Hoofdstuk 11
Acht minuten na de dood van Larry en precies twintig nadat ik
Kennedy en Royale in die hut had achtergelaten, was ik er weer
terug en gaf de afgesproken klopjes op de deur. Vlug ging ik naar
binnen. Terwijl Kennedy de deur op slot deed, keek ik naar de met
gespreide armen en benen bewusteloos op de vloer liggende
Royale.
„Hoe is het met de patiënt gegaan?" vroeg ik.
„Onrustig," grinnikte Kennedy. „Ik heb hem een tweede
kalmerend middeltje moeten geven."
Ik hijgde zwaar. De krachtsinspanningen van de laatste twintig
minuten en het feit dat ik de terugweg hollend had afgelegd waren
niet bevorderlijk voor mijn ademhaling geweest. Ik zag dat Kennedy
me opeens strak aankeek. Zijn ogen dwaalden naar het bloed dat
langs mijn kin liep en dan naar het gat in de schouder van mijn
oliejas.
„Je bent gewond! Moeilijkheden gehad?"
Zijn glimlach was verdwenen. „Jawel," zei ik, „maar het is
voor elkaar." Zo vlug mogelijk begon ik me uit het oliegoed te
worstelen en een aangename gewaarwording was het niet. „Ik kreeg
radioverbinding. Alles marcheert. Tot dusver tenminste."
„Dat is prachtig."Hij zei het automatisch. Het goede nieuws
beviel hem natuurlijk best, maar mijn aanblik veel en veel minder.
Voorzichtig hielp hij me met het oliegoed en ik hoorde dat hij de
adem inhield. Nadat we de ladder van de boortoren waren afgedaald,
had Mary me vlug even en volkomen onvoorbereid in de radiohut
verbonden - het was een kwestie van hoogstens een minuut geweest -
en waar ik mijn hemdsmouw had afgerukt werden de op beide wonden
gedrukte en van bloed doortrokken stukken gaas zichtbaar: inderdaad
was de kogel dwars door mijn schouder gegaan. Hij had niet het been
geraakt, maar wel zo ongeveer half de deltaspier
weggescheurd.
„Dat zal pijn doen!" „Het gaat wel," bromde ik.
Het ging helemaal niet. Aan elke kant van mijn schouder zat
een klein op stukloon werkend mannetje en beiden waren met een
trekzaag bezig alsof hun levens ervan afhingen. Met mijn mond was
het niet veel beter gesteld. De gebroken tand had een zenuw
blootgelegd en elke seconde trok er een felle scheut pijn door mijn
hoofd en gezicht. Onder normale omstandigheden was ik met mijn kop
tegen de muur gelopen, maar die dag was geen normale dag.
„Zo kan je niet verder," drong Kennedy aan. „Je verliest
massa's bloed en…"
„Kan iemand zien dat ik op mijn mond werd geslagen?" vroeg ik
abrupt.
Hij begaf zich naar de wastafel, maakte een zakdoek nat en
veegde het bloed van mijn gezicht.
„Ik geloof het niet," antwoordde hij. „Morgen zal je bovenlip
tweemaal zo dik zijn, maar het proces is nu nog niet begonnen." Hij
glimlachte, hoewel het niet van harte ging. „En… eh… zolang die
wond aan je schouder je niet hard aan het lachen maakt, zal geen
mens merken dat een van je tanden is gebroken."
„Mooi. Meer heb ik niet nodig. Ik moet nu eenmaal
verder."
Ik stapte uit de beenpijpen en duwde de revolver tussen mijn
riem. Kennedy die de pijpen van me had overgenomen en ze begon aan
te trekken, zag het. „Is dat de revolver van Larry?" Ik knikte.
„Heeft hij je zo toegetakeld?" Opnieuw knikte ik. „En Larry?"
„Waar hij op het ogenblik is, zal hij geen heroïne meer nodig
hebben," antwoordde ik, terwijl ik met pijnlijke bewegingen in mijn
jas schoot en blij was dat ik hem niet had aangehouden. „Ik brak
zijn nek."
Met een nadenkende blik keek Kennedy me aan.
„Je gaat hardhandig te werk, is het niet, Talbot?"
„Niet half zo hardhandig," zei ik grimmig, „als jij het gedaan
zou hebben. Hij had Mary op haar knieën op een platform van de
boortoren, ongeveer dertig meter boven het dek en was van plan haar
zonder behulp van de ladder naar beneden te laten gaan."
Hij hield op met het dichtknopen van de oliejas, was met twee
snelle stappen bij me, greep me bij de schouders en liet ze haastig
weer los toen hij mijn uitroep van pijn hoorde.
„Het spijt me, Talbot! Stom van me!" Zijn gezicht leek minder
bruin dan gewoonlijk. Om zijn mond en ogen lagen plotseling
groeven. „Is… is alles met haar in orde?"
„Prima," zei ik moe. „Over tien minuten zal je haar wel zien
en kan je je overtuigen. Nu kan je beter maar weggaan, Kennedy,
want ze kunnen elk ogenblik terugkomen."
„Inderdaad," mompelde hij. „Een half uur, zei de generaal, en
dat is bijna voorbij. Weet je zeker dat Mary… eh… prima is?"
„Natuurlijk," zei ik geïrriteerd. Ik had er meteen al spijt
van, want daarvoor mocht ik deze man te graag. „Ik heb nog nooit
een chauffeur gezien," grinnikte ik, „die zich zó bezorgd om zijn
werkgeefster schijnt te maken."
„Ik neem de benen," zei Kennedy. Hij pakte een kleine, leren
portefeuille die op het bureau lag en stak hem in zijn binnenzak.
„Laat ik die niet vergeten. Doe de deur open en kijk of alles
veilig is."Ik opende de deur, overtuigde me ervan dat nergens
gevaar dreigde en knikte. Kennedy nam Royale onder de oksels,
sleepte hem over de drempel en kwakte hem zonder verdere
plichtplegingen naast de omver geworpen stoel in de gang neer.
Royale bewoog zich en kreunde. Elk moment kon hij bijkomen. Kennedy
staarde me even aan alsof hij iets wilde zeggen, deed dan een
stapje naai; voren en gaf me een voorzichtig tikje op mijn goede
schouder.
„Succes, Talbot," zei hij zacht. „Ik wilde dat ik met je mee
kon."
„Ik ook," zei ik eerlijk. „Maak je geen zorgen, want het is zo
goed als achter de rug."
