Hoofdstuk 6


Precies om twee uur in de morgen meerde kapitein Zaimis zijn sponzenvisser aan de steiger waar hij me aan boord had genomen. De hemel was zwart en de nacht zó donker dat ik land nauwelijks van water kon onderscheiden. De regen kletterde met het lawaai van een trommelvuur op het dak van de kajuit. Ik moest echter van boord en meteen. Ik moest onopgemerkt het huis weer zien binnen te komen. Ik moest met Jablonsky praten en mijn kleren droog proberen te krijgen. Mijn bagage bevond zich nog in het motel en ik kon maar over één pak beschikken. Dat diende voor de volgende morgen droog te zijn. Ik kon er namelijk niet op rekenen om zoals de vorige dag pas tegen de avond iemand te zien te krijgen. De generaal had gezegd dat hij me binnen zesendertig uur de aard van het karwei zou mededelen en om acht uur 's morgens zouden die zesendertig uur verstreken zijn. Om me zoveel mogelijk tegen de regen te beschutten leende ik oliegoed van Andrew en trok dat over mijn eigen regenjas aan. De oliejas was een paar maten te klein en gaf me het gevoel dat ik in een dwangbuis geperst zat. Ik nam afscheid, bedankte kapitein en bemanning voor wat ze voor me gedaan hadden en verdween.
Om kwart over twee en na even bij een telefooncel gestopt te hebben, parkeerde ik de Corvette waar ik hem gevonden had en baggerde langs de weg in de richting van de oprijlaan van het huis van de generaal. Die weg bleek geen trottoirs te hebben. De mensen die dit zeer exclusieve gedeelte van de kuststreek bewoonden, hadden geen behoefte aan trottoirs. De goten waren gezwollen riviertjes geworden en het modderwater spoelde over mijn schoenen. Ik vroeg me af hoe ik die schoenen op tijd droog zou moeten krijgen.
Ik liep voorbij de portierswoning waar de chauffeur woonde, naar ik althans veronderstelde, en dan ook voorbij de oprijlaan. Die was overdadig verlicht en het zou niet verstandig geweest zijn om bij al dat licht over het hek te klimmen. Bovendien bestond altijd de mogelijkheid dat er een alarminstallatie op dat hek zou zijn aangebracht. Ik achtte de heren in het huis van de generaal overal toe in staat. Dertig meter voorbij de oprijlaan kroop ik door een nagenoeg onzichtbaar gat in de twee meter hoge heg die om het landgoed liep. Ongeveer drie meter achter die heg verhief zich een twee en een halve meter hoge muur met op de rand van gastvrijheid getuigende in het cement gestoken glasscherven. De heg die de muur aan het oog onttrok noch de muur zelf was voor een landgoed als dat van de generaal iets bijzonders. Al zijn buren bezaten geld genoeg om de bescherming van hun afzondering tot een zaak van groot gewicht te maken. Achter heggen oprijzende muren om diegenen af te schrikken die te verlegen waren om door de hoofdingang naar binnen te gaan, schenen iets heel gewoons in deze streek te zijn. Het aan de knoestige tak van een eik aan de andere kant van de muur geknoopte touw bleek er nog steeds te zijn en zwaar gehinderd door de veel te nauwe oliejas hees ik me over de muur, klom in de eik om het touw los te maken en verborg het onder een bloot liggende wortel. Ik verwachtte weliswaar niet het touw nog eens te moeten gebruiken, maar je kon nooit weten. In ieder geval wist ik wel dat het niet door een van Vylands speelkameraden gevonden mocht worden. Wél iets bijzonders voor het landgoed van de generaal was de afrastering ongeveer zes meter achter de muur. Een afrastering bestaande uit vijf draden. De bovenste drie waren van prikkeldraad. Een verstandig mens zou de op een na onderste draad opgelicht en de alleronderste naar omlaag geduwd hebben om op die manier bukkend door de opening te kunnen glippen, maar dank zij Jablonsky was het me bekend dat een druk op een van de onderste twee draden een alarmschei in werking stelde en daarom klom ik met veel moeite over de afrastering heen wat gepaard ging met scheurende geluiden die ik gemakkelijk kon verklaren. Als ik hem het kledingstuk ooit nog kon teruggeven, zou Andrew niet veel nut meer van zijn oliejas hebben. Onder de dicht bij elkaar staande bomen was het bijna volkomen donker. Ik had het staaflampje bij me, maar durfde het niet te gebruiken. Ik moest op mijn geluk en instinct vertrouwen, om de moestuin die links van het huis lag heenlopen en de brandtrap aan de achterkant zien te bereiken. Het was om en nabij tweehonderd meter en een kwartier zou ik er zeker wel voor nodig hebben. Ik sloop geruisloos verder zoals de butler met de gebroken neus het gedaan meende te hebben toen hij Jablonsky en mij in de slaapkamer achterliet, maar in tegenstelling met hem had ik het voordeel niet aan platvoeten en adenoïden te lijden. Met beide armen voor me uitgestrekt liep ik voorzichtig door. Tot ik met mijn hoofd tegen een boom botste en leerde om mijn armen niet gespreid voor me uit te houden. De druipende slingerplanten streken met hun natte ranken langs mijn gezicht en op de grondlagen honderden