Hoofdstuk 7


In mijn kamer in het huis van de generaal wachtte niemand op me. Met de duplicaatsleutel die Jablonsky me had gegeven, opende ik vrijwel geruisloos de deur en ging naar binnen. Niemand schoot mijn hoofd van mijn romp. De kamer was leeg. De zware gordijnen waren nog steeds voor de ramen geschoven, maar ik draaide niet het licht aan. Er was kans dat ze niet wisten dat ik het huis die nacht verlaten had, maar als iemand licht in de kamer van een met handboeien aan het bed geklonken man zag, zou de zaak onderzocht worden. Alleen Jablonsky had dat licht namelijk kunnen aandraaien en Jablonsky was dood.Met mijn staaflampje zo dun als een potlood controleerde ik elke vierkante centimeter van de vloer en de muren. Ik miste niets en niets leek veranderd. Als er iemand geweest was, had hij van zijn bezoek geen sporen achtergelaten. Maar als er iemand geweest was, zou ik ook niet verwacht hebben dat hij sporen achterliet. Bij de deur naar de kamer van Jablonsky stond tegen de muur een elektrische kachel. Ik draaide hem op heet, kleedde me uit, wreef me droog met een handdoek en hing broek en jasje over de leuning van een stoel om ze te laten drogen. Ik deed het ondergoed en de sokken aan die ik van Kennedy had geleend, stopte mijn eigen doorweekt ondergoed en kletsnatte sokken in mijn modder- schoenen, schoof de gordijnen en het raam open en wierp de schoenen zo ver ik kon in de struiken aan de achterkant van het huis waar ik voor het beklimmen van de brandladder ook mijn oliegoed en overjas had verstopt. Ik luisterde gespannen, maar hoorde de schoenen niet op de grond terecht komen. Ik wist zo goed als zeker dat iemand anders het ook niet gehoord zou hebben. Het gekreun van de wind en het geruis van de stromende regen overstemden elk ander geluid. Ik nam de sleutels uit de zak van mijn reeds dampend jasje en liep naar de deur van Jablonsky's kamer. Misschien wachtte daar het ontvangstcomité op me. Een prettige gedachte was het helemaal niet.Er was geen ontvangstcomité. De kamer was even leeg als die van mij. Ik liep naar de deur naar de gang en draaide aan de knop. De deur bleek op slot te zijn. Zoals ik verwacht had, was het bed beslapen geweest. De lakens en dekens waren teruggetrokken en lagen half op de vloer. Ik zag geen sporen van een gevecht, geen tekenen van geweld tot ik het kussen omkeerde. Dat kussen was met bloed besmeurd, maar het zou erger geweest zijn als de dood niet onmiddellijk was ingetreden. De kogel moest dwars door Jablonsky's schedel gegaan zijn. Van zo'n kleine.22 was dat eigenlijk niet te verwachten, maar mijnheer Royale beschikte over bijzondere ammunitie. Ik vond de kogel in het dons van het kussen. Een legering van nikkel en koper. Vreemd, dat iemand als Royale zo zorgeloos met die kogel was omgesprongen. Het leek me niets voor hem. Ik was van plan heel goed op die kogel te passen. Ik zou hem bewaken als de Cullinandiamant. In een la vond ik wat pleister. Ik trok een sok uit en kleefde met het pleister de kogel onder de tweede en derde teen waar ik er met lopen geen last van zou hebben. Daar was de kogel veilig. Zelfs bij het meest zorgvuldig fouilleren zou hij niet ontdekt worden. Houdini had jaren en jaren kleine instrumentjes onder zijn voetzolen bevestigd gehad en niemand dacht er ooit aan daar te kijken. Op mijn knieën zocht ik met mijn staaflampje het kleed af. Ik zag twee evenwijdig lopende groeven op het niet meer zo beste tapijt: het waren de sporen van Jablonsky's hakken toen hij uit de kamer gesleept werd. Ik stond op, onderzocht opnieuw het bed, nam een kussen van een leunstoel en bekeek het nauwkeurig. Ik zag er niets bijzonders aan, maar in de geur die ik opsnoof kon ik me niet vergissen. De scherpe lucht van verbrand kruit blijft in weefsels namelijk dagenlang hangen. Ik begaf me naar het tafeltje in een hoek van de kamer, schonk drie vingers whisky in een glas en ging na wat er gebeurd kon zijn. Ik begreep het niet. Er klopte niets van. Hoe waren Royale en de man die bij hem was geweest - iemand alleen had de zware Jablonsky niet kunnen versjouwen - de kamer binnengekomen? Jablonsky had zich in het huis even veilig gevoeld als een verdwaald lammetje tussen een troep uitgehongerde wolven en dus zeker de deur op slot gedaan. Iemand anders had natuurlijk ook een sleutel kunnen hebben, maar Jablonsky liet zijn sleutel altijd zó in het slot zitten dat hij er aan de andere kant niet uitgeduwd kon worden. Tenzij het met geweld gebeurde en dat zou Jablonsky onherroepelijk wakker gemaakt hebben. Verder was er nog iets eigenaardigs. Jablonsky werd op bed en in zijn slaap vermoord. Jablonsky bezat een pyjama en sliep er altijd in, maar toen ik zijn lichaam in de moestuin vond, was het volledig gekleed geweest. Waarom hadden ze hem aangekleed? Het leek geen zin te hebben en vooral niet waar het een man van over de tweehonderd pond betrof. En waarom was er geen geluiddemper op de revolver geweest? Ik wist zeker dat er geen gebruikt werd, want door het druk absorberend vermogen van een geluiddemper zou zelfs zo'n speciale kogel niet dwars door een schedel hebben kunnen gaan en bovendien werd er een kussen aangewend om de knal van het schot te smoren. In zeker opzicht was het wel te verklaren. De kamers bevonden zich in een afgelegen vleugel van het huis en met behulp van het kussen en op de achtergrond het lawaai van een toenemende storm bestond er kans genoeg dat het schot ergens anders in het huis niet gehoord zou kunnen worden. Maar het feit bleef bestaan dat ik me in de aangrenzende kamer bevond en het schot wél had kunnen horen, tenzij ik doof of dood was en zover Royale had geweten, sliep ik. Ik nam tenminste aan dat hij dat verondersteld had. Of was het Royale bekend geweest dat ik me niet meer in die kamer bevond? Was hij komen kijken? Had hij ontdekt dat ik verdwenen was, geconcludeerd dat Jablonsky me liet ontvluchten en hem daarom vermoord? Het klopte met de feiten, maar niet met de glimlach op het gezicht van de dode man.
