Hoofdstuk 7
In mijn kamer in het huis van de generaal wachtte niemand op
me. Met de duplicaatsleutel die Jablonsky me had gegeven, opende ik
vrijwel geruisloos de deur en ging naar binnen. Niemand schoot mijn
hoofd van mijn romp. De kamer was leeg. De zware gordijnen waren
nog steeds voor de ramen geschoven, maar ik draaide niet het licht
aan. Er was kans dat ze niet wisten dat ik het huis die nacht
verlaten had, maar als iemand licht in de kamer van een met
handboeien aan het bed geklonken man zag, zou de zaak onderzocht
worden. Alleen Jablonsky had dat licht namelijk kunnen aandraaien
en Jablonsky was dood.Met mijn staaflampje zo dun als een potlood
controleerde ik elke vierkante centimeter van de vloer en de muren.
Ik miste niets en niets leek veranderd. Als er iemand geweest was,
had hij van zijn bezoek geen sporen achtergelaten. Maar als er
iemand geweest was, zou ik ook niet verwacht hebben dat hij sporen
achterliet. Bij de deur naar de kamer van Jablonsky stond tegen de
muur een elektrische kachel. Ik draaide hem op heet, kleedde me
uit, wreef me droog met een handdoek en hing broek en jasje over de
leuning van een stoel om ze te laten drogen. Ik deed het ondergoed
en de sokken aan die ik van Kennedy had geleend, stopte mijn eigen
doorweekt ondergoed en kletsnatte sokken in mijn modder- schoenen,
schoof de gordijnen en het raam open en wierp de schoenen zo ver ik
kon in de struiken aan de achterkant van het huis waar ik voor het
beklimmen van de brandladder ook mijn oliegoed en overjas had
verstopt. Ik luisterde gespannen, maar hoorde de schoenen niet op
de grond terecht komen. Ik wist zo goed als zeker dat iemand anders
het ook niet gehoord zou hebben. Het gekreun van de wind en het
geruis van de stromende regen overstemden elk ander geluid. Ik nam
de sleutels uit de zak van mijn reeds dampend jasje en liep naar de
deur van Jablonsky's kamer. Misschien wachtte daar het
ontvangstcomité op me. Een prettige gedachte was het helemaal
niet.Er was geen ontvangstcomité. De kamer was even leeg als die
van mij. Ik liep naar de deur naar de gang en draaide aan de knop.
De deur bleek op slot te zijn. Zoals ik verwacht had, was het bed
beslapen geweest. De lakens en dekens waren teruggetrokken en lagen
half op de vloer. Ik zag geen sporen van een gevecht, geen tekenen
van geweld tot ik het kussen omkeerde. Dat kussen was met bloed
besmeurd, maar het zou erger geweest zijn als de dood niet
onmiddellijk was ingetreden. De kogel moest dwars door Jablonsky's
schedel gegaan zijn. Van zo'n kleine.22 was dat eigenlijk niet te
verwachten, maar mijnheer Royale beschikte over bijzondere
ammunitie. Ik vond de kogel in het dons van het kussen. Een
legering van nikkel en koper. Vreemd, dat iemand als Royale zo
zorgeloos met die kogel was omgesprongen. Het leek me niets voor
hem. Ik was van plan heel goed op die kogel te passen. Ik zou hem
bewaken als de Cullinandiamant. In een la vond ik wat pleister. Ik
trok een sok uit en kleefde met het pleister de kogel onder de
tweede en derde teen waar ik er met lopen geen last van zou hebben.
Daar was de kogel veilig. Zelfs bij het meest zorgvuldig fouilleren
zou hij niet ontdekt worden. Houdini had jaren en jaren kleine
instrumentjes onder zijn voetzolen bevestigd gehad en niemand dacht
er ooit aan daar te kijken. Op mijn knieën zocht ik met mijn
staaflampje het kleed af. Ik zag twee evenwijdig lopende groeven op
het niet meer zo beste tapijt: het waren de sporen van Jablonsky's
hakken toen hij uit de kamer gesleept werd. Ik stond op, onderzocht
opnieuw het bed, nam een kussen van een leunstoel en bekeek het
nauwkeurig. Ik zag er niets bijzonders aan, maar in de geur die ik
opsnoof kon ik me niet vergissen. De scherpe lucht van verbrand
kruit blijft in weefsels namelijk dagenlang hangen. Ik begaf me
naar het tafeltje in een hoek van de kamer, schonk drie vingers
whisky in een glas en ging na wat er gebeurd kon zijn. Ik begreep
het niet. Er klopte niets van. Hoe waren Royale en de man die bij
hem was geweest - iemand alleen had de zware Jablonsky niet kunnen
versjouwen - de kamer binnengekomen? Jablonsky had zich in het huis
even veilig gevoeld als een verdwaald lammetje tussen een troep
uitgehongerde wolven en dus zeker de deur op slot gedaan. Iemand
anders had natuurlijk ook een sleutel kunnen hebben, maar Jablonsky
liet zijn sleutel altijd zó in het slot zitten dat hij er aan de
andere kant niet uitgeduwd kon worden. Tenzij het met geweld
gebeurde en dat zou Jablonsky onherroepelijk wakker gemaakt hebben.
Verder was er nog iets eigenaardigs. Jablonsky werd op bed en in
zijn slaap vermoord. Jablonsky bezat een pyjama en sliep er altijd
in, maar toen ik zijn lichaam in de moestuin vond, was het volledig
gekleed geweest. Waarom hadden ze hem aangekleed? Het leek geen zin
te hebben en vooral niet waar het een man van over de tweehonderd
pond betrof. En waarom was er geen geluiddemper op de revolver
geweest? Ik wist zeker dat er geen gebruikt werd, want door het
druk absorberend vermogen van een geluiddemper zou zelfs zo'n
speciale kogel niet dwars door een schedel hebben kunnen gaan en
bovendien werd er een kussen aangewend om de knal van het schot te
smoren. In zeker opzicht was het wel te verklaren. De kamers
bevonden zich in een afgelegen vleugel van het huis en met behulp
van het kussen en op de achtergrond het lawaai van een toenemende
storm bestond er kans genoeg dat het schot ergens anders in het
huis niet gehoord zou kunnen worden. Maar het feit bleef bestaan
dat ik me in de aangrenzende kamer bevond en het schot wél had
kunnen horen, tenzij ik doof of dood was en zover Royale had
geweten, sliep ik. Ik nam tenminste aan dat hij dat verondersteld
had. Of was het Royale bekend geweest dat ik me niet meer in die
kamer bevond? Was hij komen kijken? Had hij ontdekt dat ik
verdwenen was, geconcludeerd dat Jablonsky me liet ontvluchten en
hem daarom vermoord? Het klopte met de feiten, maar niet met de
glimlach op het gezicht van de dode man.
