10

 

Vijf minuten later, tot aan de ogen ingepakt tegen de bittere kou, de jachtende sneeuw en de wind die nu niet meer loeiend maar krijsend en huilend over het bevroren eiland joeg, stonden Smithy en ik in de luwte van de hut naast mijn raam, dat ik met een stuk opgevouwen papier had dichtgeklemd: er was aan de buitenkant geen handgreep om het raam weer open te trekken, maar ik had een Zwitsers legerzakmes bij me met alles erop en eraan om van alles en nog wat open te krijgen. We keken naar de vaag zichtbare contouren van de woonbarak, naar het heldere licht - Colemanlampen hebben een felwitte vlam - dat uit een van de ramen in het centrale verblijf straalde, en naar het bleke schijnsel van kleinere lichten uit een paar slaaphokjes. ‘Geen avond voor een eerlijk burger om een eindje om te gaan,’ zei Smithy in mijn oor. ‘Maar als we nou eens een van de minder eerlijke tegen het lijf lopen?’ ‘Voor die is het nog te vroeg om zich al buiten te wagen,’ zei ik. ‘Voorlopig brandt de vlam van de verdenking nog zo hoog dat iedereen nog te bang is om op het verkeerde moment te kuchen. Later misschien. Maar nu nog niet.’ We liepen rechtstreeks naar de proviandbarak, sloten de deur achter ons en, aangezien de hut toch geen ramen had, knipten we onze zaklantaarns aan. We doorzochten alle zakken, kratten, dozen en kisten vol levensmiddelen en vonden niets ongerechtigs. ‘Waar zoeken we eigenlijk naar?’ vroeg Smithy. ‘Geen idee. Naar alles, laten we maar zeggen, dat hier niet hoort te zijn.’ ‘Wapens? Een grote zwarte geribbelde fles met een etiket: "Dodelijk Vergif" erop?’ ‘Zoiets.’ Ik nam een fles Haig uit een kist en stak die in mijn jaszak. ‘Alleen voor medisch gebruik,’ legde ik uit. ‘Natuurlijk.’ Smithy liet ten afscheid de lichtbundel van zijn zaklantaarn nog eens langs de wanden van de barak zwaaien: de bundel bleef rusten op drie kleine, glanzend gelakte dozen op een van de bovenste planken. ‘Daar moeten wel heel speciale lekkernijen in zitten,’ zei Smithy. ‘Kaviaar voor Otto misschien?’ ‘Mijn reservevoorraad medische spullen. Voornamelijk instrumenten. Geen vergif. Hand erop.’ Ik liep naar de deur. ‘Kom mee.’ ‘Niet even nakijken?’ ‘Heeft geen zin. Zou een beetje moeilijk zijn om een mitrailleur in zo’n kistje te verbergen.’ De dozen waren ongeveer 25 bij 20 centimeter. ‘Kan toch nooit kwaad om eens te kijken, wel?’ ‘Goed.’ Ik was een beetje ongeduldig. ‘Maar schiet op.’ Smithy opende de deksels van de eerste twee dozen, keek er vluchtig in en sloot ze weer. Hij maakte de derde doos open en zei: ‘U hebt uw reservevoorraad al aangesproken, zie ik.’ ‘Dat heb ik niet.’ ‘Dan heeft iemand anders het gedaan.’ Hij reikte me de doos aan en ik keek naar de twee lege uithollingen in het blauwe vilt. ‘Iemand heeft er inderdaad iets uitgehaald,’ zei ik. ‘Een injectiespuitje en een buisje naalden.’ Smithy keek me zwijgend aan, nam de doos van me over, sloot het deksel en zette de doos weer op de plank. Hij zei: ‘Ik geloof niet dat dit me erg bevalt.’ ‘22 dagen zouden een heel lange tijd kunnen zijn,’ zei ik. ‘Als we nou maar alleen maar het spul konden vinden dat in dat spuitje moet.’ ‘Als. U gelooft niet dat iemand het misschien voor eigen privé-gebruik geleend heeft? Iemand die aan zwaar spul verslaafd is en zijn eigen prikker verbogen heeft? Een van de Drie Apostelen bijvoorbeeld? Precies de goeie achtergrond - popwereld, filmwereld, jonge knullen?’ ‘Nee, dat geloof ik niet.’ ‘Ik geloof het ook niet. Ik wou dat ik het wel deed.’ We liepen door naar de brandstofbarak. Twee minuten was voldoende om erachter te komen dat de brandstofbarak ons niets te bieden had. Dat gold ook voor de uitrustingsbarak, ofschoon ik daar twee dingen vond die ik goed meende te kunnen gebruiken, een schroevendraaier uit de gereedschapskist die Eddie had gebruikt toen hij bezig was het aggregaat te installeren, en een pakje schroeven. Smithy vroeg: ‘Wat wilt u daarmee doen?’ ‘De ramen dichtschroeven,’ zei ik. ‘Een deur is niet de enige manier om de kamer van een slapende man binnen te komen.’ ‘U vertrouwt ook niet veel mensen, is het wel?’ ‘Ik ween om mijn verloren onschuld.’ Het lokte ons weinig aan om lang in de tractorloods te blijven rondhangen, niet met Stryker daar languit op de grond, zijn gezicht spookachtig in het lichtschijnsel van de zaklantaarns, zijn verglaasde ogen nietsziend naar de zoldering starend. We rommelden door gereedschapskisten, onderzochten metalen manden, namen zelfs de moeite om de brandstoftanks, olietanks en radiateurs te onderzoeken: we vonden niets. We baanden ons een weg naar de steiger. Van het hoofdverblijf af was het maar een afstandje van ruim twintig meter en we hadden er vijf minuten voor nodig om de steiger te vinden. We durfden onze lantaarns niet te gebruiken, en met die zware jachtsneeuw die ons vrijwel alle zicht benam, waren we blinde mensen ronddwalend in een blinde wereld. Behoedzaam schuifelden we voetje voor voetje tot aan het einde van de steiger - de sneeuw had de gaten en scheuren in het afbrokkelende kalksteen opgevuld, en hoewel we dik ingepakt waren was de kans om een tuimeling in het ijzige water van de Sor-hamna te overleven niet groot. We lokaliseerden de werkboot in de beschutte noordwesthoek van de steiger en daalden erin af langs een verticale ijzeren ladder die zo oud en verroest was dat sommige sporten hier en daar nauwelijks meer dan een centimeter dik waren. Op een donkere avond kan het schijnsel van een zaklantaarn zelfs bij de zwaarste sneeuwval van vrij grote afstand worden gezien, maar nu we ons beneden de bovenrand van de steigermuur bevonden knipten we onze lantaarns weer aan, maar hielden ze voorzichtigheidshalve afgeschermd. Een snel onderzoek van de werkboot leverde niets op. We klauterden in de langszij liggende kleinere boot en hadden ook daar geen succes. Van hier stapten we over op de namaakduikboot - er was een ijzeren ladder aan de zijkant van het middenstuk en van de commandotoren gelast. In de commandotoren was op een afstand van ruim een meter van de top een platform aangebracht. Een luik hierin bood doorgang naar een halfcirkelvormig platform ongeveer 35 centimeter onder de flens waarmee de commandotoren op het middenstuk was bevestigd: van hier leidde een korte ladder naar het dek van de duikboot. We gingen naar beneden en lieten onze lantaarns rondschijnen. ‘Geef mij maar zo’n duikboot,’ zei Smithy. ‘Hier komt de sneeuw tenminste niet binnen. Maar afgezien daarvan geloof ik toch niet dat ik me hier erg lekker zou voelen.’ Het nauwe en bekrompen interieur was inderdaad een naargeestige en vreugdeloze verblijfplaats. Het dek bestond uit houten, met tussenruimten aangebrachte planken die aan weerskanten op hun plaats werden gehouden door grote vleugelmoeren. Onder de planken konden we rijen stevig vastgesjorde, lange smalle grijsgeverfde staven zien - de vier ton gietijzer die als ballast diende. Langs weerskanten van de romp waren vier rechthoekige ballasttanks opgesteld - die konden worden gevuld om negatief drijfvermogen te geven - en aan een van de uiteinden van de romp stond een kleine dieselmotor, waarvan de uitlaatpijp door het dek heen tot boven in de commandotoren reikte: deze motor was aan een compressorpomp gekoppeld voor het legen van de ballasttanks. En dat was alles wat er aan constructiewerk te zien was: ze hadden me verteld dat het hele model vijftienduizend pond sterling had gekost; en ik kon alleen maar tot de conclusie komen dat Otto druk bezig was geweest met het geliefkoosde tijdverdrijf van producers: vervalsing van de boeken. Er waren nog verscheidene andere afzonderlijke uitrustingsstukken. In een kast in wat ik aanzag voor het achterste deel van het middenstuk, lagen vier uitklapankers met kettingen, samen met een kleine draagbare lier: vlak daarboven bevond zich een luik in het dek dat toegang gaf tot het bovendek: de ankers konden alleen maar bestemd zijn om het model muurvast in iedere gewenste positie te meren. Tegenover deze kast, stevig aan een schot vastgesjord, ontdekten we een lichtgewicht plastic reconstructie van een periscoop die zo te zien op uiterst realistische manier zou kunnen functioneren. Daar vlakbij vonden we nog drie andere plastic modellen, een namaakkanon, vermoedelijk bestemd om op het dek te worden gemonteerd, en twee mitrailleurmodellen die naar ik veronderstelde ergens in de commandotoren zouden worden gemonteerd. In het voorste gedeelte van het middenstuk troffen we nog twee kasten aan: de ene bevatte een aantal kurken reddingsvesten, de andere zes blikken verf en een paar verfkwasten. De blikken droegen het etiket ‘Snelgrijs’. ‘En wat betekent dat?’ vroeg Smithy. ‘Een of andere soort sneldrogende verf, zou ik zo denken.’ ‘Alles picobello en model in orde,’ zei Smithy. ‘Dat had ik nooit van Otto verwacht.’ Hij huiverde. ‘Het mag hier dan niet sneeuwen, maar ik wil u wel zeggen dat ik het verrekte koud heb. Het doet me hier denken aan een ijzeren graftombe.’ ‘Je hebt gelijk, erg gezellig is het hier niet. Naar boven en weg wezen.’ ‘Een vruchteloze speurtocht, vindt u?’ ‘Zou je kunnen zeggen, ja. Veel had ik er me trouwens toch niet van voorgesteld.’ ‘Bent u daarom van gedachten veranderd over het doorgaan van die filmerij? Eerst liet het u koud, toen adviseerde u ze maar door te gaan met het maken van die film - was dat daarom? Zodat u misschien hun kamers en hun spullen kon doorzoeken als ze op pad waren?’ ‘Hoe kom je op die gedachte, Smithy?’ ‘Er zijn hier honderden sneeuwhopen waarin iemand iets zou kunnen verbergen.’ ‘Daar heb ik ook al aan gedacht.’ De tocht van de steiger naar het hoofdverblijf ging ons veel makkelijker af dan andersom het geval was geweest, want deze keer hadden we het vage lichtschijnsel van de Colemans als geleide. We klauterden zonder al te veel moeite weer ons kamertje binnen, sloegen de sneeuw van onze laarzen en bovenkleding en hingen onze jassen op: vergeleken bij het interieur van de duikbootromp was de warmte in het kamertje beslist behaaglijk. Ik nam schroevendraaier en schroeven en begon het raam vast te zetten, terwijl Smithy, na enig gemompel over zijn zwakke gezondheid, de fles pakte die ik uit de proviandbarak had meegenomen en twee kleine bekertjes uit mijn medicijndoos haalde. Hij bleef naar me zitten kijken tot ik klaar was. ‘Nou, zei hij, ‘zo zitten we vannacht wel veilig. Maar hoe zit het met de anderen?’ ‘Ik geloof dat de meeste anderen geen enkel gevaar lopen omdat ze de plannen van onze vriend of vrienden niet in gevaar brengen.’ ‘De meeste anderen?’ ‘Ik denk dat ik het raam van Judith Haynes ook maar ga dichtschroeven.’ ‘Judith Haynes?’ ‘Ik heb zo’n gevoel dat zij gevaar loopt. Of het nou ernstig gevaar dan wel direct gevaar is, daar heb ik geen idee van. Misschien zie ik alleen maar spoken.’ ‘Het zou me niet verbazen,’ zei Smithy dubbelzinnig. Afwezig dronk hij van zijn whisky, ik heb net ook zo’n beetje zitten nadenken, maar in heel andere richting. Wanneer, denkt u, zal het bij onze directieraad opkomen om ergens politie te waarschuwen of hulp van buiten in te roepen of, op z’n minst, de wereld laten weten dat de werknemers van Olympus Productions sterven als vliegen en bepaald niet op natuurlijke wijze?’ ‘Dat zou jij doen?’ ‘Als ik geen misdadiger was, of, in dit geval, een misdadiger met dringende redenen om de politie uit de buurt te hebben, ja, dan zou ik dat doen.’ ‘Ik ben geen misdadiger maar toch heb ik ook zeer dringende redenen om de politie liever niet in de buurt te willen hebben. Op het moment dat de politie officieel ten tonele komt zal iedere misdadige gedachte, bedoeling en potentiële handeling in de diepvries gaan en dan blijven we zitten met vijf onopgeloste moorden en daar blijft het bij, want als er één ding zeker is dan is het wel dat we tot dusver niets hebben om ook maar iemand aan op te hangen. Er is maar één manier, en dat is genoeg touw te laten vieren om er een strop van te maken.’ ‘En als we nou eens te veel touw geven en onze vriend, in plaats van zichzelf op te hangen een van ons ophangt? Als er nou weer eens een moord gebeurt?’ in dat geval zouden we de politie erbij moeten halen. Ik ben hier om zo goed ik maar kan een karwei te klaren, maar dat betekent niet dat ik het karwei hoe dan oók moet klaren: ik kan geen onschuldigen als offerdieren gebruiken.’ ‘Nou, dat is dan tenminste een opluchting. Maar stel nou dat die gedachte bij onze geachte directie opkomt?’ ‘Dan zullen we moeten proberen contact met Tunheim te krijgen - daar is een radiostation van de Meteorologische Dienst dat minstens de maan moet kunnen bereiken. Of we zullen moeten proberen zelf naar Tunheim te komen. Dat is nog geen zestien kilometer hiervandaan, maar met dit weer zou het net zo goed aan de andere kant van Siberië kunnen liggen. Als het weer wat beter wordt zou het misschien mogelijk zijn. De wind draait nu naar het westen en als-ie in die hoek blijft zou een tocht per boot langs de kust misschien mogelijk zijn - niet bepaald aangenaam, maar gewoon mogelijk. Als de wind te veel noordelijk draait, zou dat uitgesloten zijn - het zijn maar open werkboten die als er maar een beetje zee staat vollopen. Over land - als het ophield met sneeuwen - nou, ik zou het niet weten. In de eerste plaats is het terrein zo ruw en bergachtig dat je de kleine Sno-cat onmogelijk zou kunnen gebruiken - je zou te voet moeten gaan. Je zou een heel eind landinwaarts moeten gaan, naar het westen, om die bergketen te ontlopen die uitloopt in steile rotswanden aan de oostkust. Er liggen daar honderden kleine meertjes en ik heb er geen idee van hoe zwaar die met ijs bedekt zijn, sommige misschien net genoeg om een laag sneeuw te dragen maar niet een vent - en ik geloof dat sommige van die meren meer dan 30 meter diep zijn. Je zou tot aan je enkels, knieën, dijen, middel in de sneeuw zakken. En afgezien van het gevaar van wegzakken of verdrinken, we zijn helemaal niet uitgerust voor zo’n pooltocht, we hebben niet eens een tent om in te overnachten - er is geen schijn van kans dat je het in één dag haalt -en als het weer zou gaan sneeuwen en blijven sneeuwen dan wed ik dat Olympus Productions nog niet eens een zakkompasje voor je heeft om te voorkomen dat je in grote kringen rondloopt tot je dood neervalt van kou of honger of gewoon van pure uitputting.’ ‘ "Je, je, je",’ zei Smithy, ‘u hebt het steeds over mij. Als u er nou eens op uitging in plaats van ik?’ Hij grinnikte, ik zou natuurlijk altijd die kant op kunnen gaan, even rondzoeken tot ik een of andere geschikte grot of schuilplaats vind, daar de nacht doorbrengen, en de volgende dag terugkomen met de mededeling dat het volslagen onmogelijk is.’ ‘We zullen zien hoe het loopt.’ Ik nam nog een laatste slokje whisky en pakte schroevendraaier en schroeven op. ‘Laten we gaan kijken hoe het met juffrouw Haynes is.’ Juffrouw Haynes scheen in redelijke gezondheid te verkeren. Geen koorts, pols normaal, ademhaling rustig en regelmatig: hoe ze zich zou voelen als ze wakker werd was een heel andere zaak. Ik schroefde haar raam vast zodat niemand haar kamer van buiten zou kunnen binnenkomen zonder zich met geweld toegang te verschaffen - en het verbrijzelen van de dubbele glasruit zou genoeg lawaai veroorzaken om de helft van de bewoners wakker te maken. Toen gingen we de centrale woonruimte binnen. Het was daar verrassend verlaten. Minstens tien mensen die ik daar verwacht zou hebben waren afwezig, maar toen ik in gedachten gauw even naging wie er ontbraken was ik ervan overtuigd dat dit geen reden tot verontrusting behoefde te betekenen. Otto, de Graaf, Heissman en Goin, wier afwezigheid allereerst opviel, waren vermoedelijk in een van de slaapvertrekjes in geheim conclaaf bijeen om gewichtige zaken te bespreken die niet voor de oren van hun ondergeschikten bestemd waren. Lonnie had vrijwel zeker weer gehoor gegeven aan zijn verlangen naar frisse lucht en ik hoopte maar dat hij het niet had klaargespeeld om tussen het woonverblijf en de proviandbarak verdwaald te raken. Allen was vast en zeker weer even gaan liggen, en ik veronderstelde dat Darling Mary die haar afkeer tegen heel wat dingen scheen te hebben overwonnen, weer plichtsgetrouw handje in handje zat. Ik zou niet weten waar de Drie Apostelen naar toe waren gegaan en daar maakte ik me ook niet zo bijzonder ongerust over: ik was er zeker van dat er van hen niets anders te vrezen was dan blijvende beschadiging van de trommelvliezen. Ik liep naar de plek waar Conrad de scepter zwaaide over een drie-pits-oliebrander die boven op een kachel was gemonteerd. Hij had twee grote pannen en een grote pot tegelijk aan de kook: hachee, bonen en koffie, en hij scheen van zijn rol als chef-kok te genieten - niet in de laatste plaats, dacht ik, omdat hij Mary Stuart als assistente had. Bij een ander zou ik naar een minder altruïstisch motief voor deze opgewekte hulpvaardigheid hebben gezocht, de o zo vlot in de omgang zijnde grote acteur die bezig was de democraat te spelen voor een bewonderend publiek, maar ik kende Conrad nu wel genoeg om me te realiseren dat dit helemaal niet in zijn aard lag: hij was gewoon een van nature hulpvaardige kerel die zich nooit boven zijn mede-acteurs zou plaatsen. Conrad, dacht ik, moest inderdaad wel een zeer rara avis in de filmwereld zijn. ‘Wat krijgen we nou?’ vroeg ik. ‘Mag dit allemaal zo maar? Ik dacht dat Otto de Drie Apostelen had aangewezen om bij toerbeurt als kok te fungeren.’ ‘De Drie Apostelen waren van plan hier hun muzikale techniek te gaan verbeteren,’ zei Conrad. ‘Uit zelfbescherming heb ik het op een akkoordje met ze gegooid. Ze repeteren nu in de uitrustingsloods - u weet wel, waar het aggregaat staat.’ Ik probeerde me de kakofonie in te denken die in een beperkte ruimte van acht bij acht geproduceerd zou worden door hun valse stemmen, hun versterkers en het dieselaggregaat, maar mijn verbeelding schoot te kort. Ik zei: ‘Je verdient een medaille. Jij ook, Mary-lief.’ ik?’ Ze glimlachte. ‘Waarom?’ ‘Weet je nog wat ik zei over de combinaties die zich zouden vormen van braveriken en slechteriken? Fijn om te zien dat jij een oogje houdt op onze verdachte hier. Nog niet gezien dat hij zijn hand verdacht lang boven een van de pannen hield, hoop ik?’ Haar glimlachje verdween, ik vind dat niet grappig, dokter Marlow.’ ik ook niet. Een onhandige poging om de stemming wat op te monteren.’ Ik keek Conrad aan. ‘Kan ik de chef-kok even spreken?’ Conrad keek. me even taxerend aan, knikte en wendde zich af. Mary Stuart zei: ‘Dat is leuk, hoor. Voor mij, bedoel ik. Waarom kunt u hier niet met hem praten?’ ‘Ik wil hem een paar grapjes vertellen. Jij schijnt mijn humor niet zo op prijs te stellen.’ Ik liep met Conrad een paar passen bij haar vandaan en vroeg: ‘Al kans gehad om even met Lonnie te praten?’ ‘Nee. Ik bedoel, ik had er nog geen gelegenheid voor. Is het zo dringend?’ ‘Ik begin te vrezen van wel. Kijk, ik heb hem er niet gezien, maar ik ben er absoluut zeker van dat Lonnie daarginds in de proviandbarak is.’ ‘Waar Otto al die levenselixers heeft opgeslagen?’ ‘Je zou toch zeker niet verwachten Lonnie in de brandstofbarak te vinden, wel? Dieselolie en benzine liggen hem niet zo erg. Ik vraag me af of jij daar naar toe zou willen gaan, om vloeibare verlossing te vinden van deze boze barre wereld, van Bereneiland, van Olympus Productions, van wat je maar wilt, en met hem tot een fijn gesprek te komen. Over de eenzaamheid hier, over gedachten aan thuis, familie, noem maar op. Alleen maar om hem aan het praten te krijgen over zijn familie.’ Hij aarzelde, ik vind Lonnie een aardige kerel. Ik voel hier niets voor.’ ‘Gevoelens van de mensen laten me zo langzamerhand koud. Ik bekommer me alleen nog maar om hun leven - dat kunnen blijven doorleven, bedoel ik.’ ‘Goed,’ hij knikte en keek me ernstig aan. ‘Beetje riskant, vindt u niet? De hulp van een van uw verdachten inroepen, bedoel ik.’ ‘U staat niet op mijn lijstje van verdachten,’ zei ik. ‘U hebt er nooit op gestaan.’ Hij bleef me nog even aankijken en zei toen: ‘Zeg dat aan Mary-lief, wilt u.’ Hij draaide zich om en liep naar de buitendeur. Ik ging terug naar het oliekomfoor. Mary Stuart keek me aan met dat gebruikelijke ernstige en uitdrukkingsloze gezicht. Ik zei: ‘Conrad zegt me jou te zeggen dat ik hem net gezegd heb - kan je me volgen? - dat hij niet op mijn lijstje van verdachten staat en er ook nooit op heeft gestaan.’ ‘Dat is fijn.’ Ze gaf me een lachje maar het had iets ijzigs. ‘Mary,’ zei ik, ‘je bent boos op me.’ ‘Nou, en?’ ‘En wat?’ ‘Bent u een vriend van me?’ ‘Natuurlijk.’ ‘Natuurlijk, natuurlijk.’ Ze imiteerde mijn stem heel geloofwaardig. ‘Dokter Marlow is een vriend van de hele mensheid.’ ‘Dokter Marlow houdt de hele mensheid niet een hele nacht lang in zijn armen.’ Weer een lachje. Ditmaal lag er iets warms in. Ze vroeg: ‘En Charles Conrad?’ ik mag hem. Ik weet niet hoe hij over mij denkt.’ ‘En ik mag hem ook en ik weet dat hij mij mag en dus zijn we allemaal vrienden onder elkaar.’ Het leek me beter om maar niet opnieuw ‘natuurlijk’ te zeggen, en ik knikte dus alleen maar. ‘Dus waarom vertellen we elkaar niet al onze geheimen?’ ‘Vertel jij altijd jouw geheimen?’ Ze keek een beetje verbaasd, en ik ging door. ‘Zullen we een kinderspelletje spelen? Jij vertelt mij een geheimpje en ik vertel er jou een.’ ‘Wat bedoelt u in vredesnaam?’ ‘Dat geheime afspraakje dat je gisterenochtend had. In de sneeuw en op het bovendek. Dat innige samenzijn van jou en Heissman.’ Ik had hierop een of andere zeer positieve reactie verwacht, en was dienovereenkomstig teleurgesteld toen die uitbleef. Ze bleef me even zwijgend en peinzend aankijken, en zei toen: ‘Dus u hebt ons bespioneerd. ik kwam er toevallig langs.’ ‘Ik heb u niet toevallig langs zien komen.’ Ze beet op haar lip, maar zo te zien niet al te verontrust, ik wou dat u dat niet gezien had.’ ‘Waarom niet?’ Heel even had ik ironie in mijn stem willen leggen, maar heel in de verte kon ik een waarschuwend belletje horen rinkelen. ‘Omdat ik niet wil dat iemand het weet.’ ‘Klaarblijkelijk,’ zei ik geduldig. ‘Waarom niet?’ ‘Omdat ik er niet erg trots op ben. Ik moet de kost verdienen, dokter Marlow. Ik ben pas twee jaar geleden naar dit land gekomen en ik beheers geen enkel vak, ik kan niets. Ik mis zelfs iedere bekwaamheid voor wat ik nu doe. Ik ben een hopeloze actrice. Ik weet dat ik dat ben. Ik heb gewoon geen greintje talent. De laatste twee films waar ik in meespeelde - nou ja, ze waren gewoon afgrijselijk. Verbaast het u dat de mensen me met de nek aanzien, waarom ze zich hardop afvragen waarom ik m’n derde film met Olympus Productions maak? Nou, dan weet u het nu: Johann Heissman is dat waarom.’ Ze glimlachte, heel flauwtjes maar. ‘U bent verrast, dokter Marlow? Geschokt misschien?’ ‘Nee.’ Het flauwe lachje verdween. Er trok iets van het leven uit haar gezicht weg en toen ze weer iets zei klonk haar stem dof: is het dan zo makkelijk om dit van mij te geloven?’ ‘Nou, nee. Sterker nog, ik geloof je helemaal niet.’ Ze keek me aan, haar gezicht een beetje droevig en vol onbegrip. ‘U gelooft niet - u gelooft dit niet van me?’ ‘Niet van Mary Stuart. Niet van Mary-lief.’ Er kwam weer wat leven terug en ze zei bijna verwonderd: ‘Dat is het aardigste wat iemand ooit tegen me gezegd heeft.’ Ze staarde, als aarzelend, naar haar handen en zei toen zonder op te kijken: ‘Johann Heissman is mijn oom. Broer van mijn moeder.’ ‘Je oom?’ Ik had in gedachten alle soorten mogelijkheden de revue laten passeren, maar deze mogelijkheid was niet bij me opgekomen. ‘Oom Johann.’ Weer dat flauwe, bijna heimelijke lachje, dit keer - maar dat kon ook verbeelding van me geweest zijn - met iets ondeugends erin: ik zou wel eens willen weten hoe haar glimlach zou zijn als ze ooit in pure verrukking of vol geluk zou glimlachen. ‘U hoeft me niet te geloven. Gaat u het hem zelf maar vragen. Maar onder vier ogen, alstublieft.’