Ik ging naar mijn eigen kamer, verhing de kleren op de stoel voor de elektrische kachel en liep daarna weer terug naar Jablonsky's kamer. Ik pakte mijn glas op en keek naar de whiskyfles. Hij was nog voor driekwart gevuld. Het zei me niets. Een kwart fles whisky zou de waakzaamheid van Jablonsky niet verslapt hebben. Ik had hem wel eens een hele liter rum soldaat zien maken - Jablonsky was geen whiskyliefhebber geweest - en met als enig effect dat hij nog breder glimlachte dan gewoonlijk.
Jablonsky zou nooit meer glimlachen.
Alleen in het bijna donker - ik zag alleen de gloed van de elektrische kachel in de ander kamer - hief ik mijn glas op. Een toast, een afscheidsdronk? Ik wist het niet precies. In ieder geval voor Jablonsky ! Ik nam een teug, liet de whisky over mijn tong rollen om beter van het volle boeket en de smaak van de oude Schotse drank te kunnen genieten en bleef dan ineens drie seconden lang onbeweeglijk zitten. Dan zette ik het glas neer, stond op, liep naar de wasbak, spoog de whisky uit en spoelde zorgvuldig mijn mond. Het was Vyland die voor de whisky had gezorgd. Nadat Jablonsky me de vorige avond had laten opdraven, gaf Vyland hem een dichte en verzegelde fles whisky en glazen mee. Toen we weer boven waren, had Jablonsky twee glazen ingeschonken. Ik was net van plan geweest om te drinken toen ik me opeens herinnerde dat het niet verstandig zou zijn om alcohol te gebruiken als je vlak daarop diep onder water zuurstof moest inademen. Jablonsky had zich over beide glazen ontfermd en na mijn vertrek vermoedelijk nog wel een paar whisky's genomen. Royale en zijn vrienden hadden de deur niet met bijlen behoeven in te slaan, want ze beschikten naar alle waarschijnlijkheid over een sleutel, maar zelfs al waren er bijlen gebruikt dan zou Jablonsky het nog niet gehoord hebben. Er bevond zich genoeg slaapmiddel in die whisky om een olifant uit te tellen. Jablonsky was misschien nog net in staat geweest om naar zijn bed te strompelen en had daarna het bewustzijn verloren. Ik wist dat het onzinnig was, maar verweet me bitter niet van de drank gedronken te hebben. Ik geloof dat ik het meteen gemerkt had. Jablonsky echter dronk nooit whisky en misschien dacht hij dat oude Schotse altijd zo smaakte. Royale vond natuurlijk resten whisky in de twee glazen en had aangenomen dat ik evenals Jablonsky volkomen van de kaart moest zijn. Het lag echter niet in hun bedoeling mij ook te doden. Ik begreep het nu. Ik begreep nu alles, maar had nog niet het antwoord op de belangrijke vraag waarom ze Jablonsky hadden vermoord. Ik kon er zelfs niet naar raden. En verder: zouden ze gecontroleerd hebben of ik op bed lag? Ik dacht het niet, maar zou er niet graag mijn schoenveters om verwed hebben.
Lang, misschien wel een paar uur, zat ik in de donkere kamer over deze problemen na te denken en in die tijd waren mijn kleren zo goed als droog geworden. Mijn broekspijpen waren gekreukeld als de poten van een olifant, maar niemand kon een scherpe vouw in de broek van een man verwachten die in zijn kleren had moeten slapen. Ik kleedde me aan, op jas en das na, opende het raam en was net van plan om de duplicaatsleutels en het sleuteltje van de handboeien in de struiken te smijten toen er heel zacht op de deur van Jablonsky's kamer werd geklopt. Ik sprong op en bleef dan roerloos staan. Eigenlijk had ik koortsachtig moeten nadenken, maar na al het gepieker van de laatste twee uren kon ik dat niet eens meer. Ik bleef alleen maar als een zoutpilaar staan. Tien seconden lang vocht ik tegen de impuls om weg te hollen, maar waar moest ik heen hollen? Het was Royale - de rustige, stille man met de kleine revolver. Het was Royale en met die revolver in de hand wachtte hij aan de andere kant van de deur. Hij wist dat ik weg was gegaan. Hij had het gecontroleerd. Hij rekende op mijn terugkomst omdat het hem bekend was dat Jablonsky en ik onder één hoedje speelden en ik zou niet al die moeite gedaan hebben om in het huis te komen om bij de eerste de beste gelegenheid weer voor goed uit te knijpen. Hij nam aan dat ik nu wel terug zou zijn. Misschien had hij me zelfs wel gezien. Maar waarom dan zo lang gewacht? Ook hier wist ik het antwoord op. Hij veronderstelde dat ik bij mijn terugkomst Jablonsky in de kamer verwacht zou hebben. Nu dit niet het geval bleek te zijn zou ik natuurlijk denken dat Jablonsky op eigen houtje aan het avonturieren was en omdat mijn sleutel aan de binnenkant van de deur in het slot stak niet binnen zou kunnen komen. Hij zou dus kloppen. Heel zacht. Na twee uur op hem gewacht te hebben, zou ik in mijn ongerustheid meteen naar de deur gehold zijn om open te doen. En dan zou Royale me trakteren op een uit een legering van nikkel en koper bestaande kogel tussen de ogen. Het kon niet anders. Als ze namelijk wisten dat Jablonsky en ik samenwerkten, namen ze vanzelfsprekend ook aan dat ik nooit zou doen wat ze van me verlangden en in dat geval was ik voor hen verder van geen enkel nut meer. Een kogel tussen de ogen dus. Precies als Jablonsky was overkomen. Ineens moest ik weer aan hem denken, zag ik hem in die goedkope pakkist liggen en voelde ik me niet bang meer. Ik besefte weinig kans te hebben, maar had mijn angst overwonnen. Op mijn tenen sloop ik het vertrek door, klemde mijn hand om de hals van de whisky- fles, liep geruisloos mijn eigen kamer in en stak de sleutel in het slot van de deur naar de gang. Langzaam en behoedzaam draaide ik de sleutel om. Even een klik, maar tegelijkertijd klonk opnieuw het geklop: iets luider en meer dringend ditmaal. Gedekt door dit geluid opende ik de deur tot op een kier, hield de fles klaar om ermee te gooien en keek om de hoek van de deur. De gang werd vaag verlicht door een spaarbrander, maar het was genoeg om te kunnen zien dat de gestalte voor de deur geen revolver in de hand hield en niet Royale was, maar Mary Ruthven. Ik liet de whiskyfles weer zakken en stapte onhoorbaar terug in de kamer. Vijf seconden later stond ik bij de deur van Jablonsky's kamer en imiteerde zo goed mogelijk zijn diepe, wat hese stem. „Wie is daar?"