Ik ging naar mijn eigen kamer, verhing de kleren op de stoel
voor de elektrische kachel en liep daarna weer terug naar
Jablonsky's kamer. Ik pakte mijn glas op en keek naar de
whiskyfles. Hij was nog voor driekwart gevuld. Het zei me niets.
Een kwart fles whisky zou de waakzaamheid van Jablonsky niet
verslapt hebben. Ik had hem wel eens een hele liter rum soldaat
zien maken - Jablonsky was geen whiskyliefhebber geweest - en met
als enig effect dat hij nog breder glimlachte dan gewoonlijk.
Jablonsky zou nooit meer glimlachen.
Alleen in het bijna donker - ik zag alleen de gloed van de
elektrische kachel in de ander kamer - hief ik mijn glas op. Een
toast, een afscheidsdronk? Ik wist het niet precies. In ieder geval
voor Jablonsky ! Ik nam een teug, liet de whisky over mijn tong
rollen om beter van het volle boeket en de smaak van de oude
Schotse drank te kunnen genieten en bleef dan ineens drie seconden
lang onbeweeglijk zitten. Dan zette ik het glas neer, stond op,
liep naar de wasbak, spoog de whisky uit en spoelde zorgvuldig mijn
mond. Het was Vyland die voor de whisky had gezorgd. Nadat
Jablonsky me de vorige avond had laten opdraven, gaf Vyland hem een
dichte en verzegelde fles whisky en glazen mee. Toen we weer boven
waren, had Jablonsky twee glazen ingeschonken. Ik was net van plan
geweest om te drinken toen ik me opeens herinnerde dat het niet
verstandig zou zijn om alcohol te gebruiken als je vlak daarop diep
onder water zuurstof moest inademen. Jablonsky had zich over beide
glazen ontfermd en na mijn vertrek vermoedelijk nog wel een paar
whisky's genomen. Royale en zijn vrienden hadden de deur niet met
bijlen behoeven in te slaan, want ze beschikten naar alle
waarschijnlijkheid over een sleutel, maar zelfs al waren er bijlen
gebruikt dan zou Jablonsky het nog niet gehoord hebben. Er bevond
zich genoeg slaapmiddel in die whisky om een olifant uit te tellen.
Jablonsky was misschien nog net in staat geweest om naar zijn bed
te strompelen en had daarna het bewustzijn verloren. Ik wist dat
het onzinnig was, maar verweet me bitter niet van de drank
gedronken te hebben. Ik geloof dat ik het meteen gemerkt had.
Jablonsky echter dronk nooit whisky en misschien dacht hij dat oude
Schotse altijd zo smaakte. Royale vond natuurlijk resten whisky in
de twee glazen en had aangenomen dat ik evenals Jablonsky volkomen
van de kaart moest zijn. Het lag echter niet in hun bedoeling mij
ook te doden. Ik begreep het nu. Ik begreep nu alles, maar had nog
niet het antwoord op de belangrijke vraag waarom ze Jablonsky
hadden vermoord. Ik kon er zelfs niet naar raden. En verder: zouden
ze gecontroleerd hebben of ik op bed lag? Ik dacht het niet, maar
zou er niet graag mijn schoenveters om verwed hebben.
Lang, misschien wel een paar uur, zat ik in de donkere kamer
over deze problemen na te denken en in die tijd waren mijn kleren
zo goed als droog geworden. Mijn broekspijpen waren gekreukeld als
de poten van een olifant, maar niemand kon een scherpe vouw in de
broek van een man verwachten die in zijn kleren had moeten slapen.
Ik kleedde me aan, op jas en das na, opende het raam en was net van
plan om de duplicaatsleutels en het sleuteltje van de handboeien in
de struiken te smijten toen er heel zacht op de deur van
Jablonsky's kamer werd geklopt. Ik sprong op en bleef dan roerloos
staan. Eigenlijk had ik koortsachtig moeten nadenken, maar na al
het gepieker van de laatste twee uren kon ik dat niet eens meer. Ik
bleef alleen maar als een zoutpilaar staan. Tien seconden lang
vocht ik tegen de impuls om weg te hollen, maar waar moest ik heen
hollen? Het was Royale - de rustige, stille man met de kleine
revolver. Het was Royale en met die revolver in de hand wachtte hij
aan de andere kant van de deur. Hij wist dat ik weg was gegaan. Hij
had het gecontroleerd. Hij rekende op mijn terugkomst omdat het hem
bekend was dat Jablonsky en ik onder één hoedje speelden en ik zou
niet al die moeite gedaan hebben om in het huis te komen om bij de
eerste de beste gelegenheid weer voor goed uit te knijpen. Hij nam
aan dat ik nu wel terug zou zijn. Misschien had hij me zelfs wel
gezien. Maar waarom dan zo lang gewacht? Ook hier wist ik het
antwoord op. Hij veronderstelde dat ik bij mijn terugkomst
Jablonsky in de kamer verwacht zou hebben. Nu dit niet het geval
bleek te zijn zou ik natuurlijk denken dat Jablonsky op eigen
houtje aan het avonturieren was en omdat mijn sleutel aan de
binnenkant van de deur in het slot stak niet binnen zou kunnen
komen. Hij zou dus kloppen. Heel zacht. Na twee uur op hem gewacht
te hebben, zou ik in mijn ongerustheid meteen naar de deur gehold
zijn om open te doen. En dan zou Royale me trakteren op een uit een
legering van nikkel en koper bestaande kogel tussen de ogen. Het
kon niet anders. Als ze namelijk wisten dat Jablonsky en ik
samenwerkten, namen ze vanzelfsprekend ook aan dat ik nooit zou
doen wat ze van me verlangden en in dat geval was ik voor hen
verder van geen enkel nut meer. Een kogel tussen de ogen dus.
Precies als Jablonsky was overkomen. Ineens moest ik weer aan hem
denken, zag ik hem in die goedkope pakkist liggen en voelde ik me
niet bang meer. Ik besefte weinig kans te hebben, maar had mijn
angst overwonnen. Op mijn tenen sloop ik het vertrek door, klemde
mijn hand om de hals van de whisky- fles, liep geruisloos mijn
eigen kamer in en stak de sleutel in het slot van de deur naar de
gang. Langzaam en behoedzaam draaide ik de sleutel om. Even een
klik, maar tegelijkertijd klonk opnieuw het geklop: iets luider en
meer dringend ditmaal. Gedekt door dit geluid opende ik de deur tot
op een kier, hield de fles klaar om ermee te gooien en keek om de
hoek van de deur. De gang werd vaag verlicht door een spaarbrander,
maar het was genoeg om te kunnen zien dat de gestalte voor de deur
geen revolver in de hand hield en niet Royale was, maar Mary
Ruthven. Ik liet de whiskyfles weer zakken en stapte onhoorbaar
terug in de kamer. Vijf seconden later stond ik bij de deur van
Jablonsky's kamer en imiteerde zo goed mogelijk zijn diepe, wat
hese stem. „Wie is daar?"