twijgen en gebroken takken. Ik liep niet, maar schuifelde. Ik tilde mijn voeten niet op, maar schoof ze om beurten heel langzaam en voorzichtig naar voren, duwde alles opzij wat ik op mijn pad tegenkwam en bracht pas mijn gewicht op de voorste voet over als ik er zeker van was dat zich niets onder die voet bevond dat zou kunnen kraken of breken. Ik moet zeggen dat ik inderdaad vrijwel geruisloos te werk ging. Het bleek noodzakelijk te zijn ook. Na tien minuten namelijk, juist toen ik me begon af te vragen of ik misschien de verkeerde richting was ingeslagen, zag ik door de bomen en de sluiers van regen plotseling een flauw lichtschijnsel. Dan ineens was het weer verdwenen. Ik had het me kunnen verbeelden, maar dat soort verbeelding bezit ik niet. Ik bewoog me nog langzamer voort dan eerst, drukte mijn hoed diep over mijn ogen, sloeg mijn kraag hoog op zodat ook maar de minste glinstering niet mijn gezicht kon verraden en zelfs een meter van me vandaan zou niemand het geritsel van de zware oliejas gehoord kunnen hebben. Ik vervloekte die slingerplanten. De ranken wonden zich om mijn gezicht en ik moest mijn ogen sluiten op het moment dat ogen sluiten mijn laatste daad op aarde had kunnen zijn. Bovendien benamen ze me alle zicht tot ik er ten slotte het meest voor voelde om maar op mijn knieën kruipend verder te gaan. Ik deed het echter niet, omdat dan het gekraak van de oliejas me verraden zou kunnen hebben. Opnieuw zag ik dat vage lichtschijnsel. Het bevond zich misschien negen meter van me vandaan, wees echter niet in mijn richting, maar wel op iets op de grond. Ik deed twee geruisloze stappen naar voren om nauwkeurig te kunnen zien waar het lichtschijnsel voor diende en ontdekte dat mijn navigatie in het aardedonker zeer goed was geweest. De moestuin was omgeven door een houten hek en ik liep er recht tegen aan. Het gaf een klap alsof de deur van een kerker werd dichtgeslagen. Ik hoorde een onderdrukte kreet, het licht ging uit, even bleef het stil en dan ging de lantaarn weer aan. Nu was het licht niet meer op de grond gericht, maar dwaalde en zocht het de moestuin af. Degene die de lantaarn vasthield was zo zenuwachtig als een juffershondje, want anders had ik in minder dan drie seconden in het licht gevangen moeten zijn. Nu echter bewoog de lichtstraal zich beverig en onzeker heen en weer en kreeg ik tijd om onhoorbaar een stap achteruit te doen. Tijd voor meer dan die stap werd me niet gegund. Zover het mogelijk is met een in de buurt staande eik te versmelten, versmolt ik met een in de buurt staande eik. Ik drukte me tegen die eik aan alsof ik de boom omver wilde duwen en wenste vurig dat ik een revolver had.
„Geef mij die lantaarn." De koude, zachte stem was onmiskenbaar die van Royale. De lichtstraal aarzelde, kwam dan tot rust en werd weer op de grond gericht. „Doorgaan! Vooruit!"
„Maar ik hoorde iets, mijnheer Royale." De stem van Larry kwam niet boven een bevend gefluister uit. „Ginds. Ik weet het zeker."
„Ik ook, maar het is in orde." Met een stem als die van Royale, met niet meer warmte als in een champagnekoeler, is het moeilijk om iemand op zijn gemak te stellen, maar de man deed zijn best. „In het donker zijn de bossen vol geluiden. Een warme dag, 's avonds een koude regen, krimpen en het barst van de geluiden. Opschieten! Wil je hier de hele nacht in de regen blijven staan?"
„Luistert u nu even, mijnheer Royale." Het gefluister klonk nu wanhopig. „Ik vergiste me niet. Heus niet. Ik hoorde…"
„Sloeg je vanavond je portie sneeuw over?" onderbrak Royale de jongen wreed. De poging en inspanning om vriendelijk te zijn waren te veel voor hem geweest. „Waarom zit ik in godsnaam opgescheept met een vent als jij? Houd je mond en ga verder."Larry hield zijn mond. Sinds ik Larry had gezien, was ik me ergens over gaan verbazen. Zijn gedrag, het feit dat hij door Vyland en de generaal geduld werd, de vrijheden die hij zich kon veroorloven en bovenal zijn aanwezigheid in het huis - dit alles had mijn nieuwsgierigheid gaande gemaakt. Misdadige organisaties die het om een grote inzet te doen is - en dat was hier zeker het geval - kiezen hun medewerkers gewoonlijk met evenveel zorg en overleg als een groot concern zijn topmensen. Met nog meer zorg en overleg zelfs. Een nonchalant foutje, een onvoorzichtigheid van de kant van een topfiguur zullen een groot concern de das niet omdoen, maar kunnen wel een door misdadigers ontworpen plan doen mislukken. Grote misdaden zijn grote zaken. Grote misdadigers zijn grote zakenlui die zich met even grote zorg en pijnlijke nauwkeurigheid van hun taken kwijten als hun meer de wet eerbiedigende collega's. Als het onverhoopt nodig mocht blijken om concurrenten of gevaar opleverende personen uit de weg te ruimen, dan werd dat toevertrouwd aan beleefde, rustige lieden als bijvoorbeeld Royale, maar Larry was voor hen van evenveel nut als een lucifer in een kruitmagazijn.