Maar ik maakte mezelf niets wijs en Kennedy wist het. Ik
knikte hem nog even toe, ging naar binnen en sloot de deur. Kennedy
draaide aan de gangkant de sleutel om en liet hem in het slot
zitten. Ik luisterde, maar hoorde zelfs zijn voetstappen niet
wegsterven. Voor zo'n zware man was hij even opvallend geruisloos
als snel. Nu ik alleen was en niets had te doen, sloeg de pijn met
verdubbeld geweld toe. Golven pijn en misselijkheid wisselden
elkaar af. Ik voelde de duizeligheid komen en weer wegtrekken en
had me het liefst maar willen laten gaan. Het kon niet. Nu zeker
niet. Het was te laat. Ik had alles willen geven voor een injectie
tegen die afmattende pijn en voor een middeltje dat me door het
volgend uur zou kunnen heenhelpen en voelde me bijna opgelucht toen
ik minder dan twee minuten na Kennedy's vertrek naderende
voetstappen in de gang onderscheidde. We hadden het goed uitgemikt.
Er klonk een uitroep, de voetstappen begonnen te hollen en met een
potlood in de hand ging ik achter het bureau zitten. Ik had het
plafondlicht uitgedaan en trok een schaarlamp tot vlak boven mijn
hoofd zodat mijn gezicht in de schaduw bleef. Misschien was het
inderdaad niet te zien dat ik aan mijn mond gewond werd, zoals
Kennedy me verzekerde, maar ik wilde geen risico nemen.
De sleutel knarste wild in het slot, de deur werd
opengeschopt, sloeg met daverend geweld tegen de wand en een vent
die ik nog nooit eerder had gezien maar in bouw en uiterlijk op
Cibatti leek rende naar binnen. Hollywood had hem precies
bijgebracht hoe in dergelijke situaties deuren geopend moesten
worden. Als er hengsels of posten beschadigd werden of de kalk van
de muren viel, gaf dat niets en was het voor rekening van de
onfortuinlijke eigenaar. Daar in dit geval de deur uit staal
bestond, beschadigde de man alleen maar zijn teen en er was geen
studie van de menselijke natuur voor nodig om te weten dat hij het
liefst maar de automatische revolver had afgeschoten waarmee hij nu
al verwoed aan het zwaaien was. Hij zag echter alleen mij - met
mijn potlood in de hand achter dat bureau en een vriendelijk
vragende uitdrukking op mijn gezicht Hij keek me bijzonder dreigend
aan, draaide zich om en knikte tegen iemand in de gang. Half
gedragen door Vyland en de generaal kwam de nu weer bijgekomen
Royale op. Hij liet zich zwaar in een stoel vallen en ik vond het
een genot om hem eens goed te bekijken. Kennedy deze avond en ik
twee avonden geleden hadden prima werk geleverd. Het beloofde de
grootste kneuzing te worden die ik ooit op een gezicht had gezien.
Op dit ogenblik al muntte hij uit door uitzonderlijk fraaie
kleuren. Met een soort onverschillige belangstelling was ik er
nieuwsgierig naar of die kneuzing er ook nog zou zijn als Royale
naar de elektrische stoel werd gebracht. Waarschijnlijk wel, durfde
ik aan te nemen.
„Ben je uit deze hut geweest, Talbot?" vroeg Vyland.
Hij leek erg zenuwachtig en had de beschaafde stem van de
grote zakenman even vergeten.
„Zeker. Ik loste mezelf op en vloeide door het sleutelgat."
Met interesse gluurde ik naar Royale. „Wat is er met je vriendje
gebeurd, als ik vragen mag? Kreeg hij de boortoren op zich?"„Het
was Talbot niet!"
Royale duwde Vylands ondersteunende hand weg, greep in zijn
jasje en trok zijn revolver. Het was altijd die kleine, dodelijke
revolver waar Royale het eerst aan dacht. Hij wilde hem weer
wegsteken, maar kwam plotseling op een idee en opende de
patroonhouder. Alle kogeltjes van een legering van nikkel en koper
waren er nog. Hij schoof de patroonhouder weer terug, liet de
revolver in de schouderholster verdwijnen en tastte in zijn
binnenzak. Met zeer veel verbeeldingskracht zouden de twee vonkjes
in zijn ene goede oog wellicht uitgelegd kunnen zijn als uitingen
van eerst woede en dan opluchting en tegelijkertijd zei hij tegen
Vyland:
„Mijn portefeuille is verdwenen!"
„Je portefeuille?" Hoe Vyland zich voelde, was heel duidelijk
- alleen maar opgelucht namelijk. „Een doodgewone dief dus!"
„Je portefeuille! Op mijn boortoren? Dat noem ik wel een
bijzonder groot schandaal!" De snor van de generaal wipte op en
neer. „Ik kom waarachtig niet voor jouw belangen op, Royale, maar
stel je voor dat zoiets op mijn boortoren gebeurt! Ik zal
onmiddellijk iedereen laten fouilleren en de bandiet…"
„Bespaar u de moeite, generaal," onderbrak ik hem droogjes.
„De bandiet heeft het geld al in zijn broekzak en de portefeuille
ligt op de bodem van de zee. Wie trouwens geld van Royale steelt,
heeft recht op een onderscheiding."
„Je praat te veel, Talbot," zei Vyland koud. Hij keek me
nadenkend aan en het beviel me niets. „Misschien was het wel een
afleidingsmanoeuvre. Misschien werd Royale om een andere reden
neergeslagen. Misschien weet jij meer van die reden af,
vriend."
Ik werd ijskoud. Vyland was geen dwaas en ik had dit niet
voorzien. Als ze wantrouwen koesterden en me fouilleerden, zouden
ze zowel Larry's revolver als de wond aan mijn schouder ontdekken
en betekende het definitief het laatste optreden van John Talbot.
Een seconde later werd ik nog kouder.
„Misschien," mompelde Royale, „was het inderdaad doorgestoken
kaart."
Wankelend kwam hij overeind, begaf zich naar mijn bureau en
bestudeerde de papieren die voor me lagen. Dat was het! Ik
herinnerde me hoe Royale voordat hij de hut verliet ook al
aandachtig naar die papieren had gekeken. Ik had toen ongeveer een
half vel volgekrabbeld met letters en cijfers en er sindsdien geen
lettertje of cijfertje meer aan toegevoegd. Meer bewijs had Royale
niet nodig. Ik bleef naar zijn gezicht kijken - naar het vel papier
durfde ik het niet - en vroeg me af hoeveel kogels hij in me kon
schieten voordat ik kans had gezien de Colt van Larry tussen mijn
riem uit te trekken. Dan hoorde ik Royale iets zeggen en kon mijn
oren niet geloven.
