Hoofdstuk 2
We reden bijna recht naar het noorden en over de hoofdweg -
een wit en stoffig lint, ongeveer een meter opgespoten boven het
omringende land. Links van ons glinsterde en fonkelde de Golf van
Mexico als een opalen smaragd onder een brandende zon. Tussen de
weg en de zee zag ik een vlakke, weinig interessante kustgordel van
lage wortelbomen. Rechts strekten zich moerassige bossen uit. Geen
bossen van palmen of dwergpalmen zoals ik in deze streek had mogen
verwachten, maar van ontmoedigend in de groei belemmerde pijnbomen.
De rit beviel me niets. Ik reed zo hard als ik durfde en de haast
zwevend te noemen wegligging van de Chevrolet gaf me bepaald niet
een gevoel van veiligheid. Ik had geen zonnebril en al scheen de
zon niet recht in mijn gezicht, toch begon het schelle subtropische
licht op de weg mijn ogen al heel gauw pijn te doen. Weliswaar was
het een open wagen, maar de voorruit was zó breed en hoog dat de
bij een snelheid van meer dan honderdtwintig kilometer per uur
langs mijn oren fluitende wind totaal geen verkoeling gaf. De
temperatuur was in de rechtszaal en in de schaduw vermoedelijk
dicht bij het kookpunt geweest, maar hier in de open vlakte kon ik
er niet eens meer naar raden. In ieder geval was het zo heet als in
een oven. Ik had dus werkelijk geen plezier in de rit. Het meisje
naast me trouwens ook niet. Ze had niet de moeite genomen haar
eigendommen weer in de door mij geledigde handtas te stoppen en
hield de handen stijf gevouwen in haar schoot. Af en toe, als we
door een scherpe bocht scheurden, greep ze zich aan de rand van het
portier vast, maar sinds we Marble Springs hadden verlaten, had ze
zich verder niet bewogen. Wel had ze een witte doek om het
donkerblonde haar geknoopt. Ze keek me niet eenmaal aan. Ik wist
zelfs niet hoe de kleur van haar ogen was. Spreken deed ze helemaal
niet. Een paar keer gluurde ik haar even van opzij aan en telkens
zag ik dan dat ze recht voor zich uitstaarde - de lippen stijf op
elkaar geklemd, met een bleek gezicht en hoog op haar linkerwang
brandde een lichtrode vlek. Ze was nog steeds bang, misschien wel
banger dan ooit. Wellicht vroeg ze zich af wat er met haar zou
gebeuren. Ik vroeg me dat eveneens af.Twaalf kilometer en acht
minuten van Marble Springs verwijderd, gebeurde er wat ik had
verwacht. Iemand scheen in razende haast nagedacht en gehandeld te
hebben. Wat ik had verwacht, was een wegversperring. Deze was
aangebracht op een punt waar een of andere ondernemende firma een
rechts van ons liggend weggedeelte had verhoogd met steen- of
kolengruis, daarna geasfalteerd en er benzinepompen en een
pleisterplaats voor chauffeurs had gebouwd. Dwars over de weg stond
een auto - een grote, zwarte politieauto. Als de twee draaiende
zoeklichten en het rode STOP me hiervan niet hadden kunnen
overtuigen, zouden de witte letters POLITIE het wel gedaan hebben.
Links, precies voor de neus van de politieauto, zag ik ongeveer
anderhalve meter beneden de weg het begin van een naar de kust
lopende sloot. Aan die kant was geen ontsnappen mogelijk. Rechts
werd de weg breder en grensde hij aan de parkeerplaats voor het
benzinestation. Een rij olievaten van elk zo ongeveer tweehonderd
liter blokkeerde de ruimte tussen de politieauto en de eerste van
de pompen. Dit alles zag ik in de vier of vijf seconden die ik
nodig had om de snelheid van de schuddende en slippende Chevrolet
terug te brengen tot niet meer dan vijftig kilometer per uur. Ik
hoorde het gegier van de banden en op de weg achter ons lieten we
een zwarte rook afgevend spoor na van gesmolten rubber. De agenten
zag ik ook. Een van hen had zich verdekt opgesteld achter de
motorkap van de auto. De rechterarm en het hoofd van de tweede
bleven net zichtbaar boven de kofferruimte. Beiden waren met
revolvers gewapend. Een derde agent stond bijna geheel verborgen
achter een van de benzinepompen. Zijn geweer zag ik echter
verduiveld goed en even hield ik de adem in. Een dodelijker wapen
dan een geweer kende ik onder deze omstandigheden niet. Ik reed nu
niet harder meer dan dertig kilometer per uur en bevond me minder
dan veertig meter van de versperring verwijderd. De agenten hielden
hun wapens op mijn hoofd gericht, kwamen te voorschijn en
verspreidden zich over de weg. Tegelijkertijd zag ik nog net dat
het meisje haar hand naar de knop van het portier uitstrekte, zich
van me wegdraaide en zich gereed hield om uit de wagen te springen.
Ik zei niets, greep haar bij de arm en rukte haar zó ruw naar me
toe dat ze naar adem snakte van pijn. Terwijl ik mijn hand naar
haar schouder verplaatste en haar half tegen me aan, half voor me
hield, zodat de agenten niet zouden durven schieten, drukte ik met
mijn voet het gaspedaal tot op de plank.
„Idioot! Je vermoordt ons!"
Even staarde ze naar de voor ons opdoemende rij vaten en
terwijl de schrik op haat gezicht die in haar stem evenaarde,
wendde ze zich met een schreeuw van angst af, duwde haar gezicht
tegen mijn jas en klauwde haar nagels in mijn bovenarmen. Met ons
spatbord raakten we het tweede vat van links. In mijn
onderbewustzijn greep ik het meisje en het stuur steviger vast en
zette me schrap voor de schok die me tegen het stuurwiel of door de
voorruit zou smakken. Ik rekende erop dat het zware vat de bouten
van het chassis zou losscheuren en de motor op de voorbank terecht
ging komen. Het gebeurde echter niet. Ik hoorde alleen maar de
krijs van metaal langs metaal en dan een hol weerkaatsende klap
toen het spatbord het vat van de weg rukte. Ik voelde een lichte
schok. Ik verwachtte dat het vat over de motorkap geslingerd zou
worden om de voorruit te verbrijzelen en ons op de bank te
verpletteren, maar ook dat bleef ons bespaard. Wild trok ik met
mijn vrije hand het stuur naar links en toen achter ons het
rondtollende vat uit zicht verdween, kreeg ik de Chevrolet weer
recht op de weg en raasden we verder. Het olievat was leeg geweest.
