Hoofdstuk 4



Lange tijd bleef het stil een drukkende stilte zoals het genoemd wordt. Ik bekommerde me er niet veel om. Ik zat er toch al vies in. Het was de generaal die het eerst weer iets zei. Hij keek naar de man in smoking. Zijn gezicht en stem waren ijzig koud.
„Zou je me dit schandelijk optreden eens willen verklaren, Vyland?" vroeg hij. „Je bracht een man in mijn huis die blijkbaar niet alleen in verdovende middelen handelt en een revolver bij zich heeft, maar ook nog in de gevangenis zat. En wat deze politieman betreft, misschien zou iemand me willen…"
„Kalm maar, generaal." In de zachte stem van Royale klonk merkwaardig genoeg geen spoor van onbeschaamdheid. „Ik heb het niet helemaal goed gezegd. Ex-politie- luitenant had het moeten zijn. Vroeger een van de knapste koppen van de politie. Eerst verdovende middelen, daarna moordzaken. Meer arrestaties dan iemand anders van de politie in het oosten. Maar je gleed uit, is het niet, Jablonsky?"
Jablonsky zei niets. Ook op zijn gezicht viel niets te lezen. Dat betekende echter niet dat hij niet koortsachtig nadacht. Op mijn gezicht viel evenmin iets te lezen, maar denken deed ik wel. Ik dacht eraan hoe ik zou kunnen wegkomen. De bedienden waren na een handgebaar van de generaal verdwenen en niemand scheen op dat moment belangstelling voor me te hebben. Als terloops draaide ik mijn hoofd om. Ik had me vergist. Iemand was tóch in me geïnteresseerd. Valentino, mijn kennis uit de rechtszaal, stond voor de open deur in de gang en zijn speciaal mij geldende belangstelling maakte het gebrek aan belangstelling in de bibliotheek meer dan goed. Het deed me genoegen om te kunnen constateren dat zijn rechterarm in een driehoeksverband hing. Hij hield zijn linkerduim in de zak van zijn jasje gehaakt en hoewel het waarschijnlijk een grote duim was, kon deze toch niet voor de bult in die zak verantwoordelijk worden gesteld. Vermoedelijk had Valentino graag gewild dat ik een poging tot ontvluchten gewaagd zou hebben.
„Jablonsky," zei Royale, „was de centrale figuur in het grootste politieschandaal in New York sinds de oorlog."
Ik luisterde aandachtig.
„Plotseling vond er in zijn wijk een aantal moorden plaats. Belangrijke moorden. Jablonsky faalde. Iedereen wist dat er gangsters achter die moorden zaten. Iedereen, behalve Jablonsky. Hij wist alleen dat hij voor elk lijk tienduizend dollar kreeg als hij per abuis de verkeerde kant uitkeek. Hij had echter meer vijanden in het korps dan er buiten en die brachten hem aan de galg. Dat gebeurde achttien maanden geleden en de kranten stonden er vol van. Kunt u het zich nog herinneren, mijnheer Vyland?"
„Inderdaad." Vyland knikte. „Hij stak zestigduizend dollar in zijn zak en niemand heeft ze kunnen achterhalen. Hij kreeg drie jaar, is het niet?"
„En na achttien maanden vrij," besloot Royale. „Klom je over de muur, Jablonsky?"
„Vrijgelaten wegens goed gedrag," zei Jablonsky rustig. „En nu weer een fatsoenlijk burger. Dat kan niet van jou gezegd worden, mijn waarde Royale. Is deze man bij u in dienst, generaal?"
„Ik begrijp niet wat…"
„Als dat namelijk zo is," zei Jablonsky, „zal het u honderd dollar meer kosten dan u denkt. Honderd dollar is namelijk de prijs die Royale zijn opdrachtgevers gewoonlijk vraagt voor een krans voor zijn slachtoffers. Een bijzonder mooie krans, dat moet gezegd worden. Of heb je die prijs ver- verhoogd, Royale? En wie is er dit maal aan de beurt?"
Niemand zei iets.