„Nee, we hebben het mis. Talbot gaat vrij uit. Hij heeft
zitten werken, mijnheer Vyland. Achter elkaar door, zou ik
zeggen."
Ik gluurde op de papieren voor me. Het halve vel met
gekrabbelde letters en cijfers bleek aangegroeid te zijn tot twee
en een half vel. Ze waren beschreven met hetzelfde potlood en
Royale had wel heel goed moeten kijken om gezien te kunnen hebben
dat het niet met dezelfde hand was gebeurd - bovendien zag hij het
schrift ondersteboven. De neergekrabbelde nonsens was even
nietszeggend als mijn eigen produktie, maar het was voldoende, meer
dan voldoende. Het betekende een paspoort voor het leven mij
uitgereikt door Kennedy wiens vooruitziende blik in dit geval die
van mij ver had overtroffen. Ik had Kennedy graag een paar maanden
geleden ontmoet willen hebben.„Dan was er dus iemand kort bij kas."
Vyland was voldaan en dacht verder niet meer aan dit intermezzo.
„Opgeschoten, Talbot? We komen wat krap in de tijd te
zitten."
„Maakt u zich maar niet ongerust," zei ik. „Ik heb het
allemaal berekend en als ik vijf minuten in die bathyscaaf ben, heb
ik het prima voor elkaar."
„Prachtig." Vyland maakte een vergenoegde indruk, maar dat
kwam alleen omdat hij niet wist wat ik wist. Hij wendde zich tot de
vent die de deur had opengeschopt. „Haal de dochter van de generaal
en zijn chauffeur Kennedy. Ze zijn in de suite. Ze moeten
onmiddellijk komen. Ben je klaar, Talbot?"
„Ik ben klaar." Ik stond op. Het gebeurde wat beverig, maar
vergeleken met Royale moest ik kerngezond lijken en niemand had dan
ook iets in de gaten. „Voor ik het vergeet, Vyland, het was een
zware dag en ik zou wel een borrel lusten voordat we omlaag
gaan."
„Het zou me verbazen als Cibatti en zijn vriend niet ergens
een fles achter de hand hadden." Vyland kreeg zo langzamerhand het
einde in zicht en bevond zich in een beste stemming. „Ga maar
mee."
Door de gang liepen we naar de kamer met de stalen wanden en
het schachtluik van de pijler, werden na het bekende geklop in code
binnen gelaten en tot mijn genoegen bleek Vyland gelijk gehad te
hebben: Cibatti en zijn vriend hielden inderdaad een fles achter de
hand en nog wel meer dan een, naar ik veronderstelde. Drie vingers
Schotse whisky kregen tot gevolg dat de twee op mijn schouder
zittende kleine mannetjes met de trekzaag het werken op stukloon
opgaven en op uurloon verder gingen. Tevens had ik niet meer het
gevoel dat ik steeds weer met mijn hoofd tegen een muur sloeg. Hier
vloeide logisch beschouwd uit voort dat de verbetering zou
aanhouden als ik nog een dosis pijnstillend middel nam en ik had
dit net gedaan toen de deur openging en Mary en Kennedy naar binnen
werden geduwd. Er was die avond veel van mijn hart gevergd,
overwerk zelfs waaraan het niet gewend was, maar er was maar één
blik op Mary voor nodig om het uitbundig te doen kloppen. Bij het
zien van haar gezicht werd mijn stemming echter helemaal niet
uitbundig en kiende ik bij voorbaat al met groot genoegen uit hoe
ik met Vyland en Royale zou kunnen afrekenen. Er lagen brede,
donkere kringen onder haar ogen. Ze was bleek en gespannen en leek
werkelijk aan haar laatste krachten toe te zijn. Ik twijfelde er
geen moment aan dat ze het afgelopen half uur in doodsangst had
gezeten. Meer dan ooit in haar leven. Ik trouwens ook. Vyland en
Royale schenen echter niet te merken dat er iets niet met haar in
orde was. Geen wonder. Als mensen die gedwongen waren met hen samen
te werken niet in doodsangst zaten, zou het een uitzondering op de
regel betekend hebben. Kennedy maakte niet de indruk in doodsangst
te verkeren. Hij maakte alleen maar de indruk van een volmaakt
chauffeur. Evenmin als ik liet Royale zich daardoor van de wijs
brengen. Hij wendde zich tot Cibatti en diens maat en zei:
„Fouilleer deze knaap en let er goed op dat hij niet iets bij zich
heeft dat hij niet bij zich mag hebben."
Vyland keek hem vragend aan.
„Misschien is hij even ongevaarlijk als hij er uitziet,"
verklaarde Royale, „maar ik betwijfel het. Hij heeft de hele middag
vrij op de boortoren rondgelopen. Best mogelijk dat hij ergens een
revolver opgescharreld heeft en kans ziet om Cibatti en de anderen
onder schot te nemen als ze toevallig even niet kijken." Met zijn
hoofd duidde Royale op het schachtluik van de pijler. „Ik voel er
niets voor om dertig meter een ladder op te klimmen met bovenaan
Kennedy's revolver op me gericht." Ze fouilleerden Kennedy en
vonden niets. Royale was handig en zag weinig over het hoofd, maar
ditmaal was hij toch niet handig genoeg geweest. Hij had mij moeten
laten fouilleren.
„We willen je niet haasten, Talbot," zei Vyland met doorwrocht
sarcasme.„Ik ben zo klaar," zei ik.
Ik slikte de laatste dosis pijnstillend middel in, keek
fronsend en wat schaapachtig naar mijn aantekeningen, vouwde ze op
en stak ze in mijn zak en begaf me naar de ingang van de pijler.
Zorgvuldig vermeed ik Mary, de generaal of Kennedy aan te kijken.
Vyland raakte even mijn gewonde schouder aan en dank zij het
pijnstillend middel ging ik niet van de kaart. Ik sprong slechts
een paar centimeter omhoog en de twee houthakkertjes op mijn
schouder zaagden ijveriger dan ooit.
„Een beetje zenuwachtig, is het niet?" grinnikte Vyland. Hij
wees op een op de tafel liggende gewone elektromagneetschakelaar
die ik uit de bathyscaaf mee naar boven had gebracht. „Vergeet je
niet iets?"
„Dat hebben we niet meer nodig."
„Mooi. Vooruit dan. Jij eerst. Je houdt hier alles wel goed in
de gaten, Cibatti!"
„Dat komt in orde," stelde Cibatti hem gerust.
