Hoofdstuk 8
De vlucht met de helikopter naar de boortoren was me niet best
bevallen. Ik ben gewend aan vliegen, heb zelf gevlogen en was zelfs
mede-eigenaar van een luchtvaartmaatschappijtje, maar een
helikopter is niets voor mij. Ook niet met mooi weer en die morgen
was het weer onbeschrijfelijk slecht. We slingerden en schommelden,
tuimelden in diepe afgronden en kwamen weer omhoog alsof we de
reusachtige jojo van een of andere dronken kerel waren. Negen van
de tien keer konden we niet eens zien welke kant we uitgingen omdat
de wissers van de voorruit de zondvloed van water niet aankonden.
Petersen bleek echter een prima piloot te zijn en we kwamen waar we
zijn moesten. Iets over tienen landden we op het landingsdek van de
X-13. Toen de generaal, Vyland, Larry en ik het laddertje
afdaalden, waren er zes man nodig om de helikopter in bedwang te
houden. Petersen gaf gas en was binnen tien seconden nadat de
laatste van ons op het dek stond weer in een verblindende regenbui
verdwenen. Ik was benieuwd of ik hem ooit nog zou terugzien. Op het
aan de elementen blootgestelde platform was de wind veel harder en
hadden we veel meer van de woedende vlagen en stoten te verduren
dan aan wal, zodat het niet meeviel om ons op het gladde, ijzeren
dek in evenwicht te houden. Niet dat ik gevaar liep om te vallen,
niet achterover althans, want Larry hield voortdurend zijn revolver
in mijn rug geprikt. Hij droeg een zware regenjas met leren knopen,
hoge kraag, ceintuur en epauletten, zoals die bij dergelijk
noodweer waarschijnlijk op de film werd gedragen en door Hollywood
voorgeschreven was, en de revolver bevond zich in een van de diepe
zakken. Ik was nerveus. Larry mocht me niet en zou voor het
voorrecht de revolver te mogen afschieten best een gaatje in zijn
mooie regenjas hebben overgehad. Ik werkte op Larry's zenuwen en
was van plan dit te blijven doen. Ik sprak zelden tegen hem, maar
als ik het deed, noemde ik hem altijd 'afdankertje' en zei voor hem
te hopen dat zijn voorraad 'sneeuw' tijdig aangevuld zou worden.
Voordat we die morgen in de helikopter klommen, had ik hem bezorgd
gevraagd of hij niet vergeten was zijn koffertje te pakken en toen
hij vloekend en wantrouwend informeerde wat ik bedoelde, antwoordde
ik dat ik me er erg ongerust over maakte dat hij misschien zijn
spuitje vergeten zou zijn. Vyland en de generaal moesten zich tot
het uiterste inspannen om Larry van me af te trekken. Niets is
gevaarlijker en meer onberekenbaar dan een aan verdovende middelen
verslaafd iemand en er is tevens ook niets zieliger, maar ik voelde
geen medelijden. Larry vormde de zwakste schakel in de ketting en
het was mijn voornemen om door te blijven zagen tot er iets zou
knappen.
Tegen de wind worstelden we ons naar een opstaand luikgat dat
toegang gaf tot de naar het kuildek voerende trap en daar werden we
opgewacht door een groepje mannen. Ik had mijn kraag op, de rand
van mijn hoed diep over de ogen en wreef ijverig met een zakdoek
over mijn gezicht om de regen weg te vagen. Ik had me echter geen
zorgen hoeven te maken: Joe Curran, de meesterknecht met wie ik
tien uur geleden een gesprek had gevoerd, bleek er niet bij te
zijn. Ik probeerde me voor te stellen wat er gebeurd zou zijn als
hij er wél was geweest of aan de generaal had gevraagd of C.C.
Farnborough, de privé-secretaris, de vermiste tas al gevonden had.
Spoedig gaf ik het op, want het eiste te veel van mijn
voorstellingsvermogen. Vermoedelijk had ik de revolver van Larry
geleend en zelfmoord gepleegd. Twee mannen kwamen naar voren om ons
te begroeten en generaal Ruthven nam de honneurs waar.
„Martin Jerrold, onze ploegbaas. Tom Harrison, de boormeester.
En dit, heren, is John Smith die we uit Engeland lieten komen om
mijnheer Vyland bij zijn wetenschappelijk onderzoek te
helpen."
John Smith - een werkelijk zeer geïnspireerd gekozen naam.
Beide mannen mompelden plichtmatig enkele beleefdheden.
Aangemoedigd door een prik van Larry's revolver zei ik dat het ook
mij bijzonder aangenaam was, maar het scheen Jerrold en Harrison
niets te interesseren. Ze maakten een bezorgde indruk en hoewel ze
het trachtten te verbergen, leken ze zich niet op hun gemak te
voelen. Het ontging de generaal niet.
„Heb je moeilijkheden, Harrison?" vroeg hij.
Uit alles bleek dat Vyland zich op de boortoren zoveel
mogelijk op de achtergrond hield.
„Inderdaad, mijnheer." Harrison was een jongeman met een
uilebril. Hij zag eruit alsof hij nog op de schoolbanken
thuishoorde, maar moest heel wat in zijn mars hebben om de
verantwoordelijkheden van een boormeester te kunnen dragen. Hij nam
een kaart uit zijn zak, vouwde hem open en wees met een
timmermanspotlood een paar punten aan. „Geen betere kaart dan deze,
generaal Ruthven, en Pride en Honeywell staan als geologen aan de
top. En toch zouden we honderdvijftig meter terug al op een
olielaag hebben moeten stuiten. Ik ruik zelfs nog geen gas. Ik heb
er geen verklaring voor, mijnheer."
