Tweede hoofdstuk

BRIEF VAN HEILIGERS

Het kostte Bas de volgende ochtend nogal even tijd, voor het tot hem doorgedrongen was waar hij zich bevond. Het was nog vroeg, toen hij wakker werd. Met verbaasde ogen keek hij naar de spiraalveren, die hij net in het schemerig donker boven zich kon onderscheiden. Wat had dat daar te betekenen? Zijn handen tastten om zich heen. Hij dacht een slaapzak aan te treffen, maar in plaats daarvan voelde hij een wollen deken. Hij merkte dat hij een pyjama aan had, die rijkelijk aan de ruime kant was. Waarschijnlijk zou die hem over dertig jaar, wanneer hij mogelijk een buikje had, beter passen. Waar was hij nu? Bevond hij zich niet in de tent? Vorige week was hij er samen met Wim Hoogveld, zijn buurjongen, op uit getrokken met de tent, die Wim voor zijn verjaardag had gekregen. Ma Banning had wel even bezwaren tegen die trektocht gemaakt.
„Jij raakt natuurlijk weer in allerlei griezelige avonturen verzeild, " had ze gezegd. „Ik vind het niks gedaan. " Maar Bas had gelukkig steun gekregen van zijn vader, die van oordeel was dat kamperen een heerlijke manier was om vakantie te houden en dat hijzelf wat graag zou zijn meegegaan, als hij maar een jaar of twintig jonger was geweest. Jongens van Bas zijn leeftijd, verklaarde hij verder, waren mans genoeg om een paar weken op eigen benen te staan. Bas groeide, toen hij die woorden hoorde. Ma Banning had haar toestemming maar gegeven. Ze had trouwens moeten erkennen dat ze moeilijk voor Bas een betere tochtgenoot had kunnen wensen dan Wim Hoogveld, een knaap, die de rust zelve was en die zich nooit hals over kop in een avontuur zou storten. Dat had hij al wel eerder bewezen.
Ze hadden onderweg niks bijzonders beleefd. Ze maakten een soort rondrit door Nederland. Morgen zou die ten einde zijn.
*) Zie „Bas Banning en de Autosmokkelaars".
Iedere dag hadden ze zo'n vijftig, vijfenzeventig kilometer gereden en dan op een of ander punt, dat hun beviel, hun tent opgezet. Zo waren ze eergisteravond, komende van Breda, ergens aan de Belgische grens gearriveerd. Ze hadden daar een bijzonder rustig plekje ontdekt en er hun tent neergezet. Gisteren waren ze dan in de loop van de ochtend zonder hun tent mee te nemen, naar Eindhoven gefietst, om er deel te nemen aan een rondleiding door de Daf-fabriek. Wim Hoogveld had daarvoor enkele weken geleden naar de fabriek geschreven en hij had bericht ontvangen dat ze die woensdag werden verwacht.
Met ontzag dacht Bas terug aan het reusachtige bedrijf. Hij had nog nooit een dergelijke grote fabriek gezien en hij wist niet meer wat de meeste indruk op hem had gemaakt: de ontzaglijk wijde hallen, waarin de mens verkleind raakte tot een heel nietig figuurtje, dat er desondanks alles bleef leiden en in bedwang hield; de huizenhoge pers, die een druk kon geven van maar liefst elfhonderd ton en die, zoals hij kon zien, in nog geen twee minuten het complete dak van de cabine van een truck perste. En ook dit monsterachtig geweld werd door een mens bedwongen en bestuurd. Er stonden daar nog twee van dergelijke persen, waarvan de ene driehonderdenvijftig en de andere vijfhonderd ton voor haar rekening nam. Hij had een slagschaar gezien, herinnerde hij, die een kniplengte had van zes en een halve meter. Hij zag weer de boor- en fraismachines, die gillend en krijsend hun werk verrichtten, terwijl de krullen staal als hout onder de schaaf van de timmerman wegvielen. Op verschillende punten in het bedrijf bevonden zich de lopende banden, waar bepaalde onderdelen van de trucks tot eenheden werden samengevoegd: het chassis en de cabine. Alles had zijn vaste plaats, alles was minutieus berekend en becijferd. Op de juiste tijd arriveerde daar dat onderdeel en daar dit gedeelte.
Het was teveel voor Bas geweest om het allemaal te verwerken. Het had een overweldigende indruk op hem gemaakt.