Ze bevonden zich met hun drieën in die hoek van de moestuin. Royale, Larry en de butler wiens plichten een groter gebied bestreken dan normaal gesproken van een butler in een deftig landhuis verwacht kon worden. Larry en de butler waren met schoppen aan het werk. Eerst dacht ik dat ze aan het graven waren. Royale had het licht van de lantaarn namelijk met zijn hand afgeschermd en bovendien kon ik door de regen weinig onderscheiden, maar ten slotte, meer op mijn oren dan ogen vertrouwend, begreep ik dat ze een kuil aan het dichtgooien waren. Ik grinnikte in het donker. Ik wilde er een groot bedrag om verwedden dat ze iets waardevols aan het begraven waren, iets dat daar niet lang onder de grond zou blijven. Een moestuin was bepaald geen ideale plaats voor het verbergen van een schat. Drie minuten later waren de heren klaar. Iemand harkte de dichtgegooide kuil aan - ik veronderstelde dat ze in een pas omgespit en geharkt groentebed aan het graven waren geweest - en daarna begaven ze zich met hun drieën naar een schuurtje om de schoppen en de hark weg te brengen. Vlak daarop kwamen ze zacht pratend weer naar buiten. Royale liep voorop met de lantaarn. Ze gingen een hekje door en nog geen vijf meter van me vandaan, maar ik had inmiddels dekking achter een dikke boom gevonden. Ze liepen het pad naar de voorkant van het huis op. Het geluid van de mompelende stemmen verstierf. De voordeur werd geopend en er viel licht op de veranda. Dan hoorde ik hoe iemand de voordeur weer sloot en grendelde. Toen werd het stil.Ik bewoog me niet. Ik bleef waar ik was en haalde zo voorzichtig mogelijk adem. De regen verdubbelde zijn geweld. De bladeren van de boom gaven me niet meer beschutting dan een dun gazen doekje, maar ik bewoog me niet. Het water stroomde in mijn oliejas en overjas en droop langs mijn rug en benen. Maar ik bewoog me niet. Het water liep in mijn schoenen, maar ik bewoog me niet. Ik voelde dat ik tot aan mijn enkels in de modder zakte, maar bewoog me niet. Ik bleef waar ik was - een uit ijs gehouwen gestalte, maar kouder. Mijn handen waren verkleumd, mijn voeten bevroren en elke paar seconden werd ik overvallen door rillingen die ik niet kon bedwingen. Ik had alles willen geven om me te kunnen bewegen. Ik deed het niet. Alleen mijn ogen bewogen. Aan luisteren had ik weinig, want met het gehuil van de nog steeds toenemende wind door de bovenste takken van de bomen en het geruis van de regen op de bladeren was een voetstap zelfs op een afstand van drie meter nog niet hoorbaar geweest. Maar na drie kwartier onbeweeglijk wachten, waren mijn ogen gewend geraakt aan het donker en had ik op die drie meter afstand zeker wel iets kunnen zien bewegen. En dat zag ik ook. Een beweging, maar geen achteloze beweging. Voorzichtig en behoedzaam. Vermoedelijk waren het een onverwachte windvlaag en nieuwe waterhoos geweest die een einde hadden gemaakt aan het geduld van de schaduw die zich nu uit de dekking van een boom verwijderde en geruisloos naar het huis sloop. Als ik met pijnlijke ogen van het staren niet voortdurend had staan opletten, zou ik die schaduw gemist hebben, want horen deed ik hem niet. Het was een zich onhoorbaar voortbewegende schaduw. Een stille, doodgevaarlijke man» Royale. Wat hij tegen Larry had gezegd was bluf geweest om een eventuele luisteraar om de tuin te leiden. Royale had wel degelijk een geluid gehoord. Genoeg geluid om zich af te vragen of er iemand in de buurt zou zijn. Afvragen - meer niet. Als Royale er namelijk zeker van was geweest, zou hij hier de hele nacht gewacht hebben om in te kunnen grijpen. En hoe! Ik zag me in de moestuin, nadat de andere drie daaruit verdwenen waren, om een schop te pakken en een onderzoek in te stellen. Alleen die gedachte al maakte me kouder dan ooit. Ik zag me over het gat in de grond gebukt staan, dan het sluipend naderen van Royale en een kogel uit een.22 revolver in mijn schedel. Toch moest ik aan die schop zien te komen en een onderzoek instellen. Het leek er nu het meest geschikte ogenblik voor, want de regen viel met bakken uit de hemel en de nacht was donker als een graftombe. Onder deze omstandigheden scheen het niet waarschijnlijk dat Royale zou terugkomen, hoewel ik hem er wel toe in staat achtte. En zelfs al kwam hij inderdaad terug, dan zou hij zich in ieder geval duidelijk tegen het licht van de gang aftekenen en kostte het hem op zijn minst den minuten om zijn ogen weer aan het bijna volkomen donker gewend te doen raken voordat hij het zou wagen opnieuw in de moestuin te gaan. Dat hij geen lantaarn zou durven gebruiken, was vrijwel zeker. Verkeerde hij namelijk in de mening dat zich nog steeds een indringer op het terrein bevond, dan verkeerde hij natuurlijk ook in de mening dat die indringer het graven had gadegeslagen zonder iets te ondernemen en in dat geval moest die indringer een voorzichtig en gevaarlijk iemand zijn - een lantaarn in de hand zou bij zo'n man smeken om een kogel in de rug betekenen. Royale kon niet weten dat die indringer geen revolver bezat.
