Hoofdstuk 6
Precies om twee uur in de morgen meerde kapitein Zaimis zijn
sponzenvisser aan de steiger waar hij me aan boord had genomen. De
hemel was zwart en de nacht zó donker dat ik land nauwelijks van
water kon onderscheiden. De regen kletterde met het lawaai van een
trommelvuur op het dak van de kajuit. Ik moest echter van boord en
meteen. Ik moest onopgemerkt het huis weer zien binnen te komen. Ik
moest met Jablonsky praten en mijn kleren droog proberen te
krijgen. Mijn bagage bevond zich nog in het motel en ik kon maar
over één pak beschikken. Dat diende voor de volgende morgen droog
te zijn. Ik kon er namelijk niet op rekenen om zoals de vorige dag
pas tegen de avond iemand te zien te krijgen. De generaal had
gezegd dat hij me binnen zesendertig uur de aard van het karwei zou
mededelen en om acht uur 's morgens zouden die zesendertig uur
verstreken zijn. Om me zoveel mogelijk tegen de regen te beschutten
leende ik oliegoed van Andrew en trok dat over mijn eigen regenjas
aan. De oliejas was een paar maten te klein en gaf me het gevoel
dat ik in een dwangbuis geperst zat. Ik nam afscheid, bedankte
kapitein en bemanning voor wat ze voor me gedaan hadden en
verdween.
Om kwart over twee en na even bij een telefooncel gestopt te
hebben, parkeerde ik de Corvette waar ik hem gevonden had en
baggerde langs de weg in de richting van de oprijlaan van het huis
van de generaal. Die weg bleek geen trottoirs te hebben. De mensen
die dit zeer exclusieve gedeelte van de kuststreek bewoonden,
hadden geen behoefte aan trottoirs. De goten waren gezwollen
riviertjes geworden en het modderwater spoelde over mijn schoenen.
Ik vroeg me af hoe ik die schoenen op tijd droog zou moeten
krijgen.
Ik liep voorbij de portierswoning waar de chauffeur woonde,
naar ik althans veronderstelde, en dan ook voorbij de oprijlaan.
Die was overdadig verlicht en het zou niet verstandig geweest zijn
om bij al dat licht over het hek te klimmen. Bovendien bestond
altijd de mogelijkheid dat er een alarminstallatie op dat hek zou
zijn aangebracht. Ik achtte de heren in het huis van de generaal
overal toe in staat. Dertig meter voorbij de oprijlaan kroop ik
door een nagenoeg onzichtbaar gat in de twee meter hoge heg die om
het landgoed liep. Ongeveer drie meter achter die heg verhief zich
een twee en een halve meter hoge muur met op de rand van
gastvrijheid getuigende in het cement gestoken glasscherven. De heg
die de muur aan het oog onttrok noch de muur zelf was voor een
landgoed als dat van de generaal iets bijzonders. Al zijn buren
bezaten geld genoeg om de bescherming van hun afzondering tot een
zaak van groot gewicht te maken. Achter heggen oprijzende muren om
diegenen af te schrikken die te verlegen waren om door de
hoofdingang naar binnen te gaan, schenen iets heel gewoons in deze
streek te zijn. Het aan de knoestige tak van een eik aan de andere
kant van de muur geknoopte touw bleek er nog steeds te zijn en
zwaar gehinderd door de veel te nauwe oliejas hees ik me over de
muur, klom in de eik om het touw los te maken en verborg het onder
een bloot liggende wortel. Ik verwachtte weliswaar niet het touw
nog eens te moeten gebruiken, maar je kon nooit weten. In ieder
geval wist ik wel dat het niet door een van Vylands speelkameraden
gevonden mocht worden. Wél iets bijzonders voor het landgoed van de
generaal was de afrastering ongeveer zes meter achter de muur. Een
afrastering bestaande uit vijf draden. De bovenste drie waren van
prikkeldraad. Een verstandig mens zou de op een na onderste draad
opgelicht en de alleronderste naar omlaag geduwd hebben om op die
manier bukkend door de opening te kunnen glippen, maar dank zij
Jablonsky was het me bekend dat een druk op een van de onderste
twee draden een alarmschei in werking stelde en daarom klom ik met
veel moeite over de afrastering heen wat gepaard ging met
scheurende geluiden die ik gemakkelijk kon verklaren. Als ik hem
het kledingstuk ooit nog kon teruggeven, zou Andrew niet veel nut
meer van zijn oliejas hebben. Onder de dicht bij elkaar staande
bomen was het bijna volkomen donker. Ik had het staaflampje bij me,
maar durfde het niet te gebruiken. Ik moest op mijn geluk en
instinct vertrouwen, om de moestuin die links van het huis lag
heenlopen en de brandtrap aan de achterkant zien te bereiken. Het
was om en nabij tweehonderd meter en een kwartier zou ik er zeker
wel voor nodig hebben. Ik sloop geruisloos verder zoals de butler
met de gebroken neus het gedaan meende te hebben toen hij Jablonsky
en mij in de slaapkamer achterliet, maar in tegenstelling met hem
had ik het voordeel niet aan platvoeten en adenoïden te lijden. Met
beide armen voor me uitgestrekt liep ik voorzichtig door. Tot ik
met mijn hoofd tegen een boom botste en leerde om mijn armen niet
gespreid voor me uit te houden. De druipende slingerplanten streken
met hun natte ranken langs mijn gezicht en op de grondlagen
honderden twijgen en gebroken takken. Ik liep niet, maar
schuifelde. Ik tilde mijn voeten niet op, maar schoof ze om beurten
heel langzaam en voorzichtig naar voren, duwde alles opzij wat ik
op mijn pad tegenkwam en bracht pas mijn gewicht op de voorste voet
over als ik er zeker van was dat zich niets onder die voet bevond
dat zou kunnen kraken of breken. Ik moet zeggen dat ik inderdaad
vrijwel geruisloos te werk ging. Het bleek noodzakelijk te zijn
ook. Na tien minuten namelijk, juist toen ik me begon af te vragen
of ik misschien de verkeerde richting was ingeslagen, zag ik door
de bomen en de sluiers van regen plotseling een flauw
lichtschijnsel. Dan ineens was het weer verdwenen. Ik had het me
kunnen verbeelden, maar dat soort verbeelding bezit ik niet. Ik
bewoog me nog langzamer voort dan eerst, drukte mijn hoed diep over
mijn ogen, sloeg mijn kraag hoog op zodat ook maar de minste
glinstering niet mijn gezicht kon verraden en zelfs een meter van
me vandaan zou niemand het geritsel van de zware oliejas gehoord
kunnen hebben. Ik vervloekte die slingerplanten. De ranken wonden
zich om mijn gezicht en ik moest mijn ogen sluiten op het moment
dat ogen sluiten mijn laatste daad op aarde had kunnen zijn.