Flarden van herinneringen kwamen hem voor de geest. De magazijnen waar de autobanden opgestapeld lagen, de luchtdrukketels en wat al niet meer. Hier sisten de lasapparaten en ginder dreunden de machines. Hij zag de lakstraat, die maar liefst vijfhonderd meter lang en de grootste van Europa was. Aan het begin daarvan werden de onderdelen, die aan een ketting zonder einde hingen, gereinigd en schoongespoeld. Daarna gingen ze beurtelings door drie spuitcabines, waar arbeiders met gasmaskers voor de verflagen aanbrachten, en door drie moffeltunnels. En al de zijkanalen, waar de onderdelen worden gereed gemaakt, mondden tezamen op die ene grote stroom: de lopende band waar de auto compleet werd samengesteld. De beide assen werden een voor een neergelegd op die band en daarna werd het chassis aangevoerd. Aan weerszijden stonden monteurs te werken. Naast zich hadden zij de rekken met onderdelen. Steeds meer groeide de auto. De cabines werden aangebracht. Langzaam rukte nu het leger op, de ene truck achter de andere. Het leek een soort speelgoedbedrijf — zoals alles in die enorme hal heel klein scheen, zelfs de trucks. Pas wanneer de auto's naar buiten gereden werden naar de proefbaan, zag je de trucks weer in hun ware verhoudingen, waren het de kolossen van de weg. En de band ging maar door — rustig, zoals de arbeiders rustig werkten. Het dreunde en het daverde er en toch maakte alles een rustige indruk. Er stonden monsterachtig grote machines en toch verloor de mens er niet zijn waardigheid. Steeds weer zag je hoe de mens de machines beheerste, hoe klein en nietig hij soms ook leek bij die enorme apparaten.
Heel de rondleiding had een veelheid van indrukken opgeleverd, die als een lawine over Bas heengestort was. Hij moest er allemaal nog eens rustig over nadenken. Hij had er de gelegenheid voor gekregen, want hij had enkele boekjes over het bedrijf meegekregen, die hij thuis nog eens zou kunnen doorkijken.
Bas wist nu ook weer waar hij zich bevond en hoe hij hierbeland was. Hij herinnerde zich het noodweer van gisteravond weer en de vriendelijke meneer Stevens, die hun onderdak had aangeboden in zijn super-de-luxe caravan. Daarom lag hij nu in een bed en niet in zijn vertrouwde slaapzak, die drijfnat was geworden. En daar boven hem op die spiraalmatras, sliep Wim Hoogveld.
Eigenlijk zou hij nu een heel lange naald bij zich moeten hebben, dacht Bas spijtig. Dan kon hij daarmee door het schuimrubber matras priemen om zo Wim een klein prikje te geven. O maar een heel klein prikje, dat nauwelijks pijn deed, maar net genoeg om zijn vriend met een ruk wakker te laten schrikken. Maar wacht, hij kon hem wel eens fiks door elkaar schudden. Met zijn beide voeten kon hij het spiraalmatras wel zo vervaarlijk in beweging brengen, dat Wim niet anders zou denken of hij tolde in een kano op een stormende Noordzee.
Nog net wist Bas, die zich al verkneuterde, zich in te houden. Zoiets kon hij hier niet uithalen. Meneer Stevens lag natuurlijk nog te slapen en je kon zo maar niet met zijn eigendommen gaan stoeien.
Bas keek eens opzij. De slaapbank van meneer Stevens was leeg. In het vage licht kon hij zien dat het bed beslapen was geweest, want laken en deken lagen opzij geslagen, maar de eigenaar was niet te bekennen. Bas tuurde behoedzaam over de rand van zijn bed. Nergens een spoor van meneer Stevens. Die was dan zeker naar buiten om de vogeltjes wakker te maken, want het was nog erg vroeg. Wanneer hij door het raam naar buiten keek, zag hij net de lucht boven de bomen breken. Lila en rose strepen kleurden de nog donkere hemel, waartegen de toppen van de bomen als zwarte pluimen afstaken.
Bas rekte zich eens behaaglijk uit. Morgen zouden ze dus weer op huis aan gaan. En dan nog een dag of tien, dan was de zomervakantie voorbij en wachtte de school weer met open armen. Nou, die laatste vrije dagen zouden snel genoeg om zijn. Hij moest maar gauw zijn boeken opzoeken en eensinkijken. Het zou hem moeite genoeg kosten om er weer in te komen. In het begin van het jaar was Bas ziek geworden. Het herstel had lange tijd geduurd en hij had daardoor niet deel kunnen nemen aan het eindexamen. De laatste maanden was hij zelfs niet meer naar school gegaan, omdat de dokter het beter had geoordeeld dat hij er eens helemaal uit was. *) Maar nu zou hij meteen hard gaan aanpoten om te zorgen dat hij zijn diploma haalde.
Ineens schoot Bas iets te binnen. Hij had gisteren bij de Daf-fabriek nog wat post gekregen. Omdat de jongens geen vast omlijnd plan voor hun trektocht hadden gemaakt en ze alleen wisten dat ze die woensdag naar de autofabriek zouden gaan, waren ze zo brutaal geweest om de Daf als correspondentie-adres op te geven. En inderdaad hadden daar enkele brieven op Bas liggen wachten. Omdat men klaar stond om aan de rondleiding te beginnen, had hij er toen geen blik meer in kunnen slaan en gisteravond had hij door de consternatie om de overstroming helemaal niet meer aan de post gedacht. Hij wipte uit bed, om de verkreukelde en nat geworden post uit zijn sporthemd te vissen. Het waren twee brieven zag hij, toen hij zijn bed weer opzocht. Een er van was van zijn vader. Die schreef alleen dat het thuis goed ging en of hij inderdaad aanstaande vrijdag naar huis kwam. Van de andere brief was de envelop nogal beschadigd. Bij de Daf waren ze zo vriendelijk geweest er een nieuw couvert omheen te doen. De heer Bas Banning stond er als adres op. 'ns Kijken, van wie was die brief? Hé, van Heiligers, de fotograaf. Het was een kort maar krachtig epistel. Beste Bas, Als je zin hebt om aanstaande zaterdag met een truck mee naar Duitsland te gaan, bel me dan onmiddellijk op. Heiligers.
