Hoofdstuk 11


Acht minuten na de dood van Larry en precies twintig nadat ik Kennedy en Royale in die hut had achtergelaten, was ik er weer terug en gaf de afgesproken klopjes op de deur. Vlug ging ik naar binnen. Terwijl Kennedy de deur op slot deed, keek ik naar de met gespreide armen en benen bewusteloos op de vloer liggende Royale.
„Hoe is het met de patiënt gegaan?" vroeg ik.
„Onrustig," grinnikte Kennedy. „Ik heb hem een tweede kalmerend middeltje moeten geven."
Ik hijgde zwaar. De krachtsinspanningen van de laatste twintig minuten en het feit dat ik de terugweg hollend had afgelegd waren niet bevorderlijk voor mijn ademhaling geweest. Ik zag dat Kennedy me opeens strak aankeek. Zijn ogen dwaalden naar het bloed dat langs mijn kin liep en dan naar het gat in de schouder van mijn oliejas.
„Je bent gewond! Moeilijkheden gehad?"
Zijn glimlach was verdwenen. „Jawel," zei ik, „maar het is voor elkaar." Zo vlug mogelijk begon ik me uit het oliegoed te worstelen en een aangename gewaarwording was het niet. „Ik kreeg radioverbinding. Alles marcheert. Tot dusver tenminste."
„Dat is prachtig."Hij zei het automatisch. Het goede nieuws beviel hem natuurlijk best, maar mijn aanblik veel en veel minder. Voorzichtig hielp hij me met het oliegoed en ik hoorde dat hij de adem inhield. Nadat we de ladder van de boortoren waren afgedaald, had Mary me vlug even en volkomen onvoorbereid in de radiohut verbonden - het was een kwestie van hoogstens een minuut geweest - en waar ik mijn hemdsmouw had afgerukt werden de op beide wonden gedrukte en van bloed doortrokken stukken gaas zichtbaar: inderdaad was de kogel dwars door mijn schouder gegaan. Hij had niet het been geraakt, maar wel zo ongeveer half de deltaspier weggescheurd.
„Dat zal pijn doen!" „Het gaat wel," bromde ik.
Het ging helemaal niet. Aan elke kant van mijn schouder zat een klein op stukloon werkend mannetje en beiden waren met een trekzaag bezig alsof hun levens ervan afhingen. Met mijn mond was het niet veel beter gesteld. De gebroken tand had een zenuw blootgelegd en elke seconde trok er een felle scheut pijn door mijn hoofd en gezicht. Onder normale omstandigheden was ik met mijn kop tegen de muur gelopen, maar die dag was geen normale dag.
„Zo kan je niet verder," drong Kennedy aan. „Je verliest massa's bloed en…"
„Kan iemand zien dat ik op mijn mond werd geslagen?" vroeg ik abrupt.
Hij begaf zich naar de wastafel, maakte een zakdoek nat en veegde het bloed van mijn gezicht.
„Ik geloof het niet," antwoordde hij. „Morgen zal je bovenlip tweemaal zo dik zijn, maar het proces is nu nog niet begonnen." Hij glimlachte, hoewel het niet van harte ging. „En… eh… zolang die wond aan je schouder je niet hard aan het lachen maakt, zal geen mens merken dat een van je tanden is gebroken."
„Mooi. Meer heb ik niet nodig. Ik moet nu eenmaal verder."
Ik stapte uit de beenpijpen en duwde de revolver tussen mijn riem. Kennedy die de pijpen van me had overgenomen en ze begon aan te trekken, zag het. „Is dat de revolver van Larry?" Ik knikte. „Heeft hij je zo toegetakeld?" Opnieuw knikte ik. „En Larry?"
„Waar hij op het ogenblik is, zal hij geen heroïne meer nodig hebben," antwoordde ik, terwijl ik met pijnlijke bewegingen in mijn jas schoot en blij was dat ik hem niet had aangehouden. „Ik brak zijn nek."
Met een nadenkende blik keek Kennedy me aan.
„Je gaat hardhandig te werk, is het niet, Talbot?"
„Niet half zo hardhandig," zei ik grimmig, „als jij het gedaan zou hebben. Hij had Mary op haar knieën op een platform van de boortoren, ongeveer dertig meter boven het dek en was van plan haar zonder behulp van de ladder naar beneden te laten gaan."
Hij hield op met het dichtknopen van de oliejas, was met twee snelle stappen bij me, greep me bij de schouders en liet ze haastig weer los toen hij mijn uitroep van pijn hoorde.
„Het spijt me, Talbot! Stom van me!" Zijn gezicht leek minder bruin dan gewoonlijk. Om zijn mond en ogen lagen plotseling groeven. „Is… is alles met haar in orde?"
„Prima," zei ik moe. „Over tien minuten zal je haar wel zien en kan je je overtuigen. Nu kan je beter maar weggaan, Kennedy, want ze kunnen elk ogenblik terugkomen."
„Inderdaad," mompelde hij. „Een half uur, zei de generaal, en dat is bijna voorbij. Weet je zeker dat Mary… eh… prima is?"
„Natuurlijk," zei ik geïrriteerd. Ik had er meteen al spijt van, want daarvoor mocht ik deze man te graag. „Ik heb nog nooit een chauffeur gezien," grinnikte ik, „die zich zó bezorgd om zijn werkgeefster schijnt te maken."
„Ik neem de benen," zei Kennedy. Hij pakte een kleine, leren portefeuille die op het bureau lag en stak hem in zijn binnenzak. „Laat ik die niet vergeten. Doe de deur open en kijk of alles veilig is."Ik opende de deur, overtuigde me ervan dat nergens gevaar dreigde en knikte. Kennedy nam Royale onder de oksels, sleepte hem over de drempel en kwakte hem zonder verdere plichtplegingen naast de omver geworpen stoel in de gang neer. Royale bewoog zich en kreunde. Elk moment kon hij bijkomen. Kennedy staarde me even aan alsof hij iets wilde zeggen, deed dan een stapje naai; voren en gaf me een voorzichtig tikje op mijn goede schouder.
„Succes, Talbot," zei hij zacht. „Ik wilde dat ik met je mee kon."
„Ik ook," zei ik eerlijk. „Maak je geen zorgen, want het is zo goed als achter de rug."