Bovendien benamen ze me alle zicht tot ik er ten slotte het meest
voor voelde om maar op mijn knieën kruipend verder te gaan. Ik deed
het echter niet, omdat dan het gekraak van de oliejas me verraden
zou kunnen hebben. Opnieuw zag ik dat vage lichtschijnsel. Het
bevond zich misschien negen meter van me vandaan, wees echter niet
in mijn richting, maar wel op iets op de grond. Ik deed twee
geruisloze stappen naar voren om nauwkeurig te kunnen zien waar het
lichtschijnsel voor diende en ontdekte dat mijn navigatie in het
aardedonker zeer goed was geweest. De moestuin was omgeven door een
houten hek en ik liep er recht tegen aan. Het gaf een klap alsof de
deur van een kerker werd dichtgeslagen. Ik hoorde een onderdrukte
kreet, het licht ging uit, even bleef het stil en dan ging de
lantaarn weer aan. Nu was het licht niet meer op de grond gericht,
maar dwaalde en zocht het de moestuin af. Degene die de lantaarn
vasthield was zo zenuwachtig als een juffershondje, want anders had
ik in minder dan drie seconden in het licht gevangen moeten zijn.
Nu echter bewoog de lichtstraal zich beverig en onzeker heen en
weer en kreeg ik tijd om onhoorbaar een stap achteruit te doen.
Tijd voor meer dan die stap werd me niet gegund. Zover het mogelijk
is met een in de buurt staande eik te versmelten, versmolt ik met
een in de buurt staande eik. Ik drukte me tegen die eik aan alsof
ik de boom omver wilde duwen en wenste vurig dat ik een revolver
had.
„Geef mij die lantaarn." De koude, zachte stem was
onmiskenbaar die van Royale. De lichtstraal aarzelde, kwam dan tot
rust en werd weer op de grond gericht. „Doorgaan! Vooruit!"
„Maar ik hoorde iets, mijnheer Royale." De stem van Larry kwam
niet boven een bevend gefluister uit. „Ginds. Ik weet het
zeker."
„Ik ook, maar het is in orde." Met een stem als die van
Royale, met niet meer warmte als in een champagnekoeler, is het
moeilijk om iemand op zijn gemak te stellen, maar de man deed zijn
best. „In het donker zijn de bossen vol geluiden. Een warme dag, 's
avonds een koude regen, krimpen en het barst van de geluiden.
Opschieten! Wil je hier de hele nacht in de regen blijven
staan?"
„Luistert u nu even, mijnheer Royale." Het gefluister klonk nu
wanhopig. „Ik vergiste me niet. Heus niet. Ik hoorde…"
„Sloeg je vanavond je portie sneeuw over?" onderbrak Royale de
jongen wreed. De poging en inspanning om vriendelijk te zijn waren
te veel voor hem geweest. „Waarom zit ik in godsnaam opgescheept
met een vent als jij? Houd je mond en ga verder."Larry hield zijn
mond. Sinds ik Larry had gezien, was ik me ergens over gaan
verbazen. Zijn gedrag, het feit dat hij door Vyland en de generaal
geduld werd, de vrijheden die hij zich kon veroorloven en bovenal
zijn aanwezigheid in het huis - dit alles had mijn nieuwsgierigheid
gaande gemaakt. Misdadige organisaties die het om een grote inzet
te doen is - en dat was hier zeker het geval - kiezen hun
medewerkers gewoonlijk met evenveel zorg en overleg als een groot
concern zijn topmensen. Met nog meer zorg en overleg zelfs. Een
nonchalant foutje, een onvoorzichtigheid van de kant van een
topfiguur zullen een groot concern de das niet omdoen, maar kunnen
wel een door misdadigers ontworpen plan doen mislukken. Grote
misdaden zijn grote zaken. Grote misdadigers zijn grote zakenlui
die zich met even grote zorg en pijnlijke nauwkeurigheid van hun
taken kwijten als hun meer de wet eerbiedigende collega's. Als het
onverhoopt nodig mocht blijken om concurrenten of gevaar
opleverende personen uit de weg te ruimen, dan werd dat
toevertrouwd aan beleefde, rustige lieden als bijvoorbeeld Royale,
maar Larry was voor hen van evenveel nut als een lucifer in een
kruitmagazijn.
Ze bevonden zich met hun drieën in die hoek van de moestuin.