Nou, dat was dat. Straks meteen opbellen, dacht Bas. Op het ogenblik was het er nog wel een tikje te vroeg voor. Halfzes, zag hij. Zouden zijn ouders het goed vinden dat hij meeging? Het zou wel een onverwacht uitstapje zijn. Hij had er alle zin in, want met Heiligers viel er altijd wel wat te beleven. Zo peinzend doezelde Bas toch nog weer in slaap. De brieven die hij naast zich had gelegd vielen, toen hij zich wat onrustig bewoog, op de grond. Het couvert van de Daf lag boven met daaronder het briefje van Heiligers. *) Zie „Bas Banning en het Spaanse Galjoen".
Het duurde enkele uren voor Bas weer ontwaakte. Toen hij zijn ogen opende, zag hij net meneer Stevens met een voor zijn doen kwieke sprong uit bed komen. Vreemd, dacht Bas, toen ik de eerste keer wakker werd lag hij niet in bed. Hij stond er overigens niet bij stil, omdat hij meer aandacht had voor de ochtendgymnastiek, waar meneer Stevens mee doende was. De man dartelde van links naar rechts en hupte en sprong als een kikker met het voorjaar in het lijf. Het was verbazingwekkend hoe de vrij gezette man dat nog allemaal presteerde. Hijgend en zwaar transpirerend hield hij tenslotte op. Intussen was ook Wim wakker geworden. Stevens zag de beide jongens.
„Morgen jongelui, lekker geslapen?" Ze konden beiden niet anders dan een bevestigend antwoord geven. „Mooi, mooi, " zei Stevens. „Jullie moeten straks maar eens gauw gaan kijken of jullie spullen allemaal al droog zijn geworden. Het is een nogal kille nacht geweest, het resultaat zou dus wel eens kunnen tegenvallen. Ik zal jullie niets opdringen en jullie zijn volkomen vrij te doen en te laten wat je wilt, maar jullie mogen met alle liefde vannacht hier weer logeren. Ik zou het zelfs erg plezierig vinden. Ik houd erg van gezelschap. " Bas keek eens naar Wim, die daar met het hoofd over de rand van zijn bed bungelde. Het voorstel stond hem erg aan. Kamperen in een tent was leuk, maar in zo'n rijdende salon was het nog eens iets anders. Dat maakte je niet alle dagen mee...
„Hoe denk jij er over?" vroeg hij aan zijn vriend. „Als meneer Stevens het echt niet te lastig vindt... " aarzelde die.
„Integendeel, " antwoordde de man. „Ik zou het vervelender vinden wanneer jullie, nee' zeiden dan wanneer jullie ble-ven. Ik heb jullie al gezegd dat ik graag mensen om me heen heb. " Nou, de jongens lieten het zich geen twee keer vragen. Ook de komende nacht zouden ze dus hier logeren. Snel doken ze nu uit bed om zich aan te kleden. Ze mochten van de douchecel gebruik maken en de laatste slaap werd uit hun lichaam verdreven, toen het water op hen neer-ranselde. Zodra ze aangekleed waren, wilden ze naar hun tent gaan om daar voor het ontbijt te zorgen. Maar daar kwam niets van in. Meneer Stevens stond er op dat ze zijn gast zouden zijn. Hij was zelfs al begonnen met de voorbereidingen voor het ontbijt. Op het elektrisch fornuis lag het eerste ei al te bakken en de geur van vers gezette koffie waaide door de caravan.
De jongens maakten zich verdienstelijk door de slaapbanken in elkaar te klappen. Bas zag de beide brieven op de grond liggen. Hoe kwamen die daar nu, vroeg hij zich af. O, die moesten natuurlijk gevallen zijn, toen hij weer ingeslapen was. Hij stak ze allebei in zijn zak.
„Dat is ook wat, " zei hij tegen Wim, „ik krijg van Heiligers, je weet wel, die fotograaf, een uitnodiging om met een truck mee te gaan naar Duitsland. "
„Wanneer?"
„Zaterdag. Ik moet hem straks opbellen. "
„Wat hoor ik, Bas?" vroeg meneer Stevens, die weer een ei in de koekepan deponeerde. „Ga jij met een fotograaf mee naar Duitsland?"
„Ja, met een truck. Als ze het thuis tenminste goedvinden. "
„En wat ga je daar doen?"