Geen kogel was er afgevuurd.
Langzaam hief het meisje het hoofd op, staarde over mijn
schouder naar de in de verte vervagende wegversperring en keek me
daarna aan. Haar vingers klemden zich nog steeds om mijn armen,
maar ze was het zich niet bewust.
„Je bent gek." In het toenemend lawaai van de motor was haar
schor gefluister nauwelijks hoorbaar. „Stapelgek! Het kan niet
anders."
Misschien had ze eerst niet in paniek verkeerd, maar nu wel.
„Ga wat opzij," verzocht ik haar. „U belemmert mij het
uitzicht."
Ze schoof ongeveer een decimeter van me weg. Haar ogen, waarin
een ziekelijke angst blonk, bleven me echter aanstaren. Ze
beefde.
„Je bent gek!" herhaalde ze. „Laat me alsjeblieft
uitstappen."
„Ik ben niet gek." Ik besteedde evenveel aandacht aan de
achteruitspiegel als aan de. weg voor me. „Ik ben gewend na te
denken en opmerkzaam te zijn. Ze kunnen niet meer dan een paar
minuten gehad hebben om die versperring in orde te brengen en er
zijn meer dan een paar minuten nodig om zes volle vaten naar buiten
te rollen en ze in een rij op te stellen. Het vat dat we raakten
stond met het vulgat naar me toegekeerd - er was geen stop op. Het
moest dus wel leeg zijn. En wat dat uitstappen van u betreft… eh…
ik ben bang dat ik er geen tijd voor heb. Ik zou graag willen dat u
eens achterom keek." Ze deed het. „Ze… ze volgen ons!"
„Wat had u dan verwacht? Dat ze ergens een kopje koffie zouden
gaan drinken?"
We reden nu dichter bij de zee. De bochten van de weg volgden
die van de kust. Er was vrij weinig verkeer, maar genoeg om geen
risico's te nemen en te snijden. De politieauto begon ons meer en
meer in te halen. De chauffeur was beter met zijn wagen bekend dan
ik met de Chevrolet. De weg kende hij blijkbaar op zijn duimpje. Na
tien minuten was hij ons tot op een honderdvijftig meter genaderd.
Het meisje had de politieauto even in het oog gehouden en toen keek
ze me weer aan. Ze deed al haar best haar stem vast te laten
klinken en bijna slaagde ze erin.
„Wat… wat gaat er nu gebeuren?"
„Niet veel plezierigs," antwoordde ik kortaf. „Ze zullen wat
ruw te werk gaan, vermoed ik. Ik denk namelijk niet dat de heren
zich in een goed humeur bevinden na dat akkefietje bij de
versperring."
Nauwelijks had ik het gezegd of ik hoorde boven het lawaai van
de motor en de banden uit twee of drie elkaar snel opvolgende
knallen. Het hadden die van een zweep kunnen zijn. De uitdrukking
op het gezicht van het meisje vertelde me dat ik haar niets hoefde
uit te leggen. Ze wist het al.
„Op de vloer!" beval ik. „Zo plat mogelijk op de vloer. Bij
kogels of een ongeluk heeft u daar de beste kans. Weg met dat
hoofd."
Toen ze in elkaar gehurkt op de vloer zat en ik alleen haar
schouders en donkerblond achterhoofd nog maar kon zien, nam ik de
revolver uit mijn zak, haalde mijn voet van het gaspedaal, pakte de
handrem en trok deze zo hard als ik kon naar me toe. Zonder de
waarschuwing van aangloeiende achterlichten kwam het snelheid
minderen van de Chevrolet even onverwacht als plotseling en het
gieren van de banden en wegslippen van de auto achter ons bewezen
dat ik de chauffeur volkomen verrast moest hebben. Ik vuurde een
vlug schot af. Op hetzelfde moment trof een kogel van onze
achtervolgers de voorruit van de Chevrolet, hoordé ik het gekraak
van versplinterend glas en zag precies in het midden van de ruit
een grote ster ontstaan. Ik vuurde opnieuw. De politiewagen schoot
naar rechts en kwam met de voorwielen in een greppel bijna dwars
over de weg te staan. Gezien de onbestuurbaarheid van de auto zou
ik een van de voorbanden lek geschoten kunnen hebben. De agenten
was blijkbaar niets overkomen. Binnen een paar seconden stonden ze
op de weg en zo snel als hun vingers de trekkers konden overhalen,
zonden ze ons hun fluitende kogels na. We waren echter al meer dan
honderd, tweehonderd meter van hen vandaan en op die afstand had
het afvuren van revolvers niet meer nut dan het gooien met stenen.
Enkele seconden later namen we een bocht en raakten de agenten uit
zicht.
„Mooi," zei ik. „De strijd is gestreden, juffrouw Ruthven.
Gaat u maar weer zitten."
Ze kwam overeind en nam weer plaats. Er viel wat donkerblond
haar voor haar gezicht. Ze deed de witte doek af, herstelde het
euvel en sloeg de bandana dan weer over haar hoofd. Vrouwen! Als ze
van een rots vielen en in de veronderstelling verkeerden dat er op
de bodem van het ravijn iemand op hen wachtte, zouden ze tijdens de
val vermoedelijk nog rustig hun haar kammen.
„Dank u," ze ze zacht zonder me aan te kijken en nadat ze met
de knoop van de bandana klaar was, „dat u me waarschuwde op de
vloer te gaan zitten. Ik had dood kunnen zijn."