Royale, Larry en de butler wiens plichten een groter gebied
bestreken dan normaal gesproken van een butler in een deftig
landhuis verwacht kon worden. Larry en de butler waren met schoppen
aan het werk. Eerst dacht ik dat ze aan het graven waren. Royale
had het licht van de lantaarn namelijk met zijn hand afgeschermd en
bovendien kon ik door de regen weinig onderscheiden, maar ten
slotte, meer op mijn oren dan ogen vertrouwend, begreep ik dat ze
een kuil aan het dichtgooien waren. Ik grinnikte in het donker. Ik
wilde er een groot bedrag om verwedden dat ze iets waardevols aan
het begraven waren, iets dat daar niet lang onder de grond zou
blijven. Een moestuin was bepaald geen ideale plaats voor het
verbergen van een schat. Drie minuten later waren de heren klaar.
Iemand harkte de dichtgegooide kuil aan - ik veronderstelde dat ze
in een pas omgespit en geharkt groentebed aan het graven waren
geweest - en daarna begaven ze zich met hun drieën naar een
schuurtje om de schoppen en de hark weg te brengen. Vlak daarop
kwamen ze zacht pratend weer naar buiten. Royale liep voorop met de
lantaarn. Ze gingen een hekje door en nog geen vijf meter van me
vandaan, maar ik had inmiddels dekking achter een dikke boom
gevonden. Ze liepen het pad naar de voorkant van het huis op. Het
geluid van de mompelende stemmen verstierf. De voordeur werd
geopend en er viel licht op de veranda. Dan hoorde ik hoe iemand de
voordeur weer sloot en grendelde. Toen werd het stil.Ik bewoog me
niet. Ik bleef waar ik was en haalde zo voorzichtig mogelijk adem.
De regen verdubbelde zijn geweld. De bladeren van de boom gaven me
niet meer beschutting dan een dun gazen doekje, maar ik bewoog me
niet. Het water stroomde in mijn oliejas en overjas en droop langs
mijn rug en benen. Maar ik bewoog me niet. Het water liep in mijn
schoenen, maar ik bewoog me niet. Ik voelde dat ik tot aan mijn
enkels in de modder zakte, maar bewoog me niet. Ik bleef waar ik
was - een uit ijs gehouwen gestalte, maar kouder. Mijn handen waren
verkleumd, mijn voeten bevroren en elke paar seconden werd ik
overvallen door rillingen die ik niet kon bedwingen. Ik had alles
willen geven om me te kunnen bewegen. Ik deed het niet. Alleen mijn
ogen bewogen. Aan luisteren had ik weinig, want met het gehuil van
de nog steeds toenemende wind door de bovenste takken van de bomen
en het geruis van de regen op de bladeren was een voetstap zelfs op
een afstand van drie meter nog niet hoorbaar geweest. Maar na drie
kwartier onbeweeglijk wachten, waren mijn ogen gewend geraakt aan
het donker en had ik op die drie meter afstand zeker wel iets
kunnen zien bewegen. En dat zag ik ook. Een beweging, maar geen
achteloze beweging. Voorzichtig en behoedzaam. Vermoedelijk waren
het een onverwachte windvlaag en nieuwe waterhoos geweest die een
einde hadden gemaakt aan het geduld van de schaduw die zich nu uit
de dekking van een boom verwijderde en geruisloos naar het huis
sloop. Als ik met pijnlijke ogen van het staren niet voortdurend
had staan opletten, zou ik die schaduw gemist hebben, want horen
deed ik hem niet. Het was een zich onhoorbaar voortbewegende
schaduw. Een stille, doodgevaarlijke man» Royale. Wat hij tegen
Larry had gezegd was bluf geweest om een eventuele luisteraar om de
tuin te leiden. Royale had wel degelijk een geluid gehoord. Genoeg
geluid om zich af te vragen of er iemand in de buurt zou zijn.
Afvragen - meer niet. Als Royale er namelijk zeker van was geweest,
zou hij hier de hele nacht gewacht hebben om in te kunnen grijpen.
En hoe! Ik zag me in de moestuin, nadat de andere drie daaruit
verdwenen waren, om een schop te pakken en een onderzoek in te
stellen. Alleen die gedachte al maakte me kouder dan ooit. Ik zag
me over het gat in de grond gebukt staan, dan het sluipend naderen
van Royale en een kogel uit een.22 revolver in mijn schedel. Toch
moest ik aan die schop zien te komen en een onderzoek instellen.
Het leek er nu het meest geschikte ogenblik voor, want de regen
viel met bakken uit de hemel en de nacht was donker als een
graftombe. Onder deze omstandigheden scheen het niet waarschijnlijk
dat Royale zou terugkomen, hoewel ik hem er wel toe in staat
achtte. En zelfs al kwam hij inderdaad terug, dan zou hij zich in
ieder geval duidelijk tegen het licht van de gang aftekenen en
kostte het hem op zijn minst den minuten om zijn ogen weer aan het
bijna volkomen donker gewend te doen raken voordat hij het zou
wagen opnieuw in de moestuin te gaan. Dat hij geen lantaarn zou
durven gebruiken, was vrijwel zeker. Verkeerde hij namelijk in de
mening dat zich nog steeds een indringer op het terrein bevond, dan
verkeerde hij natuurlijk ook in de mening dat die indringer het
graven had gadegeslagen zonder iets te ondernemen en in dat geval
moest die indringer een voorzichtig en gevaarlijk iemand zijn - een
lantaarn in de hand zou bij zo'n man smeken om een kogel in de rug
betekenen. Royale kon niet weten dat die indringer geen revolver
bezat.