„Ik heb er geen idee van. Ik ben al eens meer met Heiligers mee geweest. Dan help ik hem zo'n beetje bij het fotograferen. Misschien hoor ik straks wel bijzonderheden van hem. "
„Ja, ik zou maar niet vergeten hem op te bellen, " raadde meneer Stevens hem aan. „Kom jongens, we gaan beginnen. "
Toen de beide jongens die middag in de omgeving van Eindhoven aan het fietsen waren, dacht Bas ineens weer aan debrief van Heiligers. Hij had 's morgens al geprobeerd de fotograaf te bereiken, maar toen was deze niet thuis geweest. Hij moest het nu nog maar eens proberen. Langs de weg waar ze voortfietsten, zag hij een klein café. Hij moest meteen de daad bij het woord voegen, vond hij.
„Zullen we een cola gaan drinken?" stelde hij voor. „Ik kan dan meteen even opbellen, ' Ze zetten hun fiets tegen een boom en stapten het cafeetje binnen. Het was daar drukker dan ze hadden verwacht. Enkele jonge mannen stonden met een glas bier voor zich bij de tapkast. Een van hen had een fototoestel op de borst hangen. Naast hem stond een metalen koffer, zoals Bas die maar al te goed kende. Hij had er vaak genoeg een voor Heiligers moeten dragen. Het was een koffer zoals persfotografen die vaak bij zich hebben. De mannen waren in gesprek met de kastelein. Het gebeurde op fluisterende toon.
In de uiterste hoek van het café zat nog iemand. Bas kon hem niet zien. Hij zag alleen een grote krant, waarachter de bezoeker geheel schuilging. Het bleef hem trouwens om het even wie het was, hem interesseerde alleen of hij zou kunnen opbellen.
Dat kon, zei de kastelein, maar hij moest wel even geduld hebben. Hij wees naar de telefooncel opzij van de tapkast. Het matglas van de deur was verlicht en daarachter tekende zich een donkere schim af. Er was dus al iemand aan het telefoneren.
„Geeft u ons dan eerst allebei maar een cola, " bestelde Bas. „Graag meneer, " zei de kastelein.
De jongens hadden hun glas al lang leeg, toen de telefoneerder nog altijd maar aan het babbelen was. Zijn gestalte voor het matglas nam telkens andere houdingen aan. Hij maakte het zich kennelijk steeds gemakkelijker. Bas was al eens ongeduldig in de richting van de cel gelopen, waarbij hij zoveel mogelijk geluid maakte. Iedereen in de gelagkamer had opgekeken, maar de man aan de telefoon niet. Die ging nog wat gemakkelijker staan en bleef praten.
Maar eindelijk, eindelijk dan toch kreeg hij een droge keel of de kramp in zijn tong en hield hij zijn mond. Hij had de deur van de cel nog niet geopend, toen Bas al achter hem om naar binnen glipte. De hoorn leek wel gloeiend heet. Was die man even bezig geweest...
Bas wist het nummer van Heiligers en het kengetal uit zijn hoofd en binnen de minuut had hij verbinding met de fotograaf, die nu wèl thuis was. Het uitbundig stemgeluid van Heiligers schalde in de oorschelp.
„Ha, die Bas! Blij je weer eens te horen. Wat doe je? Ga je zaterdag mee?"
„Ik wil wel graag, maar ik weet niet of ze het thuis goedvinden. "
„Maak je daarover maar geen zorgen. Ik heb je vader al opgebeld. Geen bezwaar, omdat de oude Heiligers meegaat. Die past wel goed op je. "
„Het is te hopen, " lachte Bas. „Maar wat spreken we af?"
„Zorg dat je zaterdagmorgen om zeven uur bij me bent. Ik heb gezien dat je dat precies kunt halen, als je de eerste trein neemt. Het zal je wel niet meevallen, zo vroeg op te staan, maar dat moet je er maar voor over hebben. We gaan dan samen naar de garage, vanwaar we starten. Bereid je er maar op voor dat het geen plezierritje wordt. "
„D'r wordt toch niet verwacht dat ik help laden en lossen?" vroeg Bas schertsend.
„Je kan niet weten, hè?" antwoordde Heiligers. „Wat gaan we precies doen?" wilde Bas nog weten. „Dat hoor je zaterdag wel, " was het antwoord. „Ik heb nu geen tijd meer. Ik moet naar de donkere kamer. We houden het dus afgesproken op zaterdagmorgen zeven uur. Tot ziens. " Het gesprek was ten einde en Bas ging de kastelein betalen. Hij was daarmee nog bezig, toen de telefoon rinkelde. De kastelein ging luisteren.