„Royale," ging Jablonsky verder, „komt bijna overal in het kaartsysteem voor. Tot op heden heeft niemand hem iets kunnen bewijzen, maar ze weten alles van hem af. Hij is Opruimer Nummer Eén van de Verenigde Staten en hij ruimt geen meubelen op, maar mensen. Hij vraagt veel, behalve de krans, maar hij doet zijn werk goed. Nooit kwam er iemand terug. Hij is een los medewerker. Het zal u verbazen, generaal, hoeveel mensen er van zijn diensten gebruik maken en mensen van wie u het nooit gedacht zou hebben. Niet alleen omdat hij altijd reden tot tevredenheid geeft, maar ook om het volgende: Royale zal nimmer iemand kwaad doen die hem een karweitje heeft laten opknappen. Het is een soort erecode. Heel wat lieden slapen een stuk rustiger, generaal, omdat ze weten dat ze op Royale's lijst van onaantastbaren voorkomen." Met een hand zo groot als een schop wreef Jablonsky over zijn stoppelige kin. „Ik vraag me af, generaal, wie hij ditmaal op het oog heeft. Uzelf kan het toch niet zijn, is het wel?"
Voor het eerst liet de generaal iets van zijn gevoelens blijken. Zelfs de baard en de snor konden niet verbergen hoe zijn ogen zich vernauwden, de lippen zich op elkaar knepen en hij zichtbaar iets bleker werd. Langzaam streek hij met zijn tong langs de lippen en keek naar Vyland.
„Wist je dit? Wat is er van waar en…"
„Jablonsky kletst uit zijn nek," zei Vyland rustig. „Laat die twee naar een andere kamer brengen, generaal. We moeten eens even praten."
Ruthven knikte. Vyland wierp Royale een blik toe.
„Weg hier!" glimlachte Royale tegen Jablonsky en mij. „Laat je revolver achter, Jablonsky."
„En als ik het niet doe?"
„Je hebt die cheque nog niet verzilverd," zei Royale.Ze hadden het gesprek dus inderdaad afgeluisterd. Jablonsky legde zijn revolver op de tafel. Ik zag dat Royale er geen in zijn hand had. Met de snelheid waarmee hij dat wapen kon trekken, was het overbodig geweest. Larry kwam achter me staan en duwde de loop van zijn pistool zó hard in mijn nieren dat ik even kreunde van pijn. Niemand zei iets.
„Als je dat nog eens doet," gromde ik, „zal de tandarts een hele dag nodig hebben om je gezicht weer te repareren."
Hij deed het dus nog eens. Tweemaal pijnlijker dan de vorige keer. Ik draaide me om, maar hij was vlugger dan ik en scheurde met het pistool mijn wang open. Dan deed hij een paar pasjes terug. Zijn revolver was op mijn maag gericht, zijn gekke ogen flitsten heen en weer en zijn boosaardig glimlachje nodigde me uit de aanval maar te wagen. Ik veegde het bloed van mijn gezicht en ging de deur uit. Valentino wachtte op me. Hij had een revolver in de hand en zware schoenen aan. Toen Royale op zijn gemak een kijkje kwam nemen en Valentino met een enkel woord tegenhield, kon ik niet meer lopen. Aan mijn dij mankeerde niets en hij was me jaren van dienst geweest, maar van eikehout was hij niet gemaakt en de schoen van Valentino was met ijzer beslagen. Ik had die avond bepaald geen geluk. Jablonsky hielp me overeind en in een aangrenzende kamer. Ik keek nog even naar Valentino en Larry en noteerde hun namen op mijn zwarte lijst.
Ongeveer tien minuten brachten we in die kamer door. Jablonsky en ik zaten. Larry liep met de revolver in de hand het vertrek op en neer en hoopte dat ik even een wenkbrauw zou optrekken. Royale leunde achteloos tegen een tafel. Niemand zei wat. Tot ten slotte de butler kwam zeggen dat de generaal ons wilde spreken. Achter elkaar liepen we de gang weer op. Valentino bleek er nog steeds te zijn, maar zonder kleerscheuren bereikte ik de bibliotheek. Best mogelijk dat hij zijn teen had bezeerd, maar ik wist dat het waf anders moest zijn: Royale had hem gezegd dat hij me met rust moest laten en Royale zei nooit iets twee keer. In de sfeer in de bibliotheek was kennelijk iets veranderd. Het meisje zat op een stoel bij de open haard. Ze hield haar hoofd gebogen en het donkerblonde haar glansde in het schijnsel van het vuur, maar Vyland en de generaal schenen het weer volkomen met elkaar eens te zijn. De laatste glimlachte zelfs. Op de tafel lagen twee kranten. De vette, zwarte koppen grijnsden me toe: Gezocht Moordenaar Doodt Agent, Verwondt Sheriff.