Ik meende aan tien minuten genoeg te hebben om te ontdekken
wat ik wilde weten. In de eerste plaats moest het begraven van iets
in een moestuin maar tijdelijk zijn en verder leken me Larry en de
butler geen lieden om vermaak in spitten en graven te stellen of
ook maar een centimeter dieper te graven dan strikt noodzakelijk
was. Ik bleek het goed gezien te hebben. Ik vond een schop in het
schuurtje, zocht met behulp van een speldepuntje licht van het
staaf- lampje de pas omgespitte plek op en in vijf minuten had ik
een laag van ongeveer een decimeter aarde van een witte pakkist
geschept. De kist lag wat scheef in de grond. De op mijn rug en het
deksel van de kist stromende regen waste het deksel binnen een
minuut volkomen schoon en het modderwater droop van de kist.
Behoedzaam knipte ik de lamp weer aan. Geen naam en geen merken
duidden op de inhoud van deze pakkist. Aan elke kant had hij een
handvat van touw. Ik pakte een van die handvatten en begon te
trekken. De kist was echter meer dan anderhalve meter lang en
scheen met stenen gevuld te zijn. Bovendien was de aarde rond het
gat doordrenkt van water en zó zacht geworden dat mijn hakken
erdoor zakten en ik halfin de kuil gleed. Zorgvuldig onderzocht ik
nog steeds bijgelicht door het met mijn hand afgeschermde schijnsel
van de staaflamp het deksel. Ik ontdekte geen zware schroeven of
ijzeren krammen. De kist bleek gesloten te zijn met aan elke zijde
twee spijkers. Met de schop en onder snerpend en krassend protest
van de spijkers wist ik het deksel een halve meter omhoog te
krijgen en richtte het licht van de lantaarn in de gapende
opening.
Zelfs in de dood glimlachte Jablonsky nog. Het was een scheve
en verwrongen glimlach zoals ook Tablonsky's lichaam verwrongen was
omdat het anders niet in de kist had gepast. Maar in ieder geval
glimlachte hij. Er lag een rustige, vredige uitdrukking op zijn
gezicht en in het gaatje tussen zijn ogen had een dun potlood
gekund. Een gaatje dat gemaakt had kunnen zijn door de kogel uit
een.22 revolver. Op het water had ik die nacht tweemaal aan een
rustig slapende Jablonsky gedacht. Hij had inderdaad geslapen. Hij
had uren geslapen. Zijn huid was koud als marmer. Ik nam niet de
moeite de zakken van de dode man na te gaan.
Royale en Vyland zouden dat al gedaan hebben. Bovendien wist
ik dat Jablonsky niets belastends bij zich had gehad. Niets dat
geduid kon hebben op de werkelijke reden van zijn aanwezigheid
hier. Niets dat me had kunnen verraden. Ik veegde de regen van het
dode gezicht, deed het deksel dicht en sloeg er met de steel van de
schop weer heel zachtjes de spijkers in. Ik had een gat in de grond
geopend en nu sloot ik een graf. Royale kon van geluk spreken dat
ik hem op dat moment niet tegen het lijf liep. Ik bracht de schop
naar het schuurtje terug en verliet de moestuin.
Ik zag geen licht aan de achterkant van de porderswoning. Wel
een deur en twee benedenramen - het huis had maar één verdieping -
en alles was gesloten. Ik had het verwacht, want op dit landgoed
stond nooit iets open. De garage bleek echter niet gesloten te
zijn. Niemand zou het namelijk in zijn hoofd halen om er met twee
Rolls-Royces vandoor te gaan, zelfs als de booswicht door het
elektrisch opengaand en sluitend hek had kunnen komen. De garage
paste precies bij de beide Rolls-Royces: de werkbank en de
gereedschappen waren de droom van een doe-het-zelf geestdriftige.
Ik verknoeide twee prima beitels, maar wist er toch een van de
ramen mee te forceren. Het leek me niet waarschijnlijk dat zich een
alarminstallatie in de portierswoning zou bevinden, maar nam geen
risico, trok het bovenraam naar beneden en klom naar binnen. Als
een raam van alarmdraad is voorzien, wordt er meestal op gerekend
dat de insluiper een soort gewoontedier is dat altijd maar weer het
benedenraam openschuift om binnen te klimmen en bovendien werkt een
doorsnee elektricien liever op de hoogte van zijn middel dan boven
zijn hoofd. In dit geval ontdekte ik dat hier inderdaad een
doorsnee elektricien aan het werk was geweest. De portierswoning
was van een alarminstallatie voorzien. Ik kwam niet op een slaper
in een slaapkamer terecht en gooide evenmin potten en pannen in een
keuken van de plank. Het werd me bespaard omdat ik een kamer met
matglas had uitgekozen en ik wilde er alles om verwedden dat het de
badkamer moest zijn. Het was zo.
In de gang liet ik het licht van mijn staaflampje over de
muren dwalen. De portierswoning was zeer eenvoudig ontworpen. De
gang vormde de verbinding tussen achter- en voordeur. Er kwamen
twee kamers op uit. Meer niet. Het vertrek tegenover de badkamer
bleek de keuken te zijn. Ik vond er niets. Behoedzaam en zonder
geluid te maken zover mijn soppende schoenen het me althans
veroorloofden, liep ik op mijn tenen naar de deur aan mijn
linkerkant, draaide de knop voorzichtig om en sloop geruisloos naar
binnen. Hier moest ik zijn. Ik sloot de deur en bewoog me nog hoger
op de punten van mijn tenen naar de plaats waar ik een regelmatige
ademhaling had gehoord. Op ongeveer een meter afstand deed ik het
staaflampje aan en liet de lichtstraal precies op de gesloten ogen
van de slaper schijnen. Op die manier sliep hij niet lang meer. Hij
werd wakker en steunend op een elleboog trachtte hij zijn ogen voor
het felle licht te beschermen. Zelfs midden in de nacht op ruwe
wijze uit zijn slaap gewekt maakte hij de indruk net tien minuten
geleden zijn glanzend zwart haar nog gekamd en geborsteld te
hebben. Een heel verschil met mijn haar als ik wakker werd: dat
leek dan meer op een zwabber. Hij zei geen woord. Hij leek een
verstandige, bekwame vent die precies wist wanneer hij wel dan niet
handelend moest optreden en zich realiseerde dat het daar nu zeker
niet de tijd voor was.