Ik was er niet bang voor. Mocht iemand zelfs ook maar iets te
diep ademhalen dan zou hij meteen Cibatti's revolver al op zich
gericht weten. Als Vyland en Royale met mij in de bathyscaaf en
diep onder water waren, kregen Kennedy en de generaal geen kans om
hen een loer te draaien, maar werden ze streng bewaakt tot we weer
terug zouden zijn. Ik wist overigens haast wel zeker dat Vyland als
extra veiligheidsmaatregel het liefst ook de generaal had
meegenomen. Behalve echter dat de gondel slechts plaats bood voor
drie personen en Vyland zelfs het geringste gevaar niet zonder
lijfwacht Royale tegemoet trad, zou alleen al het zien van die
honderdtachtig sporten te veel voor de oude generaal geweest
zijn.
Voor mij bleek het bijna ook te veel te zijn. Voordat we de
helft van de sporten achter ons hadden, voelden mijn schouder, arm
en nek aan alsof ze in een bak met gesmolten lood gedompeld waren
geweest. Golven van afschuwelijke pijn schoten omhoog naar mijn
hoofd, daar veranderden de vlammen in een ondoordringbaar donker en
dan trok de pijn terug naar mijn borst en maag en vervloeide tot
onpasselijkheid. Soms werd ik nagenoeg door de pijn, het donker en
de onpasselijkheid verzwolgen. Ik moest me met mijn ene hand en de
kracht der wanhoop vastklemmen tot de golven verdwenen en ik weer
geheel bij mijn positieven was. Na elke sport duurden de perioden
van alles zwart zien langer en die van het besef korter. De laatste
dertig of veertig sporten moet ik volkomen automatisch afgelegd
hebben en slechts gedreven door instinct, geheugen en een vreemd
soort onderbewuste wilskracht. Het enige punt in mijn voordeel was
dat ze me beleefd als altijd hadden laten voorgaan om me niet in de
verleiding te brengen iets zwaars op hun hoofden te smijten en
daardoor zagen ze niet hoe moeilijk ik het had. Toen ik eindelijk
de vloer in de pijler had bereikt en de laatste van het gezelschap
- Cibatti's maat die het luik zou sluiten - naast me stond, kon ik
me nog maar net zonder zwaaien overeind houden. Ik neem aan dat
mijn gezicht de kleur van grauw papier had en ik baadde in het
zweet, maar dank zij het slechts heel vage schijnsel van een op de
bodem van de graftombe staande lantaarn bestond er weinig gevaar
dat Vyland of Royale iets ongewoons zou bespeuren. Ik
veronderstelde dat Royale zich na deze afdaling ook niet prima
moest voelen. Iemand die voor een half uur bewusteloos wordt
geslagen, bevindt zich een kwartier na zijn bijkomen bepaald niet
in zijn beste conditie. Wat Vyland betrof had ik een flauw
vermoeden dat hij bang was en op dat moment zijn belangstelling
alleen concentreerde op zichzelf en de tocht die voor ons lag. Het
luik werd geopend en via de schacht klommen we naar de stalen
gondel onder de bathyscaaf. De laatste bocht die bijna een rechte
hoek vormde, nam ik om mijn gewonde schouder te sparen met uiterste
voorzichtigheid, maar ook dit tochtje werd een ervaring van louter
pijn en ellende. Ik deed het licht aan en begaf me naar de
contactdoos, terwijl ik het aan Vyland overliet om het luik van de
schacht te sluiten. Een halve minuut later wrong hij zich ook in de
gondel en trok de wigvormige deur achter zich dicht. Hij en Royale
leken naar behoren geïmponeerd door de grote hoeveelheid in
chaotische wanorde uit de contactdoos bengelende draden en als ze
ook niet onder de indruk kwamen van de vakkundige snelheid waarmee
ik die draden, nauwelijks mijn aantekeningen raadplegend, weer op
hun plaatsen bracht, dan zou me dat zeer verwonderd hebben.
Gelukkig bevond de contactdoos zich op de hoogte van mijn middel,
want ik kon van mijn linkerarm alleen het stuk onder de elleboog
nog gebruiken. Ik schroefde het deksel van de contactdoos vast en
begon de instrumenten en knoppen en schakelaars op de schakelborden
te controleren. Vyland sloeg me met ongeduld gade. Royale volgde al
mijn bewegingen en met een gezicht dat door zijn onbewogenheid en
gehavendheid dat van de grote Sphinx van Giza evenaarde. Van
Vylands kennelijke haast trok ik me overigens niets aan. Wel
beschouwd moest ik ook met die bathyscaaf mee en ik dacht er niet
aan om risico's te nemen. Ik schakelde de beide elektromotoren in
en wees Vyland op de twee flikkerende wijzerplaten.
„De motoren!" zei ik. „Je kan ze hier nauwelijks horen, maar
ze lopen prima. Klaar om te varen?"
„Ja." Hij streek met zijn tong langs zijn lippen. „Klaar om te
varen."
Ik knikte, draaide de klep van de schacht open zodat het water
er kon instromen, duidde op de tussen mij en Royale hangende
microfoon en schakelde hem in.
„Geef ze boven een seintje," zei ik, „dat ze die rubberring
leeg laten lopen."
Het gebeurde. Ik schakelde de microfoon weer uit en wachtte.
De bathyscaaf had overlangs nauwelijks merkbaar liggen slingeren,
maar plotseling hield dat op. Ik keek op de dieptemeter. De rode
wijzer registreerde onregelmatig - we lagen dicht genoeg bij de
oppervlakte om de invloed van de geweldige golven en dalen boven
ons nog te ondergaan maar er viel niet aan te twijfelen dat de
gemiddelde diepte begon toe te nemen.
„We zijn los van de pijler," zei ik tegen Vyland. Ik deed de
verticale schijnwerper aan en wees door het raam van plexiglas aan
onze voeten naar de zanderige bodem die nu nog maar hoogstens twee
meter onder ons lag. „Welke richting? Vlug! Ik wil niet in dat zand
terecht komen."
„Rechtaan! Precies zoals we liggen."
Ik schakelde beide motoren op halve kracht vooruit en gaf roer
voor de maximum voorwaartse stijging. Meer dan twee graden was het
niet. Anders dan bij het richtingsroer namelijk was de invloed van
de horizontale roeren van de bathyscaaf op het voor het duiken en
stijgen van ondergeschikt belang zijnde manoeuvreren vrijwel tot
een minimum beperkt.
Langzaam verhoogde ik de snelheid tot op volle kracht
vooruit.