„Inderdaad," gaf ik onverschillig toe, „maar ik dacht aan
mezelf en niet aan u, dame. Uw aanhoudend goede gezondheid is nauw
met die van mij verbonden. Zonder de polis van een
levensverzekering naast me zouden ze namelijk alles, van
handgranaat tot scheepsgeschut, gebruiken om me tegen te houden."
„Maar… maar ze probeerden ons te doden!" Ze duidde met het hoofd op
het kogelgat in de voorruit en er lag afschuw in haar stem. „Ik zat
precies in de richting van de kogel."
„Dat klopt. U zou een kans van een op de duizend gehad hebben.
Ongetwijfeld kregen ze orders om op de juiste persoon te mikken,
maar misschien waren ze zó kwaad dat ze die orders vergaten. Het
kan natuurlijk ook dat ze het op onze achterbanden voorzien hadden
en uit een snel rijdende auto is het moeilijk schieten. Of anders
waren ze zonder meer slechte schutters. Wie weet."
Nog steeds waren er weinig tegenliggers, misschien twee of
drie op de kilometer, maar zelfs dit was te veel voor mijn
gemoedsrust. In de meeste tegenliggers zaten namelijk
vakantiegangers, soms hele gezinnen, en als alle vakantiegangers
wekte niet alleen alles dat ze zagen of tegenkwamen hun
nieuwsgierigheid op, maar tevens hadden ze kennelijk de tijd en de
neiging om die nieuwsgierigheid te bevredigen. Elke tegenligger
minderde vlak bij ons vaart en in de achter- uitspiegel ontwaarde
ik van twee of drie auto's het aangloeien van de achterlichten
toen, de bestuurder op de rem trapte en de inzittenden zich naar
ons omdraaiden. Hollywood en de TV-films hadden een voorruit met
een door een kogel veroorzaakte ster tot een voorwerp gemaakt dat
onmiddellijk door miljoenen herkend werd. Leek dit al verontrustend
genoeg, nog meer verontrustend was het feit er vrijwel zeker van te
zijn dat elk ogenblik door de radiostations in de omgeving het
nieuws kon worden omgeroepen over de gebeurtenissen in de
rechtszaal van Marble Springs plus een nauwkeurige beschrijving van
de Chevrolet, mezelf en het blonde meisje naast me. Alle kans
bestond dat op zijn minst de helft van de tegenliggers de radio had
afgestemd op een van de plaatselijke stations met hun eindeloze
grammo- foonplatenprogramma's. Dan het onvermijdelijke
nieuwsbericht en verder zou er alleen nog maar een of andere gek
nodig zijn die zijn vrouw en kinderen eens even wilde bewijzen wat
voor een held hij nu eigenlijk wel was zonder dat ze ooit op het
idee waren gekomen.
Ik pakte de nog steeds lege handtas van het meisje, stak er
mijn hand in en sloeg het midden van de uit lagen bestaande
voorruit stuk. Het gat was nu honderdmaal zo groot als eerst, maar
zou lang zoveel argwaan niet opwekken. Op geheimzinnige wijze
versplinterde voorruiten kwamen in die dagen vrij veel voor en
gaven geen stof tot nieuwsgierigheid meer. Een opgeworpen
kiezelsteen, een abrupte verandering van temperatuur en zelfs een
voldoende hard geluid bij een kritieke frequentie waren voor
gebogen glas onder spanning al genoeg om het te versplinteren. Mijn
voorzorgsmaatregel voldeed echter niet. Ik was me dat heel goed
bewust. Ik had de radio aan en toen een snel en nerveus sprekende
stem een hoorspel voor de huisvrouw onderbrak, een beknopt maar
sterk gekleurd verslag gaf van mijn ontvluchting en alle
automobilisten waarschuwde om goed uit te kijken en de Chevrolet
eventueel meteen te rapporteren, begreep ik dat ik de wagen in de
steek zou moeten laten en wel onmiddellijk. Het werd te gevaarlijk
en op deze enige hoofdweg van noord naar zuid was de kans om niet
ontdekt te worden vrijwel nihil. Ik moest een andere wagen hebben
en zo gauw mogelijk.
Bijna meteen kreeg ik er een te pakken. Tijdens het opvangen
van het nieuwsbericht reden we juist door een van de aan de kust
van Florida als paddestoelen uit de grond verrijzende nieuwe
stadjes en nog geen tweehonderd meter voorbij de grens kwamen we
bij een parkeerplaats. Er stonden drie auto's. Kennelijk hoorden ze
bij elkaar, want door de bomen en struiken zag ik nog net een
gezelschap van zeven personen in de richting van de zee wandelen.
Ze hadden mandjes bij zich en alles wees erop dat ze ergens wilden
gaan picknicken en nog wel even zouden wegblijven. Ik sprong uit de
Chevrolet, trok het meisje met me mee en begaf menaar de drie
auto's. Het waren open wagens waaronder een sportmodel. In geen van
de dashboards zat een contactsleuteltje, maar in de sportwagen vond
ik in een vakje en slechts bedekt door een opgevouwen stuk zeemleer
een reservesleuteltje. Ik had natuurlijk met achterlaten van de
politieauto meteen kunnen wegrijden, maar dat zou dom geweest zijn.
Zolang namelijk nog niet bekend was waar de Chevrolet zich bevond,
zou de jacht zich daar alleen op concentreren en weinig aandacht
werd er dan natuurlijk besteed aan de doodgewone autodief die zich
van de sportwagen had meester gemaakt. Liet ik de Chevrolet echter
op de parkeerplaats achter, dan zou in heel Florida naar de
gestolen sportwagen gezocht worden. Dertig seconden later was ik
met de Chevrolet weer bij de rand van het stadje. Bij het eerste
huis remde ik af. Vlug keek ik om me heen. Ik zag niemand. Ik
aarzelde geen moment, reed de betonnen oprit op, door de
opgeschoven deur een garage in, schakelde de motor uit en trok de
deur naar beneden.