Ik meende aan tien minuten genoeg te hebben om te ontdekken wat ik wilde weten. In de eerste plaats moest het begraven van iets in een moestuin maar tijdelijk zijn en verder leken me Larry en de butler geen lieden om vermaak in spitten en graven te stellen of ook maar een centimeter dieper te graven dan strikt noodzakelijk was. Ik bleek het goed gezien te hebben. Ik vond een schop in het schuurtje, zocht met behulp van een speldepuntje licht van het staaf- lampje de pas omgespitte plek op en in vijf minuten had ik een laag van ongeveer een decimeter aarde van een witte pakkist geschept. De kist lag wat scheef in de grond. De op mijn rug en het deksel van de kist stromende regen waste het deksel binnen een minuut volkomen schoon en het modderwater droop van de kist. Behoedzaam knipte ik de lamp weer aan. Geen naam en geen merken duidden op de inhoud van deze pakkist. Aan elke kant had hij een handvat van touw. Ik pakte een van die handvatten en begon te trekken. De kist was echter meer dan anderhalve meter lang en scheen met stenen gevuld te zijn. Bovendien was de aarde rond het gat doordrenkt van water en zó zacht geworden dat mijn hakken erdoor zakten en ik halfin de kuil gleed. Zorgvuldig onderzocht ik nog steeds bijgelicht door het met mijn hand afgeschermde schijnsel van de staaflamp het deksel. Ik ontdekte geen zware schroeven of ijzeren krammen. De kist bleek gesloten te zijn met aan elke zijde twee spijkers. Met de schop en onder snerpend en krassend protest van de spijkers wist ik het deksel een halve meter omhoog te krijgen en richtte het licht van de lantaarn in de gapende opening.
Zelfs in de dood glimlachte Jablonsky nog. Het was een scheve en verwrongen glimlach zoals ook Tablonsky's lichaam verwrongen was omdat het anders niet in de kist had gepast. Maar in ieder geval glimlachte hij. Er lag een rustige, vredige uitdrukking op zijn gezicht en in het gaatje tussen zijn ogen had een dun potlood gekund. Een gaatje dat gemaakt had kunnen zijn door de kogel uit een.22 revolver. Op het water had ik die nacht tweemaal aan een rustig slapende Jablonsky gedacht. Hij had inderdaad geslapen. Hij had uren geslapen. Zijn huid was koud als marmer. Ik nam niet de moeite de zakken van de dode man na te gaan.
Royale en Vyland zouden dat al gedaan hebben. Bovendien wist ik dat Jablonsky niets belastends bij zich had gehad. Niets dat geduid kon hebben op de werkelijke reden van zijn aanwezigheid hier. Niets dat me had kunnen verraden. Ik veegde de regen van het dode gezicht, deed het deksel dicht en sloeg er met de steel van de schop weer heel zachtjes de spijkers in. Ik had een gat in de grond geopend en nu sloot ik een graf. Royale kon van geluk spreken dat ik hem op dat moment niet tegen het lijf liep. Ik bracht de schop naar het schuurtje terug en verliet de moestuin.
Ik zag geen licht aan de achterkant van de porderswoning. Wel een deur en twee benedenramen - het huis had maar één verdieping - en alles was gesloten. Ik had het verwacht, want op dit landgoed stond nooit iets open. De garage bleek echter niet gesloten te zijn. Niemand zou het namelijk in zijn hoofd halen om er met twee Rolls-Royces vandoor te gaan, zelfs als de booswicht door het elektrisch opengaand en sluitend hek had kunnen komen. De garage paste precies bij de beide Rolls-Royces: de werkbank en de gereedschappen waren de droom van een doe-het-zelf geestdriftige. Ik verknoeide twee prima beitels, maar wist er toch een van de ramen mee te forceren. Het leek me niet waarschijnlijk dat zich een alarminstallatie in de portierswoning zou bevinden, maar nam geen risico, trok het bovenraam naar beneden en klom naar binnen. Als een raam van alarmdraad is voorzien, wordt er meestal op gerekend dat de insluiper een soort gewoontedier is dat altijd maar weer het benedenraam openschuift om binnen te klimmen en bovendien werkt een doorsnee elektricien liever op de hoogte van zijn middel dan boven zijn hoofd. In dit geval ontdekte ik dat hier inderdaad een doorsnee elektricien aan het werk was geweest. De portierswoning was van een alarminstallatie voorzien. Ik kwam niet op een slaper in een slaapkamer terecht en gooide evenmin potten en pannen in een keuken van de plank. Het werd me bespaard omdat ik een kamer met matglas had uitgekozen en ik wilde er alles om verwedden dat het de badkamer moest zijn. Het was zo.
In de gang liet ik het licht van mijn staaflampje over de muren dwalen. De portierswoning was zeer eenvoudig ontworpen. De gang vormde de verbinding tussen achter- en voordeur. Er kwamen twee kamers op uit. Meer niet. Het vertrek tegenover de badkamer bleek de keuken te zijn. Ik vond er niets. Behoedzaam en zonder geluid te maken zover mijn soppende schoenen het me althans veroorloofden, liep ik op mijn tenen naar de deur aan mijn linkerkant, draaide de knop voorzichtig om en sloop geruisloos naar binnen. Hier moest ik zijn. Ik sloot de deur en bewoog me nog hoger op de punten van mijn tenen naar de plaats waar ik een regelmatige ademhaling had gehoord. Op ongeveer een meter afstand deed ik het staaflampje aan en liet de lichtstraal precies op de gesloten ogen van de slaper schijnen. Op die manier sliep hij niet lang meer. Hij werd wakker en steunend op een elleboog trachtte hij zijn ogen voor het felle licht te beschermen. Zelfs midden in de nacht op ruwe wijze uit zijn slaap gewekt maakte hij de indruk net tien minuten geleden zijn glanzend zwart haar nog gekamd en geborsteld te hebben. Een heel verschil met mijn haar als ik wakker werd: dat leek dan meer op een zwabber. Hij zei geen woord. Hij leek een verstandige, bekwame vent die precies wist wanneer hij wel dan niet handelend moest optreden en zich realiseerde dat het daar nu zeker niet de tijd voor was.