„Mary Ruthven. Laat me binnen. Vlug!" Ik liet haar binnen. En vlug. Evenmin als zij wenste ik dat ze in die gang gezien zou worden. Toen ze binnenkwam, bleef ik achter de deur staan en sloot deze voordat het vage licht in de gang haar kans gaf me te herkennen.
„Mijnheer Jablonsky." Haar stem was een snel, ademloos en angstig gefluister. „Ik moest en zou u even spreken. Ik dacht dat ik nooit zou kunnen wegkomen, maar Gunther viel in slaap en hij kan elk ogenblik weer wakker worden en als hij ontdekt dat ik…"
„Rustig!" Ik sprak zo zacht mogelijk omdat ik dan gemakkelijker de stem van Jablonsky kon imiteren. „Waarom wilde u me zo graag spreken?" „Omdat ik me tot niemand anders kon wenden. U bent geen moordenaar, geen misdadiger zelfs en wat ze van u vertellen, kan me niets schelen. U bent geen slecht mens." Ze was pienter genoeg en haar vrouwelijke intuïtie of wat het anders mocht zijn, deed haar de dingen beter zien dan Vyland
of de generaal. „U moet me helpen. We zitten in verschrikkelijke moeilijkheden." „We?"eigenlijk niet precies," ging ze dan verder. „Eerlijk niet. Misschien zit hij niet in moeilijkheden. Misschien werkt hij uit vrije wil samen met die vreselijke kerels. Ik zie hem zo weinig. Maar… maar het is niets voor hem. Misschien kan hij niet anders, omdat ze hem op de een of andere manier in hun macht hebben." Ze schudde het hoofd en heel even zag ik de glans van het blonde haar. „Hij is altijd zo goed, zo eerlijk en ronduit geweest en nu is…"
„Rustig!" herhaalde ik. Natuurlijk kon ik dit bedrog niet lang volhouden en als ze niet zo bang en in de war was geweest, zou ze het al gemerkt hebben. „Wat zijn de feiten?"
Ik had de elektrische kachel in mijn kamer laten branden en de tussendeur stond open. Het was een kwestie van tijd. Elk ogenblik zou ze genoeg van mijn gezicht kunnen zien om te weten dat ik niet Jablonsky was. Vooral mijn rood haar zou me kunnen verraden. Ik ging met mijn rug naar de gloed van de kachel staan.
„Ik weet niet goed hoe ik moet beginnen," zei ze. „Het is net of we al onze vrijheid kwijt zijn. Papa zeker. Niet dat hij zich niet vrij kan bewegen, een gevangene is hij niet, maar we kunnen zelf geen besluiten meer nemen. Of liever: papa neemt ze voor mij en iemand anders neemt ze voor hem. We mogen nooit alleen zijn. Papa zegt dat ik geen brieven mag schrijven tenzij hij ze kan lezen, niet mag opbellen en nergens heen mag behalve als die verschrikkelijke Gunther bij me is. Zelfs als ik naar vrienden ga, rechter Mollison bijvoorbeeld, blijft die vent vlak in de buurt. Papa zegt dat iemand kort geleden gedreigd heeft me te ontvoeren. Ik geloof er niets van, maar als het waar zou zijn, is Simon Kennedy, de chauffeur, een veel betere lijfwacht dan Gunther. Een privé- leven heb ik niet meer. Als ik op de boortoren ben, zou ik me weliswaar geen gevangene willen noemen, maar ik kan er niet af en in mijn kamer voel ik me ook niet vrij omdat Gunther altijd in…"Met de laatste woorden leek ze veel moeite te hebben. Ten slotte stierf haar stem weg en werd het vreemd stil. In haar opgewondenheid en verlangen om iemand toe te vertrouwen wat haar al die weken had gekweld, was ze dichter bij me komen staan. Haar ogen waren nu ook aan het donker gewend geraakt. Ze begon te beven. Haar rechterhand bewoog zich langzaam naar haar mond, de arm maakte schokkende bewegingen als de arm van een marionet, haar mond week open, de ogen werden hoe langer hoe wijder tot ik overal om de pupillen het wit zag. Dan haalde ze heel diep adem - het voorspel tot een schreeuw. Tot meer dan een voorspel kwam het niet. Voordat ze wist welke toonhoogte ze zou kiezen, had ik mijn hand al op haar mond en mijn arm rond haar schouders. Een paar seconden lang en met een kracht die me verbaasde - onder de omstandigheden misschien niet eens zo heel erg verbazingwekkend - vocht ze verbeten, maar dan viel ze slap als een vaatdoek tegen me aan. Ik had er niet van terug omdat ik er altijd van overtuigd was geweest dat moderne meisjes in momenten van hevige spanning heus niet meer bezwijmden. Maar misschien onderschatte ik de geduchte reputatie die ik voor mezelf had opgebouwd, misschien onderschatte ik het effect van de schok na haar nacht van zenuwachtige spanning met ten slotte het besluit om de laatste kans aan te grijpen. In ieder geval speelde ze geen komedie, maar was ze volkomen van de kaart. Ik droeg haar naar het bed. Om de een of andere duistere reden overviel me echter een gevoel van afkeer en kon ik het niet over mijn hart verkrijgen haar op het bed te leggen waar Jablonsky nog maar pas geleden was vermoord. Ik droeg haar dus naar het bed in mijn eigen kamer. Ik wist waarachtig wel iets af van het verlenen van de eerste hulp, maar letterlijk niets van het bijbrengen van jongedames uit een bezwijming. Ik kreeg het gevoel dat elk ingrijpen gevaarlijk zou kunnen zijn - een gevoel dat volkomen aansloot bij mijn onwetendheid op het gebied van bezwijmingen - en kwam daardoor tot de conclusie dat het beter was om maar helemaal niets te doen en te wachten tot ze vanzelf weer bijgekomen zou zijn. Om te voorkomen dat ze bij dat bijkomen het huis in rep en roer zou brengen, wilde ik het grote moment zelf meemaken, ging op de rand van het bed zitten en hield het licht van mijn lamp op haar gezicht gericht - onder de ogen om haar niet te verblinden. Ze droeg een gewatteerde blauwzijden ochtendjas over een blauwzij den pyjama. Ook haar muiltjes waren blauw. Zelfs het lint dat het glanzend haar voor de nacht bij elkaar moest houden, was van diezelfde kleur. Haar gezicht had op dat ogenblik de tint van oud ivoor. Het kon geen bijzonder knap gezicht genoemd worden. Was het dat wel geweest dan zou mijn hart vermoedelijk niet zo snel en onregelmatig zijn gaan kloppen. Voor het eerst gaf dat hart tekenen van leven - geen overdreven luxe na drie lange en lege jaren. Haar gezicht scheen te vervagen en weer ontwaarde ik de haard en de pantoffels die ik twee avonden terug ook had gezien. Wat tussen ons stond waren slechts tweehonderdvijfentachtig- miljoen dollar en het feit dat ik de enige man in de wereld was die haar van angst en afgrijzen deed bezwijmen.