Twee of drie minuten daarna liepen het meisje en ik de garage
weer uit en iedereen die naar ons zocht zou driemaal gekeken moeten
hebben om argwaan te koesteren. Toevallig was de groene blouse met
korte mouwen van het meisje van precies dezelfde kleur geweest als
mijn pak, wat trouwens ook tweemaal door de radio vermeld werd. Het
had ons gemakkelijk kunnen verraden. Nu echter had ze die blouse
niet meer aan en het witte plastronnetje dat ze eronder droeg, werd
op die gloeiendhete middag door zoveel meisjes gedragen dat ze in
een menigte van wel duizend vrouwen had kunnen opgaan zonder
opgemerkt te worden. De blouse zat in mijn jasje gerold. Het jasje
zelf hield ik met de grijze voering naar buiten over mijn arm en
mijn das had ik in mijn zak gestopt. Ik had haar witte bandana als
een zakdoek over mijn hoofd geknoopt. Een van de knopen hing ver
naar beneden en onttrok mijn litteken aan het oog. Alleen mijn rode
haar bij de slapen had me nog kunnen verraden. Toen het met het
vochtig gemaakte mascarapotlood van het meisje was bijgekleurd, had
ik nog nooit in mijn leven zulk haar gezien, maar het was tenminste
niet rood meer. Onder de blouse en mijn jasje droeg ik de
revolver.
Langzaam wandelend om mijn kreupel lopen tot een minimum terug
te brengen, hadden we in drie minuten de sportwagen weer bereikt.
Ook dit was een Chevrolet, maar alleen wat de motor betrof leek hij
op de vorige. Ik had een dergelijke wagen in Europa gereden en wist
dat hij een snelheid kon bereiken van bijna tweehonderd kilometer
per uur. Ik wachtte tot een met veel lawaai uit het noorden komende
en met grint beladen vrachtauto voorbijreed en startte de motor van
de Corvette. De zeven vakantiegangers die ik had gezien, waren nu
zo ongeveer bij de kust, maar toch zouden ze bij eerder wegrijden
het starten van de motor gehoord kunnen hebben en misschien
wantrouwend zijn geworden. Nu ging het in het lawaai van de
vrachtauto verloren. Ik maakte vlug een U-bocht en reed achter de
zware vrachtauto aan. Toen we dus de richting insloegen waar we
juist vandaan waren gekomen, zag ik een uitdrukking van verrassing
over het gezicht van het meisje glijden.
» Ik weet het," zei ik. „Vooruit, zeg maar dat ik gek ben.
Maar ik ben het niet! Niet zo ver naar het noorden zullen we
ongetwijfeld de tweede wegversperring tegenkomen. Ditmaal zal zij
niet zo haastig geïmproviseerd zijn als de vorige keer en een tank
van vijftig ton kunnen stoppen. Misschien vermoeden ze dat ik iets
dergelijks zal aannemen. Misschien komen ze dan tot de conclusie
dat ik deze weg zal verlaten en de sintelweggetjes door het
moerasland in het oosten kies. Ik weet het niet, maar in ieder
geval zou ik het in hun plaats wél denken. Daarom gaan we naar het
zuiden. Op dat idee komen ze vast en zeker niet. En daar verbergen
we ons een paar uur."„Verbergen? Waar? Waar zou u zich moeten
schuil houden?" Ik gaf geen antwoord op die vraag. „Laat me
uitstappen. U… u bent nu veilig, is het niet? U weet dat heel
zeker, anders ging u deze kant niet op."
„Doe niet zo dwaas," zei ik moe. „Als ik u laat gaan, weet
binnen den minuten elke agent in Florida in wat voor wagen ik rijd
en in welke richting. U denkt toch niet werkelijk dat ik gek
ben?"
„Maar u kunt me toch immers niet vertrouwen?" hield ze vol. Ik
had de laatste twintig minuten niemand neergeschoten en ze was niet
bang meer. Ze kon tenminste weer plannen maken. „Hoe weet u dat ik
de mensen geen seintje zal geven of ga schreeuwen op een moment dat
u er niets aan kunt doen? Bij een stoplicht bijvoorbeeld."
„Het zal me benieuwen," zei ik langs mijn neus weg, „of er nog
op tijd een dokter bij agent Donnelly gekomen is."
Ze begreep me. Ze had wat meer kleur gekregen, maar die
verdween nu weer. Toch gaf ze blijk van moed. Een soort moed die
iemand in moeilijkheden zou kunnen brengen.
„Mijn vader is erg ziek, mijnheer Talbot." Voor het eerst
gebruikte ze mijn naam en dat 'mijnheer' wist ik te waarderen. „Als
hij dit alles hoort, dan… dan… eh… hij heeft een zwak hart
en…"
„En ik heb een vrouw en vier verhongerende kinderen,"
onderbrak ik haar. „We kunnen dus elkaars tranen afvegen. Zwijg nu
maar."
Ze zei niets. Zelfs niet toen ik voor een cafetaria stopte,
naar binnen ging om even op te bellen en haar meenam. Ze kon net
niet horen wat ik door de telefoon zei, maar bevond zich toch dicht
genoeg bij me om te kunnen zien hoe onder het over mijn arm
hangende jasje de vorm van de revolver zich aftekende. Na gebeld te
hebben, kocht ik sigaretten. De bediende keek naar me en daarna
naar de geparkeerde Corvette.
„Een warme dag om te rijden, mijnheer. Komt u van ver?"
„Van het Chilicootemeer." Vijf kilometer noordelijker had ik
de naam op een wegwijzer gelezen. Mijn poging om met een Amerikaans
accent te spreken deed me huiveren. „Ik heb gevist."
«Aha, gevist dus." Op de toon van zijn stem viel niets aan te
merken, maar wel op de glurende blik waarmee hij naar het meisje
naast me keek. Mijn Sir Galahadgevoelens waren die middag echter
latent aanwezig en ik liet het dus maar gaan. „Nog wat
gevangen?"