„Bijna pal zuidoost." Vyland bestudeerde een stukje papier dat
hij uit zijn zak had gehaald. „Koers 222."
„Zuiver?"
„Wat bedoel je met zuiver?" snauwde hij boos.
Nu al zijn wensen waren vervuld en de bathyscaaf een in vol
bedrijf zijnde onderneming was geworden, begon hij zich in de
gondel minder behaaglijk te voelen. Vermoedelijk had hij last van
engtevrees.
„Is het de zuivere koers?" vroeg ik geduldig. „Of geldt hij
voor dit kompas?"
„Voor dit kompas."
„Is het op afwijkingen gecontroleerd?"
Opnieuw raadpleegde Vyland het papiertje.„Jawel," antwoordde
hij dan. „Volgens Bryson zullen we als we precies deze koers houden
geen invloed ondervinden van het ijzer in de
boortorenpijlers."
Ik zei niets. Bryson, de ingenieur die aan de caissonziekte
was gestorven - waar zou hij zijn? Nog geen zestig meter van ons
vandaan wist ik zo goed als zeker. Voor een boorput van misschien
wel vier kilometer diep zouden op zijn minst zesduizend zakken
cement nodig zijn. Twee emmers vol waren genoeg om de heren de
zekerheid te geven dat Bryson tot lang nadat hij een niet meer te
identificeren skelet was geworden op de bodem van de oceaan zou
blijven. En twee emmers minder zouden niet gemist worden.
„Vijfhonderdtwintig meter," zei Vyland. „Van de pijler naar
het vliegtuig." Het eerste woord over een vliegtuig. „Ik bedoel de
horizontale afstand. Naar de bodem van de trog mee zal het ongeveer
zeshonderdtwintig meter worden."
„Waar begint die trog?"
„Van hieruit op zoiets als tweederde van de afstand. De diepte
is daar tweeënveertig meter. Bijna even diep als de plek waar de
boortoren ingebed is. De helling van de trog zal een kleine dertig
graden bedragen. De diepte tot op de bodem is honderdzesenveertig
meter."
Ik knikte zwijgend. Ik had altijd horen vertellen dat een mens
nooit twee bronnen van pijn tegelijk kon hebben, maar wist nu dat
het op een vergissing moest berusten. Het kon wel degelijk. Mijn
arm, schouder en rug vormden een oceaan van pijn waarbij zich ook
nog de felle scheuten pijn in mijn bovenkaak voegden. Ik voelde
niets voor een gesprek. Ik voelde nergens iets voor en probeerde de
pijn te vergeten door me volkomen op mijn taak te
concentreren.
De kabel die ons met de pijler verbonden hield, zat om een
door een elektromotor gedreven trommel gewonden en kon op de
terugreis mechanisch ingehaald worden. Zonder behulp van die motor
werd hij nu gevierd en door het midden van die kabel liep de
geïsoleerde draad van de microfoon.
Het aantal omwentelingen van de trommel werd geregistreerd
door een teller in de gondel en op die manier konden we vrij
nauwkeurig berekenen welke afstand we hadden afgelegd. Het gaf ons
ook een idee van de snelheid. De maximumsnelheid van de bathyscaaf
bedroeg twee knopen, maar door de weerstand van de kabel achter ons
haalden we niet meer dan één knoop. Het was echter snel genoeg,
want ver behoefden we niet te varen. Vyland leek voldaan te zijn
dat hij de bathyscaaf aan mij kon overlaten. De meeste tijd zat hij
kennelijk wat ongerust uit een van de zijramen te kijken. Royale
wendde zijn goede en nimmer knipperende oog geen moment van me af.
Hij volgde al mijn bewegingen en handelingen, maar deed het alleen
uit gewoonte. Vermoedelijk wist hij niets van een bathyscaaf en het
bedienen van de instrumenten af. Het kon haast niet anders, want
zelfs toen ik de zuurstofregenerator op zijn minimum draaide,
scheen het niets voor hem te betekenen. Langzaam en ongeveer drie
meter boven de zeebodem dreven we voort. Door de druk van de kabel
achter ons kwam de neus iets omhoog. De sleepkabel onder de gondel
streek langs stukken rots en koralen en soms over een sponzenbank.
Het water was donker, vrijwel inktzwart, maar door de twee
schijnwerpers en het licht dat door de ramen van plexiglas
stroomde, konden we genoeg zien. Twee grote platvissen zwommen lui
en verstrooid voorbij de ramen en waren vast van plan zich niet met
andermans zaken te bemoeien. Een slangachtige, grijze kannibaalvis
kronkelde zijn slank lijf naar ons toe, duwde zijn boosaardige kop
tegen een zijraam en staarde ons bijna een minuut lang aan. Een
school makrelen hield ons enige tijd gezelschap en verdween
plotseling in een warreling van flitsende bewegingen toen op
koninklijke wijze een stomp- neuzige haai naderde en met nauwelijks
zichtbare slagen van zijn krachtige staart weer weggleed. Verder
leek de zeebodem verlaten te zijn.Precies tien minuten nadat we de
pijler verlaten hadden, viel de zeebodem onder ons eensklaps weg in
wat in het onverwacht en voor de schijnwerper ondoordringbaar
gapend donker op een bijna verticale rotswand leek. Ik wist dat het
verbeelding was. Vyland moest de oceaanbodem minstens wel tienmaal
nauwkeurig nagegaan hebben en als hij het over een hellingshoek van
slechts dertig graden had, zou dat ook wel zo zijn. Desondanks
kregen we de indruk van een plotseling opdoemende, bodemloze
afgrond en werden we er even door overweldigd.
„Dit is het," zei Vyland zacht. Op zijn glad gezicht zag ik
wat zweet glinsteren. „Naar beneden, Talbot!"
Ik schudde mijn hoofd.
„Nog niet. AU we het nu doen, trekt die kabel achter ons het
achterschip omhoog. Onze zoeklichten kunnen niet naar voren
schijnen, maar alleen verticaal naar beneden. Wil je dat we met de
neus op een voor ons onzichtbaar uitstekend stuk rots stoten? Wil
je dat de voorste benzinetank opengescheurd wordt? Vergeet vooral
niet dat die tank uit alleen maar een dun laagje metaal bestaat.
Eén opengescheurde tank is al voldoende om ons van ons
drijfvermogen te beroven en dat ontneemt ons de kans om ooit nog
aan de oppervlakte te komen. Dat begrijp je toch, is het niet,
Vyland?"