„Mary Ruthven. Laat me binnen. Vlug!" Ik liet haar binnen. En
vlug. Evenmin als zij wenste ik dat ze in die gang gezien zou
worden. Toen ze binnenkwam, bleef ik achter de deur staan en sloot
deze voordat het vage licht in de gang haar kans gaf me te
herkennen.
„Mijnheer Jablonsky." Haar stem was een snel, ademloos en
angstig gefluister. „Ik moest en zou u even spreken. Ik dacht dat
ik nooit zou kunnen wegkomen, maar Gunther viel in slaap en hij kan
elk ogenblik weer wakker worden en als hij ontdekt dat ik…"
„Rustig!" Ik sprak zo zacht mogelijk omdat ik dan
gemakkelijker de stem van Jablonsky kon imiteren. „Waarom wilde u
me zo graag spreken?" „Omdat ik me tot niemand anders kon wenden. U
bent geen moordenaar, geen misdadiger zelfs en wat ze van u
vertellen, kan me niets schelen. U bent geen slecht mens." Ze was
pienter genoeg en haar vrouwelijke intuïtie of wat het anders mocht
zijn, deed haar de dingen beter zien dan Vyland
of de generaal. „U moet me helpen. We zitten in
verschrikkelijke moeilijkheden." „We?"eigenlijk niet precies," ging
ze dan verder. „Eerlijk niet. Misschien zit hij niet in
moeilijkheden. Misschien werkt hij uit vrije wil samen met die
vreselijke kerels. Ik zie hem zo weinig. Maar… maar het is niets
voor hem. Misschien kan hij niet anders, omdat ze hem op de een of
andere manier in hun macht hebben." Ze schudde het hoofd en heel
even zag ik de glans van het blonde haar. „Hij is altijd zo goed,
zo eerlijk en ronduit geweest en nu is…"
„Rustig!" herhaalde ik. Natuurlijk kon ik dit bedrog niet lang
volhouden en als ze niet zo bang en in de war was geweest, zou ze
het al gemerkt hebben. „Wat zijn de feiten?"
Ik had de elektrische kachel in mijn kamer laten branden en de
tussendeur stond open. Het was een kwestie van tijd. Elk ogenblik
zou ze genoeg van mijn gezicht kunnen zien om te weten dat ik niet
Jablonsky was. Vooral mijn rood haar zou me kunnen verraden. Ik
ging met mijn rug naar de gloed van de kachel staan.
„Ik weet niet goed hoe ik moet beginnen," zei ze. „Het is net
of we al onze vrijheid kwijt zijn. Papa zeker. Niet dat hij zich
niet vrij kan bewegen, een gevangene is hij niet, maar we kunnen
zelf geen besluiten meer nemen. Of liever: papa neemt ze voor mij
en iemand anders neemt ze voor hem. We mogen nooit alleen zijn.
Papa zegt dat ik geen brieven mag schrijven tenzij hij ze kan
lezen, niet mag opbellen en nergens heen mag behalve als die
verschrikkelijke Gunther bij me is. Zelfs als ik naar vrienden ga,
rechter Mollison bijvoorbeeld, blijft die vent vlak in de buurt.
Papa zegt dat iemand kort geleden gedreigd heeft me te ontvoeren.
Ik geloof er niets van, maar als het waar zou zijn, is Simon
Kennedy, de chauffeur, een veel betere lijfwacht dan Gunther. Een
privé- leven heb ik niet meer. Als ik op de boortoren ben, zou ik
me weliswaar geen gevangene willen noemen, maar ik kan er niet af
en in mijn kamer voel ik me ook niet vrij omdat Gunther altijd
in…"Met de laatste woorden leek ze veel moeite te hebben. Ten
slotte stierf haar stem weg en werd het vreemd stil. In haar
opgewondenheid en verlangen om iemand toe te vertrouwen wat haar al
die weken had gekweld, was ze dichter bij me komen staan. Haar ogen
waren nu ook aan het donker gewend geraakt. Ze begon te beven. Haar
rechterhand bewoog zich langzaam naar haar mond, de arm maakte
schokkende bewegingen als de arm van een marionet, haar mond week
open, de ogen werden hoe langer hoe wijder tot ik overal om de
pupillen het wit zag. Dan haalde ze heel diep adem - het voorspel
tot een schreeuw. Tot meer dan een voorspel kwam het niet. Voordat
ze wist welke toonhoogte ze zou kiezen, had ik mijn hand al op haar
mond en mijn arm rond haar schouders. Een paar seconden lang en met
een kracht die me verbaasde - onder de omstandigheden misschien
niet eens zo heel erg verbazingwekkend - vocht ze verbeten, maar
dan viel ze slap als een vaatdoek tegen me aan. Ik had er niet van
terug omdat ik er altijd van overtuigd was geweest dat moderne
meisjes in momenten van hevige spanning heus niet meer bezwijmden.
Maar misschien onderschatte ik de geduchte reputatie die ik voor
mezelf had opgebouwd, misschien onderschatte ik het effect van de
schok na haar nacht van zenuwachtige spanning met ten slotte het
besluit om de laatste kans aan te grijpen. In ieder geval speelde
ze geen komedie, maar was ze volkomen van de kaart. Ik droeg haar
naar het bed. Om de een of andere duistere reden overviel me echter
een gevoel van afkeer en kon ik het niet over mijn hart verkrijgen
haar op het bed te leggen waar Jablonsky nog maar pas geleden was
vermoord. Ik droeg haar dus naar het bed in mijn eigen kamer. Ik
wist waarachtig wel iets af van het verlenen van de eerste hulp,
maar letterlijk niets van het bijbrengen van jongedames uit een
bezwijming. Ik kreeg het gevoel dat elk ingrijpen gevaarlijk zou
kunnen zijn - een gevoel dat volkomen aansloot bij mijn
onwetendheid op het gebied van bezwijmingen - en kwam daardoor tot
de conclusie dat het beter was om maar helemaal niets te doen en te
wachten tot ze vanzelf weer bijgekomen zou zijn. Om te voorkomen
dat ze bij dat bijkomen het huis in rep en roer zou brengen, wilde
ik het grote moment zelf meemaken, ging op de rand van het bed
zitten en hield het licht van mijn lamp op haar gezicht gericht -
onder de ogen om haar niet te verblinden. Ze droeg een gewatteerde
blauwzijden ochtendjas over een blauwzij den pyjama. Ook haar
muiltjes waren blauw. Zelfs het lint dat het glanzend haar voor de
nacht bij elkaar moest houden, was van diezelfde kleur. Haar
gezicht had op dat ogenblik de tint van oud ivoor. Het kon geen
bijzonder knap gezicht genoemd worden. Was het dat wel geweest dan
zou mijn hart vermoedelijk niet zo snel en onregelmatig zijn gaan
kloppen. Voor het eerst gaf dat hart tekenen van leven - geen
overdreven luxe na drie lange en lege jaren. Haar gezicht scheen te
vervagen en weer ontwaarde ik de haard en de pantoffels die ik twee
avonden terug ook had gezien. Wat tussen ons stond waren slechts
tweehonderdvijfentachtig- miljoen dollar en het feit dat ik de
enige man in de wereld was die haar van angst en afgrijzen deed
bezwijmen.