Maar ik maakte mezelf niets wijs en Kennedy wist het. Ik knikte hem nog even toe, ging naar binnen en sloot de deur. Kennedy draaide aan de gangkant de sleutel om en liet hem in het slot zitten. Ik luisterde, maar hoorde zelfs zijn voetstappen niet wegsterven. Voor zo'n zware man was hij even opvallend geruisloos als snel. Nu ik alleen was en niets had te doen, sloeg de pijn met verdubbeld geweld toe. Golven pijn en misselijkheid wisselden elkaar af. Ik voelde de duizeligheid komen en weer wegtrekken en had me het liefst maar willen laten gaan. Het kon niet. Nu zeker niet. Het was te laat. Ik had alles willen geven voor een injectie tegen die afmattende pijn en voor een middeltje dat me door het volgend uur zou kunnen heenhelpen en voelde me bijna opgelucht toen ik minder dan twee minuten na Kennedy's vertrek naderende voetstappen in de gang onderscheidde. We hadden het goed uitgemikt. Er klonk een uitroep, de voetstappen begonnen te hollen en met een potlood in de hand ging ik achter het bureau zitten. Ik had het plafondlicht uitgedaan en trok een schaarlamp tot vlak boven mijn hoofd zodat mijn gezicht in de schaduw bleef. Misschien was het inderdaad niet te zien dat ik aan mijn mond gewond werd, zoals Kennedy me verzekerde, maar ik wilde geen risico nemen.
De sleutel knarste wild in het slot, de deur werd opengeschopt, sloeg met daverend geweld tegen de wand en een vent die ik nog nooit eerder had gezien maar in bouw en uiterlijk op Cibatti leek rende naar binnen. Hollywood had hem precies bijgebracht hoe in dergelijke situaties deuren geopend moesten worden. Als er hengsels of posten beschadigd werden of de kalk van de muren viel, gaf dat niets en was het voor rekening van de onfortuinlijke eigenaar. Daar in dit geval de deur uit staal bestond, beschadigde de man alleen maar zijn teen en er was geen studie van de menselijke natuur voor nodig om te weten dat hij het liefst maar de automatische revolver had afgeschoten waarmee hij nu al verwoed aan het zwaaien was. Hij zag echter alleen mij - met mijn potlood in de hand achter dat bureau en een vriendelijk vragende uitdrukking op mijn gezicht Hij keek me bijzonder dreigend aan, draaide zich om en knikte tegen iemand in de gang. Half gedragen door Vyland en de generaal kwam de nu weer bijgekomen Royale op. Hij liet zich zwaar in een stoel vallen en ik vond het een genot om hem eens goed te bekijken. Kennedy deze avond en ik twee avonden geleden hadden prima werk geleverd. Het beloofde de grootste kneuzing te worden die ik ooit op een gezicht had gezien. Op dit ogenblik al muntte hij uit door uitzonderlijk fraaie kleuren. Met een soort onverschillige belangstelling was ik er nieuwsgierig naar of die kneuzing er ook nog zou zijn als Royale naar de elektrische stoel werd gebracht. Waarschijnlijk wel, durfde ik aan te nemen.
„Ben je uit deze hut geweest, Talbot?" vroeg Vyland.
Hij leek erg zenuwachtig en had de beschaafde stem van de grote zakenman even vergeten.
„Zeker. Ik loste mezelf op en vloeide door het sleutelgat." Met interesse gluurde ik naar Royale. „Wat is er met je vriendje gebeurd, als ik vragen mag? Kreeg hij de boortoren op zich?"„Het was Talbot niet!"
Royale duwde Vylands ondersteunende hand weg, greep in zijn jasje en trok zijn revolver. Het was altijd die kleine, dodelijke revolver waar Royale het eerst aan dacht. Hij wilde hem weer wegsteken, maar kwam plotseling op een idee en opende de patroonhouder. Alle kogeltjes van een legering van nikkel en koper waren er nog. Hij schoof de patroonhouder weer terug, liet de revolver in de schouderholster verdwijnen en tastte in zijn binnenzak. Met zeer veel verbeeldingskracht zouden de twee vonkjes in zijn ene goede oog wellicht uitgelegd kunnen zijn als uitingen van eerst woede en dan opluchting en tegelijkertijd zei hij tegen Vyland:
„Mijn portefeuille is verdwenen!"
„Je portefeuille?" Hoe Vyland zich voelde, was heel duidelijk - alleen maar opgelucht namelijk. „Een doodgewone dief dus!"
„Je portefeuille! Op mijn boortoren? Dat noem ik wel een bijzonder groot schandaal!" De snor van de generaal wipte op en neer. „Ik kom waarachtig niet voor jouw belangen op, Royale, maar stel je voor dat zoiets op mijn boortoren gebeurt! Ik zal onmiddellijk iedereen laten fouilleren en de bandiet…"
„Bespaar u de moeite, generaal," onderbrak ik hem droogjes. „De bandiet heeft het geld al in zijn broekzak en de portefeuille ligt op de bodem van de zee. Wie trouwens geld van Royale steelt, heeft recht op een onderscheiding."
„Je praat te veel, Talbot," zei Vyland koud. Hij keek me nadenkend aan en het beviel me niets. „Misschien was het wel een afleidingsmanoeuvre. Misschien werd Royale om een andere reden neergeslagen. Misschien weet jij meer van die reden af, vriend."
Ik werd ijskoud. Vyland was geen dwaas en ik had dit niet voorzien. Als ze wantrouwen koesterden en me fouilleerden, zouden ze zowel Larry's revolver als de wond aan mijn schouder ontdekken en betekende het definitief het laatste optreden van John Talbot. Een seconde later werd ik nog kouder.
„Misschien," mompelde Royale, „was het inderdaad doorgestoken kaart."
Wankelend kwam hij overeind, begaf zich naar mijn bureau en bestudeerde de papieren die voor me lagen. Dat was het! Ik herinnerde me hoe Royale voordat hij de hut verliet ook al aandachtig naar die papieren had gekeken. Ik had toen ongeveer een half vel volgekrabbeld met letters en cijfers en er sindsdien geen lettertje of cijfertje meer aan toegevoegd. Meer bewijs had Royale niet nodig. Ik bleef naar zijn gezicht kijken - naar het vel papier durfde ik het niet - en vroeg me af hoeveel kogels hij in me kon schieten voordat ik kans had gezien de Colt van Larry tussen mijn riem uit te trekken. Dan hoorde ik Royale iets zeggen en kon mijn oren niet geloven.