Geen wonder dat Vyland en de generaal het met elkaar eens waren en vol vertrouwen leken. Om de nadruk op de verandering in de sfeer te leggen, kwam er een lakei binnen met een blad met glazen, karaf en sifon. De lakei was een jongeman. Hij bewoog zich echter op een merkwaardig stijve manier en plaatste het blad met zoveel moeite en inspanning op de tafel dat zijn gewrichten bijna hoorbaar kraakten. Zijn kleur was ook niet al te best. Ik wendde mijn ogen van hem af, keek hem opnieuw aan, richtte dan mijn blik weer onverschillig op iets anders en hoopte dat wat ik plotseling met zekerheid wist niet op mijn gezicht te lezen zou zijn. De lakei en de butler hadden de goede boeken over etiquette gelezen en wisten precies wat ze moesten doen. De lakei schonk in. De butler bracht de glazen rond. Hij gaf het meisje een sherry, whisky aan de vier mannen - Larry werd demonstratief overgeslagen - en bleef dan met het blad voor me staan. Mijn ogen gleden van zijn harige polsen naar zijn gebroken neus en dan naar de generaal op de achtergrond. Deze knikte en ik keek dus weer naar het zilveren blad. Mijn trots zei nee, maar de heerlijke geur van dat amberkleurige vocht zei ja. De trots werd gehandicapt door mijn honger, doorweekte kleren en het pak rammel dat ik juist had moeten incasseren. De geur won het. Ik pakte het glas en staarde over de rand naar de generaal.„Een laatste dronk voor een veroordeeld man, is het niet?"
„Nog niet veroordeeld." De generaal hief zijn glas op. „Op je gezondheid, Talbot."
„Zeer geestig. Wat krijg ik in Florida, generaal? Gas, vergif of de elektrische stoel?"
„Op je gezondheid," herhaalde hij. „Je bent nog niet veroordeeld en misschien word je het nooit. Ik heb je een voorstel te doen, Talbot."
Langzaam ging ik zitten. De schoen van Valentino had waarschijnlijk een spier geraakt, want ik had er last van. Met mijn hoofd duidde ik op de kranten op de tafel.
„Ik neem aan dat u die gelezen heeft, generaal. U weet dus alles van me af. Wat zou een man als u een man als ik kunnen voorstellen?"
„Ik heb een zeer aantrekkelijk voorstel." Ik meende plotseling rode plekken op zijn jukbeenderen te zien branden. „In ruil voor een kleine dienst die ik van je verlang, bied ik je je leven aan."
„Niet gek. En wat voor kleine dienst, generaal?"
„Dat kan ik je op het ogenblik nog niet vertellen. Misschien over zesendertig uur. Denk je niet, Vyland?"
„Dan weten we vermoedelijk meer." Vyland begon steeds minder op een ingenieur te lijken. Hij trok aan zijn Corona en keek me aan. „Ga je op het voorstel van de generaal in?"
„Een dwaze vraag. Wat kan ik anders doen? En als het karweitje achter de rug is?"
„Dan krijg je papieren en een paspoort en sturen we je naar een land in Zuid-Amerika waar je niets te vrezen hebt," antwoordde generaal Ruthven. „Ik heb daar relaties."
Een paspoort en een reisje naar Zuid-Amerika! Ja zeker! Ik zou met mijn voeten in beton komen te staan voor een reisje naar de bodem van de Golf van Mexico.
„En als ik het niet doe…"
„Dan realiseren de heren zich plotseling hun burgerlijke verantwoordelijkheid weer en leveren ze je aan de politie over," merkte Jablonsky spottend op. „De hele zaak stinkt. Waarom zou de generaal je nodig hebben? Mensen genoeg in de Verenigde Staten. Waarom een moordenaar die aan de haal is? Wat voor nut kan hij van je hebben? Waarom zou hij een moordenaar helpen aan de politie te ontkomen?" Hij nipte van zijn whisky. „Generaal Blair Ruthven, de morele steunpilaar en de edelste weldoener na de Rockefellers! Volgens mij stinkt het. U waadt door vies, modderig water, generaal. Erg vies en erg modderig. Het komt tot aan uw kin. De hemel mag weten wat voor u de inzet is. Het moet iets fantastisch zijn." Hij schudde het hoofd. „Ik zou dit nooit hebben durven geloven."
„Willens en wetens," zei de generaal, „heb ik nooit iets oneerlijks in mijn leven gedaan."