Die verklaring had ik hem kunnen geven, maar het was er de
tijd nog niet voor.„Zoiets kan natuurlijk gebeuren," zei de
generaal rustig. I k begon hem ergens te bewonderen, want zo
langzamerhand kreeg ik een idee van de onmenselijke spanning waarin
hij moest verkeren. Zijn zelfbeheersing was werkelijk
bewonderenswaardig. „Ik schat onze kansen twee op vijf en dan mogen
we nog van geluk spreken. Geen enkele geoloog zou durven beweren
dat hij voor honderd procent zekerheid heeft. Ga nog maar
driehonderd meter verder. Op mijn verantwoording."
„Ik dank u, mijnheer."
Harrison leek opgelucht, maar toch bleef zijn gezicht zorglijk
en de generaal was er als de kippen bij.
„Zit je nog ergens over te piekeren, Harrison?"
„Neenee, natuurlijk niet." Het klonk te vlug en te
nadrukkelijk. Als acteur haalde hij niet bi) de generaal.
„Aha." De generaal keek hem even onderzoekend aan en wendde
zich dan tot Jerrold. „Heb je ook moeilijkheden?"
„Het weer."
„Allicht." De generaal knikte begrijpend. „Volgens de laatste
berichten beweegt de orkaan Diane zich in de richting van Marble
Springs en dus ook in die van de X-13. Dat zal jij ook wel weten,
Jerrold. Jij bent de baas en ik alleen maar een passagier. Ik voel
er niets voor om tienduizend dollar per dag te verhezen, maar als
je meent dat het boren onderbroken moet worden, doe je dat meteen.
Begrijp je?"
„Daar gaat het eigenlijk niet om," zei Jerrold onrustig. Met
zijn duim wees hij over zijn schouder. „Maar… eh… die pijler
waarmee u die proeven neemt, mijnheer… eh… kunnen we die niet beter
laten zakken om de maximum stabiliteit te krijgen?"
De boorhelpers wisten dus dat er iets aan de hand was met de
pijler die ik de vorige avond had onderzocht. Hen hiervan op de
hoogte brengen was weliswaar niet onvermijdelijk geweest, maar wel
raadzamer. Het was immers veel gemakkelijker om de mensen een
schoon klinkend verhaaltje op de mouw te spelden dan een gedeelte
van de boortoren af te zetten wat natuurlijk wantrouwen en
ongewenste, misschien gevaarlijke vragen tot gevolg had kunnen
hebben. Ik vroeg me af hoe dat verhaaltje geluid had, maar zou er
spoedig achter komen.
„Vyland?"
De generaal richtte zich tot de man naast hem en trok vragend
de wenkbrauwen op.
„Ik draag volkomen de verantwoordelijkheid, generaal Ruthven."
Hij zei het op de bedaarde, rustige toon en met het zelfvertrouwen
van een groot ingenieur, ofschoon het me verbaasd zou hebben als
hij een moer van een bout had kunnen onderscheiden. Zijn verstand
wist hij echter uitstekend te gebruiken. „De te verwachten storm,"
voegde hij er namelijk aan toe, „komt uit het westen en de andere
kant van de boortoren krijgt dan de grootste spanning te verduren,
wordt neergedrukt, zodat deze kant, die van de pijler, omhoog
komt." Met een geringschattend gebaar haalde hij de schouders op.
„Het heeft niet veel zin, dunkt me, om een extra pijler te laten
zakken als op de andere pijlers aan dezelfde kant belangrijk minder
gewicht drukt dan normaal. Bovendien, generaal, zijn we nu zó dicht
bij de vervolmaking van de techniek die een revolutie betekent op
het gebied van onder water boren, dat het bij wijze van spreken een
misdaad zou zijn als we door het laten zakken van de pijler
misschien iets beschadigen én daardoor wellicht maanden ten achter
raken."
Dus over die boeg wierp hij het! Het was goed gedaan, dat
moest ik toegeven. De bezielde geestdrift in zijn stem was volkomen
op zijn plaats en nergens overdreven.
„Ik vind het best," zei Jerrold. Hij keek naar de generaal.
„Gaat u naar de suite, mijnheer?"
„Later. Om te eten, maar wacht niet op ons. Mijnheer Smith wil
namelijk meteen aan het werk."
En of ik dat wilde! We liepen door een brede, hel verlichte
gang waar het lawaai van de wind en de tegen de pijlers brekende
golven volkomen onhoorbaar was geworden. Misschien hadden we er
toch nog iets van kunnen horen als de gang niet gedreund had door
het gezoem van krachtige generatoren. We schenen voorbij een of
andere machinekamer met dieselmotoren te komen. Aan het einde van
de gang sloegen we linksaf, begaven ons in een doodlopende zijgang
en bleven staan voor een deur waarop met grote, witte letters stond
geschreven: 'Wetenschappelijk Onderzoek', gevolgd door in
nauwelijks kleinere letters 'Privé. Zeer Geheim. Streng Verboden
Toegang.' In een soort van code klopte Vyland op de deur - viermaal
kort, tweemaal lang, viermaal kort -, wachtte tot er driemaal lang
op de binnenkant van de deur werd gebonsd en klopte dan viermaal
heel vlug achter elkaar. Tien seconden later waren we binnen,
zwaaide de deur achter ons dicht en werd hij met een dubbel slot
gesloten en zorgvuldig afgegrendeld. De waarschuwing 'Streng
Verboden Toegang' leek er overbodig door.