„Nee, we hebben het mis. Talbot gaat vrij uit. Hij heeft zitten werken, mijnheer Vyland. Achter elkaar door, zou ik zeggen."
Ik gluurde op de papieren voor me. Het halve vel met gekrabbelde letters en cijfers bleek aangegroeid te zijn tot twee en een half vel. Ze waren beschreven met hetzelfde potlood en Royale had wel heel goed moeten kijken om gezien te kunnen hebben dat het niet met dezelfde hand was gebeurd - bovendien zag hij het schrift ondersteboven. De neergekrabbelde nonsens was even nietszeggend als mijn eigen produktie, maar het was voldoende, meer dan voldoende. Het betekende een paspoort voor het leven mij uitgereikt door Kennedy wiens vooruitziende blik in dit geval die van mij ver had overtroffen. Ik had Kennedy graag een paar maanden geleden ontmoet willen hebben.„Dan was er dus iemand kort bij kas." Vyland was voldaan en dacht verder niet meer aan dit intermezzo. „Opgeschoten, Talbot? We komen wat krap in de tijd te zitten."
„Maakt u zich maar niet ongerust," zei ik. „Ik heb het allemaal berekend en als ik vijf minuten in die bathyscaaf ben, heb ik het prima voor elkaar."
„Prachtig." Vyland maakte een vergenoegde indruk, maar dat kwam alleen omdat hij niet wist wat ik wist. Hij wendde zich tot de vent die de deur had opengeschopt. „Haal de dochter van de generaal en zijn chauffeur Kennedy. Ze zijn in de suite. Ze moeten onmiddellijk komen. Ben je klaar, Talbot?"
„Ik ben klaar." Ik stond op. Het gebeurde wat beverig, maar vergeleken met Royale moest ik kerngezond lijken en niemand had dan ook iets in de gaten. „Voor ik het vergeet, Vyland, het was een zware dag en ik zou wel een borrel lusten voordat we omlaag gaan."
„Het zou me verbazen als Cibatti en zijn vriend niet ergens een fles achter de hand hadden." Vyland kreeg zo langzamerhand het einde in zicht en bevond zich in een beste stemming. „Ga maar mee."
Door de gang liepen we naar de kamer met de stalen wanden en het schachtluik van de pijler, werden na het bekende geklop in code binnen gelaten en tot mijn genoegen bleek Vyland gelijk gehad te hebben: Cibatti en zijn vriend hielden inderdaad een fles achter de hand en nog wel meer dan een, naar ik veronderstelde. Drie vingers Schotse whisky kregen tot gevolg dat de twee op mijn schouder zittende kleine mannetjes met de trekzaag het werken op stukloon opgaven en op uurloon verder gingen. Tevens had ik niet meer het gevoel dat ik steeds weer met mijn hoofd tegen een muur sloeg. Hier vloeide logisch beschouwd uit voort dat de verbetering zou aanhouden als ik nog een dosis pijnstillend middel nam en ik had dit net gedaan toen de deur openging en Mary en Kennedy naar binnen werden geduwd. Er was die avond veel van mijn hart gevergd, overwerk zelfs waaraan het niet gewend was, maar er was maar één blik op Mary voor nodig om het uitbundig te doen kloppen. Bij het zien van haar gezicht werd mijn stemming echter helemaal niet uitbundig en kiende ik bij voorbaat al met groot genoegen uit hoe ik met Vyland en Royale zou kunnen afrekenen. Er lagen brede, donkere kringen onder haar ogen. Ze was bleek en gespannen en leek werkelijk aan haar laatste krachten toe te zijn. Ik twijfelde er geen moment aan dat ze het afgelopen half uur in doodsangst had gezeten. Meer dan ooit in haar leven. Ik trouwens ook. Vyland en Royale schenen echter niet te merken dat er iets niet met haar in orde was. Geen wonder. Als mensen die gedwongen waren met hen samen te werken niet in doodsangst zaten, zou het een uitzondering op de regel betekend hebben. Kennedy maakte niet de indruk in doodsangst te verkeren. Hij maakte alleen maar de indruk van een volmaakt chauffeur. Evenmin als ik liet Royale zich daardoor van de wijs brengen. Hij wendde zich tot Cibatti en diens maat en zei: „Fouilleer deze knaap en let er goed op dat hij niet iets bij zich heeft dat hij niet bij zich mag hebben."
Vyland keek hem vragend aan.
„Misschien is hij even ongevaarlijk als hij er uitziet," verklaarde Royale, „maar ik betwijfel het. Hij heeft de hele middag vrij op de boortoren rondgelopen. Best mogelijk dat hij ergens een revolver opgescharreld heeft en kans ziet om Cibatti en de anderen onder schot te nemen als ze toevallig even niet kijken." Met zijn hoofd duidde Royale op het schachtluik van de pijler. „Ik voel er niets voor om dertig meter een ladder op te klimmen met bovenaan Kennedy's revolver op me gericht." Ze fouilleerden Kennedy en vonden niets. Royale was handig en zag weinig over het hoofd, maar ditmaal was hij toch niet handig genoeg geweest. Hij had mij moeten laten fouilleren.
„We willen je niet haasten, Talbot," zei Vyland met doorwrocht sarcasme.„Ik ben zo klaar," zei ik.
Ik slikte de laatste dosis pijnstillend middel in, keek fronsend en wat schaapachtig naar mijn aantekeningen, vouwde ze op en stak ze in mijn zak en begaf me naar de ingang van de pijler. Zorgvuldig vermeed ik Mary, de generaal of Kennedy aan te kijken. Vyland raakte even mijn gewonde schouder aan en dank zij het pijnstillend middel ging ik niet van de kaart. Ik sprong slechts een paar centimeter omhoog en de twee houthakkertjes op mijn schouder zaagden ijveriger dan ooit.
„Een beetje zenuwachtig, is het niet?" grinnikte Vyland. Hij wees op een op de tafel liggende gewone elektromagneetschakelaar die ik uit de bathyscaaf mee naar boven had gebracht. „Vergeet je niet iets?"
„Dat hebben we niet meer nodig."
„Mooi. Vooruit dan. Jij eerst. Je houdt hier alles wel goed in de gaten, Cibatti!"