*** 

Het diner die avond was niet bepaald het toppunt van gezelligheid. De sfeer van opgewekte vriendschappelijkheid die nodig is om dergelijke gemeenschappelijke maaltijden tot een succes te maken, ontbrak ten enen male. Dit kon ten dele het gevolg zijn geweest van het feit dat de meeste mensen ofwel in hun eentje zaten of stonden te eten, ofwel in verspreide kleine groepjes, hun aandacht vrijwel uitsluitend gewijd aan de onsmakelijk uitziende goelasj in de kom die ze in de hand hielden: maar het was hoofdzakelijk het gevolg van het feit dat iedereen er zich duidelijk en pijnlijk van bewust was dat we bezig waren aan het wereldse equivalent van ons eigen laatste avondmaal. Want aller belangstelling werd niet helemaal door het eten in beslag genomen. Herhaaldelijk maakte hier en daar een paar ogen zich, heel even, los van de hachee met bonen om snel door de kamer te dwalen en dan weer in een vreemd schuldig verweer naar het voedsel terug te keren alsof de rondkijker gehoopt had met die ene snelle blik een of ander teken te ontdekken dat onfeilbaar de verrader in ons midden zou ontmaskeren. Het is echter onnodig te zeggen dat dergelijke openlijke aanwijzingen van zelfverraad uitbleven, en het ontmaskeringsprobleem werd verzwaard en verward door het feit dat de meeste aanwezigen een mate van abnormaliteit in hun gedrag ten toon spreidden die onder normale omstandigheden toch al meer dan een vleugje argwaan zou hebben gewekt: want het is een merkwaardig kenmerk van de menselijke aard dat zelfs de meest onschuldige man of vrouw die weet dat hij of zij onder verdenking staat de neiging heeft tot een overmatig vertoon van onnatuurlijk gewoon en onverschillig doen waardoor de oorspronkelijke verdenking alleen maar verhevigd wordt. Otto was kennelijk een van degenen die daar geen last van hadden. Of het nu kwam doordat hij wist dat hij zelf een van degenen was die als boven alle verdenkingen verheven werd beschouwd, of doordat hij zichzelf, als president-directeur van de firma en producer van de film verre achtte van de problemen die gewone mensen bezwaarden, zou ik niet kunnen zeggen, maar in ieder geval was Otto merkwaardig beheerst, en verbazingwekkend genoeg, zelfs doortastend en zelfbewust. Hoe onwaarschijnlijk het tot op dat moment ook geleken had, het zou best kunnen zijn dat Otto, anders altijd zo weifelend en besluiteloos, een van die mensen was die zich alleen maar in ogenblikken van crisis op hun best toonden. Er was beslist niets van weifeling of besluiteloosheid aan hem te merken toen hij nadat iedereen klaar was met eten opstond om iets te zeggen. ‘We zijn ons allemaal bewust,’ zei Otto vastberaden, ‘van de verschrikkelijke gebeurtenissen van de laatste paar dagen, en ik geloof dat we geen andere keus hebben dan dokter Marlows visie op wat er gebeurd is te aanvaarden. Bovendien vrees ik dat we ook de waarschuwingen van de dokter ten aanzien van wat er in de naaste toekomst zou kunnen gebeuren, als zeer reëel zullen moeten aanvaarden. Het zijn allemaal onontkoombare feiten en volkomen denkbare mogelijkheden, dus denkt u alstublieft geen ogenblik dat ik probeer de ernst van de situatie af te zwakken. Integendeel, het zou onmogelijk zijn om die te overdrijven, onmogelijk om een onmogelijke situatie te overdrijven. Hier zitten we, gevangen op een eiland in het hoge noorden en buiten bereik van iedere hulp, met de wetenschap dat enkelen van ons gewelddadig zijn omgekomen en dat deze gewelddadigheid wellicht nog niet ten einde is.’ Hij keek bedaard het gezelschap rond en ik deed hetzelfde: ik zag dat er heel wat onder de aanwezigen waren die al net zo onder de indruk van Otto’s kalme uiteenzetting van de situatie waren als ik. Hij vervolgde: ‘Juist omdat de situatie waarin we ons bevinden zo ongelooflijk en zo abnormaal is stel ik voor dat we ons zo verstandig en normaal mogelijk gedragen. Als we tot hysterie vervallen bereiken we daar niets mee, integendeel, we kunnen wat er gebeurd is niet veranderen en alleen maar onszelf nog meer schaden. Daarom hebben mijn collega’s en ik besloten dat we, natuurlijk onder voorbehoud van alle mogelijke voorzorgsmaatregelen, zo normaal mogelijk aan de slag moeten met het werk waarvoor we per slot van rekening naar dit eiland zijn gekomen. Ik ben er zeker van dat u het allemaal met me eens zult zijn dat het veel beter is dat onze tijd en aandacht in beslag genomen wordt - ik wil niet zeggen nuttig besteed - door hard aan iets doelmatigs en constructiefs te werken dan maar bij de pakken neer te zitten en over die afgrijselijke dingen te piekeren. Ik beweer niet dat we kunnen pretenderen dat die dingen nooit gebeurd zijn: ik zeg alleen dat het ons allemaal goed zal doen alsof we net doen alsof ze niet gebeurd zijn. Als de weersomstandigheden het ons toestaan gaan we morgen in drie ploegen aan het werk.’ Otto pleegde geen overleg, hij vertelde wat er gebeuren moest: ik zou in zijn plaats hetzelfde hebben gedaan. ‘De hoofdgroep, onder leiding van meneer Divine hier, gaat in noordelijke richting de Lernerweg op - een weg die omstreeks de eeuwwisseling naar de volgende baai is aangelegd, al geloof ik niet dat er nu nog veel van zal zijn overgebleven. De Graaf, Allen en Cecil gaan met hem mee. Ik ben van plan zelf ook mee te gaan en ik wil jou er ook bij hebben, Charles.’ Dit tegen Conrad. ‘Heeft u mij er ook bij nodig, meneer Gerran?’ Deze vraag kwam van Mary Darling, haar hand opgestoken als van een schoolmeisje in de klas. ‘Nou, het zullen bijna allemaal achtergrondopnamen zijn. . .’ Hij brak zijn zin af, wierp een blik op Allens gehavende gezicht, keek toen met een volgens mij schelms lachje weer naar Mary. ‘Als je dat zo graag wilt - natuurlijk. Meneer Hendriks gaat met Luke, Mark en John proberen voor ons alle geluiden van het eiland vast te leggen — de huilende wind om de rotsen, de krijsende vogels, de tegen de kust brekende golven. Meneer Heissman gaat er met een handcamera in de boot op uit om een paar geschikte locaties langs de kust te zoeken - de heren Jungbeck en Hayter die morgen niets te doen hebben, zijn zo vriendelijk geweest aan te bieden om met hem mee te gaan. Dit zijn dan onze beslissingen voor het programma van morgen. Maar de belangrijkste beslissing van allemaal, die ik voor het laatst bewaard heb, heeft niets te maken met ons werk. We zijn tot de conclusie gekomen dat het van essentieel belang is dat we met de grootst mogelijke spoed hulp zoeken. Met hulp bedoel ik justitie, politie, of een of ander dergelijk erkend gezag. Het is niet alleen onze plicht, het zou ook heel goed essentieel voor ons zelfbehoud kunnen zijn om zo snel als menselijkerwijs maar mogelijk is te zorgen dat er een grondig en deskundig onderzoek wordt ingesteld. Om hulp in te roepen hebben we een radio nodig en de dichtstbijzijnde radiozender bevindt zich in het Noorse Meteorologische Station in Tunheim.’ Ik vermeed zorgvuldig om Smithy aan te kijken en vertrouwde erop dat hij omgekeerd hetzelfde zou doen. ‘Meneer Smith, uw aanwezigheid hier zou weleens een zegen kunnen blijken te zijn - u bent de enige beroepszeeman onder ons. Wat zouden onze kansen zijn om per boot Tunheim te bereiken?’ Smithy zweeg een paar seconden om zijn opmerkingen enig gewicht te geven en zei toen: in de huidige omstandigheden zijn die kansen zo gering dat ik niet eens zou willen overwegen om het te proberen, hoe wanhopig onze situatie ook is. We hebben de laatste tijd erg zwaar weer gehad, meneer Gerran, en de zee zal voorlopig wel ruw blijven. Het nadeel van die werkboten is dat als je in ruwe zee terechtkomt je niet kan doen wat je onder normale omstandigheden zou doen, dat wil zeggen, omkeren en voor de zee uithollen: die boten zijn van achteren volledig open en zouden vrijwel zeker vollopen - dat wil zeggen zinken. Dus je zou wel heel zeker van het weer moeten zijn voordat je erop uit trok.’ ‘Ik begrijp het. Voorlopig dus te gevaarlijk. En als de zee kalmer wordt, meneer Smith?’ ‘Hangt van de wind af. Die krimpt nou naar het westen en als-ie in die hoek zou blijven - nou ja, het is te doen. Draait-ie door naar het noordwesten of nog verder, dan, nee. Geen schijn van kans.’ Smithy glimlachte. ‘Ik zou niet willen zeggen dat een tocht over land makkelijker zou zijn, maar je zou tenminste niet door hoge zeeën overspoeld worden.’ ‘Aha! Dus u denkt dat het op z’n minst mogelijk is om Tunheim te voet te bereiken?’ ‘Nou, ik weet het niet. Ik ben geen expert in poolreizen. Ik zou haast zeggen dat meneer Heissman hier - ik heb gehoord dat hij hier al het een en ander over verteld heeft - op dit punt veel meer recht van spreken heeft dan ik.’ ‘Nee, nee.’ Heissman maakte een afwerend handgebaar. ‘Laat ons horen wat u ervan denkt, meneer Smith.’ Dus liet Smithy hen horen wat hij ervan dacht, wat min of meer een woordelijke herhaling was van wat ik hem even tevoren in ons slaapvertrekje verteld had. Toen hij klaar was knikte Heissman, die vermoedelijk net zoveel van reizen in het winterse poolgebied wist als ik van de achterkant van de maan, heftig en zei: ‘Volkomen juist en bewonderenswaardig gesteld. Ik ben het helemaal met meneer Smith eens.’ Er viel een bedachtzame stilte die ten slotte gebroken werd door Smithy die schuchter zei: ‘Ik schijn hier de doorslaggevende stem te hebben. Als het weer bedaart heb ik er niks op tegen om het te proberen.’ ‘Maar nou moet ik tegen je ingaan,’ zei Heissman onmiddellijk. ‘Dat is zelfmoord, jongen, gewoon zelfmoord.’ ‘Laat dat nou even buiten beschouwing,’ zei Otto vastberaden. ‘Voor onze veiligheid - onze gezamenlijke veiligheid - is er niet meer en niet minder nodig dan een expeditie.’ ‘Ik zou geen expeditie willen, zei Smithy vriendelijk, ik zie er niet veel heil in als de blinde de lamme gaat leiden.’ ‘Meneer Gerran.’ Het was John Hayter die het woord nam. ‘Misschien zou ik hier kunnen helpen.’ ‘Jij?’ Otto keek hem een ogenblik verbluft aan, toen helderde zijn gezicht op. ‘Natuurlijk. Daar dacht ik zo gauw niet aan.’ Hij zei ter verklaring: ‘John hier was mijn stuntman in Het hoge gebergte. Een bergbeklimmersfilm. Hij fungeerde als dubbel voor de acteurs die te bang of te waardevol waren voor de klimscènes. Echt een eersteklas alpinist, dat verzeker ik u. Hoe denkt u er dan over, meneer Smith?’ Ik was wel benieuwd hoe Smithy zich daaruit zou redden, maar hij antwoordde onmiddellijk: ‘Dat is ongeveer de vorm van expeditie die ik op het oog heb. Ik zou erg blij zijn om meneer Hayter bij me te hebben - hij zal me waarschijnlijk het grootste deel van de reis moeten dragen.’ ‘Nou, dat is dan geregeld,’ zei Otto. ‘Ik ben jullie allebei erg dankbaar. Maar alleen, natuurlijk, als het weer beter wordt. Nou, ik geloof dat dit dan wel alles is.’ Hij keek me glimlachend aan. ‘Bent u het, als onbezoldigd mededirecteur, niet met me eens?’ ‘Och ja,’ zei ik. ‘Behalve met uw veronderstelling dat iedereen hier morgenochtend nog zal zijn om de rol te spelen die u ze hebt toebedeeld.’ ‘Ah!’ zei Otto. ‘Precies,’ zei ik. ‘U dacht er toch niet ernstig over dat we ons allemaal voor de nacht zouden terugtrekken, is het wel? Voor bepaalde mensen met bepaalde oogmerken in het hoofd gaat er niets boven de kleine uurtjes. En als ik "mensen" zeg ga ik niet buiten de begrenzing van deze kamer: als ik zeg "oogmerken" doel ik op misdadige.’ ‘Mijn collega’s en ik hebben dit, eerlijk gezegd, besproken,’ zei Otto. ‘U stelt voor om wachten uit te zetten?’ ‘Het zou sommigen van ons kunnen helpen nog wat langer te leven,’ zei ik. Ik liep een paar passen naar voren tot ik midden in de kamer stond. ‘Van hieruit kan ik in alle vijf gangen kijken. Het zou voor iedereen onmogelijk zijn om een van de slaapvertrekken in of uit te gaan zonder door iemand die hier staat te worden gezien.’ ‘Daar zou wel een heel speciaal iemand voor nodig zijn, is het niet?’ vroeg Conrad. ‘Iemand met een nek op kogellagers.’ ‘Niet als we twee mensen tegelijkertijd op wacht hebben staan,’ zei ik. ‘En aangezien we al lang voorbij het punt zijn dat iemands gevoelens nog van enig belang zijn, graag twee mensen op wacht die niet alleen de gangen in het oog houden maar ook elkaar. Laten we zeggen, een verdachte en een niet-verdachte. Ik geloof dat we zo galant moeten zijn om van de niet-verdachten de twee Mary’s uit te zonderen. En ik geloof ook dat Allen een goede nachtrust hard nodig heeft. Dat zou dus betekenen dat meneer Gerran, meneer Goin, meneer Smith, Cecil en ikzelf overblijven. Met ons vijven zouden we geloof ik, tussen tien uur vanavond en acht uur morgenochtend best twee uurtjes wacht kunnen kloppen.’ ‘Een uitstekend voorstel,’ zei Otto. ‘Goed dan, vijf vrijwilligers graag?’ Er waren dertien potentiële vrijwilligers en alle dertien boden ze onmiddellijk hun diensten aan. Ten slotte werd overeengekomen dat Goin en Hendriks de wacht van tien uur tot middernacht op zich zouden nemen, Smith en Conrad de wacht van middernacht tot twee uur, ikzelf en Luke die van twee tot vier, Otto en Jungbeck die van vier tot zes en Cecil en Eddie de wacht van zes tot acht. Een paar van de anderen, met name de Graaf en Heissman, protesteerden, niet al te krachtig, tegen hun uitsluiting: ze hoefden er alleen maar even aan te worden herinnerd dat er na deze nog 21 nachten zouden volgen om ervoor te zorgen dat het protest zuiver symbolisch bleef. Met een bepaald niet verrassend gebrek aan unanimiteit werd besloten niet gezellig pratend te blijven rondhangen. Er was eigenlijk maar één ding om over te praten en niemand wilde erover praten, voor het geval hij de verkeerde had uitgekozen om mee te praten. Alleen en in groepjes van twee, en binnen luttele minuten, had bijna iedereen zich in de slaapverblijven teruggetrokken. Behalve Smithy en ikzelf bleef alleen Conrad achter en ik begreep dat hij met me wilde praten. Smithy keek me even aan, en ging toen naar ons slaaphokje. ‘Hoe wist u het?’ vroeg Conrad. ‘Over Lonnie en zijn gezin?’ ik wist niks. Ik had er alleen maar een vermoeden van. Hij heeft met je gepraat?’ ‘Een beetje. Niet veel. Hij had een gezin.’ ‘Had?’ ‘Had. Vrouw en twee dochters. Twee volwassen dochters. Auto-ongeluk. Ik weet niet of ze tegen een andere auto opbotsten, ik weet niet wie aan het stuur zat. Lonnie sloeg alleen maar dicht, alsof hij al te veel verteld had. Hij wou niet eens zeggen of hij zelf in de auto had gezeten, of er nog iemand anders bij was, zelfs niet wanneer het gebeurd was.’ En dat was alles wat Conrad te weten was gekomen. We praatten nog een tijdje over van alles en nog wat door, en toen Goin en Hendriks binnenkwamen om aan hun eerste wacht te beginnen ging ik naar mijn slaapvertrek. Smithy lag niet op zijn veldbed. Hij was volledig aangekleed en was net bezig de laatste schroef los te draaien waarmee ik het raam had vastgezet: hij had de vlam van het olielampje zo laag gedraaid dat het hokje in halfduister gehuld was. ‘Ga je weg?’ vroeg ik. ‘Er is iemand buiten.’ Smithy pakte zijn jekker en ik deed hetzelfde. ‘Ik dacht zo dat we maar liever niet de voordeur moesten gebruiken.’ ‘Wie is het?’ ‘Geen idee. Hij keek hier naar binnen maar zijn gezicht was alleen maar een witte vlek. Hij weet niet dat ik hem zag, daar ben ik zeker van, want hij liep verder naar het kamertje van Judith Haynes en scheen daar met een zaklantaarn naar binnen, en dat zou hij niet gedaan hebben als hij dacht dat iemand naar hem keek.’ Smithy was al bezig door het raam te klauteren. ‘Hij knipte zijn zaklantaarn uit maar niet voordat ik zag waar hij naar toeging. Naar de steiger, daar ben ik zeker van.’ Ik volgde Smithy en duwde het raam dicht zoals ik dat even tevoren ook had gedaan. Het weer was nog net zo als tijdens onze vorige tocht, nog steeds die jachtende sneeuw, de doordringende kou, de duisternis en die felle wind die het hele kompas rondtolde en naar het zuidwesten was gedraaid. We slopen naar het raam van Judith Haynes, schermden onze lantaarns af tot naalddunne lichtstraaltjes, zagen de voetsporen in de sneeuw die in de richting van de steiger leidden en stonden op het punt om ze te volgen toen het bij me opkwam dat het wellicht nuttig zou zijn om te kijken waar ze vandaan kwamen. Maar we konden niet nagaan waar ze vandaan kwamen: wie de onbekende ook was, hij was minstens twee keer, zich dicht tegen de wand houdend, om de barak heengelopen, kennelijk al voortlopend schuifelend met zijn voeten, zodat het volslagen onmogelijk was om te ontdekken uit welk slaapkamerraam hij op weg was gegaan. Dat hij zijn spoor zo doelmatig had uitgewist was ergerniswekkend: dat hij er ook maar aan had gedacht om het te doen was ontmoedigend want er bleek duidelijk uit dat hij zich er op zijn minst van bewust was dat dergelijke late wandelingen zouden kunnen worden verwacht. We zochten snel maar behoedzaam onze weg naar de steiger, voorzichtigheidshalve met een wijde boog om de voetsporen van de onbekende heen lopend. Aan de kop van de steiger riskeerde ik een snelle flits met de versmalde lichtbundel van mijn lantaarn: een enkel voetspoor voerde naar buiten. ‘Goed dan,’ zei Smithy zachtjes. ‘Onze vriend is naar de boten of de onderzeeër. Als we op onderzoek uit gaan zouden we hem wel eens tegen het lijf kunnen lopen. Als we naar het eind van de steiger lopen om poolshoogte te nemen en hem niet tegen het lijf lopen, zal hij op zijn terugtocht vast en zeker onze voetsporen zien. Zullen we onze aanwezigheid bekendmaken?’ ‘Nee. Er is geen wet die een man belet een wandelingetje te maken als hij daar zin in heeft, ook al is het tijdens een sneeuwstorm. En als we onze aanwezigheid bekendmaken kan je er verdomd zeker van zijn dat hij nooit een verkeerde stap zal doen zolang wij op Bereneiland blijven.’ We trokken ons terug in de luwte van een paar rotsen op slechts enkele meters afstand van het strand, een haast volledig overbodige voorzorg bij dat vrijwel tot nul gereduceerde zicht. ‘Wat denkt u dat hij van plan is?’ vroeg Smithy. ‘Gespecificeerd, geen idee. In het algemeen, alles tussen het snode en het misdadige in. We gaan daar beneden kijken zodra hij weg is.’ Wat ook zijn bedoelingen mochten zijn geweest, hij had er niet lang voor nodig gehad want hij was binnen twee minuten alweer terug. Het sneeuwde zo zwaar, de duisternis was zo volkomen, dat hij ons heel goed ongezien en onhoorbaar gepasseerd kon zijn, als hij niet heel even het schijnsel had laten zien van de kleine zaklantaarn die hij in zijn hand hield. We wachtten nog een paar seconden en richtten ons toen op. ‘Droeg hij iets?’ vroeg ik. ‘Dacht ik ook,’ zei Smithy. ‘Zou kunnen, maar ik zou er niet op kunnen zweren.’ We volgden het dubbele voetspoor in de sneeuw tot aan het einde van de steiger, waar ze eindigden aan de kop van de ijzeren ladder die toegang gaf tot het duikbootmodel. Er was geen twijfel aan dat hij hier naar beneden was gegaan, want afgezien van het feit dat hij nergens anders kon zijn geweest, waren zijn voetstappen over de hele romp verspreid en, toen we erin klommen, ook over het platform in de commandotoren. We lieten ons in de romp van de duikboot zakken. Er was niets veranderd, we zagen niets dat ontbrak sinds ons vorige bezoek. Smithy zei: ik heb opeens een afschuwelijke afkeer van deze plek. De vorige keer dat we hier waren noemde ik het een ijzeren graftombe. Ik zou niet graag willen dat het onze graftombe werd.’ ‘Heb je het gevoel dat het dat zou kunnen worden?’ ‘Onze vriend schijnt niets te hebben meegenomen. Maar hij moet toch met een of andere bedoeling hier naar toe zijn gekomen, dus ik neem aan dat hij iets gebracht heeft. Of hij nu iets gebracht of gehaald heeft, ik geloof niet dat het iets zou zijn dat me erg aanstaat. Stel je voor dat hij iets hier heeft neergezet om het verdomde ding op te blazen?’ ‘Waarom zou hij zoiets krankzinnigs willen doen?’ Mijn ongeloof was niet zo sterk als in mijn stem doorklonk. ‘Waarom heeft hij de krankzinnige dingen gedaan die hij gedaan heeft? Het waarom kan me op dit moment geen lor schelen. Ik wil alleen maar weten of hij, nu en op dit moment, weer iets krankzinnigs heeft gedaan. Wat ik bedoel is, dat ik verrekte zenuwachtig ben.’ Hij was niet de enige. Ik zei: ‘Aangenomen dat je gelijk hebt, hij zou dit ding niet kunnen opblazen met een miezerig plasticbommetje. Het zou iets moeten zijn dat groot genoeg was om een grote knal te maken. Met andere woorden, een tijdbom.’ ‘Om hem de tijd te geven rustig in zijn onschuldige bedje te liggen als de zaak explodeert? Dat maakt me nog zenuwachtiger. Ik vraag me af hoelang hij dacht ervoor nodig te hebben om weer in bed te kruipen.’ ‘Daar zou hij geen minuut voor nodig hebben.’ ‘Verdomme, waarom staan we hier te kletsen?’ Smithy liet zijn lantaarn rondflitsen. ‘Waar zou een vent zo’n ding neerpoten?’ ‘Tegen een schot, zou ik zeggen. Of op de bodem.’ We onderzochten eerst het dek, maar alle staven van de gietijzeren ballast en houten klampen waarmee ze bevestigd waren schenen onaangeroerd en stevig op hun plaats te zijn. Er was daar gewoon geen ruimte voor ook maar de kleinste bom. We onderzochten de rest van de romp, keken achter de uitklapbare ankers, tussen de kettingen, onder de pomp en de lier en achter de plastic modellen van periscoop en mitrailleurs. We vonden niets. We keken zelfs naar de afdichtingen van de ballasttanks om te zien of ze konden zijn losgeschroefd maar er was geen krasje op te bekennen. En er kon beslist nergens een bom tegen een van de schotten zijn bevestigd zonder onmiddellijk in het oog te vallen. Smithy keek me aan. Het was moeilijk te zeggen of hij verbluft was, dan wel, net als ik, zich in toenemende mate en verontrustend bewust van het feit dat als er ergens een dergelijke tijdbom was, de tijd snel verstreek. Hij keek naar het voorste gedeelte van de romp en zei: ‘Hij zou het ding ook gewoon in een van die kasten neergegooid kunnen hebben. Dat is per slot van rekening de gemakkelijkste en snelste plek om iets te verbergen.’ ‘Hoogst onwaarschijnlijk,’ zei ik, maar ik was eerder bij die kasten dan hij. Ik liet de lichtbundel van mijn zaklantaarn over de verfkast glijden en richtte toen de lantaarn op een vloerplank vlak bij de onderkant van de kast. Ik bleef die plank beschijnen en zei tegen Smithy: ‘Zie jij het ook?’ ‘Verse en nog niet gesmolten sneeuw. Van een laars.’ Hij strekte zijn hand uit naar de kastdeur. ‘Nou goed, de tijd verstrijkt. We kunnen het verdomde ding maar beter openmaken.’ ‘Beter niet.’ Ik greep zijn arm. ‘Hoe weet je dat je juist door die kast open te maken die bom niet tot ontploffing brengt?’ ‘Daar zegt u zo wat.’ Hij had zijn hand teruggetrokken als iemand die maar net aan de grauwende muil van een tijger ontkomt. ‘Dat zou de kosten van een tijdontsteking besparen. Maar hoe maken we dat ding dan open?’ ‘Geleidelijk. Het is onwaarschijnlijk dat hij de tijd had om zoiets ingewikkelds te installeren als een elektrische ontsteking, maar als hij dat wel gedaan heeft moet er zoiets als een contact in die deur zitten. Nog waarschijnlijker, doodgewoon een trektouw. In ieder geval niets dat in werking komt als die deur een paar centimeters opengaat, want die ruimte moet hij beslist nodig hebben gehad om zijn hand terug te trekken.’ Dus openden we de deur een paar centimeters, onderzochten de rand en wat we van de binnenkant van de kast konden zien en vonden niets. Ik trok de deur van de kast helemaal open. Er was niets van enig explosief te zien. Er was niets in de kast gezet. Maar er was wel iets uitgehaald - twee blikken van die sneldrogende verf en twee kwasten. Smithy keek me aan en schudde zijn hoofd. We zeiden geen van beiden iets. De redenen om een paar verfblikken weg te halen waren zo volledig ondenkbaar dat het duidelijk was dat er niets zinnigs kon worden gezegd. We sloten de kast en klauterden via de commandotoren weer op de steiger. Ik zei: ‘Het is hoogst onwaarschijnlijk dat hij die dingen heeft meegenomen naar zijn slaapverblijf. Per slot van rekening zijn het grote blikken die je niet gemakkelijk in zo’n klein hokje kan verbergen, zeker niet als ieder ogenblik een van je vrienden kan binnenkomen.’ ‘Hij hoeft ze niet mee naar binnen te nemen. Zoals ik daarnet al zei, er zijn hier honderden sneeuwhopen waar je vrijwel van alles kan verbergen.’ Maar als hij iets verborgen had moest hij het in een van de sneeuwhopen tussen de steiger en de woonbarak hebben verborgen, want zijn voetsporen leidden rechtstreeks naar de woonbarak terug zonder afwijking naar weerszijden. We volgden de voetafdrukken tot vlak bij de wanden van de hut en daar gingen ze verloren in de warwinkel van voetsporen rond de buitenkant van het verblijf. Smithy schermde zijn lantaarn af en bestudeerde de voetafdrukken een paar seconden. Hij zei: ‘Volgens mij is dat spoor breder en dieper dan daarnet. Ik geloof dat iemand - en het hoeft niet per se dezelfde te zijn - nog eens om de hele barak is heen gelopen.’ ‘Ik geloof dat je gelijk hebt,’ zei ik. Ik ging hem voor op de terugweg naar het raam van ons eigen slaaphokje en stond op het punt het raam open te trekken toen een of ander instinct - of misschien kwam het doordat ik nu onbewust in iedere mogelijke situatie naar het verdachte of ongerijmde zocht - me ertoe bracht mijn zaklantaarn op de vensterbank te laten schijnen. Ik draaide me naar Smithy om. ‘Valt jou iets op?’ ‘Mij valt iets op. Het stuk opgevouwen papier dat we tussen het raam en de vensterbank hebben gekneld - nou ja, het zit niet meer tussen raam en vensterbank gekneld.’ Hij scheen met zijn lantaarn langs de grond en raapte iets op. ‘Omdat het hier op de grond ligt. We hebben dus bezoek gehad.’ ‘Daar ziet het naar uit.’ We klauterden naar binnen, en terwijl Smithy het raam weer begon vast te schroeven draaide ik de olielamp hoger en begon rond te kijken - ten dele naar nog meer bewijs dat er een indringer binnen was geweest, maar voornamelijk om te proberen erachter te komen waarom hij hier geweest was. Het was onvermijdelijk dat mijn eerste onderzoek mijn medische uitrusting gold, en mijn eerste onderzoek was ook meteen mijn laatste, en bovendien van korte duur. ‘Wel, wel,’ zei ik. ‘Twee vliegen in één klap. Briljant stel, wij tweeën.’ ‘O ja?’ ‘De vent die jij zag met zijn gezicht tegen dat raam gedrukt. Hij hield dat er waarschijnlijk minstens vijf minuten tegenaan gedrukt tot hij er zeker van was dat je hem gezien had. Toen, om zich van je werkelijke belangstelling te verzekeren, ging hij een eindje verderop en scheen met zijn lantaarn in het kamertje van Judith Haynes. Wat kon hij beter doen, moet hij hebben geredeneerd om ons sneller naar buiten te lokken?’ ‘En daar had hij dus gelijk in?’ Hij keek naar mijn geopende dokterstas en vroeg voorzichtig: ‘Ik moet dus aannemen dat u daar iets uit mist?’ ‘Dat mag je wel aannemen.’ Ik liet hem de met fluweel beklede uitholling in het vakje zien waar het vermiste gelegen had. ‘Een dodelijke dosis morfine.’