Een stalen vloer, stalen wanden, stalen zoldering - een kille
en sombere kubus van een kamer. Dat wil zeggen: de kubus bestond
slechts uit drie zijden - de wand met de deur, een kale wand links
en rechts een wand met een getraliede doorgang. De vierde zijde was
bolrond. Hij stulpte in de vorm van een halve cirkel in de kamer
uit en had in het midden een luikgat dat met vleugelmoeren
aangedraaid kon worden. Ik wist haast wel zeker dat dit de ingang
tot de schacht van de bewuste pijler moest zijn. Aan weerskanten
van het luikgat hingen grote trommels met keurig opgerolde en met
ijzer versterkte rubberslangen. Onder elke trommel bevond zich een
in de vloer bevestigde motor. Die aan de rechterkant herkende ik
als een luchtcompressor - deze had ik de vorige nacht dus gehoord -
en de andere was vermoedelijk een zuig- waterpomp. Wat de
meubilering van het vertrek betrof, zouden zelfs de Spartanen deze
wat kaal gevonden hebben. Ik zag een vurehouten tafel, twee banken
en een metalen wandrek. Er bevonden zich twee mannen in de kamer.
Een van hen had de deur geopend en de tweede zat aan de tafel.
Tussen zijn lippen hield hij een eindje sigaar dat was uitgegaan.
Voor hem lag een spel vuile kaarten over de tafel gespreid. Beide
mannen waren uit hetzelfde hout gesneden. Hun gelijkheid school
niet in het feit dat ze beiden in hemdsmouwen en voorzien van
schouderholsters waren en evenmin in de omstandigheid dat ze in de
juiste verhoudingen vrijwel even groot en breedgeschouderd waren en
van ongeveer hetzelfde gewicht. Die gelijkheid lag in hun gezichten
- harde, onbewogen gezichten met koude, waakzame ogen. Ik had
dergelijke uit hetzelfde hout gesneden mannen al eerder gezien. Het
waren beroepsgangsters met het grootste aantal kerfjes in de kolf
van hun revolvers. De sterke arm van de onderwereld. Larry had zijn
hele leven zo iemand willen zijn, maar kon niet meer hopen het ooit
nog te worden. Het waren precies de mannen die ik in dienst van
Vyland verwacht had en daarom vond ik de aanwezigheid van Larry een
nog groter raadsel dan voorheen. Vyland mompelde een groet en meer
tijd verknoeide hij in de volgende tien minuten niet. Hij liep naar
het wandrek, nam er een over een houten stok gerold vel papier op
linnen af, rolde het over de tafel uit en verzwaarde de punten om
omkrullen te voorkomen. Het was een ingewikkelde schematische
voorstelling van ongeveer honderdvijftig centimeter lang en
vijfenzeventig centimeter breed. Vyland deed een stapje achteruit
en keek me aan.
„Herken je dit, Talbot?"Ik boog me over de tafel. Het was een
diagram van een eigenaardig voorwerp. De vorm lag tussen die van
een cilinder en een sigaar. Het was misschien viermaal zo lang als
de gemiddelde breedte. Bovenaan was het plat. Ook onderaan in het
midden en over een lengte van ongeveer een derde van de bodem. Naar
links en rechts liep die bodem taps toe naar de uiteinden. Minstens
tachtig procent scheen in beslag te worden genomen door tanks. Ik
zag van een op de brug van een schip lijkende opbouw
brandstofleidingen naar die tanks lopen. Diezelfde brug liet het
begin in van een cilindervormige schacht die dwars door de romp
naar de bodem voerde, er doorheen stak, dan een scherpe hoek naar
links maakte en uitkwam in een aan de onderkant van de sigaar
hangende ovale gondel. Aan elke kant van deze gondel en bevestigd
aan de bodem van de sigaar ontwaarde ik grote rechthoekige
reservoirs of bakken. Links, naar het taps toelopende uiteinde,
leken zoeklichten aangebracht te zijn en lange, smalle in
veerstroppen bevestigde grijpers met afstandsbediening. Ik bekeek
het diagram aandachtig, richtte me op en schudde het hoofd.
„Nee, dit heb ik nog nooit in mijn leven eerder gezien."
Ik had niet de moeite hoeven te nemen me op te richten, want
ik lag meteen al weer op de grond. Vijf seconden later misschien
zat ik op mijn knieën en schudde langzaam mijn hoofd heen en weer
om weer bij mijn positieven te komen. Ik keek op, voelde een
stekende pijn achter mijn oor en trachtte zo goed mogelijk mijn
ogen in te stellen. Met één ervan lukte het me in ieder geval, want
vlak boven me kon ik Vyland onderscheiden. Hij hield zijn revolver
bij de loop vast.
„Ik dacht wel dat je dat zou zeggen, Talbot."
Zijn stem klonk rustig en beheerst. We zaten een kopje thee
bij dominee te drinken en hij vroeg me hem de schaal met gebakjes
door te geven.
„Je herinnering laat je in de steek, Talbot. Zullen we hem nog
eens wat opfrissen?"
„Is dit nu heus noodzakelijk?" Er klonk een zekere
verlegenheid in de stem van generaal Ruthven en inderdaad maakte
hij de indruk pijnlijk getroffen te zijn. „Heus, Vyland, we…"
„Mond houden!" snauwde Vyland. We waren niet meer bij dominee
op bezoek. Ik krabbelde overeind.Wel?"vroeg hij.
„Waarom die klap op mijn hoofd?" vroeg ik woedend. „Dacht je
dat ik me daarmee iets zou kunnen herinneren dat ik nooit…"
Ditmaal zag ik het aankomen, kon nog net de palm van mijn hand
tegen de zijkant van mijn hoofd leggen, rukte het iets opzij en
incasseerde de slag. Ik wankelde en viel tegen de wand. Het was
bijna alles komedie en om het effect te voltooien gleed ik langzaam
op de vloer. Niemand zei iets. Vyland en zijn twee gangsters keken
met afwezige belangstelling toe, de generaal was spierwit en beet
op zijn onderlip en het gezicht van Larry was een masker van
onzalige vreugde.
„Herinner je je nu iets?"
Ik wierp hem een niet te drukken scheldwoord naar het hoofd en
kwam beverig en met grote moeite op de been.