„Dat komt in orde," stelde Cibatti hem gerust.
Ik was er niet bang voor. Mocht iemand zelfs ook maar iets te diep ademhalen dan zou hij meteen Cibatti's revolver al op zich gericht weten. Als Vyland en Royale met mij in de bathyscaaf en diep onder water waren, kregen Kennedy en de generaal geen kans om hen een loer te draaien, maar werden ze streng bewaakt tot we weer terug zouden zijn. Ik wist overigens haast wel zeker dat Vyland als extra veiligheidsmaatregel het liefst ook de generaal had meegenomen. Behalve echter dat de gondel slechts plaats bood voor drie personen en Vyland zelfs het geringste gevaar niet zonder lijfwacht Royale tegemoet trad, zou alleen al het zien van die honderdtachtig sporten te veel voor de oude generaal geweest zijn.
Voor mij bleek het bijna ook te veel te zijn. Voordat we de helft van de sporten achter ons hadden, voelden mijn schouder, arm en nek aan alsof ze in een bak met gesmolten lood gedompeld waren geweest. Golven van afschuwelijke pijn schoten omhoog naar mijn hoofd, daar veranderden de vlammen in een ondoordringbaar donker en dan trok de pijn terug naar mijn borst en maag en vervloeide tot onpasselijkheid. Soms werd ik nagenoeg door de pijn, het donker en de onpasselijkheid verzwolgen. Ik moest me met mijn ene hand en de kracht der wanhoop vastklemmen tot de golven verdwenen en ik weer geheel bij mijn positieven was. Na elke sport duurden de perioden van alles zwart zien langer en die van het besef korter. De laatste dertig of veertig sporten moet ik volkomen automatisch afgelegd hebben en slechts gedreven door instinct, geheugen en een vreemd soort onderbewuste wilskracht. Het enige punt in mijn voordeel was dat ze me beleefd als altijd hadden laten voorgaan om me niet in de verleiding te brengen iets zwaars op hun hoofden te smijten en daardoor zagen ze niet hoe moeilijk ik het had. Toen ik eindelijk de vloer in de pijler had bereikt en de laatste van het gezelschap - Cibatti's maat die het luik zou sluiten - naast me stond, kon ik me nog maar net zonder zwaaien overeind houden. Ik neem aan dat mijn gezicht de kleur van grauw papier had en ik baadde in het zweet, maar dank zij het slechts heel vage schijnsel van een op de bodem van de graftombe staande lantaarn bestond er weinig gevaar dat Vyland of Royale iets ongewoons zou bespeuren. Ik veronderstelde dat Royale zich na deze afdaling ook niet prima moest voelen. Iemand die voor een half uur bewusteloos wordt geslagen, bevindt zich een kwartier na zijn bijkomen bepaald niet in zijn beste conditie. Wat Vyland betrof had ik een flauw vermoeden dat hij bang was en op dat moment zijn belangstelling alleen concentreerde op zichzelf en de tocht die voor ons lag. Het luik werd geopend en via de schacht klommen we naar de stalen gondel onder de bathyscaaf. De laatste bocht die bijna een rechte hoek vormde, nam ik om mijn gewonde schouder te sparen met uiterste voorzichtigheid, maar ook dit tochtje werd een ervaring van louter pijn en ellende. Ik deed het licht aan en begaf me naar de contactdoos, terwijl ik het aan Vyland overliet om het luik van de schacht te sluiten. Een halve minuut later wrong hij zich ook in de gondel en trok de wigvormige deur achter zich dicht. Hij en Royale leken naar behoren geïmponeerd door de grote hoeveelheid in chaotische wanorde uit de contactdoos bengelende draden en als ze ook niet onder de indruk kwamen van de vakkundige snelheid waarmee ik die draden, nauwelijks mijn aantekeningen raadplegend, weer op hun plaatsen bracht, dan zou me dat zeer verwonderd hebben. Gelukkig bevond de contactdoos zich op de hoogte van mijn middel, want ik kon van mijn linkerarm alleen het stuk onder de elleboog nog gebruiken. Ik schroefde het deksel van de contactdoos vast en begon de instrumenten en knoppen en schakelaars op de schakelborden te controleren. Vyland sloeg me met ongeduld gade. Royale volgde al mijn bewegingen en met een gezicht dat door zijn onbewogenheid en gehavendheid dat van de grote Sphinx van Giza evenaarde. Van Vylands kennelijke haast trok ik me overigens niets aan. Wel beschouwd moest ik ook met die bathyscaaf mee en ik dacht er niet aan om risico's te nemen. Ik schakelde de beide elektromotoren in en wees Vyland op de twee flikkerende wijzerplaten.
„De motoren!" zei ik. „Je kan ze hier nauwelijks horen, maar ze lopen prima. Klaar om te varen?"
„Ja." Hij streek met zijn tong langs zijn lippen. „Klaar om te varen."
Ik knikte, draaide de klep van de schacht open zodat het water er kon instromen, duidde op de tussen mij en Royale hangende microfoon en schakelde hem in.
„Geef ze boven een seintje," zei ik, „dat ze die rubberring leeg laten lopen."
Het gebeurde. Ik schakelde de microfoon weer uit en wachtte. De bathyscaaf had overlangs nauwelijks merkbaar liggen slingeren, maar plotseling hield dat op. Ik keek op de dieptemeter. De rode wijzer registreerde onregelmatig - we lagen dicht genoeg bij de oppervlakte om de invloed van de geweldige golven en dalen boven ons nog te ondergaan maar er viel niet aan te twijfelen dat de gemiddelde diepte begon toe te nemen.
„We zijn los van de pijler," zei ik tegen Vyland. Ik deed de verticale schijnwerper aan en wees door het raam van plexiglas aan onze voeten naar de zanderige bodem die nu nog maar hoogstens twee meter onder ons lag. „Welke richting? Vlug! Ik wil niet in dat zand terecht komen."
„Rechtaan! Precies zoals we liggen."
Ik schakelde beide motoren op halve kracht vooruit en gaf roer voor de maximum voorwaartse stijging. Meer dan twee graden was het niet. Anders dan bij het richtingsroer namelijk was de invloed van de horizontale roeren van de bathyscaaf op het voor het duiken en stijgen van ondergeschikt belang zijnde manoeuvreren vrijwel tot een minimum beperkt.