„Telefoon voor meneer Adema, " riep hij dan, terwijl hij de deur van de cel openhield. Onwillekeurig keek Bas wie meneer Adema was. Het groepje dat oorspronkelijk bij de tapkast had gestaan, zat nu bij het raam. Een van hen zat gespannen langs het gordijn naar buiten te turen. Dat was de man die zo breedvoerig getelefoneerd had. En natuurlijk heette hij Adema en was het telefoontje voor hem bestemd. Haastig ging de man naar de cel. Maar hij was nu veel sneller. Hij kon nauwelijks iets gehoord hebben, toen hij alweer te voorschijn kwam. Hij maakte een haastig gebaar naar de anderen en rekende ijlings met de kastelein af. De mannen wisten niet hoe snel ze moesten wegkomen. Buiten startte een auto en even later stoof een Goliath voorbij. Met gierende banden maakte de auto een bocht. „En, " vroeg Wim aan Bas, „ga je met Heiligers mee?"
„Ja, ze vinden het thuis goed. Zaterdag vertrekken we al. "
„Waar gaan jullie heen?"
„Heiligers had geen tijd om het me te vertellen, " zei Bas. „Ik weet alleen dat we zaterdagmorgen starten. " Ze keken intussen naar buiten. Ze zagen hoe nu van rechts over de weg dan een auto naderde van een type als Bas nog nooit had gezien. Het leek een licht bestel wagentje, maar al had hij er honderd gulden mee kunnen verdienen, dan had hij nog niet kunnen raden wat voor merk het was.
Het autootje schoot langs het café en werd dan haastig gevolgd door de Goliath van daarstraks. Bas hoorde tegelijkertijd haastige voetstappen en dan sloeg de deur van de gelagkamer dicht. Er was iemand snel naar buiten gelopen. Bas keek om zich heen. O, het was de krantelezer geweest. Hij had de man niet meer gezien. Al met al was het eigenlijk een beetje een zonderling gedoe met die auto's en dat getelefoneer, vond hij. Vragend keek Wim zijn vriend aan. Die haalde zijn schouders op.
„Ik weet ook niet wat ik er van moet zeggen. Ik heb hooguit een vaag vermoeden. "
„En wat denk je dan?"
„Ik moet eerst meer zekerheid hebben, " weerde de ander af. Dat was nou echt Wim. Die zou geen woord teveel zeggen en als hij een veronderstelling uitte, dan moest hij er al voornegenennegentig procent zeker van zijn dat het de waarheid was. Bas probeerde nog wel, maar Wim liet niets meer los. „We moesten maar eens opstappen, " stelde hij voor. Ze verlieten het café. Terwijl ze hun fietsen pakten, zag Bas de Buick van meneer Stevens langsrijden. Het was althans een auto, die er als twee druppels water op leek en dergelijke sleeën zag je niet om de vijf minuten langskomen. De wagen was snel om een bocht verdwenen, voor Bas er aan gedacht had het nummer op te nemen. Dan had hij zekerheid gehad of het de Buick van meneer Stevens was geweest. Al kwam dat er overigens niet op aan.
Ze bevonden zich weer in de caravan. Toen ze kwamen aanfietsen stond de Buick op zijn vaste plaats. Bas vond het een beetje raar om meneer Stevens te vragen of hij hem straks had zien rijden. Het leek zo erg nieuwsgierig... Stevens had intussen al voor het avondmaal gezorgd. Het was een voortreffelijk menu. Een eerste klas hotel zou het hem niet verbeterd hebben.
„Helemaal geen kunst, " weerde meneer Stevens alle lof af. „Allemaal blikjes. Ik heb niks anders gedaan dan ze open maken en opwarmen. "
„Maar dan toch op de juiste temperatuur, " meende Bas. „Dat is met zo'n elektrisch fornuis heel simpel. Je stelt maar in hoelang het moet koken en automatisch schakelt het fornuis zich dan op het gewenste tijdstip uit. "
„Dan hebt u een fijne neus voor de goede blikjes gehad, " vond Wim.
„Goed, laten we het daarop houden, als jullie dan toch per se een compliment willen maken. Leuk hè, " zei hij dan, toen hij zag hoe Wims blik naar een bijzonder aardig automodel ging. Bas keek nu ook. Het was zo'n grappige ouderwetse wagen uit het jaar 1900 of zo. Het model was wel heel typisch, de radiator was helemaal rond. „Dat is een Spijker, " legde meneer Stevens uit. „Een Spijker?" De naam zei Bas niets.
„Een Spijker?" zei Wim op verraste toon. „Ach ja, natuurlijk, dat had ik direct moeten zien. "
„Waaraan dan?"
„Aan die ronde radiator. "
„Inderdaad, " bevestigde meneer Stevens. „Ken je overigens het verhaal van de Spijker?"
„Iets, " zei Wim. „Ik heb er wel eens wat over gelezen, maar veel was dat niet. "
„Maar wat is de Spijker nou eigenlijk?" wilde Bas eerst weten.
„Een Nederlandse personenauto, die tot ver in het buitenland bekend is geweest. Er zijn nog wel meer auto's in Nederland gebouwd, maar dat had niet veel om het lijf. De Spijker echter is in zijn tijd een vermaarde wagen geweest, " vertelde meneer Stevens. „In Engeland houden ze nog ieder jaar races met oude modellen. Je kunt er vrijwel zeker van zijn dat je daar altijd nog een Spijker bij aantreft en dat die wagen zelfs na vijftig jaar nog opmerkelijke prestaties levert. " Meneer Stevens stak op zijn gemak een van zijn reusachtige sigaren op, terwijl hij er gemakkelijk bij ging zitten om zijn verhaal te doen.