Ze bewoog zich en opende de ogen. Ik besefte dat de bij
Kennedy gevolgde methode - de mededeling dat zich een revolver
achter de lamp bevond - in dit geval niet het juiste resultaat zou
kunnen hebben. Daarom pakte ik een van de slap op de sprei liggende
handen, boog me voorover en zei zacht en op bestraffende
toon:
„Uilskuikentje, waarom deed je zoiets doms?"
Geluk en instinct hadden me de juiste weg doen kiezen. Haar
ogen waren wijd opengesperd, maar staarden niet. De nog steeds
aanwezige angst in die ogen was vermengd met een blik van niet
begrijpen. Moordenaars van een bepaalde categorie houden je hand
niet vast en spreken geen geruststellende woorden. Gifmengers wel.
Knapen die iemand een mes in de rug steken – misschien! Maar geen
moordenaars met een reputatie als die van mij.
„Je gaat toch niet proberen te schreeuwen, is het wel?" vroeg
ik.
„Nee." Haar stem klonk schor. „Het spijt me dat ik zo
dom…"
„Laat maar. Als je kan, moeten we eens even praten. Het is
noodzakelijk en we hebben weinig tijd."
„Kan het licht niet aan?" verzocht ze smekend.
„Nee. Het schijnt door de gordijnen heen. We kunnen op het
ogenblik geen visite gebruiken."
„Er zijn houten luiken," zei ze. „Voor elk raam in dit huis
zijn houten luiken."
Arendsoog Talbot! Ik had een hele dag uit het raam liggen
staren en geen luik gezien. Ik stond op, sloot de luiken en ook de
tussendeur naar Jablonsky's kamer en draaide het licht aan. Ze zat
op de rand van het bed en hield haar armen over elkaar geslagen
alsof ze het koud had.
„Ik voel me pijnlijk getroffen," verklaarde ik. „Eén blik op
Jablonsky en je weet, of denkt, dat hij geen misdadiger is. Maar
hoe langer je naar mij kijkt hoe meer je ervan overtuigd raakt dat
ik een moordenaar moet zijn." Ze wilde iets zeggen, maar ik hief
mijn hand op. „Je hebt redenen genoeg, dat weet ik. Toch ben je
fout." Ik trok een broekspijp op en liet haar een kastanjebruine
sok zien en een eenvoudige zwarte schoen. „Herken je die?"
„Die zijn van Simon," fluisterde ze.
„Van je chauffeur." Dat Simon-gedoe liet me koud. „Twee uur
geleden heeft hij ze me gegeven en uit eigen vrije wil. Ik had vijf
minuten nodig om hem tot de overtuiging te brengen dat ik geen
moordenaar ben en zou jij me die vijf minuten ook willen
toestaan?"Ze knikte zonder iets te zeggen. Ik had er zelfs geen
drie minuten voor nodig. Het feit dat Kennedy en ik het met elkaar
eens waren geworden maakte de strijd al voor meer dan de helft
gewonnen. Over het vinden van Jablonsky sprak ik niet. Het meisje
was er voorlopig nog niet rijp voor.
„Dus je wist al die tijd alles van ons af?" vroeg ze ongelovig
toen ik was uitgesproken. „Van papa en mij, van onze
moeilijkheden en…"
„We waren al maandenlang op de hoogte. Niet speciaal van
jullie moeilijkheden, maar wel wisten we dat generaal Blair Ruthven
in iets betrokken was waarin generaal Blair Ruthven nooit betrokken
had mogen zijn. Vraag niet wie die 'we' zijn of wie ik ben, want ik
vind het niet prettig om te weigeren vragen te beantwoorden hoewel
het overigens voor je eigen bestwil is. Waar is je vader bang voor,
Mary?"
„Ik… ik weet het niet. Ik weet dat hij bang voor Royale is,
maar…"
„We zijn allemaal bang voor Royale. Ik wil wedden dat Vyland
je vader heel wat verhaaltjes over Royale heeft verteld en alleen
maar om hem goed in angst te laten zitten. Maar in de eerste plaats
is hij toch bang om jou en die angst is gegroeid sinds hij tot de
ontdekking kwam in welk gezelschap hij zich bevindt. Wat het
werkelijk voor mensen zijn, bedoel ik. Vermoedelijk is hij er uit
eigenbelang mee begonnen, niet wetende hoe hij zich in de nesten
stak. Hoelang zijn je vader en Vyland al compagnons om het zo eens
te noemen?"
Een ogenblik dacht ze na.
„Dat kan ik u precies vertellen," antwoordde ze dan. „Het
begon toen we met ons jacht, de Temptress, op de West-
indische eilanden met vakantie waren. Dat was in april. We hadden
Kingston op Jamaica aangedaan en ineens kreeg papa bericht van de
advocaat van mama dat ze wilde scheiden. Misschien heeft u het wel
gelezen," vervolgde ze wat triest. „Het heeft in alle kranten
gestaan en sommige schreven er
heel venijnig over."
„Je bedoelt dat de generaal beschouwd werd als de
model burger van het land en zijn huwelijk als een model
huwelijk?"
„Zoiets. In ieder geval vormden ze een prachtig doelwit voor
de sensatiepers," zei ze bitter. „Ik weet niet wat mama plotseling
bezielde. Het was altijd goed gegaan. Het bewijst dat kinderen
eigenlijk nooit weten wat zich tussen de ouders afspeelt."
„Kinderen?"
„Ik sprak in het algemeen." Ze scheen doodmoe te zijn,
ontmoedigd en verslagen. Zo zag ze er trouwens ook uit. Ze moest
het wel zijn, want anders had ze met een vreemde nooit over
dergelijke dingen willen praten. „Ik heb nog een zusje, Jean. Ze is
tien jaar jonger dan ik. Papa is pas laat getrouwd. Jean is bij
moeder. De advocaten zijn druk aan het werk, maar tot een
wettelijke scheiding zal het niet komen." Ze glimlachte vaag. „U
kent de Ruthvens niet, mijnheer Talbot. Bepaalde woorden komen in
hun woordenboek niet voor en het woordje scheiding is er een
van."
„Probeerde je vader nooit tot een verzoening te komen?"
„Hij heeft mama tweemaal ontmoet. Het had geen succes. Ze… ze
wil mij zelfs niet meer zien. Ze ging ergens heen en alleen papa
weet precies waar ze is. Als er geld is, kan zoiets gemakkelijk
georganiseerd worden." Het aanroeren van geld deed haar het
plotseling over een andere boeg gooien en ineens vond ik de
tweehonderdvijfentachtigmiljoen in haar stem en de Mayflower
op haar gezicht terug. „Ik zie niet helemaal in waarom u interesse
voor deze familieaangelegenheden zou hebben, mijnheer
Talbot."