Langzaam verhoogde ik de snelheid tot op volle kracht vooruit.
„Bijna pal zuidoost." Vyland bestudeerde een stukje papier dat hij uit zijn zak had gehaald. „Koers 222."
„Zuiver?"
„Wat bedoel je met zuiver?" snauwde hij boos.
Nu al zijn wensen waren vervuld en de bathyscaaf een in vol bedrijf zijnde onderneming was geworden, begon hij zich in de gondel minder behaaglijk te voelen. Vermoedelijk had hij last van engtevrees.
„Is het de zuivere koers?" vroeg ik geduldig. „Of geldt hij voor dit kompas?"
„Voor dit kompas."
„Is het op afwijkingen gecontroleerd?"
Opnieuw raadpleegde Vyland het papiertje.„Jawel," antwoordde hij dan. „Volgens Bryson zullen we als we precies deze koers houden geen invloed ondervinden van het ijzer in de boortorenpijlers."
Ik zei niets. Bryson, de ingenieur die aan de caissonziekte was gestorven - waar zou hij zijn? Nog geen zestig meter van ons vandaan wist ik zo goed als zeker. Voor een boorput van misschien wel vier kilometer diep zouden op zijn minst zesduizend zakken cement nodig zijn. Twee emmers vol waren genoeg om de heren de zekerheid te geven dat Bryson tot lang nadat hij een niet meer te identificeren skelet was geworden op de bodem van de oceaan zou blijven. En twee emmers minder zouden niet gemist worden.
„Vijfhonderdtwintig meter," zei Vyland. „Van de pijler naar het vliegtuig." Het eerste woord over een vliegtuig. „Ik bedoel de horizontale afstand. Naar de bodem van de trog mee zal het ongeveer zeshonderdtwintig meter worden."
„Waar begint die trog?"
„Van hieruit op zoiets als tweederde van de afstand. De diepte is daar tweeënveertig meter. Bijna even diep als de plek waar de boortoren ingebed is. De helling van de trog zal een kleine dertig graden bedragen. De diepte tot op de bodem is honderdzesenveertig meter."
Ik knikte zwijgend. Ik had altijd horen vertellen dat een mens nooit twee bronnen van pijn tegelijk kon hebben, maar wist nu dat het op een vergissing moest berusten. Het kon wel degelijk. Mijn arm, schouder en rug vormden een oceaan van pijn waarbij zich ook nog de felle scheuten pijn in mijn bovenkaak voegden. Ik voelde niets voor een gesprek. Ik voelde nergens iets voor en probeerde de pijn te vergeten door me volkomen op mijn taak te concentreren.
De kabel die ons met de pijler verbonden hield, zat om een door een elektromotor gedreven trommel gewonden en kon op de terugreis mechanisch ingehaald worden. Zonder behulp van die motor werd hij nu gevierd en door het midden van die kabel liep de geïsoleerde draad van de microfoon.
Het aantal omwentelingen van de trommel werd geregistreerd door een teller in de gondel en op die manier konden we vrij nauwkeurig berekenen welke afstand we hadden afgelegd. Het gaf ons ook een idee van de snelheid. De maximumsnelheid van de bathyscaaf bedroeg twee knopen, maar door de weerstand van de kabel achter ons haalden we niet meer dan één knoop. Het was echter snel genoeg, want ver behoefden we niet te varen. Vyland leek voldaan te zijn dat hij de bathyscaaf aan mij kon overlaten. De meeste tijd zat hij kennelijk wat ongerust uit een van de zijramen te kijken. Royale wendde zijn goede en nimmer knipperende oog geen moment van me af. Hij volgde al mijn bewegingen en handelingen, maar deed het alleen uit gewoonte. Vermoedelijk wist hij niets van een bathyscaaf en het bedienen van de instrumenten af. Het kon haast niet anders, want zelfs toen ik de zuurstofregenerator op zijn minimum draaide, scheen het niets voor hem te betekenen. Langzaam en ongeveer drie meter boven de zeebodem dreven we voort. Door de druk van de kabel achter ons kwam de neus iets omhoog. De sleepkabel onder de gondel streek langs stukken rots en koralen en soms over een sponzenbank. Het water was donker, vrijwel inktzwart, maar door de twee schijnwerpers en het licht dat door de ramen van plexiglas stroomde, konden we genoeg zien. Twee grote platvissen zwommen lui en verstrooid voorbij de ramen en waren vast van plan zich niet met andermans zaken te bemoeien. Een slangachtige, grijze kannibaalvis kronkelde zijn slank lijf naar ons toe, duwde zijn boosaardige kop tegen een zijraam en staarde ons bijna een minuut lang aan. Een school makrelen hield ons enige tijd gezelschap en verdween plotseling in een warreling van flitsende bewegingen toen op koninklijke wijze een stomp- neuzige haai naderde en met nauwelijks zichtbare slagen van zijn krachtige staart weer weggleed. Verder leek de zeebodem verlaten te zijn.Precies tien minuten nadat we de pijler verlaten hadden, viel de zeebodem onder ons eensklaps weg in wat in het onverwacht en voor de schijnwerper ondoordringbaar gapend donker op een bijna verticale rotswand leek. Ik wist dat het verbeelding was. Vyland moest de oceaanbodem minstens wel tienmaal nauwkeurig nagegaan hebben en als hij het over een hellingshoek van slechts dertig graden had, zou dat ook wel zo zijn. Desondanks kregen we de indruk van een plotseling opdoemende, bodemloze afgrond en werden we er even door overweldigd.
„Dit is het," zei Vyland zacht. Op zijn glad gezicht zag ik wat zweet glinsteren. „Naar beneden, Talbot!"
Ik schudde mijn hoofd.
„Nog niet. AU we het nu doen, trekt die kabel achter ons het achterschip omhoog. Onze zoeklichten kunnen niet naar voren schijnen, maar alleen verticaal naar beneden. Wil je dat we met de neus op een voor ons onzichtbaar uitstekend stuk rots stoten? Wil je dat de voorste benzinetank opengescheurd wordt? Vergeet vooral niet dat die tank uit alleen maar een dun laagje metaal bestaat. Eén opengescheurde tank is al voldoende om ons van ons drijfvermogen te beroven en dat ontneemt ons de kans om ooit nog aan de oppervlakte te komen. Dat begrijp je toch, is het niet, Vyland?"