„Mij best." Vyland haalde de schouders op. „Vermoedelijk zal
Larry je wel graag willen overhalen."
„Meent u dat?" De gretige uitdrukking op Larry's gezicht was
walglijk om te zien. „Moet ik hem aan het praten brengen?"
Vyland knikte glimlachend.
„Vergeet niet dat hij nog voor ons moet werken als je met hem
klaar bent."
„Nee, dat vergeet ik niet." Dit was het grote moment voor
Larry. Om in het middelpunt van de belangstelling te staan, zich na
mijn sarcastische en hatelijke opmerkingen te rechtvaardigen en
bovenal om te kunnen toegeven aan zijn sadistische neigingen - dit
alles ging voor Larry het hoogtepunt van zijn bestaan betekenen.
Hij kwam naderbij, bewoog zijn revolver op en neer, bevochtigde met
zijn tong herhaaldelijk zijn lippen en giechelde op afschuwelijke
wijze. „Hoog aan de binnenkant van zijn rechterdij. Hij zal
schreeuwen als een varken dat gekeeld wordt. Dan de linkerdij. En
toch zal hij nog kunnen werken."
Zijn gekke ogen waren groot en staarden en voor het eerst in
mijn leven bevond ik mij tegenover een menselijk wezen dat kwijlde.
Vyland was een goed psycholoog. Hij wist dat ik tienmaal banger
moest zijn voor Larry's neurotische verdorvenheid dan voor de koel
berekende wreedheid en bruutheid die hij of zijn twee gangsters
hadden kunnen opbrengen. En inderdaad was ik bang. Ik had me
trouwens flink genoeg gehouden, wat ze van me verwacht hadden, en
voelde er niets voor de zaak te overdrijven. Het zou geen zin gehad
hebben ook.
„Het is een verdere ontwikkeling," zei ik vlug, „van die
vroegere Franse diepzeeduiktoestellen, de bathyscaven. Dit model is
een gecombineerd project van de Engelse en Franse marine en
ontworpen om slechts een diepte te bereiken van niet meer dan
twintig procent van die van zijn voorgangers - ongeveer
zevenhonderdvijftig meter. Het is echter sneller, veel beter
wendbaar en uitgerust, speciaal uitgerust, voor bergingen in diep
water. Zijn voorgangers waren dat niet."
Op dat ogenblik werd er niemand meer door iemand gehaat dan ik
door Larry. Hij was een klein jongetje en ik het beloofde
speelgoed. Het mooiste stukje speelgoed dat hij ooit had gezien en
toen hij het wilde pakken, werd het hem afgenomen. Hij had kunnen
huilen van woede en bittere teleurstelling. Hij stond nog steeds
vlak voor me en de revolver trilde in zijn hand.
„Hij liegt!" Zijn stem klonk schril en was bijna een schreeuw.
„Hij probeert alleen maar om…"
„Hij liegt niet!" onderbrak Vyland op koude toon. Ik hoorde
geen voldoening of triomf in zijn stem. Het doel was bereikt en het
verleden telde niet meer. „Doe die revolver weg."
„Maar u moet toch…"
Larry slaakte een kreet van pijn. Een van de zwijgende
gangsters had hem bij de pols gegrepen en drukte met kracht de
revolver naar omlaag tot het wapen naar de grond wees.
„Doe die proppeschieter weg, jochie," bromde de man. „Of ik
neem hem je af!"
Vyland bekeek het even en negeerde dan de scène.
„Je weet niet alleen wat het is, Talbot," zei hij, „maar
bovendien heb je ermee gewerkt. De generaal heeft prima relaties in
Europa en vanmorgen hebben we de inlichting ontvangen." Hij boog
zich naar me toe. „Je hebt er zelfs kort geleden nog mee gewerkt,"
voegde hij er zacht aan toe. „Onze contacten op Cuba zijn nog beter
dan die in Europa."
„Ik heb er niet kort geleden mee gewerkt." Ik zag het gezicht
van Vyland verstrakken en hief mijn hand op. „Toen die bathyscaaf
in een vrachtschip naar Nassau werd gebracht om er voor de kust en
onbemand voorbereidende duikproeven mee te nemen, leek het de
Engelsen en Fransen goedkoper en verstandiger om een Cubaans
bergingsvaartuig te huren in plaats van er een uit Europa te laten
komen. Ik werkte bij een bergingsmaatschappij in Havana en daar
beschikte men inderdaad over een boot die precies voor het doel
geschikt bleek te zijn. Ik was weliswaar aan boord, maar heb niet
met de bathyscaaf zelf gewerkt. Wat heeft het voor zin om het te
ontkennen als het anders was geweest?" Ik glimlachte vaag.
„Bovendien was ik niet langer dan een week aan boord van dat
bergingsvaartuig. Ze kwamen het te weten, zaten achter me aan en ik
moest als de bliksem de benen nemen."
„Ze?" Het wenkbrauwenwerk van Vyland verliep even soepel als
altijd. „Wie bedoel je?"
„Wat doet het er nu nog toe?"
Ik hoorde mijn eigen stem vermoeid en verslagen klinken en er
mankeerde niets aan.
„Dat is zo," lachte Vyland. „Te oordelen naar wat we van je
afweten, kan het de politie van zes landen geweest zijn. In ieder
geval, generaal, is er nu een probleem opgelost. We weten nu waar
we Talbots gezicht eerder hebben gezien."Generaal Ruthven zei
niets. Niemand hoefde me er meer van te overtuigen dat hij een
werktuig en pion van Vyland was. Hij scheen zich ellendig te voelen
en uit alles bleek dat hij hevig verlangde er nooit in betrokken te
zijn.