„Ik ook niet," was ik het met haar eens. „Ik stel alleen
belang in de samenwerking met Vyland. Dus op dat moment begon
het?"„Zo ongeveer. Een week of twee later. Papa zat erg in de put
en vermoedelijk toonde hij zich bereid om elk voorstel in
overweging te nemen om zijn gedachten af te kunnen leiden." „En
zijn vermogen om te oordelen lag natuurlijk beneden pari. Dat
veroorloofde vriend Vyland zijn voet tussen de deur te steken. Van
zijn keurige snor tot de manier waarop hij zijn lefdoekje schikt is
Vyland de grote zakenman zoals iedereen zich die voorstelt. Hij
heeft alle boeken over Wall Street gelezen en weet zijn weetje tot
in de volmaaktheid. Royale verscheen zeker pas later op het
toneel?"
Ze knikte zwijgend. Ze maakte de indruk elk ogenblik in tranen
te kunnen uitbarsten. Ik kan niet tegen tranen, behalve als ik in
tijdnood zit. En ik zat verschrikkelijk in tijdnood. Ik deed het
licht uit, opende een van de luiken en keek naar buiten. Het waaide
nog harder dan eerst, de regen sloeg tegen het raam en het water
stroomde in kleine rivieren langs de ruit. Van veel meer belang was
dat het in het oosten licht begon te worden. De dageraad meldde
zich. Ik sloot het luik, draaide het licht weer aan en wendde me
tot het meisje.
„Wat denkt u," vroeg ik, „zouden ze vandaag met de helikopter
naar de X-13 kunnen vliegen?"
„Helikopters vliegen bij elk weer." Ze bewoog zich en keek me
aan. „Wie zegt dat er vandaag naar de boortoren gevlogen zou
worden?"
„Ik." Uitweiden deed ik niet. „Zou je me nu eens heel eerlijk
willen zeggen, Mary, waarom je Jablonsky wilde spreken?"
„Heel eerlijk willen…"
„Je zei dat hij zo'n goed gezicht had. Kan zijn, maar dat is
natuurlijk geen reden. Kletskoek!"
„O. Maar… maar ik houd niets achter. Heus niet. Het kwam omdat
ik zo ongerust was. Ik luisterde iets af dat betrekking op
Jablonsky had en dacht…"
„Kom terzake," zei ik scherp.
„U weet dat er in de bibliotheek microfoons zijn aangebracht.
Ze zijn met draden en stekers…"
„Ik heb ervan gehoord," onderbrak ik geduldig. „Een schema is
niet nodig."
Ze kreeg een kleur.
„Neem me niet kwalijk," mompelde ze. „Ik was in het kantoor
naast de bibliotheek en zag de koptelefoons liggen. Waarom ik het
deed, weet ik niet, maar ik luisterde." Het denkbeeld dat de
bedrieger bedrogen werd, maakte me even aan het lachen. „Vyland en
Royale waren in de bibliotheek. Ze spraken over Jablonsky."
Mijn glimlach verdween.
„Toen hij vanmorgen naar Marble Springs ging," vervolgde ze,
„lieten ze hem schaduwen. Hij schijnt naar een ijzerwarenwinkel
gegaan te zijn. Ze wisten niet waarom." Ik had het haar wel kunnen
vertellen: om een touw te kopen, duplicaatsleutels te laten maken
en op te bellen. „Toen hij na een half uur nog niet naar buiten
kwam, ging de man die hem schaduwde ook de winkel in. Jablonsky
verscheen ten slotte weer, maar die man niet. Die was verdwenen."
Er speelde een flauw glimlachje om haar lippen. „Jablonsky moet
zich even met hem bezig gehouden hebben."
Zelf glimlachte ik totaal niet.
„Hoe wisten ze dat? Die bewuste man was toch verdwenen?"
„Ze schaduwden Jablonsky met zijn drieën. De andere twee heeft
hij blijkbaar niet opgemerkt."
„En verder?"
„Jablonsky ging naar het postkantoor. Ik zag hem zelf naar
binnen gaan. Papa en ik waren namelijk op weg naar de politie. Ik
moest daar vertellen dat u me ergens had afgezet en ik naar huis
was gelift. Het schijnt dat Jablonsky een telegramformulier invulde
en het telegram verzond. Een van Vylands mensen wachtte tot hij het
postkantoor weer had verlaten, scheurde het bovenste velletje van
het formu- lierblok - het formulier dus onder dat wat door
Jablonsky werd beschreven - en nam het mee naar huis. Ik hoorde dat
Vyland er met poeder en lampen mee bezig was geweest."Zelfs
Jablonsky had een fout kunnen maken, maar in zijn plaats had ik het
waarschijnlijk ook gedaan. Ook ik had aangenomen dat ik door één
man werd geschaduwd en die lastige vlieg was kwijtgeraakt. Vyland
bleek zeer handig te zijn. Misschien te handig voor mij.
„Hoorde je nog meer?"
„Niet veel. Uit het gesprek maakte ik op dat ze te weten waren
gekomen wat Jablonsky in zijn telegram had geschreven, maar dat ze
er niets van begrepen. Vermoedelijk gebruikte hij een code." Ze
zweeg even, streek vlug met haar tong langs haar lippen en zei
daarna ernstig: „Maar het adres was natuurlijk niet in code."
„Dat spreekt vanzelf." Ik liep naar haar toe, keek op haar
neer en kende het antwoord op mijn volgende vraag al. „En hoe
luidde dat adres?"
„De Heer J.C. Curtin, Federale Recherche. En… en daarom had ik
Jablonsky zo graag willen spreken. Ik moest hem waarschuwen. Meer
hoorde ik niet. Er liep namelijk iemand in de gang en door een
zijdeur sloop ik het kantoor uit. Ik geloof dat hij in gevaar
verkeert, mijnheer Talbot, in groot gevaar zelfs."
Een kwartier lang had ik erover zitten piekeren hoe ik het
haar zou kunnen vertellen, maar nu gaf ik het op.
„Je bent te laat." Het was niet mijn bedoeling het koud en
hard te zeggen, maar toch klonk het zo. „Jablonsky is dood. Ze
hebben hem vermoord."
Om acht uur in de morgen kwamen ze - Royale en Valentino. Op
mijn jas na was ik helemaal gekleed en met één handboei aan het
hoofdeinde van het bed geklonken. Na alle deuren gesloten te
hebben, had ik het sleuteltje van de boeien en de drie
duplicaatsleutels weggegooid. Er bestond geen enkele reden dat ze
me zouden fouilleren en meer dan ooit hoopte ik dat het ook
inderdaad niet ging gebeuren.