Zijn gezicht glom van het zweet en opnieuw streek hij met zijn tong langs de lippen.
„Dan maar op jouw manier, Talbot."
En ik deed het op mijn manier. Ik hield de koers op 222 tot de kabel zeshonderd meter was uitgevierd en stopte de motoren zodat de bathyscaaf heel langzaam begon te zakken. Zó tergend langzaam zelfs dat de dieptemeter nauwelijks scheen te bewegen. Het gewicht van de kabel achter ons had de neiging het achterschip omhoog te trekken en om de twintig meter dalen, op een diepte tussen zestig en honderddertig meter, moest ik op de motoren zachtjesaan vooruit en meer kabel vieren. Op precies zesenzeventig vadem, ongeveer honderddrieënveertig meter, gleed het licht van de schijnwerper over de zeebodem. Hier geen rotsen, koralen of sponzenbanken, maar kleine strepen grijsachtig zand tussen grote plekken zwarte modder. Op bijna halve kracht vooruit en met getrimde roeren kroop de bathyscaaf verder. Meer dan vijf meter hadden we niet nodig. De berekening van Bryson was vrijwel juist geweest, want toen de teller van de kabel zeshonderdvijfentwintig meter aanwees, zag ik uit de zeebodem en links naar voren vrijwel onzichtbaar iets omhoog steken. Het was het staartstuk van een vliegtuig. We waren aan de rechterkant het doel voorbij gevaren en de neus van het toestel wees in de richting waar we vandaan kwamen. Ik liet de motoren achteruit draaien, haalde met de trommel de kabel achter ons in, voer ongeveer twintig meter terug en bereikte dan weer vooruit varend en bakboord aanhoudend de plaats waar ik zijn moest. Even sloegen de motoren achteruit, dan zwegen ze. Langzaam begon de bathyscaaf te dalen. De sleepkabel raakte de bodem, maar dit verminderen van gewicht had niet de uitwerking die het eigenlijk moest hebben en met een plof zakte de gondel in de zwarte modder van de zeebedding.Slechts vijftien minuten waren verlopen sinds ik de zuur- stofregenerator op zijn minimum had gesteld, maar de lucht in de gondel begon al bedorven te raken. Vyland noch Royale scheen het te merken. Misschien dachten ze dat een dergelijke atmosfeer normaal was onder de omstandigheden, maar eerder nam ik aan dat het hun inderdaad niet was opgevallen. Beiden gingen namelijk geheel op in wat ze door een van de ramen en fel bijgelicht door het voorste zoeklicht in de modder zagen liggen. Alleen God wist dat ik er zelf ook in opging. Wel honderdmaal had ik me afgevraagd hoe ik me zou voelen, hoe ik zou reageren bij het eindelijk ontdekken van wat daar half in de modder begraven lag. Woede, had ik verwacht, woede, razernij en afschuw, misschien ook angst. Geen van deze gevoelens werd ik me echter bewust - niet meer. Ik voelde alleen maar medelijden en het meest onpeilbare verdriet dat ik ooit in mijn leven had gekend. Misschien reageerde ik anders dan ik verwacht had omdat ik door de warrelende mist van pijn als beneveld werd, maar ik wist dat het toch ergens anders aan lag en het maakte de zaak er niet beter op. Ik wist namelijk dat het medelijden en verdriet niet langer anderen golden, maar mezelf. Verdriet om de herinneringen die nog mijn enig bezit vormden, het medelijden van de man die medelijden met zichzelf had en onherstelbaar verloren ging in zijn eenzaamheid. Het vliegtuig was meer dan een meter in de modder weggezonken. De rechtervleugel was verdwenen. Waarschijnlijk brak hij af bij het neerstorten in het water. Ook de top van de linkervleugel zag ik niet meer, maar het staartstuk en de romp bleken nog vrijwel onbeschadigd te zijn met uitzondering van de doorzeefde neus en de gebarsten en gebroken voorruit die bewijs genoeg waren voor de manier waarop de DC zijn einde had gevonden. We lagen dicht bij de romp. De boeg van de bathyscaaf hing over de cockpit van het vliegtuig en de gondel bevond zich minder dan twee meter verwijderd en bijna op gelijke hoogte van de versplinterde ramen. Achter de verbrijzelde voorruit van de cockpit ontwaarde ik twee skeletten. Dat in de stoel van de gezagvoerder zat nog steeds rechtop, leunde tegen een gebroken zijraam en werd tegengehouden door de veiligheidsgordel. Het skelet op de plaats van de tweede piloot hing voorover en was nauwelijks zichtbaar.
„Geweldig! Wat jij, Talbot?" De engtevrees van Vyland scheen voorlopig nog maar latent aanwezig te zijn en hij wreef zich in de handen. „Ik moet zeggen dat het een tijd geduurd heeft, maar het blijkt de moeite waard geweest te zijn. En nagenoeg onbeschadigd! Ik was bang dat de stukken en brokken over de zeebodem verspreid zouden liggen, maar voor 'een deskundige op het gebied van bergingen moet dit een peuleschil zijn, is het niet, Talbot?" Hij wachtte niet op mijn antwoord, maar wendde zich onmiddellijk weer af om door het raam te kijken en zich verder te verkneukelen. „Geweldig," herhaalde hij. „Werkelijk geweldig!"
„Geweldig!" was ik het met hem eens. Ik verbaasde me over de vastheid van mijn stem en de onverschilligheid die erin doorklonk. „Met uitzondering van het Engelse fregat De Braak, dat in 1798 tijdens een storm voor de kust van Delaware zonk, is dit waarschijnlijk wel de grootste schat die ooit op het westelijk halfrond onder water gevonden werd. Om precies te zijn: tienmiljoentweehonderdvijftigduizend dollar aan goud, smaragd en ruwe diamant."
„Zo is het, mijnheertje!" Vyland vergat dat hij een beschaafde, welgemanierde zakenman van allure was en begon opnieuw in zijn handen te wrijven. „Tienmiljoentweehonderd…" zijn stem stierf langzaam weg en ging over in een gehakkel. „Hoe… hoe weet jij dat, Talbot?" fluisterde hij.
„Ik wist het voordat jij er ooit van had gehoord, Vyland," zei ik rustig. Beiden hadden zich van het raam afgewend en staarden me aan. Vyland niet begrijpend, wantrouwend en met een begin van angst. Royale met zijn ene goede oog koud als een knikker en wijder opengesperd dan ik het ooit had gezien.