Ze bewoog zich en opende de ogen. Ik besefte dat de bij Kennedy gevolgde methode - de mededeling dat zich een revolver achter de lamp bevond - in dit geval niet het juiste resultaat zou kunnen hebben. Daarom pakte ik een van de slap op de sprei liggende handen, boog me voorover en zei zacht en op bestraffende toon:
„Uilskuikentje, waarom deed je zoiets doms?"
Geluk en instinct hadden me de juiste weg doen kiezen. Haar ogen waren wijd opengesperd, maar staarden niet. De nog steeds aanwezige angst in die ogen was vermengd met een blik van niet begrijpen. Moordenaars van een bepaalde categorie houden je hand niet vast en spreken geen geruststellende woorden. Gifmengers wel. Knapen die iemand een mes in de rug steken – misschien! Maar geen moordenaars met een reputatie als die van mij.
„Je gaat toch niet proberen te schreeuwen, is het wel?" vroeg ik.
„Nee." Haar stem klonk schor. „Het spijt me dat ik zo dom…"
„Laat maar. Als je kan, moeten we eens even praten. Het is noodzakelijk en we hebben weinig tijd."
„Kan het licht niet aan?" verzocht ze smekend.
„Nee. Het schijnt door de gordijnen heen. We kunnen op het ogenblik geen visite gebruiken."
„Er zijn houten luiken," zei ze. „Voor elk raam in dit huis zijn houten luiken."
Arendsoog Talbot! Ik had een hele dag uit het raam liggen staren en geen luik gezien. Ik stond op, sloot de luiken en ook de tussendeur naar Jablonsky's kamer en draaide het licht aan. Ze zat op de rand van het bed en hield haar armen over elkaar geslagen alsof ze het koud had.
„Ik voel me pijnlijk getroffen," verklaarde ik. „Eén blik op Jablonsky en je weet, of denkt, dat hij geen misdadiger is. Maar hoe langer je naar mij kijkt hoe meer je ervan overtuigd raakt dat ik een moordenaar moet zijn." Ze wilde iets zeggen, maar ik hief mijn hand op. „Je hebt redenen genoeg, dat weet ik. Toch ben je fout." Ik trok een broekspijp op en liet haar een kastanjebruine sok zien en een eenvoudige zwarte schoen. „Herken je die?"
„Die zijn van Simon," fluisterde ze.
„Van je chauffeur." Dat Simon-gedoe liet me koud. „Twee uur geleden heeft hij ze me gegeven en uit eigen vrije wil. Ik had vijf minuten nodig om hem tot de overtuiging te brengen dat ik geen moordenaar ben en zou jij me die vijf minuten ook willen toestaan?"Ze knikte zonder iets te zeggen. Ik had er zelfs geen drie minuten voor nodig. Het feit dat Kennedy en ik het met elkaar eens waren geworden maakte de strijd al voor meer dan de helft gewonnen. Over het vinden van Jablonsky sprak ik niet. Het meisje was er voorlopig nog niet rijp voor.
„Dus je wist al die tijd alles van ons af?" vroeg ze ongelovig toen ik was uitgesproken. „Van papa en mij, van onze
moeilijkheden en…"
„We waren al maandenlang op de hoogte. Niet speciaal van jullie moeilijkheden, maar wel wisten we dat generaal Blair Ruthven in iets betrokken was waarin generaal Blair Ruthven nooit betrokken had mogen zijn. Vraag niet wie die 'we' zijn of wie ik ben, want ik vind het niet prettig om te weigeren vragen te beantwoorden hoewel het overigens voor je eigen bestwil is. Waar is je vader bang voor, Mary?"
„Ik… ik weet het niet. Ik weet dat hij bang voor Royale is, maar…"
„We zijn allemaal bang voor Royale. Ik wil wedden dat Vyland je vader heel wat verhaaltjes over Royale heeft verteld en alleen maar om hem goed in angst te laten zitten. Maar in de eerste plaats is hij toch bang om jou en die angst is gegroeid sinds hij tot de ontdekking kwam in welk gezelschap hij zich bevindt. Wat het werkelijk voor mensen zijn, bedoel ik. Vermoedelijk is hij er uit eigenbelang mee begonnen, niet wetende hoe hij zich in de nesten stak. Hoelang zijn je vader en Vyland al compagnons om het zo eens te noemen?"
Een ogenblik dacht ze na.
„Dat kan ik u precies vertellen," antwoordde ze dan. „Het begon toen we met ons jacht, de Temptress, op de West- indische eilanden met vakantie waren. Dat was in april. We hadden Kingston op Jamaica aangedaan en ineens kreeg papa bericht van de advocaat van mama dat ze wilde scheiden. Misschien heeft u het wel gelezen," vervolgde ze wat triest. „Het heeft in alle kranten gestaan en sommige schreven er
heel venijnig over."
„Je bedoelt dat de generaal beschouwd werd als de model burger van het land en zijn huwelijk als een model huwelijk?"
„Zoiets. In ieder geval vormden ze een prachtig doelwit voor de sensatiepers," zei ze bitter. „Ik weet niet wat mama plotseling bezielde. Het was altijd goed gegaan. Het bewijst dat kinderen eigenlijk nooit weten wat zich tussen de ouders afspeelt."
„Kinderen?"
„Ik sprak in het algemeen." Ze scheen doodmoe te zijn, ontmoedigd en verslagen. Zo zag ze er trouwens ook uit. Ze moest het wel zijn, want anders had ze met een vreemde nooit over dergelijke dingen willen praten. „Ik heb nog een zusje, Jean. Ze is tien jaar jonger dan ik. Papa is pas laat getrouwd. Jean is bij moeder. De advocaten zijn druk aan het werk, maar tot een wettelijke scheiding zal het niet komen." Ze glimlachte vaag. „U kent de Ruthvens niet, mijnheer Talbot. Bepaalde woorden komen in hun woordenboek niet voor en het woordje scheiding is er een van."
„Probeerde je vader nooit tot een verzoening te komen?"
„Hij heeft mama tweemaal ontmoet. Het had geen succes. Ze… ze wil mij zelfs niet meer zien. Ze ging ergens heen en alleen papa weet precies waar ze is. Als er geld is, kan zoiets gemakkelijk georganiseerd worden." Het aanroeren van geld deed haar het plotseling over een andere boeg gooien en ineens vond ik de tweehonderdvijfentachtigmiljoen in haar stem en de Mayflower op haar gezicht terug. „Ik zie niet helemaal in waarom u interesse voor deze familieaangelegenheden zou hebben, mijnheer Talbot."