„Het gaat nogal." Ik had er geen flauw benul van welke vissen
er in de meren in de buurt gevangen werden en bedacht opeens dat
het erg onwaarschijnlijk moest klinken als iemand met de Golf van
Mexico bij wijze van spreken vlak voor de deur in een van die
ondiepe, moerassige meertjes ging vissen. „Ik ben de vangst nog
kwijt ook." Ik legde een boze klank in mijn stem. „Ik had even mijn
mandje met vis op de weg gezet en daar ineens passeert me met een
snelheid van vast wel honderddertig kilometer per uur een of andere
krankzinnige idioot. Weg mandje met vis! Zijn auto wierp op die
zijweg zoveel stof op dat ik niet eens zijn nummer kon
noteren."
„Die kerels kom je overal tegen." De ogen van de bediende
vernauwden zich plotseling. „Wat was dat voor een wagen?" vroeg hij
vlug.
„Een blauwe Chevrolet met een gebroken voorruit. Is er iets
mee?"
„Of er iets mee is?" Verbaasd keek hij me aan. „Heeft u het
dan niet gehoord? Hoe zag die vent er eigenlijk uit?"
„Dat kon ik niet zien. Hij reed veel te hard. Hij leek rood
haar te hebben, maar…"
„Rood haar! Chilicootemeer! Mensenkinderen!"
Hij draaide zich om en holde naar de telefoon. Het meisje en
ik gingen naar buiten. De zon brandde.
„U vergeet niets, is het wel?" vroeg ze. „Ik begrijp niet dat
u zó ijskoud kunt zijn. Hij had u kunnen herkennen…"
„Stap in! Me herkennen? Hij had het veel te druk met naar u te
kijken, dunkt me. Toen ze dat plastronnetje van u maakten, hadden
ze namelijk geen materiaal genoeg, maar ze besloten er toch maar
mee verder te gaan."
We reden weg. Zes kilometer verder bereikten we een plek die
me op de heenweg al niet ontgaan was. Een door palmen omgeven
parkeerruimte tussen de weg en de zee. Boven een houten poort was
een bord getimmerd waarop met grote letters 'Codells Bouwbedrijf'
stond en daaronder de vriendelijke uitnodiging 'Komt u maar eens
kijken'. Dat deed ik. Op de parkeerruimte bevonden zich vijftien,
misschien twintig auto's. Sommigen van de inzittenden zaten op
houten banken, maar de meesten waren in de wagens gebleven. Allen
keken naar de aanleg van de funderingen voor een uitbreiding naar
zee van een nieuw stadje. Vier geweldige draglines op rupsbanden
kropen af en aan over een pas gebouwde dam en rukten grote stukken
koraalrots van de bodem van de baai. Een van de draglines bouwde
aan een straat die recht naar de zee zou komen te lopen. Twee
andere bouwden aan twee kleine dammen die haaks op de hoofddam
stonden. Hierop kwamen huizen met eigen aanlegsteigers te staan. De
vierde dragline was aan de pier van vermoedelijk een jachthaven
bezig. Het was een fascinerend gezicht om zo'n stadje als het ware
aan de zee ontrukt te zien worden, maar ik verkeerde helemaal niet
in de stemming om gefascineerd te zijn. Ik parkeerde de Corvette
tussen twee lege auto's en stak een van mijn pas gekochte
sigaretten aan. Het meisje keek naar me. Er lag een ongelovige blik
in haar ogen.
„Wilt u zich hier proberen schuil te houden?" vroeg ze.
„Zo is het," verzekerde ik haar.
„Dus u blijft hier?"
„Lijkt het u niet geschikt?" „Met al die mensen? Waar iedereen
u ziet en met op twintig meter afstand de weg waarop elk moment de
politie…"
„Begrijpt u het?" onderbrak ik haar. „Iedereen denkt
natuurlijk precies hetzelfde als u: de laatste plaats waar een
achtervolgd man, die zijn hersens bij elkaar heeft, zou komen. De
ideale plaats dus en daarom blijven we."
„U kunt hier niet eeuwig blijven," zei ze rustig.
„Nee," gaf ik toe. „Alleen maar tot het donker wordt. Kom
dicht bij me zitten, juffrouw Ruthven. Een man, juffrouw Ruthven,
die vlucht om zijn leven te redden. Wat roept dat voor een beeld
op? Een dodelijk vermoeid persoon met wild rollende ogen die zich
door het kreupelhout worstelt of tot aan zijn oksels door een van
die heerlijke moerassen van Florida waadt. Zeker geen persoon die
in het zonnetje vertrouwelijk met een aardig meisje zit te praten.
Niets kan minder wantrouwen opwekken. Kom dus heel dicht
bij."
„Ik wilde dat ik uw revolver had," zei ze zacht.
„Daar twijfel ik geen moment aan. Vooruit, kom hier!"