„Jullie interesseren je toch wel voor het verhaal van de Spijker?" informeerde hij nog.
„Natuurlijk, " zeiden de beide jongens. Ze zouden niet eens een ander antwoord hebben durven geven. Hun gastheer verried al te duidelijk dat hij hun graag de geschiedenis wilde vertellen. Hij schraapte zijn keel en begon. „Het was in het jaar 1870, " zo vertelde meneer Stevens, „dat de gebroeders Hendrik en Jacobus Spijker een fabriek van koetswerken oprichtten. Het bedrijf wist zich een bijzonder goede naam te verwerven. Zelfs zo, dat het in het jaar 1898 -de vererende opdracht kreeg de Gouden Koets te bouwen, die door de burgers van Amsterdam aan koningin Wilhelmina zou worden aangeboden ter gelegenheid van haar troonsbestijging. Diezelfde koets wordt nog altijd gebruikt op de derde dinsdag in september, wanneer de koningin zichnaar de ridderzaal begeeft om de Staten Generaal te openen. Rond de eeuwwisseling begon men bij Spijker aan de productie van een auto. Dat was een heel waagstuk, als je weet dat pas in 1896 de eerste auto op de Nederlandse wegen verscheen. Over het algemeen moesten de mensen er nog niet veel van hebben. Passeerde ergens een auto, dan werd er vaak geroepen, daar hei je den duuvel!' Alle mogelijke bepalingen werden uitgevaardigd om het de automobilisten -maar zo lastig mogelijk te maken. Zo mocht je in de gemeente Staphorst maar met een snelheid van vijf kilometer rijden en dan moest de auto nog begeleid worden door een veldwachter.
Toch kwam in 1902 de eerste Spijker — een zes cilinder — gereed. Jacobus Spijker maakte zelf met deze auto veel tochtjes. Meestal duurde het niet lang, of er kwam een bericht op de fabriek dat men de wagen hier of daar moest komen ophalen, omdat hij met panne langs de weg stond. In bepaalde perioden was het zelfs zo erg, dat een paar Franse monteurs er dagwerk aan hadden om de auto op te halen en weer rijklaar te maken. Opvallend was het echter dat de motor zelf uiterst betrouwbaar bleek en vrijwel nooit mankementen vertoonde.
De gebroeders Spijker bleven niet stilzitten. Ze wilden het presteren in Nederland een goede auto op de markt te brengen en ze kwamen nu met een vier cilinder. Dat was het eerste exemplaar met die opvallend ronde radiator, waaraan men voortaan onmiddellijk de Spijker zou herkennen. Alle onderdelen van de auto waren in de fabriek zelf vervaardigd en gemonteerd.
Om de Spijker op de Engelse markt, waar toen reeds veel auto's gekocht werden, bekendheid te geven, besloten de beide broers met hun wagen deel te nemen aan een wedstrijd, waarbij een heuvel beklommen moest worden. Het had 's nachts geregend en geen van de deelnemers wist de top te bereiken, behalve de Spijker met zijn vier aangedreven wielen, die op de modderige weg voldoende greep hadden.
De Britten waren diep onder de indruk van deze prestatie; bovendien was het hun opgevallen, dat de Spijker veel minder stof opjoeg dan andere auto's. Stofwolken waren in die eerste jaren een obsessie voor het automobilisme. Waar een wagen passeerde, joeg het stof in dichte nevels op. Niet alleen de voorbijgangers hadden hiervan de hinder, ook de bestuurders en de passagiers, die zich op alle mogelijke manieren tegen die plaag zochten te beschermen. De Spijker kreeg een bol pantser onder heel de auto, om daardoor de luchtwervelingen te verminderen. De „stofloze Spijkercar" maakte in Engeland bijzonder grote opgang. Weldra reden er in Londen heel wat taxi's rond met die merkwaardige radiator. Tot laat in de twintiger jaren kon je ze daar tegenkomen en nog altijd waren het dan wagens, die geprezen werden om hun betrouwbaarheid.
Hendrik Spijker moet echt wel het type van de moderne zakenman zijn geweest, want hij vertrok zelfs naar het toenmalige Oostindië, om na te gaan of het niet voordeliger zou zijn eigen rubberplantages te stichten voor de fabricage van banden. Niet veel later is hij omgekomen bij de verschrikkelijke ramp van de Berlin, het schip dat op 9 februari 1907 vlak voor Hoek van Holland is vergaan. Hij behoorde tot de honderddertig slachtoffers.
