9
Ik ben er niet zeker van hoe lang de stilte duurde, een stilte die het bijna ondraaglijke gesis van de lampen en het jankende gefluit van de wind alleen maar accentueerde. Het moet minstens tien seconden doodstil zijn geweest, hoewel het veel langer leek, een schijnbaar eindeloze tijdsduur waarin niemand zich bewoog en zelfs niemands ogen zich bewogen, want Allens ogen staarden strak en in gefascineerd onbegrip naar de knoop in de hand van Judith Haynes, terwijl alle andere ogen in de kamer op Allen waren gericht. Die ene kleine met leer beklede knoop biologeerde ons allemaal. Judith Haynes was de eerste die zich bewoog. Ze stond op, heel langzaam, alsof het een kolossale krachtsinspanning vergde, zowel van geest als van spieren, en bleef daar een ogenblik als besluiteloos staan. Ze leek nu heel bedaard en berustend, en omdat dit volkomen de verkeerde reactie was, keek ik langs haar heen naar Conrad en Smithy en ving hun beider blik op. Conrad liet zijn ogen even omlaag dwalen ter bevestiging van een teken, Smithy verplaatste zijn starende blik naar Judith Haynes en toen ze zich van het lichaam van haar man begon te verwijderen, liepen ze allebei een paar terloopse passen naar elkaar toe om haar de doorgang te beletten bij haar kennelijke bedoeling om naar Allen toe te gaan. Judith Haynes bleef staan, keek hen aan en glimlachte. ‘Dat is helemaal niet nodig,’ zei ze. Ze gooide de knoop naar Allen toe die het ding in een onwillekeurige reactie opving. Hij hield de knoop in zijn hand, staarde ernaar, keek toen vol verbijsterde verbazing naar Judith Haynes op, die opnieuw glimlachte. ‘Die zal je wel nodig hebben, is ‘t niet?’ vroeg ze, en liep weg in de richting van de haar toegewezen slaapkamer. Ik ontspande me en was me ervan bewust dat anderen dat ook deden, want ik kon de langzame uitademingen horen van degenen die het dichtst bij me stonden. Ik keek van Judith Haynes naar Allen, en dat was een grote fout van me want ik had me te gauw ontspannen: ik was me er instinctief van bewust geweest dat de schijnbare kalmte en droevige berusting hoogst zonderling waren, maar had dit alles toegeschreven aan de uitwerking van de ontstellende schok die ze zojuist gekregen had. ‘Jij hebt hem vermoord, jij hebt hem vermoord!’ Haar stem was een krankzinnig gekrijs, maar niet krankzinniger dan de dolzinnige woede waarmee ze Mary Darling te lijf ging die al achterover gestruikeld was, terwijl de andere vrouw bovenop haar viel en met gekromde vingers op haar inklauwde. ‘Jij kreng, hoer, vuile smerige slet - jij - jij moordenares! Jij bent ‘t die hem vermoord hebt! Jij hebt mijn man vermoord! Jij! Jij!’ Snikkend, en de doodsbange en tijdelijk verlamde Mary Darling die haar grote hoornomrande bril al kwijt was, de krankzinnigste scheldwoorden toekrijsend, klemde Judith Haynes een hand om het haar van de ongelukkige Mary en graaide met haar andere hand naar haar ogen, toen Smithy en Conrad ingrepen. Ze waren allebei grote en sterke kerels, maar ze vocht met zulk een dolzinnige en tijgerachtige felheid - en ze moesten tegelijkertijd twee al even hysterische honden van zich afhouden - dat ze er heel wat seconden voor nodig hadden eer ze haar