„Mooi!" zei Jablonsky. Een ogenblik zweeg hij. „In ieder geval bedankt voor de borrel, generaal," besloot hij dan opeens. „Ik pak mijn hoed en de cheque en verdwijn. Het pensioenfonds van Jablonsky staat bij u in het krijt."
Ik zag niet wie het teken gaf. Vermoedelijk Vyland. Ik zag evenmin hoe de revolver in de hand van Royale terechtkwam. Maar hij was er. Het ontging ook Jablonsky niet. Het was een kleine, platte, automatische revolver, kleiner zelfs dan de Lilliput die de sheriff me had afgenomen. Meer had Royale als goed schutter echter niet nodig. Een kogel in het hart uit een kleine.22 maakt je niet minder dood dan die uit een zware Colt. Nadenkend staarde Jablonsky naar de revolver.
„Heeft u liever dat ik blijf, generaal?"
„Doe die revolver weg!" snauwde de generaal. „Jablonsky staat aan onze kant. Dat hoop ik tenminste. Ja, ik heb liever dat je blijft, maar niemand zal je dwingen als je niet wilt."„En waarom zou ik het willen?" vroeg Jablonsky. „Kan het zijn dat de generaal, die willens en wetens nog nooit iets oneerlijks in zijn leven heeft gedaan, van plan is om de uitbetaling van de cheque tegen te houden? Of wil hij hem soms verscheuren?"
De generaal wendde plots de ogen af; het zei me genoeg. „Het is hoogstens voor twee of drie dagen, Jablonsky," mengde Vyland zich in het gesprek. „Goed beschouwd ontvang je een hoop geld en heb je er weinig voor moeten doen. We vragen je alleen maar om goed op Talbot te passen tot hij gedaan zal hebben wat we van hem verlangen." Jablonsky knikte langzaam.
„Ik begrijp het. Royale verlaagt zich niet om op iemand te passen, want hij houdt er andere methoden op na. De bandiet in de gang, die butler, en onze vriend Larry worden door Talbot met huid en haar als ontbijt genuttigd. U stelt wel erg veel belang in Talbot is het niet?"
„We hebben hem nodig," verklaarde Vyland. „Naar wat we van juffrouw Ruthven gehoord hebben - en van Royale natuurlijk - kun je Talbot wel aan. Je geld is veilig, dat spreekt vanzelf."
„Juist. Als ik nog even vragen mag: ben ik een gevangene die op een andere gevangene moet passen of ben ik vrij?"
„Je hebt gehoord wat de generaal zei," antwoordde Vyland.
„Je bent vrij. Als je Talbot echter alleen laat, denk er dan altijd aan dat je hem goed opsluit of vastbindt, zodat hij niet kan ontsnappen."
„Hij is jullie dus zeventigduizend dollar aan bewaking waard," zei Jablonsky grimmig. „Goed, ik zal hem voor jullie bewaken." Ik zag dat Royale en Vyland elkaar even aankeken.
„Ik maak me echter wel wat zorgen over die zeventigduizend pegulanten," vervolgde Jablonsky. „Als iemand namelijk ontdekt dat Talbot zich hier bevindt, kan ik er naar fluiten.Met mijn strafblad kan ik dan alleen rekenen op tien jaar cel
voor het helpen en verborgen houden van een gezocht moordenaar. Welke garantie heb ik dat niemand in dit huis
zijn mond voorbij zal praten?" „Niemand praat zijn mond voorbij," zei Vyland.
„Die chauffeur woont in de portierswoning, is het niet?"
„Inderdaad," gaf Vyland peinzend toe. „Misschien zou het een goed idee zijn om hem op de een of andere manier kwijt te raken."
„Nee!" protesteerde het meisje heftig. Ze sprong van haar stoel op.
„Onder geen enkele voorwaarde," zei generaal Ruthven rustig. „Kennedy blijft. We hebben veel te veel aan hem te danken."
De donkere ogen van Vyland vernauwden zich even. Hij keek naar de generaal, maar het was het meisje dat zijn niet uitgesproken vraag beantwoordde.
„Simon kletst niet," zei ze toonloos. Ze liep naar de deur. „Ik ga naar hem toe."
„Simon?" Vyland streek langs zijn snor en nam het meisje van het hoofd tot de voeten taxerend op. „Simon Kennedy, chauffeur en manusje-van-alles."
Vlak voor Vyland bleef het meisje staan. Haar vermoeide grijze ogen boorden zich in die van hem. Vijfden generaties terug tot de Mayflower en elke dollar van de tweehonderdvijfentachtig miljoen waren haar duidelijk aan te zien.