„Achter deze lantaarn, Kennedy," zei ik, „heb ik een revolver. Waar is die van jou?"
„Wat revolver?" Het klonk niet bang. Hij was ook niet bang.
„Sta op," beval ik. Tot mijn genoegen bleek zijn pyjama niet kastanjebruin te zijn. Ik had die pyjama zelf gekozen kunnen hebben. „Loop naar de deur."Hij deed het. Ik tastte onder zijn kussen.
„Deze revolver," zei ik. Het was een kleine, grijze revolver. „Terug naar je bed en ga op de rand zitten."
Met mijn lantaarn in de linkerhand en de revolver in de rechter liep ik vlug de kamer even door. Eén raam met rode gordijnen. Ze waren gesloten. Ik draaide het licht aan, bekeek de revolver en haalde de veiligheidspal over. De klik was luid en duidde op zaken doen.
„Dus je had geen revolver," zei Kennedy.
„Nu wel."
„Hij is niet geladen."
„Niet zitten zaniken," zei ik moe. „Leg je hem soms onder je kussen om olievlekken op het laken te krijgen? Als die revolver niet geladen was, zou je me wel op mijn nek gesprongen zijn."
De kamer was kennelijk een kamer waarin een man woonde. Schaars, maar goed gemeubileerd. Op de vloer lag een behoorlijk kleed, hoewel niet van de korenveldklasse van dat in de bibliotheek van de generaal. Er stonden twee leunstoelen, een met een kleedje bedekte tafel, een kleine rustbank en een glazen kast. Ik liep naar de kast, opende hem en pakte er een fles whisky en twee glazen uit.
„Als je het goed vindt," zei ik tegen Kennedy.
„Geestig," zei hij koel.
Ik schonk me een stevig glas whisky in. Ik had er behoefte aan. De whisky smaakte precies zoals ze moest smaken, wat eigenlijk zelden het geval is. Ik keek naar Kennedy en hij naar mij.
„Wie ben je?" vroeg hij.
Ik had vergeten dat er slechts ongeveer drie centimeter van mijn gezicht te zien waren. Ik sloeg de kragen van de oliejas en overjas naar beneden en zette mijn hoed af. Die hoed was een spons geworden. Mijn kletsnat haar zat op mijn hoofd geplakt en ik nam aan dat de rode kleur hem niet zou ontgaan. Ik had gelijk. Zijn mond kneep zich samen en aan de blik in zijn ogen zag ik dat hij mij herkend had.
„Talbot," zei hij langzaam. „John Talbot. Demoordenaar."
„Die ben ik," gaf ik toe. „De moordenaar."
Hij bewoog zich niet en bleef me aankijken. Ik veronderstelde dat hij koortsachtig aan het denken was, maar hij liet er niets van blijken en zijn gezicht was even onbewogen als dat van een Indiaan. Zijn bruine, intelligente ogen verraadden hem echter. Er lag een koude woede in.
„Wat wil je, Talbot? Wat doe je hier?"
„Waarom ben je niet aan de haal, bedoel je?"
„Waarom kwam je terug? Sinds dinsdagavond hebben ze je in het huis vast gehouden en God mag weten waarom. Je wist te ontsnappen, maar hoefde er niet iemand voor uit de weg te ruimen. Anders had ik het wel gehoord. Vermoedelijk weten ze er nog niets van. Dan zou ik het namelijk ook wel gehoord hebben. Je bent weg geweest. Je bent in een boot op zee geweest. Ik ruik het en bovendien heb je oliegoed aan. Je bent lang in de regen geweest, want je druipt. Je zou een half uur onder een waterval gestaan kunnen hebben. En nu kom je terug. Je wordt gezocht voor moord en komt terug. Het is krankzinnig."
„Krankzinnig," beaamde ik. De whisky was goed en eindelijk begon ik me weer een beetje mens te voelen. Deze chauffeur was geen stommerd. Hij stond met zijn beide benen op de grond en kon denken. „Even krankzinnig," vervolgde ik, „als het meer dan zonderlinge gezelschap waarbij je in dienst bent."
Hij zei niets. Waarom zou hij iets gezegd hebben? In zijn plaats had ik ook niet met een moordenaar over mijn werkgevers gesproken. Ik probeerde het opnieuw.
„Die juffrouw Mary, de dochter van de generaal, lijkt me nogal een zwerfster, is het niet?"Dat had succes. Kennedy sprong van het bed. Zijn ogen schitterden van woede. Zijn vuisten waren gebald. Hij kwam op me af, maar herinnerde zich plotseling dat ik de revolver op hem gericht hield.
„Zeg dat nog eens, Talbot," fluisterde hij, „maar dan zonder die revolver in je hand."
„Nu schieten we op," zei ik goedkeurend. „Het eerste teken van leven is er eindelijk. Ik herken een duidelijk omschreven mening en daden spreken voor zichzelf. Als ik je gevraagd had wat voor een meisje Mary Ruthven was, zou je je mond stijf dicht gehouden of me verzocht hebben naar de pomp te lopen. Wel… eh… volgens mij is het met die Mary Ruthven inderdaad wel in orde. Ik vind haar zelfs bijzonder aardig."
„Natuurlijk." Ik hoorde een bittere klank in zijn stem. Toch scheen hij ergens iets niet te begrijpen. „Daarom joeg je haar die middag de stuipen op het lijf."