Ze gehoorzaamde. Ik voelde haar niet te bedwingen huivering
van afkeer toen haar blote schouder die van mij raakte. Ik
probeerde me voor te stellen hoe ik me als jong en knap meisje in
het gezelschap van een moordenaar zou voelen, maar het bleek te
moeilijk te zijn. Ik was nu eenmaal geen meisje en evenmin jong en
knap. Ik gaf het dus op, liet haar de revolver onder het op mijn
knieën liggend jasje zien, leunde achterover en genoot van de
aanlandige bries die het door de takken van de ruisende palmen
sijpelende zonlicht wat minder brandend heet maakte. Het zag er
echter niet naar uit dat de zon lang zou blijven. De aanlandige
wind over het verschroeide land was vochtig en de kleine, witte
wolkjes die langs de hemel hadden gedreven begonnen nu dikker te
worden en verzamelden zich tot zware cumuluswolken. Het beviel me
niet. Ik wilde namelijk een goede reden hebben om de bandana om
mijn hoofd te houden.Tien minuten later naderde er over de hoofdweg
en uit zuidelijke richting een zwarte politieauto. In de achteruit-
spiegel zag ik hem vaart minderen en ook hoe twee agenten hun
hoofden door de raampjes staken om de parkeerruimte te kunnen
overzien. Het onderzoek was even vlug als vluchtig. Uit alles bleek
dat ze hier niets verwachtten en voordat de politieauto helemaal
gestopt was, reed hij al weer verder. De hoop in de ogen van het
meisje - grijs, koel en helder, zoals ik nu kon zien - stierf als
de vlam van een gesnoten kaars. Haar door de zon gebruinde
schouders kwamen iets naar voren. Een half uur daarna kon ze
opnieuw hopen. Ditmaal waren het twee motoragenten met valhelmen en
rij- handschoenen met kappen. Geen agenten die zich met een kluitje
in het riet zouden laten sturen. Precies naast elkaar reden ze de
houten poort door, precies naast elkaar stopten ze en precies
tegelijk brak abrupt het lawaai van de motoren af. Eet* paar
seconden bleven ze onbeweeglijk zitten, de glimmende rijlaarzen
schrijlings op de grond, toen stapten ze af, schopten de steunen
neer en begonnen rond de geparkeerde auto's te lopen. Een van hen
had een revolver in de hand. Ze kozen eerst de wagen die het
dichtst bij de ingang stond en namen zwijgend vooral de inzittenden
heel scherp op. Ze gaven geen verklaring. Evenmin verontschuldigden
ze zich. Ze maakten de indruk van agenten die gehoord hadden dat er
een collega neergeschoten was, zou sterven of misschien al dood
was. Plotseling sloegen ze twee of drie andere wagens over en
kwamen recht op ons af. Dat scheen althans de bedoeling te zijn,
maar ze gingen ons voorbij en liepen naar een Ford links voor ons.
Toen ze passeerden, voelde ik het meisje verstijven. Vlug haalde ze
heel diep adem.
„Doe het niet!"
Ik sloeg mijn arm om haar heen en trok haar dicht tegen me
aan. Het begin van een schreeuw veranderde in een lichte kreet van
pijn. Een van de agenten draaide zich om, zag het gezicht van het
meisje tegen mijn schouder gedrukt en keek weer de andere kant op.
Wat hij gezien meende te hebben vormde de stof voor een opmerking
tegen zijn collega. Hij zei het niet bepaald zachtjes en onder
normale omstandigheden zou ik zeker handelend zijn opgetreden, maar
de omstandigheden waren niet normaal. Ik deed dus niets. Toen ik
het meisje ten slotte los liet, was ze rood tot aan haar plastron.
Tegen mijn schouder gedrukt had ze natuurlijk niet veel adem kunnen
krijgen, maar vermoedelijk was de oorzaak van dit hevig blozen de
opmerking van de agent. Haar ogen fonkelden. Voor het eerst was ze
in plaats van bang razend van woede.
„Ik zal je erbij lappen." Haar stem was zacht en
onverzoenlijk. „Geef jezelf maar vrijwillig aan."
De agenten hadden de Ford gecontroleerd. De bestuurder was
gekleed in een jasje van dezelfde kleur groen als dat van mij. Zijn
panama droeg hij ver voor op het hoofd. Ik had hem de parkeerruimte
zien oprijden. Zijn haar was zwart. Hij had een gezicht met bolle
wangen en een snorretje. De agenten bleven staan. Ze waren niet
meer dan vijf meter van ons verwijderd, maar door het lawaai van de
draglines konden ze ons niet verstaan.
„Doe niet zo gek," zei ik zacht. „Ik heb een revolver."
„Daar zit nog maar één kogel in."
Ze had gelijk. Twee kogels in de rechtszaal, een om de band
van de auto van de rechter lek te schieten en twee toen de
politiewagen ons volgde.
„Je telt graag, is het niet?" mompelde ik. „Als de chirurgen
je opgeknapt hebben, krijg je in het ziekenhuis tijd genoeg om eens
flink te oefenen. Aangenomen tenminste dat ze in staat zijn je op
te knappen."
Ze keek me aan. Haar lippen waren iets van elkaar gescheiden
en ze zei niets.
„Eén klein kogeltje, maar het kan hard aankomen." Ik drukte de
revolver tegen haar aan. „Je hebt toch gehoord dat ik Donnelly
vertelde wat de gevolgen van zo'n kogeltje kunnen zijn? Voel je de
loop tegen je heupbeen? Besef je wat dat betekent?" Ik sprak nu
heel zacht en heel dreigend. „Dat heupbeen zal onherstelbaar
verbrijzeld worden en u zult nooit meer kunnen lopen, juffrouw
Ruthven. Nooit meer dansen of zwemmen of paardrijden. De rest van
uw leven zult u dat mooie lichaam van u op een paar krukken moeten
voortslepen. Of in een rolstoel. En altijd maar pijn. Elke dag, elk
uur. Nog steeds van plan om die agenten te roepen?"
Ze zweeg. Haar gezicht en lippen waren bleek.
„U gelooft me toch, is het niet?" fluisterde ik.
„Ik geloof u."
„Dus?"
„Dus roep ik die agenten," zei ze. „Misschien zult u me
kreupel maken, maar krijgen doen ze u. En dan kunt u nooit meer
moorden. Ik ben wel verplicht ze te roepen."
„Deze nobele gevoelens sieren u, juffrouw Ruthven." De spot in
mijn stem was geen weerspiegeling van mijn gedachten. Het meisje
ging iets doen dat ik nooit gedaan zou hebben. „Roep ze maar en
wees er getuige van hoe ze zullen sterven."
Ze staarde me aan.
„Hoe… hoe bedoelt u dat? U hebt maar één kogel en…"
„En die is niet meer voor u," vulde ik aan. „Eén schreeuw,
dame, en die agent met de revolver is de klos. Ik schiet hem midden
door zijn borst. Ik ben een vrij goed schutter met een Colt. U zag
hoe ik de revolver uit de handen van de sheriff schoot. Ditmaal
neem ik geen enkel risico. Die smeris krijgt de kogel door zijn
borst. Met de andere agent zal ik niet veel moeite hebben. Hij
heeft zijn revolver in de holster, weet dat ik een moordenaar ben,
maar niet dat mijn Colt leeg is. Handen hoog die vent. Ik pak hem
zijn revolver af, geef hem daarmee zijn portie en verdwijn." Ik
glimlachte. „Ik denk niet dat iemand zal proberen me tegen te
houden."