„Ik ook niet," was ik het met haar eens. „Ik stel alleen belang in de samenwerking met Vyland. Dus op dat moment begon het?"„Zo ongeveer. Een week of twee later. Papa zat erg in de put en vermoedelijk toonde hij zich bereid om elk voorstel in overweging te nemen om zijn gedachten af te kunnen leiden." „En zijn vermogen om te oordelen lag natuurlijk beneden pari. Dat veroorloofde vriend Vyland zijn voet tussen de deur te steken. Van zijn keurige snor tot de manier waarop hij zijn lefdoekje schikt is Vyland de grote zakenman zoals iedereen zich die voorstelt. Hij heeft alle boeken over Wall Street gelezen en weet zijn weetje tot in de volmaaktheid. Royale verscheen zeker pas later op het toneel?"
Ze knikte zwijgend. Ze maakte de indruk elk ogenblik in tranen te kunnen uitbarsten. Ik kan niet tegen tranen, behalve als ik in tijdnood zit. En ik zat verschrikkelijk in tijdnood. Ik deed het licht uit, opende een van de luiken en keek naar buiten. Het waaide nog harder dan eerst, de regen sloeg tegen het raam en het water stroomde in kleine rivieren langs de ruit. Van veel meer belang was dat het in het oosten licht begon te worden. De dageraad meldde zich. Ik sloot het luik, draaide het licht weer aan en wendde me tot het meisje.
„Wat denkt u," vroeg ik, „zouden ze vandaag met de helikopter naar de X-13 kunnen vliegen?"
„Helikopters vliegen bij elk weer." Ze bewoog zich en keek me aan. „Wie zegt dat er vandaag naar de boortoren gevlogen zou worden?"
„Ik." Uitweiden deed ik niet. „Zou je me nu eens heel eerlijk willen zeggen, Mary, waarom je Jablonsky wilde spreken?"
„Heel eerlijk willen…"
„Je zei dat hij zo'n goed gezicht had. Kan zijn, maar dat is natuurlijk geen reden. Kletskoek!"
„O. Maar… maar ik houd niets achter. Heus niet. Het kwam omdat ik zo ongerust was. Ik luisterde iets af dat betrekking op Jablonsky had en dacht…"
„Kom terzake," zei ik scherp.
„U weet dat er in de bibliotheek microfoons zijn aangebracht. Ze zijn met draden en stekers…"
„Ik heb ervan gehoord," onderbrak ik geduldig. „Een schema is niet nodig."
Ze kreeg een kleur.
„Neem me niet kwalijk," mompelde ze. „Ik was in het kantoor naast de bibliotheek en zag de koptelefoons liggen. Waarom ik het deed, weet ik niet, maar ik luisterde." Het denkbeeld dat de bedrieger bedrogen werd, maakte me even aan het lachen. „Vyland en Royale waren in de bibliotheek. Ze spraken over Jablonsky."
Mijn glimlach verdween.
„Toen hij vanmorgen naar Marble Springs ging," vervolgde ze, „lieten ze hem schaduwen. Hij schijnt naar een ijzerwarenwinkel gegaan te zijn. Ze wisten niet waarom." Ik had het haar wel kunnen vertellen: om een touw te kopen, duplicaatsleutels te laten maken en op te bellen. „Toen hij na een half uur nog niet naar buiten kwam, ging de man die hem schaduwde ook de winkel in. Jablonsky verscheen ten slotte weer, maar die man niet. Die was verdwenen." Er speelde een flauw glimlachje om haar lippen. „Jablonsky moet zich even met hem bezig gehouden hebben."
Zelf glimlachte ik totaal niet.
„Hoe wisten ze dat? Die bewuste man was toch verdwenen?"
„Ze schaduwden Jablonsky met zijn drieën. De andere twee heeft hij blijkbaar niet opgemerkt."
„En verder?"
„Jablonsky ging naar het postkantoor. Ik zag hem zelf naar binnen gaan. Papa en ik waren namelijk op weg naar de politie. Ik moest daar vertellen dat u me ergens had afgezet en ik naar huis was gelift. Het schijnt dat Jablonsky een telegramformulier invulde en het telegram verzond. Een van Vylands mensen wachtte tot hij het postkantoor weer had verlaten, scheurde het bovenste velletje van het formu- lierblok - het formulier dus onder dat wat door Jablonsky werd beschreven - en nam het mee naar huis. Ik hoorde dat Vyland er met poeder en lampen mee bezig was geweest."Zelfs Jablonsky had een fout kunnen maken, maar in zijn plaats had ik het waarschijnlijk ook gedaan. Ook ik had aangenomen dat ik door één man werd geschaduwd en die lastige vlieg was kwijtgeraakt. Vyland bleek zeer handig te zijn. Misschien te handig voor mij.
„Hoorde je nog meer?"
„Niet veel. Uit het gesprek maakte ik op dat ze te weten waren gekomen wat Jablonsky in zijn telegram had geschreven, maar dat ze er niets van begrepen. Vermoedelijk gebruikte hij een code." Ze zweeg even, streek vlug met haar tong langs haar lippen en zei daarna ernstig: „Maar het adres was natuurlijk niet in code."
„Dat spreekt vanzelf." Ik liep naar haar toe, keek op haar neer en kende het antwoord op mijn volgende vraag al. „En hoe luidde dat adres?"
„De Heer J.C. Curtin, Federale Recherche. En… en daarom had ik Jablonsky zo graag willen spreken. Ik moest hem waarschuwen. Meer hoorde ik niet. Er liep namelijk iemand in de gang en door een zijdeur sloop ik het kantoor uit. Ik geloof dat hij in gevaar verkeert, mijnheer Talbot, in groot gevaar zelfs."
Een kwartier lang had ik erover zitten piekeren hoe ik het haar zou kunnen vertellen, maar nu gaf ik het op.
„Je bent te laat." Het was niet mijn bedoeling het koud en hard te zeggen, maar toch klonk het zo. „Jablonsky is dood. Ze hebben hem vermoord."
Om acht uur in de morgen kwamen ze - Royale en Valentino. Op mijn jas na was ik helemaal gekleed en met één handboei aan het hoofdeinde van het bed geklonken. Na alle deuren gesloten te hebben, had ik het sleuteltje van de boeien en de drie duplicaatsleutels weggegooid. Er bestond geen enkele reden dat ze me zouden fouilleren en meer dan ooit hoopte ik dat het ook inderdaad niet ging gebeuren.