„Ik geloof," zei ze voor iedereen hoorbaar, „dat ik u de meest afschuwelijke vent vind die ik ooit heb meegemaakt."
Toen verliet ze haastig het vertrek en sloot de deur achter zich.
„Mijn dochter is overspannen," zei de generaal haastig. „Ze…"
„Geeft niets, generaal." De stem van Vyland klonk even beschaafd als altijd, maar hij leek zelf ook wat overspannen. „Royale, wijs Jablonsky en Talbot waar ze vannacht moeten slapen. Het is in de nieuwe vleugel. De kamers worden in orde gemaakt."
Royale knikte, maar Jablonsky hief zijn hand op.„Dat karweitje dat Talbot voor jullie moet doen," vroeg hij, „zal dat in dit huis plaatsvinden?"
Generaal Ruthven keek naar Vyland en schudde dan het hoofd.
„Waar dan als ik vragen mag?" informeerde Jablonsky verder. „Als Talbot het huis verlaat en iemand krijgt hem in de gaten, kunnen we wel lachen. Met name zou het een afscheid van mijn zeventigduizend dollar betekenen. Ik meen recht te hebben om op dit punt gerust gesteld te woeden, generaal."
Opnieuw wisselden de generaal en Vyland een snelle blik. De laatste knikte bijna onmerkbaar.
„We zullen je wat dat betreft inlichten," zei de generaal. „Het karweitje van Talbot zal op de X-13 zijn, mijn boortoren in de Golf van Mexico." Hij glimlachte vaag. „Bijna vijfentwintig kilometer hier vandaan en een heel stuk in zee. Geen last van voorbijgangers die Talbot kunnen opmerken, mijnheer Jablonsky."
Deze knikte alsof hij zich voorlopig voldaan voelde en zweeg. Ik staarde naar de grond. Ik durfde niet op te kijken.
„Laten we gaan," hoorde ik de zachte stem van Royale.
Ik dronk mijn glas leeg en stond op. De zware deur van de bibliotheek ging open naar de kant van de gang. Met de revolver in de hand deed Royale een stapje opzij om me te laten passeren. De man had beter moeten weten. Misschien bedroog mijn mankheid hem. Veel mensen dachten dat het me langzamer maakte en veel mensen maakten hierin een fout. Ik stapte over de drempel, draaide me toen met een ruk om en trapte bliksemsnel en keihard tegen de openstaande deur. Ik zette er al mijn kracht achter. Royale raakte bekneld tussen deur en stijl. Was het zijn hoofd geweest, dan zou meteen het gordijn gevallen zijn. Nu sloeg de zware deur alleen tegen zijn schouders, maar zelfs dat ontlokte hem een schreeuw van pijn. Zijn revolver viel op de vloer. Ik sprong het wapen na, kreeg het bij de loop te pakken en nog steeds gebukt hoorde ik zijn voetstappen achter me. Ik handelde vlug. De kolf van de revolver trof de naderende Royale recht in het gezicht. Waar wist ik niet, maar het klonk als een bijl die zich in een boomstam boort. Er waren twee seconden voor nodig om de vallende Royale weg te duwen en voor een man als Jablonsky bleken die twee seconden meer dan genoeg te zijn. Hij schopte gemeen tegen mijn hand. De revolver kwam zes meter verder in de gang terecht. Ik dook naar zijn benen, maar met de snelheid van een bokser trok hij zijn knie op. Ik belandde tegen de deur en toen was het te laat. De Mauser lag al in zijn hand en de loop wees tussen mijn ogen. Langzaam krabbelde ik op de been. De generaal en Vyland stonden nu ook in de gang en bij het zien van Jablonsky's mij in bedwang houdende revolver slaakten ze een zucht van verlichting. Vyland hielp de kreunende Royale overeind. Royale had een hevig bloedende wond boven het linkeroog. De volgende dag zou hij op een blauw oog zo groot als een ei kunnen rekenen. Ongeveer dertig seconden lang bleef hij zijn hoofd schudden om weer bij zijn positieven te komen. Toen veegde hij met de rug van zijn hand het bloed weg en staarde me aan. Wat zijn ogen betreft scheen ik me vergist te hebben. Ik had het de meest lege ogen gevonden die me ooit waren opgevallen, maar dat was een abuis geweest want toen ik in die ogen keek, kon ik de vochtige aarde van een open graf al ruiken.