„Dat spijt me heel erg, maar het moest, Kennedy. Ik had er echter een andere reden voor dan jij of de heren hier in dat grote huis denken." Ik dronk mijn glas leeg, keek Kennedy onderzoekend aan en wierp hem dan de revolver toe. „Laten we maar eens praten."
Het verraste hem, maar hij was vlug, heel vlug. Hij ving de revolver behendig op, keek er even naar, keek naar mij, aarzelde, haalde de schouders op en glimlachte flauwtjes.
„Wat meer olievlekken," zei hij, „zullen dat laken geen
kwaad meer doen."
Hij stopte de revolver onder het kussen, liep naar de tafel, schonk twee glazen whisky in en wachtte.
„Het risico dat ik op het ogenblik neem," zei ik, „is kleiner dan je denkt. Ik hoorde dat Vyland de generaal en Mary trachtte over te halen je de laan uit te mikken. Ik kon hieruit opmaken dat je een mogelijk gevaar voor Vyland, de generaal en anderen betekent. Het zal je niet precies bekend zijn wat zich in het huis afspeelt, neem ik aan. Toch weet je dat er iets aan de hand is."
Hij knikte.
„Ik ben alleen maar de chauffeur. Wat zeiden ze tegen Vyland?"
Aan zijn toon hoorde ik dat Vyland geen vriend van hem was.
„Ze hielden voet bij stuk en weigerden."
Hoewel hij het probeerde te verbergen, zag ik dat het hem plezier deed.
„Niet zo lang geleden," ging ik verder, „schijn je de Ruthvens een grote dienst bewezen te hebben. Je knalde twee bandieten neer die Mary trachtten te ontvoeren."
„Ik had geluk." Waar het snelheid en kracht betrof, zou hij altijd wel geluk hebben. „In de eerste plaats ben ik lijfwacht en geen chauffeur. Voor iemand die snel en gemakkelijk een miljoen wil verdienen, vormt juffrouw Mary een grote verleiding. Overigens ben ik op het ogenblik geen lijfwacht meer."
„Ik heb je opvolger ontmoet," zei ik. „Valentino. Hij is niet eens in staat om een lege kinderkamer te bewaken."
„Valentino?" Hij grinnikte. „Hij heet Al Gunther, maar Valentino past beter bij hem. Je deed zijn arm pijn, is het niet?"
„En hij mijn been. Het is bont en blauw." Ik keek hem aan. „Ben je vergeten dat je met een moordenaar praat, Kennedy?"
„Je bent geen moordenaar."
Hij zweeg en staarde naar de vloer.
„Zit agent Donnelly je dwars?" vroeg ik.
Kennedy knikte zonder iets te zeggen.
„Donnelly is net zo gezond als jij," stelde ik hem gerust. „Misschien zal hij wat moeite hebben om de kruitvlekken uit zijn broek te wassen, maar meer schade heeft hij niet geleden."
„Verlakkerij?" informeerde hij zacht.
„Je hebt over me in de kranten gelezen." Ik wees op een stapeltje dagbladen op de tafel. Ik was nog steeds nieuws van de voorpagina en de tweede foto leek nog slechter dan de eerste. „De rest zal je wel van Mary gehoord hebben. Gedeeltelijk is wat je gelezen en gehoord hebt volkomen waar, gedeeltelijk volkomen gelogen. Mijn naam is inderdaad John Talbot en zoals de rechter voorlas, ben ik een deskundige op het gebied van bergingswerkzaamheden. Op alle plaatsen die genoemd werden, ben ik geweest, behalve Bom- bay. Met misdaden heb ik me echter nooit opgehouden. Vyland en de generaal hebben zich wat dit betreft bijzonder wantrouwend getoond en zonden telegrammen naar hun relaties in Nederland, Engeland en Venezuela. Door de olie heeft de generaal daar natuurlijk contacten genoeg. Ze wilden mijn bona fides controleren. Ik geloof wel dat ze voldaan zullen zijn. Aan de onderbouw van deze zaak hebben we namelijk heel wat tijd besteed."
„Hoe weet je dat ze telegrammen verzonden hebben?"
„In de afgelopen twee maanden werden alle uit Marble Springs verzonden overzeese telegrammen onderschept. Ze waren allemaal van de generaal en in code natuurlijk. Daar had hij volkomen het recht toe. Nu woont er naast het postkantoor heel toevallig een oud mannetje uit Washington. Hij is een codegenie om het zo eens te noemen en vindt de generaal maar zeer kinderlijk."
Ik stond op en begon de kamer op en neer te lopen. De uitwerking van de whisky was verdwenen en ik voelde me koud als een natte bot.
„Ik wilde het naadje van de kous weten. Tot dusver tastten we in het duister, maar om bepaalde redenen wisten we dat de generaal zat te springen om een deskundige als ik."
„Wie zijn die we?" Kennedy was nog niet helemaal overtuigd.
„Vrienden van me en ik. Maak je geen zorgen, Kennedy, want ik heb de wet volkomen aan mijn kant. Het gaat niet om mezelf. Om de generaal in het aas te laten bijten, moesten we van zijn dochter gebruik maken. Ze weet overigens nergens van. Rechter Mollison is bevriend met de Ruthvens en we spraken af dat hij Mary voor het eten zou uitnodigen. Hij stelde haar voor in de rechtszaal op hem te wachten."
„Dus rechter Mollison zit ook in dit komplot."
„Inderdaad. Je hebt hier een telefoon en een telefoonboek. Wil je hem opbellen?"