Nadat Mary me met een betraand gezicht verlaten en beloofd had met niemand over ons onderhoud te spreken, zelfs niet met haar vader, kreeg ik nog tijd genoeg om na te denken. Tot dusver hadden mijn gedachten zich in een kringetje bewogen. Bepaald licht zag ik vrijwel niet meer en juist toen ik geestelijk volkomen in het duister begon te tasten, werd ik als het ware voor het eerst sinds mijn verblijf in dit huis gezegend met de haast verblindende vlam van de intuïtie of het nuchter verstand. Ik zat er nog een half uur over te piekeren, schreef daarna een lange boodschap op een dun velletje papier, vouwde het in de breedte en de lengte op, verzegelde het met pleister en adresseerde het aan het huisadres van rechter Mollison. In mijn nek drukte ik het briefje tegen mijn das en sloeg er de boord overheen zodat het onzichtbaar was geworden. Toen Royale en Valentino eindelijk verschenen, lag ik nog geen uur op bed en had geen oog dicht kunnen doen. Wel deed ik alsof ik sliep. Iemand schudde me ruw bij de schouder. Ik negeerde het. Het schudden werd herhaald en heel even bewoog ik me. De methode scheen als nutteloos beschouwd te worden en de rug van een hand striemde over mijn gezicht - niet zacht. Het was genoeg. Ik kreunde, knipperde pijnlijk met mijn ogen, ging overeind zitten en wreef met mijn vrije hand langs mijn voorhoofd.
„Sta op, Talbot."
Behalve de fraai gekleurde miniatuur zonsondergang op de linkerhelft van zijn gezicht zag Royale er even uitgestreken en kalm uit als altijd. Hij scheen volkomen uitgerust te zijn. Ken moord meer of minder hield deze man niet lang uit zijn slaap. Tot mijn genoegen constateerde ik dat de arm van Valentino nog steeds in het driehoeksverband hing. Het maakte mijn taak hem in een ex-lijfwacht te veranderen er des te gemakkelijker door.
„Sta op," herhaalde Royale. „Waarom maar één handboei?"„Wat?" Ik schudde mijn hoofd en deed of ik erg duizelig was. „Wat heb ik gisteravond in godsnaam gegeten?" „Gegeten?" Royale glimlachte vaag. „Jij en je cipier hebben een fles whisky soldaat gemaakt. Dat heb je gegeten."
Ik knikte langzaam. Royale bevond zich op veilig terrein zover hij dat terrein tenminste kende. Als ze me verdoofd hadden, zou ik me nauwelijks nog kunnen herinneren wat er gebeurd was vlak voordat ik van de kaart ging. Ik fronste de wenkbrauwen en duidde op de handboei.
„Mag dat vervelende ding los?"
„Waarom maar één handboei?" vroeg Royale opnieuw.
„Is het belangrijk: één handboei of twintig?" merkte ik ongeduldig op. „Ik kan het me niet meer herinneren. Ik geloof dat Jablonsky me in grote haast op bed plofte en maar één boei kon vinden. Misschien voelde hij zich ook niet zo best."
Met beide handen wreef ik hard over mijn gezicht alsof ik weer geheel bij mijn positieven wilde komen. Tussen mijn vingers door zag ik dat Royale heel even begrijpend knikte. Ik had het gewonnen. Royale wist dat Jablonsky iets dergelijks gedaan kon hebben. Jablonsky had zich niet lekker voelen worden en me aan het bed geklonken voordat hij van de kaart ging. De handboei werd geopend. We liepen door Jablonsky's kamer en vlug gluurde ik naar de tafel. De whiskyfles stond er nog. Leeg. Royale - of Vyland - vergat weinig. We gingen de gang door. Royale voorop en Valentino in de achterhoede. Plotseling hield ik mijn pas wat in. Valentino duwde zijn revolver in mijn rug. Hij was geen man om ooit iets zachtjes te doen, maar volgens zijn maatstaven deed hij het nu toch heus niet zo hard. Mijn uitroep van pijn in aanmerking genomen zou hij het tienmaal harder gedaan kunnen hebben. Ik bleef staan, Valentino botste tegen me aan en Royale draaide zich om. Weer gaf hij een staaltje van zijn goochelkunst weg en voordat ik het besefte lag de kleine revolver in zijn hand. „Wat is er?" vroeg hij koud.
Zijn stem verhief zich geen moment. Ik hoopte de dag nog eens te beleven dat ik werkelijke angst in die stem zou horen.
„Wat er is?" zei ik strak. „Houd je afgerichte baviaan uit mijn buurt, Royale, of hij zal ervan lusten. Revolver of geen revolver."
„Laat hem met rust, Gunther," zei Royale rustig.
„Ik raakte hem nauwelijks aan." Door het aapachtig voorhoofd, de gebroken neus, de pokputten en littekens bood het gezicht van Valentino weinig plaats voor wisselende uitdrukkingen, maar wat er nog aan ruimte over was, gaf verbazing te kennen zó onrechtvaardig behandeld te zijn. „Ik gaf hem een klein duwtje en…"
„Natuurlijk." Royale liep alweer verder. „Ik wil alleen maar dat je hem met rust laat."
Royale bereikte de trap. Toen hij zich op ongeveer de zesde tree van boven bevond, kwam ik ook bij de trap, bleef voor de tweede keer onverwacht staan en opnieuw botste Valentino tegen me aan. Ik draaide me om en sloeg met de zijkant van mijn hand tegen de pols van Valentino's hand met de revolver. Het wapen viel op de grond. Valentino nam een duik om de revolver op te rapen en schreeuwde van pijn toen ik met de hak van mijn rechterschoen zo hard mogelijk op zijn vingers trapte. Ik hoorde geen beentjes breken, maar zoiets drastisch was ook niet nodig - met Valentino's beide handen voorlopig buiten dienst zou Mary Ruthven een andere lijfwacht nodig hebben. Ik bukte niet om de revolver te pakken. Ik bewoog me evenmin. Ik hoorde Royale langzaam de trap weer opkomen.
„Weg van die revolver," beval hij. „Alle twee."
We gehoorzaamden. Royale raapte de revolver op, ging opzij en beduidde me met een handbeweging dat ik voor moest gaan. Wat hij precies dacht, wist ik niet. Aan de uitdrukking op zijn gezicht te oordelen kon hij een blaadje van een boom hebben zien vallen. Hij zei niets meer en nam niet eens de moeite naar Valentino's hand te kijken.De generaal, Vyland en Larry wachtten in de bibliotheek. Zoals gewoonlijk viel er door de baard en snor weinig op het gezicht van de generaal te lezen, maar zijn ogen waren lichtelijk met bloed belopen en hij leek grijzer dan zesendertig uur geleden. Misschien verbeeldde ik het me slechts. Ik zag alles namelijk zeer somber in die morgen. Vyland maakte weer een beschaafde en welgemanierde indruk. Om zijn mond speelde een glimlach. Hij had zich net geschoren en droeg een uitstekend gemaakt donkergrijs pak, wit overhemd en een rode das. Hij was een plaatje. Larry was alleen maar Larry: bleek gezicht en starende ogen. Hij liep achter het bureau langzaam heen en weer. Toch scheen hij niet zo beverig als anders te zijn. Ook hij glimlachte. Ik nam aan dat hij goed ontbeten moest hebben - een ontbijt hoofdzakelijk bestaande uit heroïne.