„Zijn jullie dan de mensen," riep ik uit alsof me plotseling
een licht was opgegaan, „die verantwoordelijk zijn voor het
verdwijnen van deze bathyscaaf? Natuurlijk zijn jullie dat! Hoe is
het…"
„Je dacht toch niet dat je hier was om een schematische
voorstelling met ons te bepraten?" Vyland veroorloofde zich een
vergenoegd glimlachje. „Allicht waren wij het. Het was gemakkelijk.
De stommerds meerden de bathyscaaf aan een tros in zevenden meter
diep water. We maakten hem los en vervingen de tros door een
gerafelde zodat ze zouden denken dat hij gebroken was en het tij de
bathyscaaf naar dieper water had gesleurd. Daarna sleepten we hem
weg. Het grootste deel van deze sleepreis werd in het donker
volbracht. Als we een schip zagen, minderden we vaart, trokken de
bathyscaaf aan de van de mee- of tegenligger afgelegen kant
langszij en sleepten hem op die manier verder." Hij lachte opnieuw.
Hij verwende zich die morgen. „Nee, moeilijk was het niet. De
mensen verwachten namelijk niet dat een privé-jacht een bathyscaaf
sleept."
„Een privé-jacht? U bedoelt de…" Ik voelde de haartjes in mijn
nek prikken, want ik had bijna de blunder begaan die het einde
betekend zou hebben. Het had op mijn tong gelegen om de naam
Temptress te noemen, maar niemand wist dat ik van die naam
op de hoogte kon zijn en hem ooit gehoord had. Niemand, behalve
Mary Ruthven, die het mij vertelde. „U bedoelt de boot van de
generaal? Heeft hij dan een privé- jacht?"
„Larry en ik in ieder geval niet," grinnikte Vyland. Dat
'Larry en ik' klonk vreemd, maar het zei me niets. „Natuurlijk was
het Ruthvens jacht."
Ik knikte.
„En even natuurlijk," zei ik, „moet die bathyscaaf hier ergens
in de buurt zijn. Mag ik misschien weten waar u dat ding in
godsnaam voor nodig heeft?"
„Allicht. Ik had het je toch moeten vertellen. We zijn… eh… op
zoek naar een schat, Talbot."
„U gaat me toch niet zeggen," merkte ik sarcastisch op, „dat u
in kapitein Kidd gelooft?"
„Aha, je schijnt je moed weer terug te hebben, Talbot. Nee,
die schat ligt wat meer in het heden en hier heel dichtbij."
„Hoe wist u hem te vinden?"
„Hoe we hem wisten te vinden?" Vyland scheen zijn dringende
haast vergeten te zijn. Als alle misdadigers was hij ijdel en zou
hij geen enkele gelegenheid voorbij laten gaan om zich in zijn
eigen glorie te koesteren. „We hadden een vaag idee waar het was.
We probeerden het met een sleepnet - dat was in de tijd voordat ik
de generaal had ontmoet —, maar het resultaat was nihil. Toen
kwamen we in aanraking met de generaal. Misschien weet je het niet,
maar de generaal stelt zijn jacht ter beschikking van zijn geologen
als ze met kleine bommen op de bodem van de oceaan en daarop
afgestemde seismografische instrumenten olielagen trachten op te
sporen. Terwijl ze hiermee bezig waren, zochten wij de zeebodem af
met een zeer gevoelig apparaat voor het registreren van diepten. We
vonden wat we vinden willen."
„Hier in de buurt?"
„Dicht in de buurt."
„Waarom die schat dan niet geborgen?"
Ik gaf helemaal de indruk van een duikerexpert die dermate in
een probleem verdiept was dat hij zijn eigen moeilijkheden totaal
had vergeten.
„Hoe zou jij hem bergen, Talbot?"„Ernaar duiken natuurlijk.
Dat is hier gemakkelijk genoeg. We zitten hier op een geweldige
uitloper van de kust en je moet meer dan honderd kilometer ver in
zee gaan, zeg maar tweehonderd, om een diepte van honderdvijftig
meter te halen. En hoe diep zal het hier zijn? Dertig,
vijfenveertig?"
„Hoeveel water is er onder de X-13, generaal?"
„Bij eb ongeveer veertig meter," antwoordde Ruthven
automatisch.
„Dan is de zaak gepiept." Ik haalde de schouders op.
„De zaak is niet gepiept." Vyland schudde het hoofd. „Wat is
de maximum diepte voor een duiker om nog behoorlijk werk te kunnen
doen, Talbot?"
„Negentig meter misschien." Ik dacht even na. „In ieder geval
haalden duikers van de marine bij Honolulu een diepte van bijna
vierentachtig meter. Onderzeeër F 4."
„Je bent echt wel een expert, is het niet, Talbot?"
„Elke behoorlijke duiker en berger weet dat."
„Vierentachtig meter dus. Wat wij zoeken ligt jammer genoeg op
de bodem van een diep gat, een afgrond in de zeebodem. Toen we dat
gat ontdekten, toonden de geologen van de generaal zich zeer
geïnteresseerd. Ze zeiden dat het zoiets was als… eh… hoe was het
ook weer, generaal?"
„Als de Hurdtrog."
„Precies. De Hurdtrog. In het Kanaal. Een vallei in de
zeebodem waar de Engelsen al hun oude springstoffen insmeten. Dat
gat van ons is honderdzesenveertig meter diep."
„Dat is een verschil," zei ik langzaam.
„Zo is het. En wat zou jij nu doen?"
„Het hangt helemaal van de bereikbaarheid af. Met de nieuwste
diepzeeduikuitrusting van Neufeldt-Kuhnke, bestaande uit gepantserd
gietstaal, zou het misschien net gehaald kunnen worden. Maar ik
betwijfel of een duiker op zo'n diepte nog iets kan doen. Hij heeft
natuurlijk een enorme druk te verwerken en zou zich bewegen als in
een vat met teer. Van iets presteren is dan zo goed als geen
sprake. U zou het met een observatieklok moeten proberen.