„Ik merk dat de heren me inderdaad nodig hebben," zei Jablonsky joviaal. „Ik had nooit gedacht dat iemand dit met Royale kon proberen en het dan nog zou kunnen navertellen ook. Een mens is nimmer te oud om te leren." Uit zijn zak haalde hij een paar stalen handboeien en schoof ze vakkundig om mijn polsen. „Een herinnering aan vroeger," verontschuldigde hij zich. „Zijn er misschien nog een paar handboeien en wat touw in huis?"
„Daar kan voor gezorgd worden," zei Vyland.
Hij kon blijkbaar nog steeds niet geloven wat er met zijn onfeilbare Royale was gebeurd.
„Prachtig." Met een grijns keek Jablonsky naar Royale. „Je hoeft vannacht je deur heus niet op slot te doen. Ik houd Talbot wel uit je buurt." Royale staarde nu naar Jablonsky en de boosaardige uitdrukking in zijn ogen veranderde niet. Ik verbeeldde me dat Royale nu aan een dubbel graf stond te denken.
De butler ging ons voor naar boven en door een smalle gang naar de achterkant van het huis. Hij haalde een sleutel uit zijn zak, deed een deur open en liet ons beiden naar binnen gaan.
Het was een schaars maar duur gemeubileerde slaapkamer met een wastafel en een modern bed van mahoniehout. Links bevond zich een deur naar een andere slaapkamer. Weer pakte de butler een sleutel. In deze slaapkamer bleek het bed een ouderwetse krib te zijn en ik nam aan dat die voor mij was 'bestemd. We gingen terug naar de eerste kamer.
Jablonsky strekte zijn hand uit.
„De sleutels alsjeblieft."
De butler aarzelde, keek hem onzeker aan, haalde dan de schouders op, overhandigde hem de sleutels en draaide zich om.
„Kijk eens naar deze Mauser," zei Jablonsky vriendelijk. „Moet ik ermee op je hoofd slaan, vriend?"
„Ik ben bang dat ik u niet begrijp, mijnheer."
„Het klinkt goed. Ik wist niet dat ze in de gevangenis handboeken over het butlersvak hadden. Die andere sleutel, vriend. De sleutel van de kamer van Talbot."
De butler fronste dreigend, gaf de derde sleutel aan Jablonsky en verdween. Welke handboeken over het butlersvak hij ook gelezen mocht hebben, het hoofdstuk over het zachtjes sluiten van deuren had hij kennelijk overgeslagen.
Jablonsky grinnikte. Hij draaide de sleutel met opvallend geknars om, schoof de gordijnen dicht, overtuigde zich er zorgvuldig van dat er geen kijkgaatjes in de muren waren en kwam bij me staan. Vijf of zes keer sloeg hij met een massieve vuist in een massieve handpalm, schopte tegen de muur en smeet met veel geraas een van de stoelen omver. De kamer dreunde ervan.
„Sta op als je ertoe in staat bent, vriend," zei hij luid, maar niet al te luid. „Dit was alleen nog maar een waarschuwing om geen gekke dingen uit te halen. Eén verkeerde beweging en je zal het gevoel krijgen dat er een wolkenkrabber op je neerstort."
Ik bewoog me niet. Jablonsky ook niet. Het werd volkomen stil in de kamer. Wc luisterden gespannen. In de gang was het niet volkomen stil. Met zijn platvoeten en duidelijk hoorbare ademhaling bracht de butler niets terecht van zijn rol van De Laatste der Mohicanen en toen zijn voetstappen eindelijk in de dikke gangloper wegstierven, moest hij al een goede zes meter van de deur verwijderd zijn. Jablonsky pakte een sleuteltje, ontsloot geruisloos mijn handboeien, stak ze in zijn zak en schudde me zó krachtig de hand dat mijn vingers verpletterd dreigden te worden. Desondanks lachte ik en mijn lach was even breed als die van hem. We staken een sigaret op en begonnen de kamer uit te kammen naar microfoons. Het huis zat er vol van.