„Maar… maar ik zal hem zeggen dat uw revolver leeg is."
„U bent eerst aan de beurt, dame. Even mijn elleboog in uw
maagholte en u zegt de eerstvolgende vijf minuten tegen niemand
meer iets."
Het bleef lang stil. De agenten waren er nog steeds.
„En u zou het doen ook, is het niet?" zei ze dan zacht.
„Neem de proef maar op de som."
„Ik haat je." Haar stem was toonloos. Wanhoop en verslagenheid
hadden de heldere, grijze ogen donker gemaakt. „Ik heb nooit
geweten dat ik iemand zó kon haten. Het… het maakt me bang."
„Blijf bang en blijf in leven."
De agenten waren klaar met hun onderzoek. Langzaam liepen ze
naar hun motoren en raden weg.
Traag verstreken de uren. De draglines kropen af en aan. De
toeschouwers kwamen en gingen, maar de meesten gingen en ten slotte
stonden er nog maar twee auto's op de parkeerplaats: die van ons en
de Ford van de man in het groene jasje. Toen werd de kleur van de
cumuluswolken eindelijk onheilspellend indigoblauw en barstte de
bui los. Het gebeurde met het kenmerkend geweld van de subtropische
storm en voordat ik met de kap van de Corvette klaar was, droop het
water van me af alsof ik in zee had gelegen. Ik keek in het
spiegeltje. Van de slapen tot de kin liepen er zwarte strepen over
mijn gezicht - de mascara in mijn haar was er nagenoeg uitgespoeld.
Met mijn zakdoek wreef ik me zo goed mogelijk schoon en daarna keek
ik op mijn horloge. De cumuluswolken hadden de hemel van horizon
tot horizon verduisterd en daardoor was het eerder gaan schemeren
dan gewoonlijk. De op de weg voorbijsissende auto's hadden de
stadslichten al aan. Ik startte de motor.
„U zou toch wachten tot het helemaal donker zou zijn?"
Het meisje leek geschrokken. Misschien had ze nog meer agenten
verwacht - slimmere agenten.„Inderdaad," gaf ik toe, „maar acht
kilometer terug zal mijnheer Chas Brooks op het ogenblik uit zijn
vel springen van nijd en zeer krachtige taal uitslaan."
„Mijnheer Chas Brooks?"
Vermoedelijk dacht ze nu echt dat ik gek was geworden.
„Uit Pittsburg in Californië." Ik liet haar een aan het
dashboard bevestigde label zien. „Die is van heel ver gekomen om
zijn auto te laten gappen." Ik keek naar het dak van zeildoek waar
de regen op kletterde. „U denkt toch zeker niet dat hij bij dit
weer nog ergens op het strand aan het picknicken is?"
Ik reed door de houten poort de weg op en sloeg rechtsaf. Het
meisje zei opnieuw iets en ditmaal wist ik zeker dat ze echt dacht
dat ik gek was geworden.
„Marble Springs. U gaat terug?"
Het was vraag en verklaring tegelijk.
„Dat klopt. We gaan naar het motel - La Countessa. Waar de
politie me in mijn kraag greep. Ik liet er wat achter en dat wil ik
terug hebben."
Ze zweeg. Misschien dacht ze dat 'gek' een volkomen
ontoereikend woord was. Ik trok de bandana van mijn hoofd. In de
toenemende schemer zou dat glanzende wit meer in het oog vallend
zijn geweest dan mijn rode haar.
„De laatste plaats," vervolgde ik, „waar ze me zullen zoeken.
Ik ga er vannacht logeren. Misschien zelfs wel een paar nachten.
Tot ik een boot gevonden zal hebben. En u gaat mee." Ik negeerde de
uitroep die ze onwillekeurig had geslaakt. „In de cafetaria heb ik
erover opgebeld. Ik vroeg of kamer 14 vrij was. Dat bleek inderdaad
het geval te zijn. Dan neem ik die kamer, zei ik, want hij werd me
door vrienden aanbevolen als de kamer met het mooiste uitzicht van
heel het motel. Eerlijk gezegd is dat ook zo. Bovendien is het de
meest rustige kamer. Je hebt er van niemand last. Zij ligt vlak bij
de kast waarin ze mijn koffer een plaatsje gaven nadat ik was
gearresteerd. Een kamer met een eigen kleine garage voor onze auto.
Niemand zal me vragen stellen." Drie, vier, vijf kilometer lang zei
ze niets. Ze had haar groene blouse weer aangetrokken, maar veel
had het niet te betekenen. Toen ik met die kap worstelde, was ze
even nat geworden als ik. Herhaaldelijk zag ik haar rillen van kou.
De regen had het kil gemaakt. Toen naderden we de eerste huizen van
Marble Springs.
„Het zal u nooit lukken," zei ze. „Hoe zou u het moeten doen?
U moet u laten inschrijven. U moet naar het restaurant. U
moet…"
„Het zal me heel goed lukken," onderbrak ik haar. „Ik heb
namelijk gevraagd om de kamer open te laten met de sleutel in de
deur en gezegd dat ik me later wel zou laten inschrijven. We zijn
van zonsopgang al onderweg en doodmoe, zei ik. Bovendien vroeg ik
ook nog om de maaltijden op de kamer te laten brengen en om zoveel
mogelijk rust." Ik kuchte en schraapte mijn keel. „Ik vertelde de
receptioniste dat we op de huwelijksreis zijn. Ze kon zich mijn
verzoek om rust en afzondering heel best voorstellen."
Voordat ze iets had kunnen zeggen, waren we er al. Ik reed een
veel te overdadig versierde en lila geschilderde poort door en
stopte vlak onder een fel schijnende lamp. Door de zwarte schaduwen
viel mijn rood haar nagenoeg niet op onder de kap van de auto. Bij
de ingang stond een neger. Hij droeg een lila uniform met blauwe en
vergulde knopen. Een kleurenblinde man met een gekleurde bril moest
het voor hem ontworpen hebben. Ik riep hem.