„Achter deze lantaarn, Kennedy," zei ik, „heb ik een revolver.
Waar is die van jou?"
„Wat revolver?" Het klonk niet bang. Hij was ook niet
bang.
„Sta op," beval ik. Tot mijn genoegen bleek zijn pyjama niet
kastanjebruin te zijn. Ik had die pyjama zelf gekozen kunnen
hebben. „Loop naar de deur."Hij deed het. Ik tastte onder zijn
kussen.
„Deze revolver," zei ik. Het was een kleine, grijze revolver.
„Terug naar je bed en ga op de rand zitten."
Met mijn lantaarn in de linkerhand en de revolver in de
rechter liep ik vlug de kamer even door. Eén raam met rode
gordijnen. Ze waren gesloten. Ik draaide het licht aan, bekeek de
revolver en haalde de veiligheidspal over. De klik was luid en
duidde op zaken doen.
„Dus je had geen revolver," zei Kennedy.
„Nu wel."
„Hij is niet geladen."
„Niet zitten zaniken," zei ik moe. „Leg je hem soms onder je
kussen om olievlekken op het laken te krijgen? Als die revolver
niet geladen was, zou je me wel op mijn nek gesprongen zijn."
De kamer was kennelijk een kamer waarin een man woonde.
Schaars, maar goed gemeubileerd. Op de vloer lag een behoorlijk
kleed, hoewel niet van de korenveldklasse van dat in de bibliotheek
van de generaal. Er stonden twee leunstoelen, een met een kleedje
bedekte tafel, een kleine rustbank en een glazen kast. Ik liep naar
de kast, opende hem en pakte er een fles whisky en twee glazen
uit.
„Als je het goed vindt," zei ik tegen Kennedy.
„Geestig," zei hij koel.
Ik schonk me een stevig glas whisky in. Ik had er behoefte
aan. De whisky smaakte precies zoals ze moest smaken, wat eigenlijk
zelden het geval is. Ik keek naar Kennedy en hij naar mij.
„Wie ben je?" vroeg hij.
Ik had vergeten dat er slechts ongeveer drie centimeter van
mijn gezicht te zien waren. Ik sloeg de kragen van de oliejas en
overjas naar beneden en zette mijn hoed af. Die hoed was een spons
geworden. Mijn kletsnat haar zat op mijn hoofd geplakt en ik nam
aan dat de rode kleur hem niet zou ontgaan. Ik had gelijk. Zijn
mond kneep zich samen en aan de blik in zijn ogen zag ik dat hij
mij herkend had.
„Talbot," zei hij langzaam. „John Talbot. Demoordenaar."
„Die ben ik," gaf ik toe. „De moordenaar."
Hij bewoog zich niet en bleef me aankijken. Ik veronderstelde
dat hij koortsachtig aan het denken was, maar hij liet er niets van
blijken en zijn gezicht was even onbewogen als dat van een Indiaan.
Zijn bruine, intelligente ogen verraadden hem echter. Er lag een
koude woede in.
„Wat wil je, Talbot? Wat doe je hier?"
„Waarom ben je niet aan de haal, bedoel je?"
„Waarom kwam je terug? Sinds dinsdagavond hebben ze je in het
huis vast gehouden en God mag weten waarom. Je wist te ontsnappen,
maar hoefde er niet iemand voor uit de weg te ruimen. Anders had ik
het wel gehoord. Vermoedelijk weten ze er nog niets van. Dan zou ik
het namelijk ook wel gehoord hebben. Je bent weg geweest. Je bent
in een boot op zee geweest. Ik ruik het en bovendien heb je
oliegoed aan. Je bent lang in de regen geweest, want je druipt. Je
zou een half uur onder een waterval gestaan kunnen hebben. En nu
kom je terug. Je wordt gezocht voor moord en komt terug. Het is
krankzinnig."
„Krankzinnig," beaamde ik. De whisky was goed en eindelijk
begon ik me weer een beetje mens te voelen. Deze chauffeur was geen
stommerd. Hij stond met zijn beide benen op de grond en kon denken.
„Even krankzinnig," vervolgde ik, „als het meer dan zonderlinge
gezelschap waarbij je in dienst bent."
Hij zei niets. Waarom zou hij iets gezegd hebben? In zijn
plaats had ik ook niet met een moordenaar over mijn werkgevers
gesproken. Ik probeerde het opnieuw.
„Die juffrouw Mary, de dochter van de generaal, lijkt me nogal
een zwerfster, is het niet?"Dat had succes. Kennedy sprong van het
bed. Zijn ogen schitterden van woede. Zijn vuisten waren gebald.
Hij kwam op me af, maar herinnerde zich plotseling dat ik de
revolver op hem gericht hield.
„Zeg dat nog eens, Talbot," fluisterde hij, „maar dan zonder
die revolver in je hand."
„Nu schieten we op," zei ik goedkeurend. „Het eerste teken van
leven is er eindelijk. Ik herken een duidelijk omschreven mening en
daden spreken voor zichzelf. Als ik je gevraagd had wat voor een
meisje Mary Ruthven was, zou je je mond stijf dicht gehouden of me
verzocht hebben naar de pomp te lopen. Wel… eh… volgens mij is het
met die Mary Ruthven inderdaad wel in orde. Ik vind haar zelfs
bijzonder aardig."