Ondanks deze zware slag gingen de zaken bij de autofabriek door. In datzelfde jaar 1907 vond de race van Peking naar Parijs plaats. Dat is de vermaardste autorit die ooit is gehouden. Het was een enorme afstand die de deelnemers hadden af te leggen. Stel je dat maar eens voor: dwars over de halve aardbol, door Mongolië en de Gobiwoestijn, door Siberië en de Russische steppen. Ze moesten over ravijnen, waar geen bruggen waren, en over bergpassen, waar zich geen wegen bevonden. Koelies moesten hier en daar de auto's verder dragen, omdat rijden eenvoudig uitgesloten was. Ze kwamen in gebieden waar de mensen nog nooit een auto hadden gezien, en ze kregen met ongelooflijke moeilijkheden te kampen en beleefden de zonderlingste avonturen. Maar de Spijker haal-de het. Hij arriveerde als tweede in Parijs. Toch werd het succes in die race niet gevolgd door een opbloei van zaken. Aan alles viel na te gaan dat Jacobus lang niet zo'n zakenman was als zijn overleden broer Hendrik. Er ontstonden moeilijkheden met het personeel en het kwam zover, dat de vennootschap in staat van faillissement werd verklaard.
In 1908 werd de vennootschap alweer opgericht, maar er -kwam nu een andere directie. Op de autotentoonstellingen in Parijs en Londen werden de vier cilinder Spijkers een succes en in 1911 werd de eerste auto voor de koninklijke stallen gebouwd. Er werden in die dagen zo'n tweehonderd wagens per jaar afgeleverd. Zonder enige overdrijving mag men zeggen dat de Spijker voor die tijd een voortreffelijke wagen was met onovertroffen kwaliteiten. Maar het was en bleef een nadeel, dat de auto in de fabricage erg duur was. Iedere klant kreeg als het ware het koetswerk dat hij wenste. Je kon het vergelijken met maatkleding, wat door het bedrijf geleverd werd, en aan alles werd de uiterste zorg besteed. Zo was het bij voorbeeld heel gewoon, als er met de hand dertien lagen verf op de wagen werden aangebracht. Op die wijze ontstond een onverwoestbaar product, maar voor velen was het niet te betalen.
De eerste wereldoorlog brak uit. De fabriek waagde zich nu ook aan de bouw van vliegtuigen. Maar toen Fokker met zijn werkzaamheden begon, kon de Spijkerfabriek het niet lang bolwerken. Na de oorlog miste de crisis haar uitwerking op de autohandel niet. De prijzen van auto's liepen daardoor omhoog. Kostte in 1919 een Spijker dertienduizend gulden, in 1921 was de prijs van een zes cilinder maar liefst negenentwintigduizend gulden. En een gulden van toen was wel driemaal zoveel waard als nu. Vandaag de dag zou men dus voor een dergelijke wagen negentigduizend gulden moeten neertellen. Voor dit bedrag kan men een Rolls Royce kopen. In de jaren van de teruggang had echter niemand geld voor dergelijke kostbare uitgaven. De verkoop van Spijkers liep danook steeds meer terug. Men deed nog van alles om maar reclame voor de auto te maken. Zo maakte de latere vliegtuigconstructeur Frits Koolhoven met een Spijker een recordrit van Parijs naar den Haag. Hij deed er acht uur en vijfentwintig minuten over. Het haalde allemaal niets meer uit. In 1927 werd de fabriek gelikwideerd en dat was het einde van de Nederlandse auto. "
„Alleen is er nu weer een, de Daf, " hielp Wim Hoogveld herinneren.
„Maar de Daf bouwt alleen trucks en militaire voertuigen, " antwoordde meneer Stevens, „geen personenauto's. "
„Maar er gaat toch ook een personenauto van de Daf komen?" zei Bas.
„Dat zeggen ze, " merkte meneer Stevens op. „Je leest er telkens weer over in de krant. "
„Heeft iemand die auto al eens gezien?" informeerde meneer Stevens.
„Niet dat ik weet, " moest Bas toegeven. „Maar ze houden 'm nog geheim, daar kun je van op aan. Ze moeten natuurlijk eerst de nodige proefritten maken. "
Die meneer Stevens was, alles wel beschouwd, toch maar een vreemde sinjeur, vond Bas. Hij was gek op auto's, dat wisten ze. Het verhaal van de Spijker had hij eenvoudig uit zijn mouw geschud en hij had het verteld, als was hij er zelf bij geweest. Maar dat was feitelijk alles wat ze wisten. Hij liet niets over zichzelf los. Ze wisten bij voorbeeld niet waar hij vandaan kwam en wat zijn beroep was. Hij liet zich daarover niet uit. Alleen later op de avond lichtte hij een tipje van de sluier op. Dat was toen hij met zijn bandrecorder op de proppen kwam.
