt naar de grote verkeersweg, die hen uiteindelijk naar de grens zou brengen.