Nadat Mary me met een betraand gezicht verlaten en beloofd had
met niemand over ons onderhoud te spreken, zelfs niet met haar
vader, kreeg ik nog tijd genoeg om na te denken. Tot dusver hadden
mijn gedachten zich in een kringetje bewogen. Bepaald licht zag ik
vrijwel niet meer en juist toen ik geestelijk volkomen in het
duister begon te tasten, werd ik als het ware voor het eerst sinds
mijn verblijf in dit huis gezegend met de haast verblindende vlam
van de intuïtie of het nuchter verstand. Ik zat er nog een half uur
over te piekeren, schreef daarna een lange boodschap op een dun
velletje papier, vouwde het in de breedte en de lengte op,
verzegelde het met pleister en adresseerde het aan het huisadres
van rechter Mollison. In mijn nek drukte ik het briefje tegen mijn
das en sloeg er de boord overheen zodat het onzichtbaar was
geworden. Toen Royale en Valentino eindelijk verschenen, lag ik nog
geen uur op bed en had geen oog dicht kunnen doen. Wel deed ik
alsof ik sliep. Iemand schudde me ruw bij de schouder. Ik negeerde
het. Het schudden werd herhaald en heel even bewoog ik me. De
methode scheen als nutteloos beschouwd te worden en de rug van een
hand striemde over mijn gezicht - niet zacht. Het was genoeg. Ik
kreunde, knipperde pijnlijk met mijn ogen, ging overeind zitten en
wreef met mijn vrije hand langs mijn voorhoofd.
„Sta op, Talbot."
Behalve de fraai gekleurde miniatuur zonsondergang op de
linkerhelft van zijn gezicht zag Royale er even uitgestreken en
kalm uit als altijd. Hij scheen volkomen uitgerust te zijn. Ken
moord meer of minder hield deze man niet lang uit zijn slaap. Tot
mijn genoegen constateerde ik dat de arm van Valentino nog steeds
in het driehoeksverband hing. Het maakte mijn taak hem in een
ex-lijfwacht te veranderen er des te gemakkelijker door.
„Sta op," herhaalde Royale. „Waarom maar één handboei?"„Wat?"
Ik schudde mijn hoofd en deed of ik erg duizelig was. „Wat heb ik
gisteravond in godsnaam gegeten?" „Gegeten?" Royale glimlachte
vaag. „Jij en je cipier hebben een fles whisky soldaat gemaakt. Dat
heb je gegeten."
Ik knikte langzaam. Royale bevond zich op veilig terrein zover
hij dat terrein tenminste kende. Als ze me verdoofd hadden, zou ik
me nauwelijks nog kunnen herinneren wat er gebeurd was vlak voordat
ik van de kaart ging. Ik fronste de wenkbrauwen en duidde op de
handboei.
„Mag dat vervelende ding los?"
„Waarom maar één handboei?" vroeg Royale opnieuw.
„Is het belangrijk: één handboei of twintig?" merkte ik
ongeduldig op. „Ik kan het me niet meer herinneren. Ik geloof dat
Jablonsky me in grote haast op bed plofte en maar één boei kon
vinden. Misschien voelde hij zich ook niet zo best."
Met beide handen wreef ik hard over mijn gezicht alsof ik weer
geheel bij mijn positieven wilde komen. Tussen mijn vingers door
zag ik dat Royale heel even begrijpend knikte. Ik had het gewonnen.
Royale wist dat Jablonsky iets dergelijks gedaan kon hebben.
Jablonsky had zich niet lekker voelen worden en me aan het bed
geklonken voordat hij van de kaart ging. De handboei werd geopend.
We liepen door Jablonsky's kamer en vlug gluurde ik naar de tafel.
De whiskyfles stond er nog. Leeg. Royale - of Vyland - vergat
weinig. We gingen de gang door. Royale voorop en Valentino in de
achterhoede. Plotseling hield ik mijn pas wat in. Valentino duwde
zijn revolver in mijn rug. Hij was geen man om ooit iets zachtjes
te doen, maar volgens zijn maatstaven deed hij het nu toch heus
niet zo hard. Mijn uitroep van pijn in aanmerking genomen zou hij
het tienmaal harder gedaan kunnen hebben. Ik bleef staan, Valentino
botste tegen me aan en Royale draaide zich om. Weer gaf hij een
staaltje van zijn goochelkunst weg en voordat ik het besefte lag de
kleine revolver in zijn hand. „Wat is er?" vroeg hij koud.
Zijn stem verhief zich geen moment. Ik hoopte de dag
nog eens te beleven dat ik werkelijke angst in die stem zou
horen.
„Wat er is?" zei ik strak. „Houd je afgerichte baviaan uit
mijn buurt, Royale, of hij zal ervan lusten. Revolver of geen
revolver."
„Laat hem met rust, Gunther," zei Royale rustig.
„Ik raakte hem nauwelijks aan." Door het aapachtig voorhoofd,
de gebroken neus, de pokputten en littekens bood het gezicht van
Valentino weinig plaats voor wisselende uitdrukkingen, maar wat er
nog aan ruimte over was, gaf verbazing te kennen zó onrechtvaardig
behandeld te zijn. „Ik gaf hem een klein duwtje en…"
„Natuurlijk." Royale liep alweer verder. „Ik wil alleen maar
dat je hem met rust laat."
Royale bereikte de trap. Toen hij zich op ongeveer de zesde
tree van boven bevond, kwam ik ook bij de trap, bleef voor de
tweede keer onverwacht staan en opnieuw botste Valentino tegen me
aan. Ik draaide me om en sloeg met de zijkant van mijn hand tegen
de pols van Valentino's hand met de revolver. Het wapen viel op de
grond. Valentino nam een duik om de revolver op te rapen en
schreeuwde van pijn toen ik met de hak van mijn rechterschoen zo
hard mogelijk op zijn vingers trapte. Ik hoorde geen beentjes
breken, maar zoiets drastisch was ook niet nodig - met Valentino's
beide handen voorlopig buiten dienst zou Mary Ruthven een andere
lijfwacht nodig hebben. Ik bukte niet om de revolver te pakken. Ik
bewoog me evenmin. Ik hoorde Royale langzaam de trap weer
opkomen.
„Weg van die revolver," beval hij. „Alle twee."
We gehoorzaamden. Royale raapte de revolver op, ging opzij en
beduidde me met een handbeweging dat ik voor moest gaan. Wat hij
precies dacht, wist ik niet. Aan de uitdrukking op zijn gezicht te
oordelen kon hij een blaadje van een boom hebben zien vallen. Hij
zei niets meer en nam niet eens de moeite naar Valentino's hand te
kijken.De generaal, Vyland en Larry wachtten in de bibliotheek.
Zoals gewoonlijk viel er door de baard en snor weinig op het
gezicht van de generaal te lezen, maar zijn ogen waren lichtelijk
met bloed belopen en hij leek grijzer dan zesendertig uur geleden.