„Goedemorgen, Talbot," zei Vyland. De werkelijk grote misdadigers van tegenwoordig vinden het even gemakkelijk om beleefd te zijn als om te snauwen en je een klap op het hoofd te geven. Bovendien krijgen ze er meer voor terug. „Wat was dat voor lawaai, Royale?"
„Gunther". Onverschillig knikte Royale in de richting van Valentino die juist was binnengekomen. Hij hield zijn linkerhand onder zijn buiten gevecht gestelde rechterarm geklemd en kreunde van pijn. „Hij plaagde Talbot een beetje en Talbot vond het niet leuk."
„Ga ergens anders kreunen," zei Vyland koel. „Voel je je wat prikkelbaar vanmorgen, Talbot?"
Niemand gaf zich nog moeite om te doen voorkomen dat de generaal de baas was of dat hij in zijn eigen huis nog iets te vertellen had. Hij hield zich op de achtergrond - afwezig, waardig en tragisch in zeker opzicht. Misschien echter bestond de tragedie alleen in mijn verbeelding. Misschien beoordeelde ik de generaal verkeerd. Heel verkeerd zelfs. Fataal verkeerd.
„Waar is Jablonsky?" vroeg ik.
„Jablonsky?" Traag trok Vyland een wenkbrauw op. „Wat betekent Jablonsky voor jou, Talbot?"
„Mijn cipier. Waar hangt hij uit?"
„Je schijnt dat graag te willen weten, Talbot." Hij keek me strak en onderzoekend aan. Het beviel me helemaal niet. „Ik heb je al eens eerder gezien, Talbot. De generaal trouwens ook. Kon ik me maar herinneren aan wie je me doet denken."
„Donald Duck." Het was gevaarlijk terrein. „Waar is Jablonsky?"
„Weg - met zijn zeventigduizend dollar."
„Waarheen?"
„Je begint vervelend te worden, vriend." Ongeduldig knipte hij met de vingers. „Larry, geef me de telegrammen."
Larry nam wat papieren van het bureau, gaf ze aan Vyland, grijnsde naar me op de manier van een wolf en begon weer te ijsberen.
„De generaal en ik zijn zeer voorzichtig, Talbot," vervolgde Vyland. „Noem het maar gerust zeer wantrouwend. Het komt op hetzelfde neer. We hebben je gecontroleerd. In Engeland, Nederland en Venezuela." Hij wuifde met de telegrammen. „Deze hebben we vanmorgen ontvangen. Inderdaad schijn je een van de beste duikexperts van Europa te zijn. We kunnen dus verder met je gaan en hebben Jablonsky daarom niet meer nodig. We gaven hem zijn cheque en namen afscheid van elkaar. Hij wil een reisje naar Europa maken."
Rustig, overtuigend en ernstig pratend had Vyland zich voorbij Petrus kunnen kletsen. Ik keek zoals een overtuigd wordende Petrus gekeken zou hebben, maar wat ik er daarna uitkraamde, had Petrus er nooit uitgekraamd.
„Die ploert van een verrader I" eindigde ik ten slotte woedend.„Jawel, Jablonsky! Dat ik mijn tijd verknoeide om naar die smeerlap te luisteren. Hij beloofde me…"
„Wat beloofde hij je?" vroeg Vyland zacht.
„Schei maar uit," bromde ik. „Hij nam aan dat ik tot aan mijn nek in de soep zat en was er tevens van overtuigd dat zijn ontslag bij de politie doorgestoken kaart moest zijn. Hij kon het bewijzen, zei hij, als hij kans kreeg om bepaalde politiemensen aan de tand te voelen en bepaalde dossiers door te kijken." Ik vloekte. „En dat ik geloofde dat…"
„Je dwaalt af, Talbot," onderbrak Vyland op scherpe toon. „Ga verder."
„We zouden elkaar helpen. Hij herinnerde zich een code en verzond een telegram naar een of andere instantie. In ruil voor inzage van die bepaalde dossiers bood hij belangrijke informaties aan over generaal Ruthven. En ik was gek genoeg om te denken dat hij het meende."
„Herinner je je toevallig de naam van de man aan wie dat telegram was geadresseerd?"
„Nee. Dat ben ik vergeten."
„Probeer het je toch maar te herinneren, Talbot. Je zou er iets voor kunnen terugkrijgen - je leven."
Ik keek hem onbewogen aan en staarde dan naar de vloer.
„Catin," zei ik eindelijk zonder op te kijken, „Cartin, Cur- tin - ja, zo was het. Curtin. J.C. Curtin."
„En hij bood alleen aan om inlichtingen te verstrekken als zijn voorwaarden werden aangenomen?"
„Precies."
„Dan heb je je eigen leven gekocht, Talbot."
Zeker, ik had mijn eigen leven gekocht. Vyland vermeldde echter niet hoelang ik plezier van die koop zou hebben. Vierentwintig uur misschien, als het niet minder was. Het hing er helemaal van af hoe het met dat karwei zou gaan. Ik maakte me er geen zorgen om. De voldoening om op Valentino's hand getrapt te kunnen hebben, zonk in het niet bij de
triomf van dit ogenblik. Ze hadden mijn verhaal volkomen geslikt! Onder de omstandigheden en als de kaarten goed gedeeld lagen, moesten ze het ook wel geslikt hebben. En die kaarten had ik inderdaad goed gedeeld. Daar ze niet precies wisten wat me bekend was, namen ze aan dat ik het verhaal onmogelijk verzonnen kon hebben. Ze konden niet weten dat ik afwist van de dood van Jablonsky, dat ik wist dat ze hem geschaduwd en het adres van het telegram ontcijferd hadden. Ze konden niet weten dat ik de vorige avond in de moestuin was geweest, Mary het gesprek in de bibliotheek afluisterde en we met elkaar gesproken hadden. Als ze ook maar even verondersteld zouden hebben dat ik een vriend van Jablonsky was geweest, hadden ze me op staande voet neergeschoten. Nu zouden ze dat voorlopig niet doen. Lang zou het niet duren, maar misschien net lang genoeg.
Ik zag Royale en Vyland een snelle blik wisselen. Bijna onmerkbaar haalde Vyland de schouders op. Beiden waren harde kerels - hard, koud, meedogenloos, berekenend en gevaarlijk. De laatste twaalf uur moesten ze met de mogelijkheid rekening gehouden hebben dat ze elk ogenblik de federale recherche konden verwachten, maar van enige ongerustheid of spanning lieten ze niets blijken. Ik vroeg me af hoe hun reacties geweest zouden zijn als ze hadden geweten dat die federale recherche al drie maanden geleden klaarstond. De tijd was toen nog niet rijp geweest. Nu ook nog niet.