„Ik ben ook zo'n beetje geluidsjager, " vertelde meneer Stevens daarbij. „Je weet toch dat dat op het moment de nieuwste hobby is: proberen de merkwaardigste geluiden op de band vast te leggen. Ik heb al een heel aardige verzameling, dat mag ik wel zeggen. Ja, waar komt een mens al niet toe,als hij teveel geld en teveel tijd heeft. " Bas keek verrast op bij die woorden. Stevens merkte zijn onderzoekende blik. „Ja jongens, ik heb wat geluk gehad in mijn leven en daardoor nogal wat geld verdiend. Ik kan nou nog wel blijven werken, maar dan verdien ik alleen maar meer geld dat ik toch niet kan opmaken. Ik heb me daarom maar teruggetrokken uit het zakenleven en houd me bezig met mijn hobbies. Eerst en voor alles de auto's en dan ter afwisseling de geluiden. Hier, moeten jullie eens horen wat ik heb. " Hij schakelde de bandrecorder in en terwijl de spoelen ronddraaiden, klonk het donderend geluid van een straaljager. Het geratel van mitrailleurs werd hoorbaar en het angstaanjagend geluid van een sirene.
„Dat heb ik eens bij een militaire oefening kunnen opnemen, " vertelde Stevens. „Hier nog iets moois. " Een oorverdovend geluid werd hoorbaar, als ontplofte er vlakbij een enorme bom. „Het is niks bijzonders, " legde Stevens uit. „Het is doodeenvoudig het geluid van een kinderballonnetje, dat stukspringt. Ik heb het geluid alleen enorm versterkt en toen opnieuw opgenomen. Met de apparatuur die ik nu heb, kan ik zo ongeveer alles doen. Zien jullie daar die twee kastjes?" Hij wees de jongens op de voorwerpen tegen de wand van de caravan. Ze leken het meest op sigarenkistjes. „Op het dak van de caravan heb ik er zo nog twee. Als ik die inschakel en ik zet de versterker helemaal uit, dan horen ze me ongeveer over heel Nederland. Je kunt je niet voorstellen hoe geweldig je die geluiden kunt versterken. " Meneer Stevens legde een nieuwe spoel op de bandrecorder. Er klonk nu het geluid van een auto die startte en dan snel optrok. Het leek even of Stevens schrok en hij schakelde de bandrecorder meteen uit. „Dat is niks, " zei hij. Haastig nam hij de spoel van de recorder en legde een andere op. Daarop waren allerlei dierengeluiden opgenomen. Ook menselijke stemmen waren vastgelegd, maar ze waren volkomen vervormd. Zware mannenstemmen werden hoge, gillende geluiden, omdat de snelheid waarmee de spoel rondwentelde was opgevoerd. En zohadden vrouwenstemmen door een vertraagd tempo een diepe dreigende klank gekregen. Het waren spookachtige geluiden, die niets menselijks meer hadden.
„Daar kun je iemand de stuipen mee op het lijf jagen, " merkte Bas op. Later zou hij nog eens aan die woorden terugdenken.
Voor de jongens naar bed gingen, liepen ze nog een stukje om. Het weer was te mooi om er niet van te genieten. Ze begaven zich in de richting van hun tent. Die was intussen al helemaal droog en ze hadden hem reeds netjes ingepakt, met al hun verdere bagage, voor zover ze die nu niet meer nodig hadden. Ze konden dan morgen snel starten. Bas wilde liefst zo gauw mogelijk thuis zijn, omdat hij de ochtend daarop al weer vroeg bij Heiligers moest zijn.
Ineens hield Wim Bas staande. Van vrij dichtbij klonk gekraak van takken en zacht geschuifel van voeten. Je moest heel ingespannen luisteren, maar dan kon je in de diepe stilte, die verder door niets werd verstoord, de heimelijke geluiden opvangen. Er werd ook zachtjes gefluisterd. Het maakte op de jongens een vreemde indruk. Het leek of er iets niet in de haak was.
Voor ze echter iets konden ondernemen, flitste er ineens een fel licht op. Meteen klonk het nijdig geluid van een automotor, die startte. Het geluid stierf weg en het was nu weer volkomen stil.
„Het is dat we morgen vertrekken, " zei Bas, „anders ging ik vast op onderzoek uit.
„Je kunt je er beter maar buiten houden, " vond Wim. Dat was een heel wijs woord, oordeelde Bas, en hij wilde niets liever dan er zich aan houden. Hij kon ook niet weten dat hij buiten zijn toedoen betrokken zou raken bij gebeurtenissen, die voor een deel een vervolg waren op hetgeen zich hier afspeelde. Daar was hij nu gelukkig nog onkundig van. Op hun gemak keerden de beide jongens terug naar de caravan. Over de verkeersweg zagen ze een zware truck rijden. Aan de achterzijde staken twee zware balken uit. Bas keekde wagen even na. Over een paar dagen reed hij met zo'n truck mee, bedacht hij. Hij was benieuwd of het een leuke reis zou worden. Met Heiligers er bij kon je daar eigenlijk wel op rekenen.
Meneer Stevens was er niet, zagen ze, toen ze de caravan binnengingen. Hij had hun gezegd dat hij misschien nog weg moest en dat ze dan maar niet op hem moesten wachten. Dat deden de beide jongens dan ook niet. Ze kleedden zich uit en zochten hun gerieflijke slaapplaatsen weer op.