Zijn gezicht glom van het zweet en opnieuw streek hij met zijn
tong langs de lippen.
„Dan maar op jouw manier, Talbot."
En ik deed het op mijn manier. Ik hield de koers op 222 tot de
kabel zeshonderd meter was uitgevierd en stopte de motoren zodat de
bathyscaaf heel langzaam begon te zakken. Zó tergend langzaam zelfs
dat de dieptemeter nauwelijks scheen te bewegen. Het gewicht van de
kabel achter ons had de neiging het achterschip omhoog te trekken
en om de twintig meter dalen, op een diepte tussen zestig en
honderddertig meter, moest ik op de motoren zachtjesaan vooruit en
meer kabel vieren. Op precies zesenzeventig vadem, ongeveer
honderddrieënveertig meter, gleed het licht van de schijnwerper
over de zeebodem. Hier geen rotsen, koralen of sponzenbanken, maar
kleine strepen grijsachtig zand tussen grote plekken zwarte modder.
Op bijna halve kracht vooruit en met getrimde roeren kroop de
bathyscaaf verder. Meer dan vijf meter hadden we niet nodig. De
berekening van Bryson was vrijwel juist geweest, want toen de
teller van de kabel zeshonderdvijfentwintig meter aanwees, zag ik
uit de zeebodem en links naar voren vrijwel onzichtbaar iets omhoog
steken. Het was het staartstuk van een vliegtuig. We waren aan de
rechterkant het doel voorbij gevaren en de neus van het toestel
wees in de richting waar we vandaan kwamen. Ik liet de motoren
achteruit draaien, haalde met de trommel de kabel achter ons in,
voer ongeveer twintig meter terug en bereikte dan weer vooruit
varend en bakboord aanhoudend de plaats waar ik zijn moest. Even
sloegen de motoren achteruit, dan zwegen ze. Langzaam begon de
bathyscaaf te dalen. De sleepkabel raakte de bodem, maar dit
verminderen van gewicht had niet de uitwerking die het eigenlijk
moest hebben en met een plof zakte de gondel in de zwarte modder
van de zeebedding.Slechts vijftien minuten waren verlopen sinds ik
de zuur- stofregenerator op zijn minimum had gesteld, maar de lucht
in de gondel begon al bedorven te raken. Vyland noch Royale scheen
het te merken. Misschien dachten ze dat een dergelijke atmosfeer
normaal was onder de omstandigheden, maar eerder nam ik aan dat het
hun inderdaad niet was opgevallen. Beiden gingen namelijk geheel op
in wat ze door een van de ramen en fel bijgelicht door het voorste
zoeklicht in de modder zagen liggen. Alleen God wist dat ik er zelf
ook in opging. Wel honderdmaal had ik me afgevraagd hoe ik me zou
voelen, hoe ik zou reageren bij het eindelijk ontdekken van wat
daar half in de modder begraven lag. Woede, had ik verwacht, woede,
razernij en afschuw, misschien ook angst. Geen van deze gevoelens
werd ik me echter bewust - niet meer. Ik voelde alleen maar
medelijden en het meest onpeilbare verdriet dat ik ooit in mijn
leven had gekend. Misschien reageerde ik anders dan ik verwacht had
omdat ik door de warrelende mist van pijn als beneveld werd, maar
ik wist dat het toch ergens anders aan lag en het maakte de zaak er
niet beter op. Ik wist namelijk dat het medelijden en verdriet niet
langer anderen golden, maar mezelf. Verdriet om de herinneringen
die nog mijn enig bezit vormden, het medelijden van de man die
medelijden met zichzelf had en onherstelbaar verloren ging in zijn
eenzaamheid. Het vliegtuig was meer dan een meter in de modder
weggezonken. De rechtervleugel was verdwenen. Waarschijnlijk brak
hij af bij het neerstorten in het water. Ook de top van de
linkervleugel zag ik niet meer, maar het staartstuk en de romp
bleken nog vrijwel onbeschadigd te zijn met uitzondering van de
doorzeefde neus en de gebarsten en gebroken voorruit die bewijs
genoeg waren voor de manier waarop de DC zijn einde had gevonden.
We lagen dicht bij de romp. De boeg van de bathyscaaf hing over de
cockpit van het vliegtuig en de gondel bevond zich minder dan twee
meter verwijderd en bijna op gelijke hoogte van de versplinterde
ramen. Achter de verbrijzelde voorruit van de cockpit ontwaarde ik
twee skeletten. Dat in de stoel van de gezagvoerder zat nog steeds
rechtop, leunde tegen een gebroken zijraam en werd tegengehouden
door de veiligheidsgordel. Het skelet op de plaats van de tweede
piloot hing voorover en was nauwelijks zichtbaar.
„Geweldig! Wat jij, Talbot?" De engtevrees van Vyland scheen
voorlopig nog maar latent aanwezig te zijn en hij wreef zich in de
handen. „Ik moet zeggen dat het een tijd geduurd heeft, maar het
blijkt de moeite waard geweest te zijn. En nagenoeg onbeschadigd!
Ik was bang dat de stukken en brokken over de zeebodem verspreid
zouden liggen, maar voor 'een deskundige op het gebied van
bergingen moet dit een peuleschil zijn, is het niet, Talbot?" Hij
wachtte niet op mijn antwoord, maar wendde zich onmiddellijk weer
af om door het raam te kijken en zich verder te verkneukelen.
„Geweldig," herhaalde hij. „Werkelijk geweldig!"
„Geweldig!" was ik het met hem eens. Ik verbaasde me over de
vastheid van mijn stem en de onverschilligheid die erin doorklonk.
„Met uitzondering van het Engelse fregat De Braak, dat in 1798
tijdens een storm voor de kust van Delaware zonk, is dit
waarschijnlijk wel de grootste schat die ooit op het westelijk
halfrond onder water gevonden werd. Om precies te zijn:
tienmiljoentweehonderdvijftigduizend dollar aan goud, smaragd en
ruwe diamant."
„Zo is het, mijnheertje!" Vyland vergat dat hij een
beschaafde, welgemanierde zakenman van allure was en begon opnieuw
in zijn handen te wrijven. „Tienmiljoentweehonderd…" zijn stem
stierf langzaam weg en ging over in een gehakkel. „Hoe… hoe weet
jij dat, Talbot?" fluisterde hij.
„Ik wist het voordat jij er ooit van had gehoord, Vyland," zei
ik rustig. Beiden hadden zich van het raam afgewend en staarden me
aan. Vyland niet begrijpend, wantrouwend en met een begin van
angst. Royale met zijn ene goede oog koud als een knikker en wijder
opengesperd dan ik het ooit had gezien.