„Is verder uitstel nog noodzakelijk, heren?" De generaal leek rustig, maar dat hij in spanning verkeerde, ontging me niet. „Laten we opschieten. Het weer wordt slechter en er is voor een orkaan gewaarschuwd. We moeten maar zo gauw
mogelijk weggaan."
Het weer werd niet slechter - het was het al. De wind kreunde niet meer, maar huilde door de zwaaiende eiken en werd begeleid door bij tussenpozen optredende stortbuien. Lang duurden ze niet, maar ze waren van ongekende hevigheid. De wolken joegen laag langs de hemel en werden hoe langer hoe dikker. In de hal had ik even op de barometer gekeken. Hij was aan het zakken en voorspelde niet veel goeds. Ik wist niet of het centrum van de orkaan ons zou treffen of voorbijgaan, maar bevonden we ons op zijn weg, dan hadden we het in minder dan twaalf uur te verwachten. Veel minder waarschijnlijk.
„We waren het net van plan, generaal," zei Vyland. „Alles is klaar en Petersen wacht in de baai." Petersen zou vermoedelijk de piloot van de helikopter zijn. „Hij zal twee reizen moeten maken en over een uur ongeveer kunnen we allemaal op de boortoren zijn en kan Talbot aan het werk."
„Allemaal?" vroeg de generaal. „Wie?"
„Ik, u, Royale, Talbot, Larry en natuurlijk uw dochter."
„Mary? Is dat noodzakelijk?"
Vyland zei niets. Hij haalde niet eens een wenkbrauw op, maar keek de generaal strak aan. Het nam vijf seconden in beslag. Dan openden de vuisten van de generaal zich. Zijn schouders zakten iets naar voren.
In de gang klonken de lichte voetstappen van een vrouw en vlak daarop kwam Mary Ruthven door de openstaande deur de bibliotheek binnen. Ze droeg een citroenkleurige deux- pièces en daaronder een groene blouse met open kraag. Onder haar ogen lagen kringen. Ze zag er bleek en vermoeid uit, maar ik vond haar geweldig. Kennedy volgde haar, maar bleef met de pet in de hand in de gang staan. Een rapsodie in kastanjebruin met glimmende laarzen en het onbewogen gezicht van de volmaakt afgerichte particulier- chauffeur die nooit iets hoort of ziet. Doelloos bewoog ik me in de richting van de deur en wachtte tot Mary zou doen wat ik haar minder dan twee uur geleden en voordat ze terugging naar haar eigen kamer had gezegd.
„Ik ga met Kennedy naar Marble Springs, vader," viel ze met de deur in huis.
„Maar… eh… we gaan naar de boortoren, liefje." De generaal leek zich niet op zijn gemak te voelen. „Gisteravond zei je…"
„Ik ga mee," onderbrak ze hem ongeduldig, „maar we kunnen niet allemaal tegelijk, is het wel? Ik kom met de tweede ploeg. Meer dan twintig minuten heb ik niet nodig. Kan het, mijnheer Vyland?" voegde ze er liefjes aan toe.
„Het zit nogal moeilijk, juffrouw Ruthven," antwoordde Vyland hoffelijk. „De kwestie is dat Gunther gewond is…" „Mooi!"
Vyland trok zijn wenkbrauw weer op.
„Voor u is dat zo mooi niet, Juffrouw Ruthven. U weet hoe graag uw vader u beschermd weet als…"
„Dat wist Kennedy altijd zeer naar behoren te doen," zei ze koud, „en hij kan het nog steeds. En ik zal u eens wat zeggen. Ik ga niet met u, Royale en dat… dat wezen daar" - niemand twijfelde eraan dat ze Larry bedoelde - „naar de boortoren tenzij Kennedy me vergezelt. Verder praat ik er niet over. Bovendien moet ik absoluut even naar Marble Springs. Nu meteen."
Ik vroeg me af wanneer iemand voor het laatst op die manier tegen Vyland gesproken zou hebben, maar in het vernisje beschaving kwam zelfs geen barst.
„Waarom moet u dat, juffrouw Ruthven?"
„Er zijn vragen," zei ze ijzig, „die een heer nooit stelt."
Dat vloerde hem. Hij begreep niet wat ze precies bedoelde, evenmin als ik het begrepen zou hebben, maar de nettowinst was dat hij niets meer wist te zeggen. Alle ogen in de bibliotheek waren op Vyland en Mary gericht, behalve mijn ogen. Die keken namelijk strak naar Kennedy en Kennedy keek naar mij. Met mijn rug naar het gezelschap stond ik nu vlakbij de deur. Het had me weinig moeite gekost om ongemerkt het briefje onder mijn boord vandaan te trekken. Ik hield het tegen mijn borst zodat Kennedy de naam van rechterMollison kon lezen. Zijn gezicht bleef onbewogen en er zou een micrometer voor nodig geweest zijn om zijn knikje te registreren. Het was Royale die een einde aan de spanning maakte en Vyland aan een uitweg hielp. „Ik zou wel zin in wat frisse lucht hebben, mijnheer Vyland. Zal ik dus maar met die twee naar Marble Springs rijden?"
Als een torpedo uit zijn buis schoot ik over de drempel en kreeg de uitgestrekte arm van Kennedy te pakken. We smakten samen tegen de grond en rolden over elkaar heen de gang door. In twee seconden had ik het briefje in zijn tuniek gestopt en we waren elkaar nog steeds op niet al te pijnlijke wijze aan het aftuigen toen we de onmiskenbare klik van een veiligheidspal hoorden. „„Los!"
We lieten elkaar los en bedreigd door Royale's revolver krabbelde ik overeind. Op de achtergrond zwaaide Larry ook met een revolver. Als ik Vyland was geweest, zou ik hem zelfs geen catapult toevertrouwd hebben.
„Goed werk, Kennedy," zei Vyland op warme toon. „Ik zal dit niet vergeten."
„Dank u," zei Kennedy stug. „Ik houd niet van moordenaars."
„Ik ook niet," sprak Vyland goedkeurend. Hij had ze zelf alleen in dienst om ze te kunnen rehabiliteren. „Eh… goed dan, juffrouw Ruthven. Mijnheer Royale gaat mee. Haast u echter zoveel mogelijk."
Zonder nog iets tegen hem te zeggen, zonder mij ook maar een ogenblik aan te kijken, liep ze ons vlug voorbij. Met het hoofd omhoog. Ik vond haar nog steeds geweldig.