Misschien verbeeldde ik het me slechts. Ik zag alles namelijk zeer
somber in die morgen. Vyland maakte weer een beschaafde en
welgemanierde indruk. Om zijn mond speelde een glimlach. Hij had
zich net geschoren en droeg een uitstekend gemaakt donkergrijs pak,
wit overhemd en een rode das. Hij was een plaatje. Larry was alleen
maar Larry: bleek gezicht en starende ogen. Hij liep achter het
bureau langzaam heen en weer. Toch scheen hij niet zo beverig als
anders te zijn. Ook hij glimlachte. Ik nam aan dat hij goed
ontbeten moest hebben - een ontbijt hoofdzakelijk bestaande uit
heroïne.
„Goedemorgen, Talbot," zei Vyland. De werkelijk grote
misdadigers van tegenwoordig vinden het even gemakkelijk om beleefd
te zijn als om te snauwen en je een klap op het hoofd te geven.
Bovendien krijgen ze er meer voor terug. „Wat was dat voor lawaai,
Royale?"
„Gunther". Onverschillig knikte Royale in de richting van
Valentino die juist was binnengekomen. Hij hield zijn linkerhand
onder zijn buiten gevecht gestelde rechterarm geklemd en kreunde
van pijn. „Hij plaagde Talbot een beetje en Talbot vond het niet
leuk."
„Ga ergens anders kreunen," zei Vyland koel. „Voel je je wat
prikkelbaar vanmorgen, Talbot?"
Niemand gaf zich nog moeite om te doen voorkomen dat de
generaal de baas was of dat hij in zijn eigen huis nog iets te
vertellen had. Hij hield zich op de achtergrond - afwezig, waardig
en tragisch in zeker opzicht. Misschien echter bestond de tragedie
alleen in mijn verbeelding. Misschien beoordeelde ik de generaal
verkeerd. Heel verkeerd zelfs. Fataal verkeerd.
„Waar is Jablonsky?" vroeg ik.
„Jablonsky?" Traag trok Vyland een wenkbrauw op. „Wat betekent
Jablonsky voor jou, Talbot?"
„Mijn cipier. Waar hangt hij uit?"
„Je schijnt dat graag te willen weten, Talbot." Hij keek me
strak en onderzoekend aan. Het beviel me helemaal niet. „Ik heb je
al eens eerder gezien, Talbot. De generaal trouwens ook. Kon ik me
maar herinneren aan wie je me doet denken."
„Donald Duck." Het was gevaarlijk terrein. „Waar is
Jablonsky?"
„Weg - met zijn zeventigduizend dollar."
„Waarheen?"
„Je begint vervelend te worden, vriend." Ongeduldig knipte hij
met de vingers. „Larry, geef me de telegrammen."
Larry nam wat papieren van het bureau, gaf ze aan Vyland,
grijnsde naar me op de manier van een wolf en begon weer te
ijsberen.
„De generaal en ik zijn zeer voorzichtig, Talbot," vervolgde
Vyland. „Noem het maar gerust zeer wantrouwend. Het komt op
hetzelfde neer. We hebben je gecontroleerd. In Engeland, Nederland
en Venezuela." Hij wuifde met de telegrammen. „Deze hebben we
vanmorgen ontvangen. Inderdaad schijn je een van de beste
duikexperts van Europa te zijn. We kunnen dus verder met je gaan en
hebben Jablonsky daarom niet meer nodig. We gaven hem zijn cheque
en namen afscheid van elkaar. Hij wil een reisje naar Europa
maken."
Rustig, overtuigend en ernstig pratend had Vyland zich voorbij
Petrus kunnen kletsen. Ik keek zoals een overtuigd wordende Petrus
gekeken zou hebben, maar wat ik er daarna uitkraamde, had Petrus er
nooit uitgekraamd.
„Die ploert van een verrader I" eindigde ik ten slotte
woedend.„Jawel, Jablonsky! Dat ik mijn tijd verknoeide om naar die
smeerlap te luisteren. Hij beloofde me…"
„Wat beloofde hij je?" vroeg Vyland zacht.
„Schei maar uit," bromde ik. „Hij nam aan dat ik tot aan mijn
nek in de soep zat en was er tevens van overtuigd dat zijn ontslag
bij de politie doorgestoken kaart moest zijn. Hij kon het bewijzen,
zei hij, als hij kans kreeg om bepaalde politiemensen aan de tand
te voelen en bepaalde dossiers door te kijken." Ik vloekte. „En dat
ik geloofde dat…"
„Je dwaalt af, Talbot," onderbrak Vyland op scherpe toon. „Ga
verder."
„We zouden elkaar helpen. Hij herinnerde zich een code en
verzond een telegram naar een of andere instantie. In ruil voor
inzage van die bepaalde dossiers bood hij belangrijke informaties
aan over generaal Ruthven. En ik was gek genoeg om te denken dat
hij het meende."
„Herinner je je toevallig de naam van de man aan wie dat
telegram was geadresseerd?"
„Nee. Dat ben ik vergeten."
„Probeer het je toch maar te herinneren, Talbot. Je zou er
iets voor kunnen terugkrijgen - je leven."
Ik keek hem onbewogen aan en staarde dan naar de vloer.
„Catin," zei ik eindelijk zonder op te kijken, „Cartin, Cur-
tin - ja, zo was het. Curtin. J.C. Curtin."
„En hij bood alleen aan om inlichtingen te verstrekken als
zijn voorwaarden werden aangenomen?"
„Precies."
„Dan heb je je eigen leven gekocht, Talbot."
Zeker, ik had mijn eigen leven gekocht. Vyland vermeldde
echter niet hoelang ik plezier van die koop zou hebben.
Vierentwintig uur misschien, als het niet minder was. Het hing er
helemaal van af hoe het met dat karwei zou gaan. Ik maakte me er
geen zorgen om. De voldoening om op Valentino's hand getrapt te
kunnen hebben, zonk in het niet bij de
triomf van dit ogenblik. Ze hadden mijn verhaal volkomen
geslikt! Onder de omstandigheden en als de kaarten goed gedeeld
lagen, moesten ze het ook wel geslikt hebben. En die kaarten had ik
inderdaad goed gedeeld. Daar ze niet precies wisten wat me bekend
was, namen ze aan dat ik het verhaal onmogelijk verzonnen kon
hebben. Ze konden niet weten dat ik afwist van de dood van
Jablonsky, dat ik wist dat ze hem geschaduwd en het adres van het
telegram ontcijferd hadden. Ze konden niet weten dat ik de vorige
avond in de moestuin was geweest, Mary het gesprek in de
bibliotheek afluisterde en we met elkaar gesproken hadden. Als ze
ook maar even verondersteld zouden hebben dat ik een vriend van
Jablonsky was geweest, hadden ze me op staande voet neergeschoten.
Nu zouden ze dat voorlopig niet doen. Lang zou het niet duren, maar
misschien net lang genoeg.
Ik zag Royale en Vyland een snelle blik wisselen. Bijna
onmerkbaar haalde Vyland de schouders op. Beiden waren harde kerels
- hard, koud, meedogenloos, berekenend en gevaarlijk. De laatste
twaalf uur moesten ze met de mogelijkheid rekening gehouden hebben
dat ze elk ogenblik de federale recherche konden verwachten, maar
van enige ongerustheid of spanning lieten ze niets blijken. Ik
vroeg me af hoe hun reacties geweest zouden zijn als ze hadden
geweten dat die federale recherche al drie maanden geleden
klaarstond. De tijd was toen nog niet rijp geweest. Nu ook nog
niet.