„Kamer 14?" vroeg ik. „Welke kant op?"
„Mijnheer Brooks?" Ik knikte. „De sleutels zijn er," ging de
neger verder. „Deze kant, mijnheer Brooks."
„Dank je." Ik keek hem aan. Hij was mager, gebogen en grijs.
In de doffe, oude ogen weerspiegelden zich verdriet en nederlagen.
„Hoe is je naam?" „Charles, mijnheer."
„Ik zou graag wat whisky willen hebben, Charles, en cognac."
Ik gaf hem geld. „Kan je daarvoor zorgen?"
„Ik maak het meteen in orde, mijnheer."
Ik reed naar kamer 14. Die lag aan het einde van een klein
schiereiland tussen links de Golf en rechts een niervormig zwembad.
De garagedeuren stonden open. Ik reed meteen naar binnen, doofde de
koplampen, sloot in het bijna donker de deuren en deed daarna het
licht aan. We gingen een deur door en kwamen in een keukentje.
Keurig netjes en voortreffelijk uitgerust als je tenminste alleen
maar een kop koffie wilde zetten en er de hele nacht of avond de
tijd voor had. We begaven ons naar de zitslaapkamer. Een lila
vloerkleed, lila gordijnen, lila bedsprei, lila lampekappen, lila
stoelzittingen, overal dat verpletterende lila. Iemand moest
kennelijk heel veel van lila gehouden hebben. Er waren twee deuren:
een naar de badkamer en de andere kwam op de gang uit. Tien
seconden later stond ik met het meisje op de gang. De deur van de
kast was niet op slot en mijn koffer bleek nog niet weggehaald te
zijn. Ik droeg hem naar de kamer, opende hem en nam er net iets uit
toen er op de deur werd geklopt.
„Dat zal Charles zijn," fluisterde ik tegen het meisje. „Doe
open, kom niet te dichtbij, pak de flessen en zeg hem dat hij het
wisselgeld mag houden. Probeer niet extra zacht te praten of andere
gekke dingen te verzinnen. Ik houd u door een kier van de
badkamerdeur in de gaten en mijn revolver is op uw rug
gericht."
Ze probeerde niets. Ik geloof dat ze zich er door de
spanningen van die dag te koud, ellendig en uitgeput voor voelde.
De oude man reikte haar de flessen aan, dankte met een verbaasd
gemompel voor de fooi en deed de deur zachtjes weer dicht.
„U rilt van kou," zei ik, „en ik wil niet dat de premie van
mijn levensverzekering longontsteking krijgt." Ik pakte twee
glazen. „Een lekker glas cognac, juffrouw Ruthven, en daarna een
warm bad. Misschien vindt u wel iets droogs in mijn koffer."
„Zeer attent," zei ze bitter, „maar de cognac neem ik."
„Geen bad dus?"
„Nee." Een ogenblik aarzelde ze. Ik meende iets in haar ogen
te zien glinsteren en wist dat ik me vergist had: ze was niet te
uitgeput om nog wat te proberen. „Of… eh… ik zal het toch maar
doen."
„Uitstekend." Ik wachtte tot ze haar glas leeg had, bracht
mijn koffer naar de badkamer en liet het meisje passeren. „Maak het
vooral niet te lang. Ik heb honger."
De deur ging dicht. De sleutel werd omgedraaid. Ik hoorde het
gekletter van water dat in een bad stroomde. Daarna de onmiskenbare
geluiden van iemand die zich inzeepte en een bad nam. Alles bedoeld
om een eventueel wantrouwen in slaap te sussen. Dan volgde het
geluid van iemand die zich afdroogde en toen ik ongeveer twee
minuten later het water gorgelend uit het bad hoorde lopen, sloop
ik al door de keuken en garage naar buiten en was net op tijd om
het bad- kamerraam te zien opengaan. Er wolkte wat witte damp uit.
Op het moment dat het meisje zich op de grond liet zakken, greep ik
haar bij de arm. Met mijn andere hand bedekte ik haar mond om een
schreeuw te voorkomen. Toen trok ik haar mee naar binnen.
Ik sloot de keukendeur en keek haar aan. Ze zag er heerlijk
fris gewassen uit. Ze had een van mijn witte sporthemden aan. Er
stonden tranen van grievende vernedering en verslagenheid in haar
ogen, maar haar gezicht was de moeite van het aanzien waard.
Ondanks de lange tocht in de auto was dit de eerste maal dat ik
haar eens wat nauwkeuriger kon bekijken. Ze had prachtig
donkerblond haar. Het was dik en glansde. Ze droeg het in het
midden gescheiden en in vlechten - op de manier van de meisjes in
de Baltische landen of wat althans vroeger de Baltische landen
waren. Miss Amerika zou ze nooit kunnen worden. Daarvoor lag er te
veel karakter in dat gezicht. Zelfs tot Miss Marble Springs zou ze
het niet brengen. Het gezicht had iets Slavisch. De jukbeenderen
lagen te hoog en schenen te breed te zijn. De mond was te vol. De
grijze ogen stonden te ver van elkaar en de neus was een wipneus.
Het was echter een levendig en intelligent gezicht en naar ik
vermoedde een gezicht dat kon lachen en vrolijk kijken als de
vermoeidheid en angst verdwenen zouden zijn. In de dagen dat ik de
droom van pantoffels en eigen haard nog niet had opgegeven, zou dit
het gezicht geweest kunnen zijn dat precies in die droom paste. Ze
was iemand tegen wie elke pin-up-girl het zou moeten
afleggen.
Terwijl ik plotseling wat medelijden met haar en mezelf kreeg,
voelde ik in mijn nek een koude luchtstroom. Die kwam uit de
richting van de badkamer en tien seconden geleden was de deur van
de badkamer nog dicht en op slot geweest. Nu niet meer.