„Ik ben bang, Vyland, dat je niet zo handig bent als de
generaal. Ik trouwens ook niet. Vanmorgen had hij me in de gaten,
Vyland. Ik weet waarom. Weet jij het, Vyland? Wil je het
weten?"
„Waar heb je het over?" vroeg hij schor.„Ja, de generaal is
heel handig," ging ik verder alsof ik hem niet gehoord had. „Toen
we vanmorgen op de boortoren landden, zag hij dat ik alleen maar
mijn gezicht verborgen hield tot ik er zeker van was dat zich geen
bepaald persoon bij het ontvangstcomité bevond. Hij zag ook dat het
me daarna niet meer interesseerde. Zorgeloos van me, dat moet ik
toegeven. Het bracht hem op het denkbeeld dat ik geen moordenaar
was, want was ik het wel geweest dan zou ik voor iedereen mijn
gezicht verborgen hebben gehouden. Tevens bracht het hem op het
denkbeeld dat ik de boortoren eerder bezocht had en bang was door
die bepaalde persoon herkend te worden. In beide gevallen had de
generaal gelijk. Ik was geen moordenaar en had inderdaad eerder de
boortoren bezocht. Vanmorgen heel vroeg."
Vyland had niets te zeggen. De verpletterende uitwerking van
mijn woorden en de inktzwarte mogelijkheden die er door geopend
werden, hadden hem volkomen uit zijn evenwicht gebracht en hij was
te verward om zijn met elkaar in botsing komende gedachten tot
uitdrukking te brengen.
„De generaal merkte nog iets anders," vervolgde ik. „Ik zal je
vertellen wat hij merkte, Vyland. Toen je me over dat
bergingskarweitje inlichtte, heb ik je niet de vraag gesteld die
het meest van alles voor de hand lag - welke schat er geborgen
moest worden, in wat voor schip of vliegtuig die schat lag als het
tenminste om een schip of vliegtuig ging. Ik heb je dat nooit
gevraagd, is het wel, Vyland? Opnieuw zeer zorgeloos van me. Het
viel jou echter niet op, maar wel de generaal en hij wist dat er
maar één verklaring voor bestond - dat ik al lang op de hoogte
was!" Even bleef het stil.
„Wie ben je Talbot?" fluisterde Vyland dan.
„Geen vriend van je, Vyland." In zover mijn pijnlijke
bovenkaak het toeliet, glimlachte ik tegen hem. „Je gaat sterven,
Vyland. Je gaat sterven in doodsangst en je laatste adem zal je
gebruiken om mijn naam te vervloeken en de dag dat je me
ontmoette."
Weer werd het stil. Stiller nog dan de eerste keer. Ik had
graag willen roken, maar:n die gondel was het onmogelijk. De lucht
was toch al bedorven genoeg. We ademden al veel sneller en het
zweet begon langs onze gezichten te stromen.
„Ik zal je een verhaaltje vertellen,'' zei ik. „Het is geen
sprookje, maar het begint toch met: er was eens. Er was eens een
land met een heel kleine vloot - twee torpedoboten, een fregat en
een kanonneerboot. Een vloot van niets, Vyland. De regering van het
land besloot die vloot dus te verdubbelen. Ze voerden nogal wat
olie en koffie uit en meenden het zich wel te kunnen veroorloven.
Ze hadden het geld natuurlijk honderdmaal nuttiger kunnen uitgeven,
maar het was een land met veel revoluties en de macht van elke aan
het bewind zijnde regering hing voornamelijk af van de sterkte van
leger en vloot. We verdubbelen de vloot, zeiden ze. Wie zeiden dat,
Vyland?"
Hij probeerde te spreken, bevochtigde zijn lippen en zei
eindelijk: „Columbia."
„Hoe weet je dat, vraag ik me af. Ja, het was Columbia. Ze
kregen het voor elkaar om van Engeland twee gebruikte torpedoboten
te kopen en van Amerika een paar fregatten, mijnenvegers en
kanonneerboten. Daar die schepen nog zo goed als nieuw waren,
kwamen ze er eigenlijk voor een koopje aan:
tienmiljoentweehonderdvijftigduizend dollar. Maar toen kwam er een
kink in de kabel. Columbia werd bedreigd door revolutie,
burgeroorlog en anarchie en in het buitenland begon de waarde van
de peso te kelderen. Engeland en Amerika weigerden te leveren tegen
betaling in peso's. De internationale banken moesten voorlopig
niets van Columbia hebben en daarom werd er besloten dat de
betaling in natura zou plaatsvinden. Een vorige regering had voor
industriële doeleinden voor tweemiljoen dollar Braziliaanse ruwe
diamant ingevoerd en deze waren nooit gebruikt. Daar kwam bij
ongeveer twee en een half miljoen dollar aan Columbiaans goud in
staven. Het grootste gedeelte van het bedrag werd echter betaald in
geslepen smaragd. Ik hoefje er vermoedelijk niet aan te herinneren,
Vyland, dat de Muzomijnen in de Andes de meest vermaarde en
belangrijkste smaragdleveranciers ter wereld zijn."Vyland zei
niets. Hij trok een zakdoek uit zijn borstzak en veegde zijn
gezicht af. Hij zag eruit als een doodziek man.
„Dan was er natuurlijk de kwestie van het transport," vertelde
ik verder. „Het zou per vliegtuig gaan. De eerste etappe, naar
Tampa, zou gevlogen worden met een Avianca of Lansa, maar juist in
die dagen, begin mei 1958, moesten in verband met nieuwe
verkiezingen alle binnenlandse maatschappijen hun toestellen
tijdelijk op de grond houden. Een paar hoge ambtenaren waren bang
dat de kostbaarheden en het goud in verkeerde handen zouden vallen,
wilden de vracht daarom zo gauw mogelijk versturen en zochten een
niet-Columbiaanse luchtvrachtdienst die alleen op het buitenland
vloog. Ze kozen de Trans-Caraïbische Luchtvracht- dienst. Lloyd's
verklaarde zich bereid de verzekering onder te brengen. Het
vliegtuig van de Trans-Caraïbische diende een gefingeerd vliegplan
in en vloog van Barranquilla via Straat Yucatan in de richting van
Tampa. Er waren maar vier mensen in dat vliegtuig, Vyland. De
gezagvoerder was de tweelingbroer van de eigenaar van het
maatschappijtje. De tweede piloot fungeerde tevens als navigator.