„Ik ben bang, Vyland, dat je niet zo handig bent als de generaal. Ik trouwens ook niet. Vanmorgen had hij me in de gaten, Vyland. Ik weet waarom. Weet jij het, Vyland? Wil je het weten?"
„Waar heb je het over?" vroeg hij schor.„Ja, de generaal is heel handig," ging ik verder alsof ik hem niet gehoord had. „Toen we vanmorgen op de boortoren landden, zag hij dat ik alleen maar mijn gezicht verborgen hield tot ik er zeker van was dat zich geen bepaald persoon bij het ontvangstcomité bevond. Hij zag ook dat het me daarna niet meer interesseerde. Zorgeloos van me, dat moet ik toegeven. Het bracht hem op het denkbeeld dat ik geen moordenaar was, want was ik het wel geweest dan zou ik voor iedereen mijn gezicht verborgen hebben gehouden. Tevens bracht het hem op het denkbeeld dat ik de boortoren eerder bezocht had en bang was door die bepaalde persoon herkend te worden. In beide gevallen had de generaal gelijk. Ik was geen moordenaar en had inderdaad eerder de boortoren bezocht. Vanmorgen heel vroeg."
Vyland had niets te zeggen. De verpletterende uitwerking van mijn woorden en de inktzwarte mogelijkheden die er door geopend werden, hadden hem volkomen uit zijn evenwicht gebracht en hij was te verward om zijn met elkaar in botsing komende gedachten tot uitdrukking te brengen.
„De generaal merkte nog iets anders," vervolgde ik. „Ik zal je vertellen wat hij merkte, Vyland. Toen je me over dat bergingskarweitje inlichtte, heb ik je niet de vraag gesteld die het meest van alles voor de hand lag - welke schat er geborgen moest worden, in wat voor schip of vliegtuig die schat lag als het tenminste om een schip of vliegtuig ging. Ik heb je dat nooit gevraagd, is het wel, Vyland? Opnieuw zeer zorgeloos van me. Het viel jou echter niet op, maar wel de generaal en hij wist dat er maar één verklaring voor bestond - dat ik al lang op de hoogte was!" Even bleef het stil.
„Wie ben je Talbot?" fluisterde Vyland dan.
„Geen vriend van je, Vyland." In zover mijn pijnlijke bovenkaak het toeliet, glimlachte ik tegen hem. „Je gaat sterven, Vyland. Je gaat sterven in doodsangst en je laatste adem zal je gebruiken om mijn naam te vervloeken en de dag dat je me ontmoette."
Weer werd het stil. Stiller nog dan de eerste keer. Ik had graag willen roken, maar:n die gondel was het onmogelijk. De lucht was toch al bedorven genoeg. We ademden al veel sneller en het zweet begon langs onze gezichten te stromen.
„Ik zal je een verhaaltje vertellen,'' zei ik. „Het is geen sprookje, maar het begint toch met: er was eens. Er was eens een land met een heel kleine vloot - twee torpedoboten, een fregat en een kanonneerboot. Een vloot van niets, Vyland. De regering van het land besloot die vloot dus te verdubbelen. Ze voerden nogal wat olie en koffie uit en meenden het zich wel te kunnen veroorloven. Ze hadden het geld natuurlijk honderdmaal nuttiger kunnen uitgeven, maar het was een land met veel revoluties en de macht van elke aan het bewind zijnde regering hing voornamelijk af van de sterkte van leger en vloot. We verdubbelen de vloot, zeiden ze. Wie zeiden dat, Vyland?"
Hij probeerde te spreken, bevochtigde zijn lippen en zei eindelijk: „Columbia."
„Hoe weet je dat, vraag ik me af. Ja, het was Columbia. Ze kregen het voor elkaar om van Engeland twee gebruikte torpedoboten te kopen en van Amerika een paar fregatten, mijnenvegers en kanonneerboten. Daar die schepen nog zo goed als nieuw waren, kwamen ze er eigenlijk voor een koopje aan: tienmiljoentweehonderdvijftigduizend dollar. Maar toen kwam er een kink in de kabel. Columbia werd bedreigd door revolutie, burgeroorlog en anarchie en in het buitenland begon de waarde van de peso te kelderen. Engeland en Amerika weigerden te leveren tegen betaling in peso's. De internationale banken moesten voorlopig niets van Columbia hebben en daarom werd er besloten dat de betaling in natura zou plaatsvinden. Een vorige regering had voor industriële doeleinden voor tweemiljoen dollar Braziliaanse ruwe diamant ingevoerd en deze waren nooit gebruikt. Daar kwam bij ongeveer twee en een half miljoen dollar aan Columbiaans goud in staven. Het grootste gedeelte van het bedrag werd echter betaald in geslepen smaragd. Ik hoefje er vermoedelijk niet aan te herinneren, Vyland, dat de Muzomijnen in de Andes de meest vermaarde en belangrijkste smaragdleveranciers ter wereld zijn."Vyland zei niets. Hij trok een zakdoek uit zijn borstzak en veegde zijn gezicht af. Hij zag eruit als een doodziek man.
„Dan was er natuurlijk de kwestie van het transport," vertelde ik verder. „Het zou per vliegtuig gaan. De eerste etappe, naar Tampa, zou gevlogen worden met een Avianca of Lansa, maar juist in die dagen, begin mei 1958, moesten in verband met nieuwe verkiezingen alle binnenlandse maatschappijen hun toestellen tijdelijk op de grond houden. Een paar hoge ambtenaren waren bang dat de kostbaarheden en het goud in verkeerde handen zouden vallen, wilden de vracht daarom zo gauw mogelijk versturen en zochten een niet-Columbiaanse luchtvrachtdienst die alleen op het buitenland vloog. Ze kozen de Trans-Caraïbische Luchtvracht- dienst. Lloyd's verklaarde zich bereid de verzekering onder te brengen. Het vliegtuig van de Trans-Caraïbische diende een gefingeerd vliegplan in en vloog van Barranquilla via Straat Yucatan in de richting van Tampa. Er waren maar vier mensen in dat vliegtuig, Vyland. De gezagvoerder was de tweelingbroer van de eigenaar van het maatschappijtje. De tweede piloot fungeerde tevens als navigator. Verder bevonden zich een vrouw en een klein jongetje aan boord. Het leek namelijk verstandiger om hen maar niet in Columbia achter te laten in geval de verkiezingen verkeerd zouden aflopen en bekend werd welke rol de Trans-Caraïbische bij dit transport gespeeld had. Ze dienden dus een gefingeerd vliegplan in, Vyland, maar het gaf niet veel, want een van die edele ambtenaren die zo graag de schuld aan Engeland en Amerika had willen betalen, bleek niet te deugen en een werktuig van jou te zijn. Hij was op de hoogte van het echte vliegplan en lichtte je in. Je was destijds in Havana en had alles voor elkaar, is het niet, Vyland?"