Kennedy schudde het hoofd.
„Mollison," vervolgde ik, „en ongeveer tien agenten. Er werd hun de strengste geheimhouding opgelegd. Als ze hun mond voorbij praten, zijn ze hun baantje kwijt. De enige hierin betrokken burger is de chirurg die Donnelly zogenaamd opereerde en de akte van overlijden tekende. De man had weliswaar last van zijn geweten, maar ik wist hem ten slotte om te praten."
„Verlakkerij," mompelde Kennedy, „en ik trapte erin."
„Dat deed iedereen en het was ook de bedoeling. Valse rapporten van de Interpol en de politie op Cuba. Met medeweten van de autoriteiten natuurlijk. Losse patronen in de Colt van Donnelly. Zogenaamde wegversperringen en een zogenaamde achtervolging door de politie…"
„Maar hoe zit het dan met die kogel door de voorruit?"
„Ik zei Mary op de vloer van de wagen te gaan zitten en schoot zelf die kogel door de voorruit. Voor de auto en de lege garage was gezorgd. Jablonsky speelde ook mee."
„Mary heeft me over Jablonsky verteld," zei Kennedy langzaam. Het ontging me niet dat hij 'Mary' zei en geen 'juffrouw Mary'. Misschien betekende het niets, misschien dacht hij op die manier aan haar. „Een ontslagen politieman die in de gevangenis heeft gezeten. Is dat ook allemaal verlakkerij?"„Allemaal verlakkerij," beaamde ik. „We hebben hier meer dan twee jaren aan gewerkt. We moesten een man hebben die het Caribisch gebied van achter naar voren kende. Dat was Jablonsky. Geboren en getogen op Cuba. Het was Jablonsky die op het denkbeeld kwam voor een valse aanklacht tegen zichzelf te zorgen. Zeer handig. Het verklaarde niet alleen het plotseling verdwijnen van een van de beste politiemensen van het land, maar gaf hem tevens een introductie voor de zelfkant van de maatschappij als dat noodzakelijk mocht blijken. De laatste achttien maanden zijn Jablonsky en ik samen in het Caribisch gebied aan het werk geweest."
„Dat was een risico, is het niet? In Cuba kom je de halve misdadigerswereld van de Verenigde Staten tegen en de kans om…".
„Hij was vermomd," onderbrak ik geduldig. „Hij had een baardje, een snor, droeg een bril, zijn haar was geverfd en zelfs zijn eigen moeder zou hem niet herkend hebben."
Lang bleef het stil. Dan zette Kennedy zijn glas neer en keek me strak aan. „Waar gaat het om, Talbot?"
„Het spijt me, maar dat kan ik je niet zeggen. Je zal me moeten vertrouwen. Hoe minder er bekend wordt, hoe beter het is. Mollison en de politiemensen zijn evenmin op de hoogte. Ze kregen alleen maar hun bevelen."
„Is het zó belangrijk?" vroeg hij.
„Heel belangrijk. Geen vragen, Kennedy. Wel heb ik echter je hulp nodig. Als je niet bang bent dat Mary iets gaat overkomen, is het meer dan tijd dat je het wordt. Ik geloof niet dat ze precies weet wat zich tussen de generaal en Vyland afspeelt, maar ik ben ervan overtuigd dat ze in gevaar verkeert. Groot gevaar. Levensgevaar. Ik sta tegenover grote jongens en het gaat hen om een grote inzet. Ze hebben er al acht keer voor gedood. Misschien zelfs meer, maar van die acht keer ben ik zeker. Als je hierin betrokken wordt, loop je het risico met een kogel in je rug je einde te vinden. En toch vraag ik het je. Ik heb er het recht niet toe, maar doe het. Wat zal het zijn?"
Hij was iets bleker geworden, maar niet veel. Mijn laatste woorden bevielen hem helemaal niet, maar als zijn handen beefden, kon ik het niet zien.
„Je bent een handige vent, Talbot," zei hij langzaam, „misschien wel te handig. Ik weet het niet. In ieder geval zou je me dit niet verteld hebben, als je niet vrijwel zeker wist dat ik het zou doen. Het gaat dus om een grote inzet. Wel, ik geloof dat ik zin heb om mee te spelen."
Ik verknoeide geen tijd aan bedankjes of gelukwensen. Iemand die zijn hoofd in de strop steekt, wens je trouwens geen geluk.
„Ik wil dat je bij Mary blijft," zei ik. „Waar ze ook heen gaat, jij gaat mee. Ik weet zo goed als zeker dat we vanmorgen allemaal naar de boortoren gaan. Mary ook. Ze zal geen keus hebben, maar jij gaat met haar mee."
Hij wilde iets zeggen, maar ik hief mijn hand op.
„Jazeker, ik weet dat je dat baantje kwijt bent. Ga vanmorgen heel vroeg met een smoesje naar het huis. Zie Mary te pakken te krijgen en vertel haar dat Valentino in de loop van de morgen een klein ongelukje zal overkomen en dat zij…"
„Wat bedoel je met een klein ongelukje?"„Maak je geen zorgen," zei ik grimmig. „Met dat ongelukje komt het best in orde. In de naaste toekomst zal hij het zó moeilijk hebben, dat hij zeker niet meer op een ander zal kunnen passen. Zeg tegen Mary dat ze erop moet aandringen dat jij terugkomt. Als ze er herrie over maakt, wint ze het. De generaal zal geen bezwaar hebben en Vyland ook niet: het is namelijk maar voor een dag en overmorgen interesseert het hem weinig wie er op Mary past. Vraag me niet hoe ik dat weet, want ik weet het niet, maar reken erop. Hoe het ook zij: Vyland zal denken dat Mary je wil terughebben omdat ze, naar hij althans gelooft, een zacht plekje in haar hart voor je heeft." Het gezicht van Kennedy bleef even onbewogen als altijd. „Of het waar is," ging ik verder, „weet ik niet en het gaat me niet aan. Ik zeg je alleen maar wat Vyland volgens mij zal denken en dat is de reden dat hij op het voorstel van Mary zal ingaan. Bovendien vertrouwt hij je niet en heeft hij je liever op de boortoren waar hij je in het oog kan houden."