Verder bevonden zich een vrouw en een klein jongetje aan boord. Het
leek namelijk verstandiger om hen maar niet in Columbia achter te
laten in geval de verkiezingen verkeerd zouden aflopen en bekend
werd welke rol de Trans-Caraïbische bij dit transport gespeeld had.
Ze dienden dus een gefingeerd vliegplan in, Vyland, maar het gaf
niet veel, want een van die edele ambtenaren die zo graag de schuld
aan Engeland en Amerika had willen betalen, bleek niet te deugen en
een werktuig van jou te zijn. Hij was op de hoogte van het echte
vliegplan en lichtte je in. Je was destijds in Havana en had alles
voor elkaar, is het niet, Vyland?"
„Hoe weet je dit allemaal?" kraste hij.
„Omdat ik de eigenaar was van de Trans-Caraïbische
Luchtvrachtdienst," antwoordde ik. Onbeschrijfelijk moe voelde ik
me. Ik wist niet of het van pijn kwam of van de bedorven lucht, dan
wel door een overweldigend gevoel van leegte. „Ik moest bij Belize,
in Brits Honduras, op een onderdeel voor mijn vliegtuig wachten,
maar slaagde erin radioverbinding met hen te krijgen - nadat ze hun
eigen radio hersteld hadden. Ze vertelden me dat iemand geprobeerd
had het vliegtuig op te blazen. Ik weet nu dat het niet helemaal
juist was. Iemand probeerde de radio onklaar te maken zodat de DC
van de buitenwereld zou zijn afgesneden. En bijna lukte het, maar
niet helemaal. Je hebt nooit geweten, Vyland, dat iemand
radiocontact met het vliegtuig had voordat het werd afgeschoten. En
die iemand was ik. Twee minuten maar." Peinzend en heel lang keek
ik hem aan. „Die twee minuutjes betekenen jouw dood."
Met een blik van ziekelijke angst in de ogen staarde Vyland me
aan. Hij wist wat er zou gebeuren, meende het althans te weten. Hij
wist nu wie ik was. Hij wist nu dat hij tegenover een man stond die
alles had verloren en voor wie medelijden zelfs geen woord meer
betekende. Langzaam, alsof het hem veel pijn en moeite kostte,
draaide hij zijn hoofd naar Royale en voor het eerst vond hij daar
geen veiligheid, want eindelijk had het ongelofelijke
plaatsgevonden - Royale was bang. Ik wees naar de versplinterde
cockpit van de DC.„Kijk goed, Vyland," zei ik zacht. „Kijk goed
naar wat je gedaan hebt en wees trots op jezelf. Zie je dat skelet
in de stoel van de gezagvoerder? Dat was vroeger Peter Talbot, mijn
tweelingbroer. Dat andere skelet is Elizabeth Talbot. Ze was mijn
vrouw, Vyland. Achter in het vliegtuig zullen de resten te vinden
zijn van een klein jongetje. John Talbot, mijn zoon. Hij was drie
en een half jaar. Duizendmaal heb ik erover nagedacht hoe mijn
zoontje stierf, Vyland. De kogels die mijn vrouw en broer doodden,
hebben hem waarschijnlijk niet gedood. Toen het vliegtuig het water
raakte, zal hij nog geleefd hebben. Twee of drie minuten lang zat
hij in een vallend vliegtuig, Vyland, snikkend en schreeuwend en
huilend en toen hij zijn moeder riep, kwam ze niet. Hij zal haar
telkens weer opnieuw geroepen hebben, maar ze kon niet komen, is
het wel, Vyland? Ze lag dood in haar stoel. Dan smakte het
vliegtuig in het water en misschien leefde Johnny toen ook nog wel.
Misschien is het vliegtuig heel langzaam gezonken. Dat gebeurt
vaak, Vyland. Misschien stroomde er lucht in toen het zonk. Ik
vraag me af hoelang het geduurd heeft voordat het water zich boven
de jongen sloot. Kan je het je niet voorstellen, Vyland? Een
jongetje van drie jaar dat gilt en vecht en sterft en door niemand
gehoord wordt? En toen hielden het gillen en vechten op en verdronk
hij."
Weer staarde ik lang, of wat althans lang leek, naar de half
verzonken cockpit van het vliegtuig en toen ik me omdraaide, pakte
Vyland me bij de rechterarm. Ruw duwde ik hem weg. Hij viel op de
stalen vloer en keek me door een paniek aangegrepen met grote ogen
aan. Zijn mond stond open. Hij haalde hijgend en moeilijk adem en
beefde over zijn hele lichaam. Royale zag nog net kans zich te
beheersen, maar dan ook zeker niet meer. Hij hield zijn gebalde
vuisten met de ivoorwitte knokkels op zijn knieën en zijn ogen
flitsten naar links en rechts en weer terug door de gondel - als
van een opgejaagd dier dat een uitweg zoekt.
„Ik heb hier lang op gewacht, Vyland," vervolgde ik. „Ik heb
twee jaar en vier maanden gewacht en geloof niet dat ik al die tijd
vijf minuten ergens anders aan gedacht heb. Ik bezit niets meer om
voor te leven, Vyland. Dat zal je kunnen begrijpen. En ik had
genoeg. Misschien klinkt het macaber, maar ik zou hier wel bij hen
willen blijven. Ik maak mezelf niet meer wijs dat het voor mij nog
zin heeft om verder te leven. Daarom kan ik net zo goed hier
blijven. Wat me op de been hield, was de belofte op de derde mei
van het jaar 1958: de belofte die ik mezelf deed om niet te rusten
voordat ik de man gevonden en vernietigd had die alles voor mij
vernie- dgde. Ik ben die belofte nagekomen en nu is het voorbij. De
gedachte dat jullie hier ook zullen blijven, zou het voor me kunnen
bederven, maar aan de andere kant zit er een bepaalde logica in -
moordenaars en slachtoffers ten langen leste bij elkaar."
„Je bent gek," fluisterde Vyland. „Je bent volkomen gek. Wat…
wat bedoel je precies?"
„Het volgende. Herinner je je nog dat we een schakelaar op de
tafel lieten liggen? Je vroeg me ernaar en ik antwoordde dat we hem
niet meer nodig zouden hebben. Dat klopt. We hebben hem echt niet
meer nodig. Het was de hoofdschakelaar van het apparaat voor het
loslaten van de ballast. Zonder die schakelaar kunnen we de ballast
niet lossen en als we daar niet toe in staat zijn, is er van
stijgen geen sprake. En dus, Vyland, blijven we hier. Voor
altijd."