„Natuurlijk." Ik hoorde een bittere klank in zijn stem. Toch
scheen hij ergens iets niet te begrijpen. „Daarom joeg je haar die
middag de stuipen op het lijf."
„Dat spijt me heel erg, maar het moest, Kennedy. Ik had er
echter een andere reden voor dan jij of de heren hier in dat grote
huis denken." Ik dronk mijn glas leeg, keek Kennedy onderzoekend
aan en wierp hem dan de revolver toe. „Laten we maar eens
praten."
Het verraste hem, maar hij was vlug, heel vlug. Hij ving de
revolver behendig op, keek er even naar, keek naar mij, aarzelde,
haalde de schouders op en glimlachte flauwtjes.
„Wat meer olievlekken," zei hij, „zullen dat laken geen
kwaad meer doen."
Hij stopte de revolver onder het kussen, liep naar de tafel,
schonk twee glazen whisky in en wachtte.
„Het risico dat ik op het ogenblik neem," zei ik, „is kleiner
dan je denkt. Ik hoorde dat Vyland de generaal en Mary trachtte
over te halen je de laan uit te mikken. Ik kon hieruit opmaken dat
je een mogelijk gevaar voor Vyland, de generaal en anderen
betekent. Het zal je niet precies bekend zijn wat zich in het huis
afspeelt, neem ik aan. Toch weet je dat er iets aan de hand
is."
Hij knikte.
„Ik ben alleen maar de chauffeur. Wat zeiden ze tegen
Vyland?"
Aan zijn toon hoorde ik dat Vyland geen vriend van hem
was.
„Ze hielden voet bij stuk en weigerden."
Hoewel hij het probeerde te verbergen, zag ik dat het hem
plezier deed.
„Niet zo lang geleden," ging ik verder, „schijn je de Ruthvens
een grote dienst bewezen te hebben. Je knalde twee bandieten neer
die Mary trachtten te ontvoeren."
„Ik had geluk." Waar het snelheid en kracht betrof, zou hij
altijd wel geluk hebben. „In de eerste plaats ben ik lijfwacht en
geen chauffeur. Voor iemand die snel en gemakkelijk een miljoen wil
verdienen, vormt juffrouw Mary een grote verleiding. Overigens ben
ik op het ogenblik geen lijfwacht meer."
„Ik heb je opvolger ontmoet," zei ik. „Valentino. Hij is niet
eens in staat om een lege kinderkamer te bewaken."
„Valentino?" Hij grinnikte. „Hij heet Al Gunther, maar
Valentino past beter bij hem. Je deed zijn arm pijn, is het
niet?"
„En hij mijn been. Het is bont en blauw." Ik keek hem aan.
„Ben je vergeten dat je met een moordenaar praat, Kennedy?"
„Je bent geen moordenaar."
Hij zweeg en staarde naar de vloer.
„Zit agent Donnelly je dwars?" vroeg ik.
Kennedy knikte zonder iets te zeggen.
„Donnelly is net zo gezond als jij," stelde ik hem gerust.
„Misschien zal hij wat moeite hebben om de kruitvlekken uit zijn
broek te wassen, maar meer schade heeft hij niet geleden."
„Verlakkerij?" informeerde hij zacht.
„Je hebt over me in de kranten gelezen." Ik wees op een
stapeltje dagbladen op de tafel. Ik was nog steeds nieuws van de
voorpagina en de tweede foto leek nog slechter dan de eerste. „De
rest zal je wel van Mary gehoord hebben. Gedeeltelijk is wat je
gelezen en gehoord hebt volkomen waar, gedeeltelijk volkomen
gelogen. Mijn naam is inderdaad John Talbot en zoals de rechter
voorlas, ben ik een deskundige op het gebied van
bergingswerkzaamheden. Op alle plaatsen die genoemd werden, ben ik
geweest, behalve Bom- bay. Met misdaden heb ik me echter nooit
opgehouden. Vyland en de generaal hebben zich wat dit betreft
bijzonder wantrouwend getoond en zonden telegrammen naar hun
relaties in Nederland, Engeland en Venezuela. Door de olie heeft de
generaal daar natuurlijk contacten genoeg. Ze wilden mijn bona
fides controleren. Ik geloof wel dat ze voldaan zullen zijn.
Aan de onderbouw van deze zaak hebben we namelijk heel wat tijd
besteed."
„Hoe weet je dat ze telegrammen verzonden hebben?"
„In de afgelopen twee maanden werden alle uit Marble Springs
verzonden overzeese telegrammen onderschept. Ze waren allemaal van
de generaal en in code natuurlijk. Daar had hij volkomen het recht
toe. Nu woont er naast het postkantoor heel toevallig een oud
mannetje uit Washington. Hij is een codegenie om het zo eens te
noemen en vindt de generaal maar zeer kinderlijk."
Ik stond op en begon de kamer op en neer te lopen. De
uitwerking van de whisky was verdwenen en ik voelde me koud als een
natte bot.
„Ik wilde het naadje van de kous weten. Tot dusver tastten we
in het duister, maar om bepaalde redenen wisten we dat de generaal
zat te springen om een deskundige als ik."
„Wie zijn die we?" Kennedy was nog niet helemaal
overtuigd.
„Vrienden van me en ik. Maak je geen zorgen, Kennedy, want ik
heb de wet volkomen aan mijn kant. Het gaat niet om mezelf. Om de
generaal in het aas te laten bijten, moesten we van zijn dochter
gebruik maken. Ze weet overigens nergens van. Rechter Mollison is
bevriend met de Ruthvens en we spraken af dat hij Mary voor het
eten zou uitnodigen. Hij stelde haar voor in de rechtszaal op hem
te wachten."
„Dus rechter Mollison zit ook in dit komplot."
„Inderdaad. Je hebt hier een telefoon en een telefoonboek. Wil
je hem opbellen?"