„Is verder uitstel nog noodzakelijk, heren?" De generaal leek
rustig, maar dat hij in spanning verkeerde, ontging me niet. „Laten
we opschieten. Het weer wordt slechter en er is voor een orkaan
gewaarschuwd. We moeten maar zo gauw
mogelijk weggaan."
Het weer werd niet slechter - het was het al. De wind kreunde
niet meer, maar huilde door de zwaaiende eiken en werd begeleid
door bij tussenpozen optredende stortbuien. Lang duurden ze niet,
maar ze waren van ongekende hevigheid. De wolken joegen laag langs
de hemel en werden hoe langer hoe dikker. In de hal had ik even op
de barometer gekeken. Hij was aan het zakken en voorspelde niet
veel goeds. Ik wist niet of het centrum van de orkaan ons zou
treffen of voorbijgaan, maar bevonden we ons op zijn weg, dan
hadden we het in minder dan twaalf uur te verwachten. Veel minder
waarschijnlijk.
„We waren het net van plan, generaal," zei Vyland. „Alles is
klaar en Petersen wacht in de baai." Petersen zou vermoedelijk de
piloot van de helikopter zijn. „Hij zal twee reizen moeten maken en
over een uur ongeveer kunnen we allemaal op de boortoren zijn en
kan Talbot aan het werk."
„Allemaal?" vroeg de generaal. „Wie?"
„Ik, u, Royale, Talbot, Larry en natuurlijk uw dochter."
„Mary? Is dat noodzakelijk?"
Vyland zei niets. Hij haalde niet eens een wenkbrauw op, maar
keek de generaal strak aan. Het nam vijf seconden in beslag. Dan
openden de vuisten van de generaal zich. Zijn schouders zakten iets
naar voren.
In de gang klonken de lichte voetstappen van een vrouw en vlak
daarop kwam Mary Ruthven door de openstaande deur de bibliotheek
binnen. Ze droeg een citroenkleurige deux- pièces en daaronder een
groene blouse met open kraag. Onder haar ogen lagen kringen. Ze zag
er bleek en vermoeid uit, maar ik vond haar geweldig. Kennedy
volgde haar, maar bleef met de pet in de hand in de gang staan. Een
rapsodie in kastanjebruin met glimmende laarzen en het onbewogen
gezicht van de volmaakt afgerichte particulier- chauffeur die nooit
iets hoort of ziet. Doelloos bewoog ik me in de richting van de
deur en wachtte tot Mary zou doen wat ik haar minder dan twee uur
geleden en voordat ze terugging naar haar eigen kamer had
gezegd.
„Ik ga met Kennedy naar Marble Springs, vader," viel ze met de
deur in huis.
„Maar… eh… we gaan naar de boortoren, liefje." De generaal
leek zich niet op zijn gemak te voelen. „Gisteravond zei je…"
„Ik ga mee," onderbrak ze hem ongeduldig, „maar we kunnen niet
allemaal tegelijk, is het wel? Ik kom met de tweede ploeg. Meer dan
twintig minuten heb ik niet nodig. Kan het, mijnheer Vyland?"
voegde ze er liefjes aan toe.
„Het zit nogal moeilijk, juffrouw Ruthven," antwoordde Vyland
hoffelijk. „De kwestie is dat Gunther gewond is…" „Mooi!"
Vyland trok zijn wenkbrauw weer op.
„Voor u is dat zo mooi niet, Juffrouw Ruthven. U weet hoe
graag uw vader u beschermd weet als…"
„Dat wist Kennedy altijd zeer naar behoren te doen," zei ze
koud, „en hij kan het nog steeds. En ik zal u eens wat zeggen. Ik
ga niet met u, Royale en dat… dat wezen daar" - niemand twijfelde
eraan dat ze Larry bedoelde - „naar de boortoren tenzij Kennedy me
vergezelt. Verder praat ik er niet over. Bovendien moet ik absoluut
even naar Marble Springs. Nu meteen."
Ik vroeg me af wanneer iemand voor het laatst op die manier
tegen Vyland gesproken zou hebben, maar in het vernisje beschaving
kwam zelfs geen barst.
„Waarom moet u dat, juffrouw Ruthven?"
„Er zijn vragen," zei ze ijzig, „die een heer nooit
stelt."
Dat vloerde hem. Hij begreep niet wat ze precies bedoelde,
evenmin als ik het begrepen zou hebben, maar de nettowinst was dat
hij niets meer wist te zeggen. Alle ogen in de bibliotheek waren op
Vyland en Mary gericht, behalve mijn ogen. Die keken namelijk strak
naar Kennedy en Kennedy keek naar mij. Met mijn rug naar het
gezelschap stond ik nu vlakbij de deur. Het had me weinig moeite
gekost om ongemerkt het briefje onder mijn boord vandaan te
trekken. Ik hield het tegen mijn borst zodat Kennedy de naam van
rechterMollison kon lezen. Zijn gezicht bleef onbewogen en er zou
een micrometer voor nodig geweest zijn om zijn knikje te
registreren. Het was Royale die een einde aan de spanning maakte en
Vyland aan een uitweg hielp. „Ik zou wel zin in wat frisse lucht
hebben, mijnheer Vyland. Zal ik dus maar met die twee naar Marble
Springs rijden?"
Als een torpedo uit zijn buis schoot ik over de drempel en
kreeg de uitgestrekte arm van Kennedy te pakken. We smakten samen
tegen de grond en rolden over elkaar heen de gang door. In twee
seconden had ik het briefje in zijn tuniek gestopt en we waren
elkaar nog steeds op niet al te pijnlijke wijze aan het aftuigen
toen we de onmiskenbare klik van een veiligheidspal
hoorden. „„Los!"
We lieten elkaar los en bedreigd door Royale's revolver
krabbelde ik overeind. Op de achtergrond zwaaide Larry ook met een
revolver. Als ik Vyland was geweest, zou ik hem zelfs geen catapult
toevertrouwd hebben.
„Goed werk, Kennedy," zei Vyland op warme toon. „Ik zal dit
niet vergeten."
„Dank u," zei Kennedy stug. „Ik houd niet van
moordenaars."
„Ik ook niet," sprak Vyland goedkeurend. Hij had ze zelf
alleen in dienst om ze te kunnen rehabiliteren. „Eh… goed dan,
juffrouw Ruthven. Mijnheer Royale gaat mee. Haast u echter zoveel
mogelijk."
Zonder nog iets tegen hem te zeggen, zonder mij ook maar een
ogenblik aan te kijken, liep ze ons vlug voorbij. Met het hoofd
omhoog. Ik vond haar nog steeds geweldig.