„Best." Het was of ik dit ijskoude heerschap voor een gezellige wandeling had uitgenodigd. „Ik zal het Mary zeggen en speel het spel mee zoals jij het hebt uitgestippeld." Nadenkend staarde hij even voor zich uit. „Je zei me," vervolgde hij dan, „dat het risico groot is, maar ik doe het uit vrije wil. Heb ik daardoor niet het recht op wat meer eerlijkheid van jouw kant?"
„Ben ik oneerlijk geweest?"
Ik was niet boos, maar begon wel erg moe te worden.
„In zover dat je iets achterhoudt. Je wilt dat ik op de dochter van de generaal pas. Vergeleken bij waar het werkelijk om gaat, Talbot, is de veiligheid van Mary je geen cent waard. Anders had je haar heus niet teruggebracht. Ze verkeert in levensgevaar volgens jou, maar dan heb jij haar dat gevaar weer laten lopen, Talbot. Goed, je wilt dat ik een oogje op haar houd, maar je wilt ook nog wat anders van me, is het niet?" Ik knikte.
„Dat klopt. Vergeet niet dat mijn handen letterlijk gebonden zijn. Ik ga als een gevangene met deze zaak verder. Daarom moet er iemand zijn die ik kan vertrouwen. En ik vertrouw jou."
„Je kan Jablonsky vertrouwen."
„Jablonsky is dood."
Zwijgend staarde hij me aan. Dan pakte hij de fles en schonk onze glazen in. In het gebruinde gezicht vormde zijn mond een smalle, witte lijn.
„Zie je dit?" Ik wees op mijn bemodderde schoenen. „Dat is de aarde van het graf van Jablonsky. Voordat ik hier kwam, gooide ik het dicht. Nog geen kwartier geleden. Ze schoten hem door het hoofd met een kleine revolver. Precies tussen de ogen. Hij glimlachte, Kennedy. In het aanzien van de dood glimlacht een mens niet. Jablonsky zag die dood niet. Hij werd in zijn slaap vermoord."
Ik vertelde hem in het kort wat er gebeurd was sinds ik het huis had verlaten, ook over mijn tocht met de sponzenvisser naar de X-13 en de gebeurtenissen in de moestuin.
„Royale?" vroeg hij toen ik uitgesproken was.
„Royale!" zei ik.
„Je zal het nooit kunnen bewijzen."
„Dat is niet nodig." Ik besefte nauwelijks wat ik zei. „Royale komt niet voor de rechter. Jablonsky was mijn beste vriend."
Hij begreep me.
„Had ik je maar nooit ontmoet, Talbot," zei hij zacht.
Ik dronk mijn whisky op. Uitwerking had de drank niet meer. Ik voelde me oud, vermoeid, leeg en dood.
„Wat ga je nu eerst doen?" hoorde ik Kennedy vragen.
„Droge schoenen, sokken en droog ondergoed van je lenen. Dan ga ik terug naar het huis, naar mijn kamer, probeer mijn kleren droog te krijgen, boei mezelf weer met de handboeien aan het bed en gooi de sleutels weg. In de morgen zullen ze naar me komen kijken."
„Je bent gek," fluisterde hij. „Waarom zouden ze Jablonsky vermoord hebben, denk je?"
„Ik weet het niet."„Dat moet je weten. Ze vermoordden hem omdat ze ontdekten wie hij was en wat hij op het oog had. Ze vermoordden hem omdat ze achter het verraad kwamen. En als ze het van Jablonsky wisten, moeten ze het ook van jou weten. Ze zullen je in die kamer opwachten, Talbot. Ze weten dat je terugkomt, omdat ze er geen idee van hebben dat je Jablonsky vond. Zodra je over de drempel van die kamer stapt, krijg je een kogel door je hoofd. Lieve God, begrijp je dat dan niet?"
„Dat heb ik al heel lang begrepen. Misschien weten ze alles van me af, misschien niet. Er is zoveel dat me niet bekend is. Maar misschien vermoorden ze me niet - nog niet!" Ik stond op. „Dan ga ik nu maar terug."
Even dacht ik dat hij zou proberen me met geweld tegen te houden, maar iets in mijn gezicht moest hem van besluit veranderd doen hebben. Hij legde zijn hand op mijn arm. „Hoeveel betalen ze je hiervoor, Talbot?" „Een paar stuiver." „En de beloning?" „Geen beloning."
„Maar waarom steekt een man als jij dan zijn hoofd in de strop?"
Er lag een verbijsterde uitdrukking op zijn knap gezicht. Hij begreep het niet en ik begreep het zelf ook niet.
„Ik weet het niet," zei ik. „Of ja… toch wel. Vandaag of
morgen zal ik het je vertellen."
„Je zal nooit iemand meer iets vertellen," voorspelde hij
somber, „omdat je dood zal zijn." Ik kreeg droge schoenen en kleren van hem, nam afscheid en ging weg.