Kennedy schudde het hoofd.
„Mollison," vervolgde ik, „en ongeveer tien agenten. Er werd
hun de strengste geheimhouding opgelegd. Als ze hun mond voorbij
praten, zijn ze hun baantje kwijt. De enige hierin betrokken burger
is de chirurg die Donnelly zogenaamd opereerde en de akte van
overlijden tekende. De man had weliswaar last van zijn geweten,
maar ik wist hem ten slotte om te praten."
„Verlakkerij," mompelde Kennedy, „en ik trapte erin."
„Dat deed iedereen en het was ook de bedoeling. Valse
rapporten van de Interpol en de politie op Cuba. Met medeweten van
de autoriteiten natuurlijk. Losse patronen in de Colt van Donnelly.
Zogenaamde wegversperringen en een zogenaamde achtervolging door de
politie…"
„Maar hoe zit het dan met die kogel door de voorruit?"
„Ik zei Mary op de vloer van de wagen te gaan zitten en schoot
zelf die kogel door de voorruit. Voor de auto en de lege garage was
gezorgd. Jablonsky speelde ook mee."
„Mary heeft me over Jablonsky verteld," zei Kennedy langzaam.
Het ontging me niet dat hij 'Mary' zei en geen 'juffrouw Mary'.
Misschien betekende het niets, misschien dacht hij op die manier
aan haar. „Een ontslagen politieman die in de gevangenis heeft
gezeten. Is dat ook allemaal verlakkerij?"„Allemaal verlakkerij,"
beaamde ik. „We hebben hier meer dan twee jaren aan gewerkt. We
moesten een man hebben die het Caribisch gebied van achter naar
voren kende. Dat was Jablonsky. Geboren en getogen op Cuba. Het was
Jablonsky die op het denkbeeld kwam voor een valse aanklacht tegen
zichzelf te zorgen. Zeer handig. Het verklaarde niet alleen het
plotseling verdwijnen van een van de beste politiemensen van het
land, maar gaf hem tevens een introductie voor de zelfkant van de
maatschappij als dat noodzakelijk mocht blijken. De laatste
achttien maanden zijn Jablonsky en ik samen in het Caribisch gebied
aan het werk geweest."
„Dat was een risico, is het niet? In Cuba kom je de halve
misdadigerswereld van de Verenigde Staten tegen en de kans
om…".
„Hij was vermomd," onderbrak ik geduldig. „Hij had een
baardje, een snor, droeg een bril, zijn haar was geverfd en zelfs
zijn eigen moeder zou hem niet herkend hebben."
Lang bleef het stil. Dan zette Kennedy zijn glas neer en keek
me strak aan. „Waar gaat het om, Talbot?"
„Het spijt me, maar dat kan ik je niet zeggen. Je zal me
moeten vertrouwen. Hoe minder er bekend wordt, hoe beter het is.
Mollison en de politiemensen zijn evenmin op de hoogte. Ze kregen
alleen maar hun bevelen."
„Is het zó belangrijk?" vroeg hij.
„Heel belangrijk. Geen vragen, Kennedy. Wel heb ik echter je
hulp nodig. Als je niet bang bent dat Mary iets gaat overkomen, is
het meer dan tijd dat je het wordt. Ik geloof niet dat ze precies
weet wat zich tussen de generaal en Vyland afspeelt, maar ik ben
ervan overtuigd dat ze in gevaar verkeert. Groot gevaar.
Levensgevaar. Ik sta tegenover grote jongens en het gaat hen om een
grote inzet. Ze hebben er al acht keer voor gedood. Misschien zelfs
meer, maar van die acht keer ben ik zeker. Als je hierin betrokken
wordt, loop je het risico met een kogel in je rug je einde te
vinden. En toch vraag ik het je. Ik heb er het recht niet toe, maar
doe het. Wat zal het zijn?"
Hij was iets bleker geworden, maar niet veel. Mijn laatste
woorden bevielen hem helemaal niet, maar als zijn handen beefden,
kon ik het niet zien.
„Je bent een handige vent, Talbot," zei hij langzaam,
„misschien wel te handig. Ik weet het niet. In ieder geval zou je
me dit niet verteld hebben, als je niet vrijwel zeker wist dat ik
het zou doen. Het gaat dus om een grote inzet. Wel, ik geloof dat
ik zin heb om mee te spelen."
Ik verknoeide geen tijd aan bedankjes of gelukwensen. Iemand
die zijn hoofd in de strop steekt, wens je trouwens geen
geluk.
„Ik wil dat je bij Mary blijft," zei ik. „Waar ze ook heen
gaat, jij gaat mee. Ik weet zo goed als zeker dat we vanmorgen
allemaal naar de boortoren gaan. Mary ook. Ze zal geen keus hebben,
maar jij gaat met haar mee."
Hij wilde iets zeggen, maar ik hief mijn hand op.
„Jazeker, ik weet dat je dat baantje kwijt bent. Ga vanmorgen
heel vroeg met een smoesje naar het huis. Zie Mary te pakken te
krijgen en vertel haar dat Valentino in de loop van de morgen een
klein ongelukje zal overkomen en dat zij…"
„Wat bedoel je met een klein ongelukje?"„Maak je geen zorgen,"
zei ik grimmig. „Met dat ongelukje komt het best in orde. In de
naaste toekomst zal hij het zó moeilijk hebben, dat hij zeker niet
meer op een ander zal kunnen passen. Zeg tegen Mary dat ze erop
moet aandringen dat jij terugkomt. Als ze er herrie over maakt,
wint ze het. De generaal zal geen bezwaar hebben en Vyland ook
niet: het is namelijk maar voor een dag en overmorgen interesseert
het hem weinig wie er op Mary past. Vraag me niet hoe ik dat weet,
want ik weet het niet, maar reken erop. Hoe het ook zij: Vyland zal
denken dat Mary je wil terughebben omdat ze, naar hij althans
gelooft, een zacht plekje in haar hart voor je heeft." Het gezicht
van Kennedy bleef even onbewogen als altijd. „Of het waar is," ging
ik verder, „weet ik niet en het gaat me niet aan. Ik zeg je alleen
maar wat Vyland volgens mij zal denken en dat is de reden dat hij
op het voorstel van Mary zal ingaan. Bovendien vertrouwt hij je
niet en heeft hij je liever op de boortoren waar hij je in het oog
kan houden."