Galeazzi
en mijn oude firma, Siebe-Gorman, staan wat deze toestellen
betreft aan de top. Ze halen een diepte van ongeveer
vierhonderdvijftig meter. Je zakt in zo'n klok omlaag en wijst per
telefoon de mensen op het bergingsvaartuig aan waar ze
springstoffen moeten leggen of grijpers, graafemmers en andere
werktuigen neerlaten. Op die manier borgen ze voor tien miljoen
dollar aan goud uit de Niagara die honderdveertig meter diep bij
Nieuw-Zeeland lag en uit de Egypte, honderdtwintig meter diep bij
Ushant, haalden ze voor vier- miljoen. Het zijn de klassieke
voorbeelden van moderne bergingsmethoden en zo zou ik het ook
doen."
„Dat vereist natuurlijk," zei Vyland kalm, „bergingsvaartuigen
en een zeer speciale uitrusting. Dacht je dat we maar rustig weg
observatieklokken konden kopen - als ze in dit land tenminste te
krijgen zijn - en baggerschuiten en weet ik wat nog meer en dan
weken op dezelfde plaats verankerd kunnen blijven liggen zonder dat
het wantrouwen zou opwekken?"
„Daar zit wat in," gaf ik toe.
„Daarom dus de bathyscaaf," glimlachte Vyland. „De trog in de
zeebodem is minder dan zeshonderd meter hier vandaan. We beschikken
over grijpers en haken met staaldraad dat om tegen de buitenwand
van de bathyscaaf aangebrachte trommels is gewikkeld, maken vast -
die voorop gemonteerde grijpers en armen met verlengstukken
verrichten prachtig vakwerk - en onder het afrollen van het draad
gaan we terug. Van de X-13 af wordt de draad dan ingehaald."
„Erg eenvoudig, is het niet?"
„Heel eenvoudig, Talbot. En knap, zou ik zeggen."
„Zeer knap."Ik geloofde helemaal niet dat het zo knap was. Ik
geloofde niet dat Vyland ook maar enig idee van de moeilijkheden
had. Wat wist hij ten slotte af van het traag op gang komen, het
steeds weer opnieuw proberen en de teleurstellingen van
bergingswerkzaamheden diep onder water? Hij dacht niet eens aan de
omvang van de voorbereidingen, de vakbekwaamheid en de jarenlange
ervaring die voor een berging vereist werden. Ik trachtte me te
herinneren hoelang ze bezig geweest waren met het bergen van twee
en een hal miljoen dollar aan goud en zilver uit de Laurentic die
slechts dertig meter diep lag. Ongeveer zes jaar als ik me niet
vergiste. En zoals Vyland het voorstelde, meende hij het in een
middagje kant en klaar te hebben.
„Waar is die bathyscaaf?" vroeg ik.
Vyland wees naar de ingang van de schacht.
„Dat is een van de pijlers van de boortoren, maar hij is
opgetrokken tot op zes meter van de zeebodem. De bathyscaaf ligt
eronder gemeerd."
„Eronder gemeerd?" Ik staarde hem aan. „Hoe bedoelt u? Ligt
hij onder de pijler? Hoe kreeg u hem daar? Hoe komt u erin?
Hoe…"
„Heel eenvoudig," viel hij me in de rede. „Zoals je al
begrepen zal hebben, ben ik lang geen ingenieur, maar ik heb een…
eh… vriend die het wél is. Hij kwam op het zeer eenvoudige
denkbeeld een versterkt en volkomen waterdicht stalen vloertje in
de pijler te maken - ongeveer twee meter boven de voet. In dat
vloertje liet hij een spits toelopende stalen cilinder passen van
om en nabij twee meter lengte en met een middellijn van bijna een
meter. De cilinder is zowel onder als boven open, maar kan om
instromen van water in de pijler te voorkomen aan de bovenkant
afgesloten worden door een luik. Ongeveer zestig centimeter onder
dat luik werd een holle rubberring in de cilinder aangebracht.
Begint het te dagen, Talbot?"
„Het begint te dagen." Ik had met een stel vindingrijke lieden
te doen. „Op de een of andere manier wisten jullie van de technici
van de boortoren gedaan te krijgen dat ze die pijler lieten zakken.
Dat gebeurde natuurlijk 's nachts en vermoedelijk speldden jullie
hun het verhaaltje op de mouw van een wetenschappelijk onderzoek
dat diep geheim gehouden moest worden. Zó geheim dat niemand mocht
zien wat er gebeurde. De bathyscaaf werd aan de oppervlakte
gebracht en de commandotoren opengemaakt. De pijler zakte tot die
cilinder over het schachtluik van de bathyscaaf sloot. Daarna werd
de rubberring vol samengeperste lucht gepompt om hem volmaakt te
laten sluiten. In de bathyscaaf liet iemand, waarschijnlijk uw
vriend de ingenieur, een van de aangrenzende watertanks vollopen.
Net genoeg om de bathyscaaf gemakkelijk te laten zinken maar hem
niet te beroven van het opwaarts drijfvermogen dat noodzakelijk was
om het schachtluik in de cilinder gesloten te houden. Ten slotte
werd de pijler verder neergelaten en duwde hij de bathyscaaf dieper
onder water. Om weg te varen klimmen jullie aan boord, sluiten de
luiken van zowel de cilinder als de bathyscaaf, laten door iemand
de lucht uit de rubberring pompen die de schacht omsluit, vullen de
tanks en komen vrij van de pijler. Eenvoudig als wat. Als jullie
terugkomen gebeurt precies het omgekeerde, behalve dat het nodig
zal zijn het zich in de cilinder verzamelde water weg te krijgen.
Klopt het?"
„Tot in de bijzonderheden." Vyland veroorloofde zich een van
zijn zeldzame glimlachjes. „Briljant, is het niet?"