Precies vierentwintig uur later klom ik achter het stuur van een sportwagen. Het contactsleuteltje zat in het dashboard. Het was een Chevrolet Corvette - dezelfde auto die ik met Mary Ruthven als gijzelaarster de vorige dag gestolen had. Regenen deed het niet meer. De hele dag was de hemel blauw en onbewolkt geweest. Voor mij had die dag heel lang geduurd. Het valt niet mee om volledig gekleed twaalf uur lang met handboeien aan de spijlen gekluisterd op bed te moeten liggen. Vooral niet als de temperatuur in de schaduw tot het smeltpunt komt. Ik had me dan ook zo slap als een pas geschoten konijn gevoeld. De hele dag lag ik daar. Jablonsky bracht me eten en liet me kort na het middagmaal aantreden voor de generaal, Vyland en Royale om hen te laten zien wat hij als waakhond presteerde en dat ik me nog steeds in een betrekkelijk goede conditie bevond. Om die betrekkelijkheid te accentueren, verdubbelde ik mijn mankheid en had ik over kin en wang een pleister geplakt. Royale had dergelijke hulpmiddelen niet nodig om te bewijzen dat hij in de oorlog was geweest. Ik betwijfelde of er breed genoeg pleister bestond om de enorme kneuzing op zijn voorhoofd te kunnen bedekken. Zijn gekwetst oog had dezelfde blauwpurperen kleur als de kneuzing en zat volkomen dicht. Ik had Royale braaf toegetakeld en gezien de lege, afwezige uitdrukking op zijn gezicht en in zijn andere oog zou hij vermoedelijk niet rusten eer hij voorgoed met me had afgerekend.
De avondlucht was koel en geurde naar de zee. Ik had de kap naar beneden en terwijl ik naar het zuiden reed, leunde ik ver achterover en liet me eens heerlijk doorwaaien. Het kwam niet alleen door de hitte in de kamer dat ik zo moeilijk en traag mijn gedachten had kunnen verzamelen. Alles bij elkaar had ik die dag te lang geslapen en dat moest ik bezuren. De komende nacht echter zou ik niet veel slaap krijgen. Ik dacht aan Jablonsky - die grote, innemend glimlachende man met het gebruinde gezicht die in de kamer aan de achterkant van het huis ijverig en plechtig en met de drie sleutels in zijn zak mijn lege slaapkamer zat te bewaken. In mijn eigen zak voelde ik de drie duplicaatsleutels die Jablonsky tijdens een wandeling in de buurt van Marble Springs had laten maken. Hij had het druk gehad. Ik probeerde Jablonsky voorlopig maar te vergeten. Hij kon beter voor zich zelf zorgen dan ik het ooit van iemand had meegemaakt. Persoonlijk wachtten mij die nacht genoeg moeilijkheden.
Toen de laatste gloed van de zonsondergang over de wijnrode zee in het westen was verdwenen en de sterren aan de hoge, windstille hemel begonnen te fonkelen, zag ik rechts van de weg een groene lantaarn. Dan nog een. Bij de derde sloeg ik rechtsaf en reed naar een stenen steiger. Ik doofde de koplampen en stopte naast een lange, forse man. Zwijgend pakte hij me bij de arm en hielp me langs een houten trapje op een vlot en daarna naar een lang, donker schip. Mijn ogen raakten aan het duister gewend en zonder hulp klom ik aan boord waar ik begroet werd door een kleine, dikke man.
„Mijnheer Talbot?"
„Jawel. Kapitein Zaimis?"
„John." De kleine man grinnikte. „De jongens zouden me uitlachen," verklaarde hij. „Kapitein Zaimis, zouden ze zeggen, van de Queen Mary? Zo zijn de kinderen tegenwoordig." Hij zuchtte. „Ik geloof dat John genoeg is voor de kapitein van de kleine Matapan."
Over zijn schouder heen keek ik naar de kinderen. Ze vormden donkere schimmen tegen een iets minder donkere hemel, maar ik kon toch zien dat hun gemiddelde lengte om en nabij de een meter tachtig was en ze stuk voor stuk evenredig stevig waren gebouwd. Ook de Matapan bleek niet zo heel erg klein te zijn. Hij was zeker twaalf meter lang, had twee masten en op ongeveer twee meter hoogte dwarsscheeps en langsscheeps aangebrachte rails. Schip en bemanning waren Grieks. De bemanning tot de laatste man en mocht de Matapan dan misschien niet helemaal Grieks zijn, in ieder geval werd ze door een van de Grieken gebouwd die zich hoofdzakelijk in Florida hadden gevestigd om deze sponzen- vissers te bouwen. Met zijn sierlijke lijnen en hoge boeg zou Homerus het schip onmiddellijk herkend hebben als een directe afstammeling van de galeien die eeuwen en eeuwen geleden de Aegeïsche Zee bevoeren. Ik voelde me plotseling dankbaar dat ik me aan dit schip en zijn bemanning kon toevertrouwen.