„Hoe weet je dit allemaal?" kraste hij.
„Omdat ik de eigenaar was van de Trans-Caraïbische Luchtvrachtdienst," antwoordde ik. Onbeschrijfelijk moe voelde ik me. Ik wist niet of het van pijn kwam of van de bedorven lucht, dan wel door een overweldigend gevoel van leegte. „Ik moest bij Belize, in Brits Honduras, op een onderdeel voor mijn vliegtuig wachten, maar slaagde erin radioverbinding met hen te krijgen - nadat ze hun eigen radio hersteld hadden. Ze vertelden me dat iemand geprobeerd had het vliegtuig op te blazen. Ik weet nu dat het niet helemaal juist was. Iemand probeerde de radio onklaar te maken zodat de DC van de buitenwereld zou zijn afgesneden. En bijna lukte het, maar niet helemaal. Je hebt nooit geweten, Vyland, dat iemand radiocontact met het vliegtuig had voordat het werd afgeschoten. En die iemand was ik. Twee minuten maar." Peinzend en heel lang keek ik hem aan. „Die twee minuutjes betekenen jouw dood."
Met een blik van ziekelijke angst in de ogen staarde Vyland me aan. Hij wist wat er zou gebeuren, meende het althans te weten. Hij wist nu wie ik was. Hij wist nu dat hij tegenover een man stond die alles had verloren en voor wie medelijden zelfs geen woord meer betekende. Langzaam, alsof het hem veel pijn en moeite kostte, draaide hij zijn hoofd naar Royale en voor het eerst vond hij daar geen veiligheid, want eindelijk had het ongelofelijke plaatsgevonden - Royale was bang. Ik wees naar de versplinterde cockpit van de DC.„Kijk goed, Vyland," zei ik zacht. „Kijk goed naar wat je gedaan hebt en wees trots op jezelf. Zie je dat skelet in de stoel van de gezagvoerder? Dat was vroeger Peter Talbot, mijn tweelingbroer. Dat andere skelet is Elizabeth Talbot. Ze was mijn vrouw, Vyland. Achter in het vliegtuig zullen de resten te vinden zijn van een klein jongetje. John Talbot, mijn zoon. Hij was drie en een half jaar. Duizendmaal heb ik erover nagedacht hoe mijn zoontje stierf, Vyland. De kogels die mijn vrouw en broer doodden, hebben hem waarschijnlijk niet gedood. Toen het vliegtuig het water raakte, zal hij nog geleefd hebben. Twee of drie minuten lang zat hij in een vallend vliegtuig, Vyland, snikkend en schreeuwend en huilend en toen hij zijn moeder riep, kwam ze niet. Hij zal haar telkens weer opnieuw geroepen hebben, maar ze kon niet komen, is het wel, Vyland? Ze lag dood in haar stoel. Dan smakte het vliegtuig in het water en misschien leefde Johnny toen ook nog wel. Misschien is het vliegtuig heel langzaam gezonken. Dat gebeurt vaak, Vyland. Misschien stroomde er lucht in toen het zonk. Ik vraag me af hoelang het geduurd heeft voordat het water zich boven de jongen sloot. Kan je het je niet voorstellen, Vyland? Een jongetje van drie jaar dat gilt en vecht en sterft en door niemand gehoord wordt? En toen hielden het gillen en vechten op en verdronk hij."
Weer staarde ik lang, of wat althans lang leek, naar de half verzonken cockpit van het vliegtuig en toen ik me omdraaide, pakte Vyland me bij de rechterarm. Ruw duwde ik hem weg. Hij viel op de stalen vloer en keek me door een paniek aangegrepen met grote ogen aan. Zijn mond stond open. Hij haalde hijgend en moeilijk adem en beefde over zijn hele lichaam. Royale zag nog net kans zich te beheersen, maar dan ook zeker niet meer. Hij hield zijn gebalde vuisten met de ivoorwitte knokkels op zijn knieën en zijn ogen flitsten naar links en rechts en weer terug door de gondel - als van een opgejaagd dier dat een uitweg zoekt.
„Ik heb hier lang op gewacht, Vyland," vervolgde ik. „Ik heb twee jaar en vier maanden gewacht en geloof niet dat ik al die tijd vijf minuten ergens anders aan gedacht heb. Ik bezit niets meer om voor te leven, Vyland. Dat zal je kunnen begrijpen. En ik had genoeg. Misschien klinkt het macaber, maar ik zou hier wel bij hen willen blijven. Ik maak mezelf niet meer wijs dat het voor mij nog zin heeft om verder te leven. Daarom kan ik net zo goed hier blijven. Wat me op de been hield, was de belofte op de derde mei van het jaar 1958: de belofte die ik mezelf deed om niet te rusten voordat ik de man gevonden en vernietigd had die alles voor mij vernie- dgde. Ik ben die belofte nagekomen en nu is het voorbij. De gedachte dat jullie hier ook zullen blijven, zou het voor me kunnen bederven, maar aan de andere kant zit er een bepaalde logica in - moordenaars en slachtoffers ten langen leste bij elkaar."
„Je bent gek," fluisterde Vyland. „Je bent volkomen gek. Wat… wat bedoel je precies?"
„Het volgende. Herinner je je nog dat we een schakelaar op de tafel lieten liggen? Je vroeg me ernaar en ik antwoordde dat we hem niet meer nodig zouden hebben. Dat klopt. We hebben hem echt niet meer nodig. Het was de hoofdschakelaar van het apparaat voor het loslaten van de ballast. Zonder die schakelaar kunnen we de ballast niet lossen en als we daar niet toe in staat zijn, is er van stijgen geen sprake. En dus, Vyland, blijven we hier. Voor altijd."