„Best." Het was of ik dit ijskoude heerschap voor een
gezellige wandeling had uitgenodigd. „Ik zal het Mary zeggen en
speel het spel mee zoals jij het hebt uitgestippeld." Nadenkend
staarde hij even voor zich uit. „Je zei me," vervolgde hij dan,
„dat het risico groot is, maar ik doe het uit vrije wil. Heb ik
daardoor niet het recht op wat meer eerlijkheid van jouw
kant?"
„Ben ik oneerlijk geweest?"
Ik was niet boos, maar begon wel erg moe te worden.
„In zover dat je iets achterhoudt. Je wilt dat ik op de
dochter van de generaal pas. Vergeleken bij waar het werkelijk om
gaat, Talbot, is de veiligheid van Mary je geen cent waard. Anders
had je haar heus niet teruggebracht. Ze verkeert in levensgevaar
volgens jou, maar dan heb jij haar dat gevaar weer laten lopen,
Talbot. Goed, je wilt dat ik een oogje op haar houd, maar je wilt
ook nog wat anders van me, is het niet?" Ik knikte.
„Dat klopt. Vergeet niet dat mijn handen letterlijk gebonden
zijn. Ik ga als een gevangene met deze zaak verder. Daarom moet er
iemand zijn die ik kan vertrouwen. En ik vertrouw jou."
„Je kan Jablonsky vertrouwen."
„Jablonsky is dood."
Zwijgend staarde hij me aan. Dan pakte hij de fles en schonk
onze glazen in. In het gebruinde gezicht vormde zijn mond een
smalle, witte lijn.
„Zie je dit?" Ik wees op mijn bemodderde schoenen. „Dat is de
aarde van het graf van Jablonsky. Voordat ik hier kwam, gooide ik
het dicht. Nog geen kwartier geleden. Ze schoten hem door het hoofd
met een kleine revolver. Precies tussen de ogen. Hij glimlachte,
Kennedy. In het aanzien van de dood glimlacht een mens niet.
Jablonsky zag die dood niet. Hij werd in zijn slaap
vermoord."
Ik vertelde hem in het kort wat er gebeurd was sinds ik het
huis had verlaten, ook over mijn tocht met de sponzenvisser naar de
X-13 en de gebeurtenissen in de moestuin.
„Royale?" vroeg hij toen ik uitgesproken was.
„Royale!" zei ik.
„Je zal het nooit kunnen bewijzen."
„Dat is niet nodig." Ik besefte nauwelijks wat ik zei. „Royale
komt niet voor de rechter. Jablonsky was mijn beste vriend."
Hij begreep me.
„Had ik je maar nooit ontmoet, Talbot," zei hij zacht.
Ik dronk mijn whisky op. Uitwerking had de drank niet meer. Ik
voelde me oud, vermoeid, leeg en dood.
„Wat ga je nu eerst doen?" hoorde ik Kennedy vragen.
„Droge schoenen, sokken en droog ondergoed van je lenen. Dan
ga ik terug naar het huis, naar mijn kamer, probeer mijn kleren
droog te krijgen, boei mezelf weer met de handboeien aan het bed en
gooi de sleutels weg. In de morgen zullen ze naar me komen
kijken."
„Je bent gek," fluisterde hij. „Waarom zouden ze Jablonsky
vermoord hebben, denk je?"
„Ik weet het niet."„Dat moet je weten. Ze vermoordden hem
omdat ze ontdekten wie hij was en wat hij op het oog had. Ze
vermoordden hem omdat ze achter het verraad kwamen. En als ze het
van Jablonsky wisten, moeten ze het ook van jou weten. Ze zullen je
in die kamer opwachten, Talbot. Ze weten dat je terugkomt, omdat ze
er geen idee van hebben dat je Jablonsky vond. Zodra je over de
drempel van die kamer stapt, krijg je een kogel door je hoofd.
Lieve God, begrijp je dat dan niet?"
„Dat heb ik al heel lang begrepen. Misschien weten ze alles
van me af, misschien niet. Er is zoveel dat me niet bekend is. Maar
misschien vermoorden ze me niet - nog niet!" Ik stond op. „Dan ga
ik nu maar terug."
Even dacht ik dat hij zou proberen me met geweld tegen te
houden, maar iets in mijn gezicht moest hem van besluit veranderd
doen hebben. Hij legde zijn hand op mijn arm. „Hoeveel betalen ze
je hiervoor, Talbot?" „Een paar stuiver." „En de beloning?" „Geen
beloning."
„Maar waarom steekt een man als jij dan zijn hoofd in de
strop?"
Er lag een verbijsterde uitdrukking op zijn knap gezicht. Hij
begreep het niet en ik begreep het zelf ook niet.
„Ik weet het niet," zei ik. „Of ja… toch wel. Vandaag of
morgen zal ik het je vertellen."
„Je zal nooit iemand meer iets vertellen," voorspelde
hij
somber, „omdat je dood zal zijn." Ik kreeg droge schoenen en
kleren van hem, nam afscheid en ging weg.