„Nee. Het enige briljante was het stelen van de bathyscaaf. De
rest zou bedacht kunnen zijn door elke min of meer ervaren duiker.
Het is een toepassing van de uit twee kamers bestaande duikerklok
waardoor een gezonken onderzeeër verlaten kan worden. Deze klok
sluit op ongeveer dezelfde manier over het ontsnappingsluik van
vrijwel iedere onderzeeboot. Van dit principe wordt eveneens
gebruik gemaakt bij het werken met caissons bij bijvoorbeeld het
funderen van brugpijlers - werkkamers onder water die later met
beton worden gevuld. Maar goed, toch is het handig bekeken en uw
vriend de ingenieur was geen stommerd. Jammer van hem, is het
niet?"
„Jammer?" Vyland glimlachte niet meer.
„Jawel. Hij is dood, nietwaar?"
Het bleef even stil en na tien seconden vroeg Vyland
zacht:
„Wat zei je?"
„Ik zei dat hij dood was. Als iemand in jouw dienst plotseling
sterft, Vyland, zou ik meteen aannemen dat je geen nut meer van hem
had. Daar je schat echter nog niet geborgen is, was dat ditmaal
kennelijk niet het geval. Hier gaat het om een ongeluk."
Weer bleef het een ogenblikje stil.
„Waarom denk je aan een ongeluk?"
„Hij was een al wat oudere man, is het niet, Vyland?"
„Waarom denk je aan een ongeluk?"
Elk woord vormde een dreiging. Larry likte zijn lippen weer
af.
„Die waterdichte vloer in de pijler was niet zo volmaakt
waterdicht als je gedacht had. Hij lekte. Een klein lek. Misschien
sloot hij niet goed aan. Vermoedelijk werd er slecht gelast. Toch
had je nog geluk. Ergens boven ons zit waarschijnlijk nog een vloer
in de pijler, zonder twijfel om hem structurele kracht te geven."
Ik wees naar een van de generatoren. „Je zond een paar mannetjes de
pijler in, sloot dit luik af en gebruikte deze generator om
gecomprimeerde lucht in de pijler te pompen zodat het water
weggeperst werd en het lek gerepareerd kon worden. Klopt dat,
Vyland?"
„Klopt." Hij had zich weer volkomen hersteld en er school geen
gevaar in om iemand iets toe te geven die toch niet lang genoeg
meer zou leven om het een ander te vertellen. „Hoe weet je dit
allemaal, Talbot?"
„Door die lakei in het huis van de generaal. Ik heb veel van
dergelijke gevallen meegemaakt. Hij heeft de caissonziekte, zoals
we dat noemen. Hij zal er nooit van herstellen. Wanneer mensen
onder hoge druk werken en die druk wordt te snel weggenomen, komen
er stikstofbellen in hun bloed. De mannen in de pijler werkten
onder een druk van ongeveer vier atmosferen. Als ze er meer dan een
half uur in waren geweest, had de druk gedurende ongeveer een half
uur heel langzaam verminderd moeten worden. Een of andere misdadige
idioot deed het veel te vlug natuurlijk - zo vlug mogelijk zelfs
neem ik aan. Caissonwerk, of wat ermee overeenkomt, is alleen
geschikt voor jonge mensen en die ingenieur was geen sterke
jongeman meer. Bovendien beschikten jullie niet over het apparaat
dat hem misschien had kunnen redden. Hij stierf dus. De lakei zal
het wel halen misschien, maar een bestaan zonder pijn maakt hij
nooit meer mee. Daar zal je echter geen nacht minder om slapen, is
het wel, Vyland?"
„We verknoeien onze tijd."Over Vylands gezicht gleed een
uitdrukking van opluchting. Even was hij bang geweest dat ik - en
misschien ook anderen - te veel van de gebeurtenissen op de X-13
afwist. Maar nu leek hij voldaan en kennelijk opgelucht. Het
interesseerde me niet. Ik stelde veel meer belang in de uitdrukking
op het gezicht van de generaal. Op een eigenaardige manier keek hij
me aan. Hij scheen wat verward, verbaasd zelfs en maakte sterk de
indruk dat hem iets dwars zat. Wat nog erger was: ik constateerde
de eerste tekenen van een met ongeloof gekruid begrijpen bij
generaal Ruthven. Het beviel me niet. Het beviel me helemaal niet.
Vlug ging ik na wat ik direct of indirect gezegd had - ik heb voor
dergelijke dingen een bijzonder goed geheugen -, maar ik herinnerde
me geen enkel woord dat voor die uitdrukking op zijn gezicht
verantwoordelijk kon zijn. Had hij echter toch iets gemerkt, dan
mocht ik het ook van Vyland verwachten, maar op diens gezicht
weerspiegelde zich geen enkel wantrouwen. Bovendien kwam het me
niet als een uitgemaakte zaak voor dat een eventueel door de
generaal opgevangen verkeerd woord ook door Vyland gehoord en
opgemerkt zou zijn. De generaal had een prima stel hersens. Iemand
zonder een prima stel hersens begint namelijk niet van de grond af
aan om bij zijn leven bijna driehonderdmiljoen dollar te vergaren.
Ondertussen dacht ik er niet aan Vyland gelegenheid te geven de
uitdrukking op het gezicht van de generaal te bespeuren en er zijn
conclusies uit te trekken - iets waar ik hem zeker toe in staat
achtte.
„Die ingenieur is dus dood," zei ik, „en nu heb je een
chauffeur, om het zo eens te noemen, voor je bathyscaaf
nodig."
„Fout. We weten zelf wel hoe we ermee moeten omgaan. Dacht je
dat we zo stom waren om een bathyscaaf achterover te drukken zonder
te weten hoe het ding werkt? Een bureau in Nassau verstrekte ons
aanwijzingen die zowel in het Frans als Engels gesteld zijn. Maak
je geen zorgen: we kunnen er best mee overweg."