„Een beste avond voor het karwei," zei ik.
„Misschien. Misschien niet." De stem van Zaimis klonk ernstig. „Ik geloof het eigenlijk niet. Het is geen avond die John Zaimis uitgekozen zou hebben."
Ik zei maar niet dat er van een keuze geen sprake kon zijn.
„Te helder?" vroeg ik.
„Dat niet." Hij wendde zich van me af en gaf in het Grieks zijn bevelen. De mannen begonnen de trossen los te maken. „Neem me niet kwalijk dat ik onze landstaal gebruik. Die drie jongens zijn nog maar een half jaar hier. Tegenwoordig willen de kinderen niet meer duiken. We moesten dus jongens uit Griekenland laten komen. Eh… het weer bevalt me niet, mijnheer Talbot. Het is te mooi. De avond is veel te mooi."
„Precies wat ik zei."
„Nee." Hij schudde heftig het hoofd. „Te mooi. Het is te stil en komt dat briesje niet uit het noordwesten? Dat is jammer. De zon stond vanavond als een vlam aan de hemel. Ook jammer. Voelt u die kleine golfjes? Bij gunstig weer slaan ze om de drie of vier seconden tegen de romp. En vanavond?" Hij haalde de schouders op. „Om de twaalf seconden, misschien vijftien. Veertig jaar heb ik hier gevist. Ik ken het water, mijnheer Talbot. We krijgen storm en niet mis ook."
„Storm?" Op stormen had ik het niet begrepen. „Werd er voor een orkaan gewaarschuwd?"
„Nee."
„Kondigt een orkaan zich altijd op deze manier aan?"
Kapitein Zaimis scheen niet van plan te zijn me wat op te beuren en ik wilde hem een duwtje in de goede richting geven.
„Niet altijd, mijnheer Talbot. Ongeveer vijftien jaar geleden werd er weer eens voor een orkaan gewaarschuwd, maar van de voortekenen bespeurden we niets. De vissers van South Caicos voeren uit. Er verdronken er vijftig. Als je echter in september de voortekenen ziet, gaat het stormen."
„Wanneer?"
„Over acht uur, misschien achtenveertig. Ik weet het niet." De kapitein wees naar het westen waar de deining vandaan kwam. „Uit die richting hebben we het te verwachten. Uw rubber pak ligt beneden, mijnheer Talbot."
Twee uur later en derden zeemijlen verder waren we de op de loer liggende storm akelig dicht genaderd. We voeren volle kracht, maar de volle kracht van de Matapan was niet om over naar huis te schrijven. Bijna een maand geleden hadden twee ingenieurs, die zware geheimhouding was opgelegd, de uitlaat van de Matapan veranderd en ze deden het prima - de machines van het schip maakten nu via de uitlaat onder water niet meer geluid dan een binnensmonds gefluister, hoewel de sponzenvisser aan snelheid had moeten inboeten. Maar het ging snel genoeg en we kwamen er. We kwamen er naar mijn smaak veel te vlug en hoe verder we uit de kust raakten, hoe hoger de golven werden en hoe zwarter mijn pessimisme. Wat was ik begonnen! Iemand moest het echter doen en ik was de man die de joker had getrokken. Er was geen maan. Ten slotte verdwenen zelfs de sterren. Wolken dreven langs de hemel. Toen begon het te regenen. Niet hard, maar genoeg om me kletsnat te maken. Kapitein Zaimis gaf me een zeiltje. Weliswaar bezat de Matapan een kajuit, maar ik voelde er niets voor om benedendeks te gaan. Vermoedelijk hadden de bewegingen van het schip me in slaap gewiegd, want plotseling schudde iemand me aan de schouder. Het bleek de kapitein te zijn.
„Daar heb je hem, mijnheer Talbot. Dat is de X-13."
Ik stond op, zocht steun bij de mast - het rollen en stampen van het schip begonnen nu werkelijk onaangenaam te worden - en keek in de aangewezen richting. Dat wijzen was niet nodig geweest, want zelfs op de afstand van een mijl scheen de X-13 de gehele hemel te vullen. Ik keek, wendde mijn ogen af en keek opnieuw. De X-13 was er nog steeds. Ik had bijnaalles verloren, ik had weinig om voor te leven, maar ook dat weinige telde mee en daarom verlangde ik ernaar tienduizend zeemijlen verder te zijn. Ik was bang. Als dit dan het einde van de tocht betekende, wenste ik hem nooit
begonnen te zijn.