„Is het waarachtig?" Zonder toestemming te vragen, ging ik op
een bank zitten en stak een sigaret aan. Ze hadden ongetwijfeld
zoiets van me verwacht. „Wat moet ik dan eigenlijk doen?"
Voor het eerst sinds onze korte kennismaking scheen Vyland
zich wat onzeker te voelen. Na een paar seconden fronste hij de
wenkbrauwen en zei wrang:
„Die vervloekte motoren doen het niet."
Ik nam een lange haal aan mijn sigaret en probeerde een
kringetje te blazen. Het lukte me niet. Bij mij lukte zoiets
nooit.
„Wel, wel, wel," mompelde ik, „dat komt hoogst ongelegen. Voor
u tenminste. Voor mij kan het niet beter. Ja, je hoeft alleen maar
twee kleine motoren te starten en hupsa! er valt je zó een fortuin
in de schoot. Ik neem namelijk aan dat het bij dergelijke operaties
op grote schaal niet om pepernoten gaat. En nu kunnen zonder mij
die motoren niet gestart worden! Zoals ik al zei: het kan niet
beter - voor mij!"
„Kan je die motoren aan de gang krijgen?" vroeg hij op koele
toon.
„Misschien. Het zijn door accu's gevoede elektromotoren en
veel last zullen ze me niet geven." Ik glimlachte „Maar de
schakelborden, de contactdozen en zekeringsdozen kunnen natuurlijk
een probleem vormen. Ik veronderstel dat die ook in de aanwijzingen
worden vermeld."
„Inderdaad." In het opgepoetste vernisje zat een duidelijk te
onderscheiden barst en zijn stem klonk snauwend. „Er staan nummers
bij, maar we hebben de sleutel niet."
„Prachtig." Langzaam stond ik op en ging voor Vyland staan.
„Zonder mij zijn jullie de sigaar. Is het niet zo?"
Hij gaf geen antwoord.
„Dan zal ik je mijn prijs zeggen, Vyland. Ik wil een garantie
dat me niets overkomt." Over deze kant van de zaak maakte ik me
helemaal geen zorgen, maar ik moest het op die manier spelen, •
omdat ze anders misschien wantrouwen gekoesterd zouden hebben. „Wat
voor garantie heb je aan te bieden, Vyland?"
„Mijn lieve man, je hebt absoluut geen garantie nodig!" De
generaal was verontwaardigd en verbaasd. „Waarom zou iemand je
willen doden?"
„Luister goed, generaal," zei ik geduldig. „Misschien bent u
een hele grote tijger in het oerwoud van Wall Street, maar aan de
misdadige kant van de scheidingslijn bent u nog niet eens een poes.
Iedereen die niet in dienst van uw vriend Vyland staat en te veel
weet, komt op dezelfde nare manier aan zijn eind - als hij Vyland
niet langer van nut is natuurlijk. Vyland wil waar voor zijn geld
hebben, ook als het hem niets kost."„Wilt u doen voorkomen," vroeg
Ruthven, „dat ik bijgevolg zo'n einde eveneens zal beleven?" „U
niet, generaal. U bent veilig. Ik weet niet wat er tussen u en
Vyland is en het gaat me ook niets aan. Misschien heeft hij u in
zijn macht, misschien zit u er uit vrije wil tot aan uw nekharen in
- het maakt geen enkel verschil. U bent veilig. De verdwijning van
de rijkste man van het land zou de grootste mensenjacht van de
laatste tien jaar tot gevolg hebben. Neem me niet kwalijk,
generaal, dat het allemaal wat cynisch klinkt. Veel geld betekent
veel activiteit van de kant van de politie. Er zouden mensen onder
druk gezet worden, generaal, en sneeuwvinken als onze jonge vriend
hier…" Ik wees over mijn schouder in de richting van Larry. „…
hebben onder druk de neiging om te praten. Vyland weet dat heel
goed. U bent veilig en als alles achter de rug is en u niet Vylands
compagnon meer bent, weet hij wel middelen om zeker te zijn van uw
zwijgen. U kunt niets bewijzen, het zou uw woord worden tegenover
dat van hem en vele anderen en ik neem aan dat zelfs uw dochter
niet weet wat er gaande is. Tja, en dan is er natuurlijk Royale.
Het feit dat Royale ergens in de buurt rondzwerft en wacht op ook
maar een enkel foutje, vormt de garantie dat vergeleken bij de man
op wie zijn belangstelling gericht is zelfs een oester nog
babbelziek genoemd kan worden." Ik wendde me van de generaal af en
keek glimlachend naar Vyland. „Maar ik ben aan de ratten
overgeleverd, is het niet?" Ik knipte met mijn vingers. „Kom op de
proppen met je garantie, Vyland."
„Ik garandeer het, Talbot," zei generaal Ruthven rustig. „Ik
weet dat je een moordenaar bent, maar ik wil zelfs geen moordenaar
zonder pardon vermoord zien. Als er iets met je gebeurt, praat ik -
de consequenties interesseren me niet. In de allereerste plaats is
Vyland zakenman. Jou vermoorden zou hem nooit schadeloos kunnen
stellen voor het verlies van miljoenen. Je hoeft niet bang te
zijn."
Miljoenen! Voor het eerst zeiden ze iets over het bedrag dat
op het spel stond. Miljoenen. En ik moest ze eraan helpen.
„Ik dank u, generaal," mompelde ik. „Uw woorden geven u een
plaatsje in het leger der engelen." Ik doofde mijn sigaret en
richtte me tot Vyland. „Ik wacht op de tas met gereedschappen,"
glimlachte ik, „en dan gaan we eens naar je nieuwe speelgoed
kijken."