konden lostrekken, en zelfs toen bleef ze zich met krankzinnige kracht aan Mary’s haar vastklampen, een greep die Smithy ten slotte meedogenloos en zonder aarzeling brak door haar pols om te draaien tot ze het uitgilde van pijn. Ze trokken haar overeind en ze bleef met alle kracht van haar longen hysterisch doorkrijsen, niet eens meer proberend woorden te vormen, alleen maar dat verschrikkelijke in merg en zenuwen dringende gekrijs als van een dier in doodsnood, toen hield het gegil plotseling op, ze zeeg ineen, en Smithy en Conrad legden haar op de grond. Conrad keek me aan. ‘Tweede bedrijf?’ Hij haalde hijgend adem en zag erg bleek. ‘Nee. Dit is echt. Willen jullie haar alsjeblieft naar haar slaaphokje brengen?’ Ik keek naar de geschokte en snikkende Mary maar ze had van mij geen onmiddellijke hulp nodig, want Allen, zijn eigen letsel vergetend, was op zijn knieën naast haar gevallen, trok haar tot zittende houding overeind en gebruikte een niet al te schone zakdoek om de drie diepe en lelijke krabben te betten die over de hele lengte van haar linkerwang waren gehaald. Ik draaide me om, ging naar mijn slaapruimte, maakte een spuitje klaar en ging het slaaphokje binnen waar Judith Haynes naar toe was gebracht. Smithy en Conrad stonden waakzaam bij haar bed en hadden gezelschap gekregen van Otto, de Graaf en Goin. Otto keek naar het spuitje en pakje me bij de arm. ‘Is dat - is dat voor mijn dochter? Wat bent u van plan met haar te gaan doen? He is nu allemaal voorbij, man - goeie god, u ziet toch dat ze bewusteloos is.’ ‘En ik zal ervoor zorgen dat ze verdomme bewusteloos blijft,’ zei ik. ‘Uren en uren en uren. Dat is het beste voor haar en het beste voor ons allemaal. Ik heb inderdaad erg met uw dochter te doen, ze heeft een verschrikkelijke schok gehad, maar medisch baart me dat geen zorgen, waar het me nu alleen maar om gaat is haar zo goed mogelijk te behandelen in verband met de toestand waarin ze nu is, en die is openlijk gezegd onevenwichtig, labiel en in hoge mate gevaarlijk. Of wilt u nog eens naar Mary Darling kijken?’ Otto aarzelde maar Goin, kalm en verstandig als altijd, kwam me te hulp. ‘Dokter Marlow heeft volkomen gelijk, Otto - en het is voor Judiths eigen bestwil, na zo’n schok kan alleen maar een lange rust goed doen. Dit is echt het beste voor haar.’ Ik was daar niet zo zeker van, ik zou de voorkeur aan een dwangbuis hebben gegeven, maar ik knikte Goin dankbaar toe, gaf Judith Haynes de injectie, hielp mee om haar in een slaapzak met ritssluiting te werken, zag erop toe dat ze bovendien nog met een voldoende aantal dekens werd toegedekt, en ging weg. Ik nam de honden mee en bracht ze naar mijn eigen slaapvertrekje — ik laat niet graag dieren en zeker geen hysterische honden in het gezelschap van iemand onder verdoving. Allen had Mary Darling nu op een bank gezet maar was nog steeds bezig haar wang te betten. Ze snikte nu niet meer, haalde alleen nog wat bevend en onregelmatig adem maar scheen, afgezien van die krabben geen nadelige gevolgen te ondervinden van de ervaring die al even folterend als kortstondig moest zijn geweest. Lonnie stond op een paar passen afstand, vol meelij en hoofdschuddend naar het meisje te kijken. ‘Arm, arm kind,’ zei hij zacht. ‘Arm meisje.’ ‘Ze komt er wel overheen,’ zei ik. ‘Als ik een beetje mijn best doe blijft er van die krabben niet eens een litteken over.’ Ik keek naar Strykers lichaam en kwam tot de conclusie dat overbrenging naar de tractorloods nu het eerste was wat gebeuren moest: behalve Lonnie en Allen had niemand oog voor iets anders, en zelfs al zou uit het oog beslist ook niet meteen uit de gedachten betekenen, de afwezigheid van dat verminkte lichaam zou ongetwijfeld aller moreel verbeteren. ‘Ik had ‘t niet over de kleine Mary.’ Lonnie had weer mijn aandacht. ‘Ik dacht aan Judith Haynes. Arm, eenzaam meisje.’ Ik keek hem scherp aan maar ik had hem inmiddels goed genoeg moeten kennen om me te realiseren dat hij niet tot huichelarij of dubbelhartigheid in staat was: zijn gezicht was al net zo treurig als de klank in zijn stem. ‘Lonnie,’ zei ik, ‘ik sta altijd weer verbaasd over jou.’ Ik stak de oliekachel aan, zette wat water op, draaide me toen naar Stryker om. Smithy en Conrad stonden allebei gereed en woorden waren onnodig. Lonnie stond erop met ons mee te gaan, om deuren open te maken en een zaklantaarn vast te houden: we lieten Stryker in de tractorloods achter en gingen terug naar het hoofdverblijf. Smithy en Conrad gingen naar binnen maar Lonnie maakte geen aanstalten om hen te volgen. Hij bleef daar staan, alsof hij diep in gedachten verzonken was, schijnbaar zonder iets te merken van de wind die nu krachtig genoeg was om tegenaan te kunnen leunen, van de steeds feller wordende sneeuwjacht die langzamerhand de vormen van een sneeuwstorm begon aan te nemen, of van de intense en staag ijziger wordende kou. ‘Ik geloof dat ik maar een beetje buiten blijf,’ zei hij. ‘Niets zo goed om een helder hoofd te krijgen als de frisse buitenlucht.’ ‘Nee, inderdaad,’ zei ik. Ik nam hem de zaklantaarn uit de hand en richtte de lichtbundel op de dichtstbijzijnde barak. ‘Daarbinnen. Links.’ Wat er ook aan de proviandering van Olympus Productions mocht schorten, aan sterke drank was er geen gebrek. ‘Beste kerel.’ Met een beslist gebaar heroverde hij zijn zaklantaarn. ‘Ik heb persoonlijk toezicht op het opslaan van de voorraden gehouden.’ ‘En zelfs zonder de belemmering van een slot,’ zei ik. ‘En al was er wel een slot? Otto zou me de sleutel geven.’ ‘Otto zou je de sleutel geven?’ vroeg ik voorzichtig. ‘Natuurlijk. Dacht je dat ik een beroepsbrandkastkraker was die met hele bossen valse sleutels rondloopt? Wie had me, dacht je, de sleutels van de barkast op de Morning Rose gegeven?’ ‘Otto soms?’ vroeg ik monter. ‘Natuurlijk.’ ‘Waar chanteer je hem mee, Lonnie?’ ‘Otto is een heel, heel vriendelijke man,’ zei Lonnie ernstig. ‘Ik dacht dat ik je dat al gezegd had?’ ‘Da’s waar ook, helemaal vergeten.’ Ik keek hem peinzend aan, terwijl hij doelbewust door de dikke laag sneeuw naar de proviandbarak sjokte, toen draaide ik me om en ging het hoofdverblijf in. De meeste mensen daarbinnen hadden, nu Stryker weg was, hun aandacht op Allen gericht die zich hier duidelijk pijnlijk van bewust was, want hij had zijn arm niet langer om Mary heen, hoewel hij nog steeds met een zakdoek haar wang bette. Conrad, die kennelijk meer dan een beetje op Mary Stuart verkikkerd was geraakt, want hij had de afgelopen twee dagen telkens als het maar even mogelijk was haar gezelschap opgezocht, zat nu naast haar, vertederd bezig een van haar handen warm te wrijven - ik nam aan dat ze over de temperatuur geklaagd had die nog steeds nauwelijks boven het vriespunt was - en ofschoon ze half-onwillig leek en een beetje verlegen zat te glimlachen, maakte ze toch niet in die mate bezwaar dat ze zich heftig verzette. Otto, Goin, de Graaf en Divine zaten bij een van de oliekachels met gedempte stemmen te praten: het verbaasde me niet om te zien dat Divine er niet zozeer als gesprekspartner bij zat maar eerder als barman want hij was bezig onder Otto’s drukdoenerige aanwijzing glazen en flessen klaar te zetten. Otto wenkte me naar het groepje toe. ‘Na alles wat we daarnet hebben doorgemaakt,’ zei hij, ‘geloof ik dat we allemaal grote behoefte hebben aan een hartversterking.’ Dat Otto zo roekeloos met zijn privé-voorraden omsprong was voldoende aanwijzing voor de mate waarin hij geschokt was. ‘Het geeft ons ook tijd om te overleggen wat we met hem moeten doen.’ ‘Met wie?’ ‘Met Allen, natuurlijk.’ ‘Ah. Nou ja, het spijt me, ik ben bang dat de heren het zowel wat betreft de drank als het overleg zonder mij zullen moeten stellen.’ Ik knikte naar Allen en Darling Mary, die ons allebei met enige verontrusting gadesloegen. ‘Ik moet nog het een en ander oplappen. Dus als u me wilt excuseren.’ Ik nam het nu kokende water van de oliekachel, liep ermee naar mijn slaaphokje, legde een wit kleedje over het gammele tafeltje dat daar stond, zette er een kom op, legde de instrumenten en medicijnen gereed die ik dacht nodig te hebben, ging toen terug naar Conrad en Mary Stuart in het hoofdverblijf. Evenals alle andere groepjes daar zaten ze haast fluisterend te praten - of iedereen dat nu deed uit een hang naar intimiteit dan wel omdat ze zich nog steeds in de nabijheid van de dood voelden, was iets dat ik niet zou kunnen zeggen. Het verbaasde me allerminst te zien dat Conrad nu ijverig bezig was haar andere hand te masseren, en aangezien dat haar linkerhand was, dus de hand die het verst van hem weg was, nam ik aan dat hij er niet om had hoeven te vechten. Ik zei: ‘Het spijt me dat ik deze eerste hulpverlening moet storen, maar ik wil onze jonge Allen een beetje oplappen. Ik vraag me af of Mary-lief even een oogje op Darling Mary wil houden?’ ‘Mary-lief?’ Conrad trok een vragende wenkbrauw op. ‘Om haar van Darling Mary te onderscheiden,’ legde ik uit. ‘Ik noem haar altijd zo als we alleen zijn tijdens onze lange nachtwake.’ Ze glimlachte flauwtjes, maar dat was haar enige reactie. ‘Mary-lief,’ zei Conrad waarderend, ‘leuke naam. Mag ik je ook zo noemen?’ ‘Ik weet het niet,’ zei ze quasi-ernstig, ‘misschien rust er copyright op.’ ‘Hij mag het licentierecht hebben,’ zei ik. ‘Ik kan het altijd weer herroepen. Waarover zaten jullie zo samenzweerderig te doen?’ ‘O, ja,’ zei Conrad, ‘graag uw mening, dokter. Die keisteen buiten, ik bedoel dat stuk rots waar Stryker mee is neergeslagen. Ik schat dat het ding ruim 30 kg weegt. Wat denkt u?’ ‘Hetzelfde.’ ‘Ik vroeg Mary hier of zij zo’n rotsblok boven haar hoofd zou kunnen tillen en ze zei doe niet zo belachelijk.’ ‘Tenzij ze een vermomd Olympisch kampioene gewichtheffen is, nou ja, ja, dat is belachelijk. Dat zou ze nooit kunnen.’ ‘Nou ja, kijk eens naar haar.’ Hij knikte naar de andere Mary. ‘Vel over been, gewoon vel over been. Hoe zou zij nu...’ ‘Laat Allen je niet horen.’ ‘Je weet best wat ik bedoel. Zo’n groot rotsblok. "Moordenares" noemde Judith Haynes haar. Nou ja, goed, ze was met de anderen daarbuiten om te zoeken, maar hoe ter wereld...’ ‘Ik geloof dat Judith Haynes aan iets anders dacht,’ zei ik. Ik liep bij hen weg, wenkte Allen, draaide me toen naar Smithy om die daar vlakbij zat. ‘Ik heb een operatie-assistent nodig. Voel je er iets voor?’ ‘Tuurlijk.’ Hij stond op. ‘Alles wat mijn gedachten maar even kan afleiden van kapitein Imrie en het rapport dat hij op dit moment vast en zeker over me zit te schrijven.’ Ik kon aan Allens gezicht niets doen wat de natuur niet beter zou kunnen doen, dus concentreerde ik me op de wond aan zijn achterhoofd. Ik verdoofde de plek, scheerde het haar weg en gaf Smithy een hoofdknik ten teken dat hij die wond eens even goed moest bekijken. Hij deed dit en zijn ogen werden een beetje groter maar hij zei niets. Ik bracht acht hechtingen aan en bedekte de wond met een pleister. Gedurende deze hele operatie hadden we geen woord gewisseld en Allen was zich hier klaarblijkelijk zeer goed van bewust. Hij zei: ‘U hebt niet veel tegen me te zeggen, is het wel, dokter Marlow.’ ‘Een goed vakman praat niet onder zijn werk.’ ‘U denkt gewoon hetzelfde wat alle anderen denken, is ‘t niet?’ ‘Ik weet het niet. Ik weet niet wat alle anderen denken. Ziezo, klaar. Als je nou je haar achterover kamt merkt niemand dat je voortijdig kaal bent.’ ‘Ja, dank u.’ Hij draaide zich om en keek me aan, aarzelde en vroeg: ‘Het ziet er behoorlijk somber voor me uit, is het niet?’ ‘Niet voor een dokter.’ ‘U - u bedoelt dat u niet gelooft dat ik het gedaan heb?’ ‘Het is geen kwestie van geloven. Het is een kwestie van weten. Hoor eens, alles bij elkaar heb je een nogal zware dag gehad, je bent meer van de kaart dan je wel beseft en als die verdoving uitwerkt zal je een beetje pijn gaan krijgen. Jouw slaapkamer is naast de mijne, niet?’ ‘Ja, maar.. .’ ‘Ga een paar uurtjes liggen.’ ‘Ja, maar. ..’ ‘En ik zal Mary naar je toesturen zodra ik met haar klaar ben.’ Hij wilde nog iets zeggen, knikte toen vermoeid en ging weg. Smithy zei: ‘Dat zag er lelijk uit. Dat achterhoofd van ‘m, bedoel ik. Moet een verdomd zware opdoffer zijn geweest.’ ‘Hij heeft geboft dat zijn schedel niet verbrijzeld is. Dubbel geboft dat hij niet eens een hersenschudding opliep.’ ‘Hm-mm.’ Smithy dacht even na. ‘Weet u, ik ben geen dokter en ik ben er niet erg goed in om de dingen onder woorden te brengen, maar werpt dit niet een heel ander licht op de zaak?’ ‘Ik ben wel dokter en dat doet het inderdaad.’ Hij dacht nog even verder na. ‘Vooral als je Stryker goed bekijkt?’ ‘Vooral dan.’ Ik bracht Mary Darling naar binnen. Ze was erg bleek, nog steeds een beetje angstig, en had iets van een verdwaald meisje, maar ze had zichzelf wel in bedwang. Ze keek naar Smithy, scheen iets te willen zeggen, aarzelde, bedacht zich en liet me doen wat ik maar doen kon. Ik reinigde de krabben, desinfecteerde ze, deed er zorgvuldig een paar pleisters op en zei: ‘Het zal gaan jeuken als de hel, maar als je de verleiding om de pleisters eraf te trekken kan weerstaan, hou je geen littekens over.’ ‘Dank u, dokter. Ik zal het proberen.’ Ze zag er erg bleekjes uit. ‘Zou ik u alstublieft even kunnen spreken?’ ‘Natuurlijk.’ Ze keek naar Smithy en ik zei: ‘Je kunt vrijuit praten. Ik beloof je dat het niet buiten deze kamer komt.’ ‘Ja, ja, dat weet ik, maar...’ ‘Meneer Gerran deelt daarbinnen gratis whisky uit,’ zei Smithy, en liep naar de deur. ‘Ik zou het mezelf nooit vergeven als ik een ervaring zou missen die je maar eens in een mensenleven kan meemaken.’ Ze had zich aan mijn beide revers vastgeklampt nog voor Smithy de deur helemaal achter zich had dichtgedaan. Haar gezicht toonde een heftige verontrusting, en er blonk een doffe ellende in haar ogen waardoor ik me terdege realiseerde hoeveel het haar gekost had om zich te beheersen zolang Smithy erbij was geweest. ‘Allen heeft het niet gedaan, dokter Marlow! Hij heeft het niet gedaan, ik weet dat hij het niet gedaan heeft, ik zweer dat hij het niet gedaan heeft. Ik weet dat alle schijn tegen hem is, die vechtpartij die ze vanmorgen hebben gehad en nu weer deze vechtpartij en die knoop in - in de hand van meneer Stryker en alles. Maar ik weet dat hij het niet heeft gedaan, hij heeft me gezegd dat hij het niet heeft gedaan. Allen zou niet kunnen liegen, niet tegen mij! En hij zou niemand kwaad kunnen doen, ik bedoel nooit iemand kunnen vermoorden, ik bedoel iemand kwaad kunnen doen, hij zou het gewoon niet kunnen! En ik - ik heb het ook niet gedaan.’ Ze klemde haar vuisten vast tot de knokkels aantoonden dat ze me nu zelfs, om de een of andere vreemde reden probeerde heen en weer te schudden, en de tranen rolden langs haar wangen; het beetje ervaring dat ze in haar korte leven had opgedaan had haar kennelijk niet voorbereid op momenten en situaties als deze. Ze schudde wanhopig haar hoofd. ‘Ik heb het niet gedaan, ik heb het niet gedaan! Moordenares, dat zei ze tegen me! In het bijzijn van iedereen noemde ze mij een moordenares. Ik zou echt niet iemand kunnen vermoorden, dokter Marlow, ik...’ ‘Mary.’ Ik smoorde haar hysterische woordenstroom door eenvoudig mijn vingers op haar lippen te leggen. ‘Ik betwijfel ernstig of jij ooit een vlieg zou kunnen doodmaken zonder daarna doodziek van gewetenswroeging te zijn. Jij en Allen samen - nou ja, als het nou een bijzonder akelige vlieg was dan zouden jullie het samen misschien kunnen klaarspelen. Maar dan nog zou ik er mijn hand niet voor in het vuur durven steken.’, Ze trok mijn hand weg en staarde me aan: ‘Dokter Marlow, bedoelt u....’ ‘Ik bedoel dat jij een dwaas gansje bent. Samen zijn jullie een mooi stel dwaze gansjes, ‘t Is niet alleen dat ik niet geloof dat Allen of jij iets met de dood van Stryker te maken hadden. Ik weet dat jullie er niets mee te maken hadden.’ Ze snotterde een beetje en toen zei ze: ‘U bent een vreselijk aardige man, dokter Marlow. Ik weet dat u probeert ons te helpen. ..’ ‘O, hou op,’ zei ik. ‘Ik kan het bewijzen.’ ‘Het bewijzen? Het bewijzen?’ Er blonk wat hoop in de droevige ogen, ze wist niet of ze me moest geloven of niet en toen scheen ze tot de slotsom te komen dat ze dat niet kon doen,want ze schudde weer haar hoofd en zei versuft: ‘Ze zei dat ik hem vermoord had.’ ‘Juffrouw Haynes bedoelde het figuurlijk,’ zei ik, ‘wat lang niet hetzelfde is, en zelfs daarmee had ze het mis. Wat ze bedoelde is dat jij de factor was die de dood van haar man in de hand heeft gewerkt, wat natuurlijk niet het geval was.’ ‘In de hand gewerkt?’ ‘Ja.’ Ik nam haar handen van mijn nu danig gekreukelde revers, hield ze in de mijne en keek haar op mijn beste vaderlijke manier aan. ‘Vertel me eens, Darling Mary, heb jij ooit met Michael Stryker in de maneschijn gescharreld?’ ‘Heb ik...’ ‘Mary!’ ‘Ja,’ zei ze triest. ‘Ik bedoel nee, nee, dat heb ik nooit gedaan.’ ‘Dat is heel duidelijk,’ zei ik. ‘Laten we het zo stellen. Heb je Judith Haynes ooit reden gegeven om te vermoeden dat je het gedaan had? Scharrelen, bedoel ik.’ ‘Ja.’ Ze snotterde weer. ‘Nee. Ik bedoel, hij wel.’ Ik bedwong de verblufte trek op mijn gezicht en keek haar bemoedigend aan. ‘Hij riep me in zijn hut, op de dag toen we uit Wiek wegvoeren. Hij was er alleen. Hij zei dat hij iets over de film met me wilde bespreken.’ ‘Da’s weer eens iets anders dan je een paar mooie tekeningen laten zien,’ zei ik. Ze keek me niet-begrijpend aan en ging verder: ‘Maar hij wou helemaal niet over de film praten. U moet me geloven, dokter Marlow. U moet me geloven!’ ‘Ik geloof je.’ ‘Hij deed de deur op slot en greep me beet en toen...’ ‘Spaar mijn onschuldige ziel de gruwelijke details. Toen de schurk bezig was je zijn onwelkome attenties op te dringen klonk buiten het gerikketik van vrouwelijke voetstappen in de gang, waarop de schurk snel een houding aannam alsof jij je onwelkome attenties aan hem opdrong, en toen de deur openging - en daar natuurlijk niemand anders stond dan zijn betere helft - stond hij daar de wellustige avances van het jonge meisje af te weren onder de kreet: "Nee, nee, meisje, beheers je, dit kan niet," of woorden van die strekking.’ ‘Min of meer.’ Ze zag er nog ellendiger uit dan ooit, en toen werden haar ogen opeens heel groot. ‘Hoe wist u dat?’ ‘De Strykers van deze wereld zijn tamelijk dik gezaaid. De daaropvolgende scène moet behoorlijk pijnlijk zijn geweest.’ ‘Er waren twee scènes,’ zei ze dof. ‘Iets dergelijks gebeurde de volgende avond op het bovendek. Ze zei dat ze zich bij haar vader - meneer Gerran - over me zou beklagen. Hij zei - niet toen zij erbij was natuurlijk - dat als ik probeerde moeilijkheden te maken hij ervoor zou zorgen dat ik ontslagen werd. Hij was een van de directeuren, weet u. Later, toen ik, nou ja, vriendschap met Allen had gesloten, zei hij dat hij ons allebei zou ontslaan en ervoor zou zorgen dat we geen van beiden ooit weer werk in de filmerij zouden krijgen. Allen zei dat dit helemaal niet kon. Dat we dit niet moesten accepteren terwijl we geen van beiden iets hadden gedaan, dus...’ ‘Dus Allen probeerde hem vanmorgen zijn dwalingen te doen inzien en werd als beloning voor zijn moeite afgetuigd. Maak je geen zorgen, jullie hoeven je geen van beiden ergens zorgen over te maken. Je vindt je gewonde ridder hiernaast, Mary.’ Ik glimlachte en streelde zachtjes de gezwollen wang. ‘Dit is de moeite van het bekijken waard. Liefdesdroom in pleisters. Je houdt van hem, is het niet, Mary?’ ‘Natuurlijk.’ Ze keek me ernstig aan. ‘Dokter Marlow.’ ‘Ik ben geweldig?’ Ze glimlachte, gelukkig bijna, en ging weg. Smithy, die op haar vertrek moest hebben zitten wachten, kwam bijna meteen binnen en ik vertelde hem wat er gezegd was. ‘Zoiets moest het natuurlijk wel zijn,’ zei hij. ‘De waarheid is altijd zonneklaar als je die pal voor je ziet en een paar dreunen op je kop je dwingen ernaar te kijken. En wat nu?’ ‘En nu, dacht ik zo, drie dingen. Allereerst moeten de namen van dat liefdespaar gezuiverd worden: op zichzelf is dat in dit stadium niet belangrijk, maar het zijn allebei gevoelige zielen en ik geloof dat ze graag weer normaal met de rest van het gezelschap zouden willen omgaan. Ten tweede, ik ben niet van plan hier 22 dagen als een gestrande schipbreukeling op dit eiland te blijven zitten - twee dagen hooguit: wie weet, misschien kan ik een of een paar onbekenden tot actie dwingen.’ ‘Ik zou zo denken dat we al actie genoeg hebben gehad,’ zei Smithy. ‘Daar zou je weleens gelijk in kunnen hebben. Ten derde, ik zou voor ons allebei het leven makkelijker en veiliger kunnen maken als we gedaan kregen dat iedereen het zo druk had met alle anderen in de gaten te houden dat het voor de boosdoener of boosdoeners heel wat moeilijker zou zijn om ons onverhoeds op de rug te springen.’ ‘Nou praat u naar mijn hart,’ zei Smithy. ‘Laten we uw plan meteen ten uitvoer brengen, zou ik zeggen. Een babbeltje met de hele vergadering.’ ‘Een babbeltje met de hele vergadering. Ik heb Allen aangeraden een paar uurtjes te gaan liggen, maar ik geloof dat hij en Mary erbij zouden moeten zijn. Zou jij even...?’ Smithy ging weg en ik liep de woonruimte binnen. Goin, Otto en de Graaf, allemaal net als de meeste andere aanwezigen met het glas in de hand, zaten nog steeds in ernstig en fluisterend conclaaf. Otto wenkte me naar zich toe. ‘Een ogenblikje,’ zei ik. Ik ging naar buiten, kuchte en hield mijn adem in toen de bitter koude lucht me in de longen sneed, tornde toen tegen de sneeuwstorm in naar de proviandbarak. Lonnie zat op een pakkist, liefkozend de amberkleurige inhoud van een glas bestuderend in het lichtschijnsel van zijn zaklantaarn. ‘Ha!’ zei hij. ‘Onze wonderdokter. Weet u, als je een nobele wijn als deze consumeert...’ ‘Wijn.’ ‘Bij wijze van spreken. Als je een nobele whisky als deze consumeert, ligt het genot voor de helft in de visuele voldoening. Ooit geprobeerd in het donker te drinken? Muf, verschaald, op een vreemde manier geuren smaakloos. Me dunkt, er is hier genoeg om een essay over te schrijven.’ Hij wuifde zijn glas in de richting van de kratten vol flessen tegen een muur. ‘Om nog eens terug te komen op mijn eerdere bespiegelingen over het hiernamaals, als er op Bereneiland bars kunnen zijn dan zullen er toch zeker.. .’ ‘Lonnie,’ zei ik, ‘je weet niet wat je mist. Otto is op dit ogenblik bezig met gulle hand nobele wijn uit te delen. In heel grote glazen.’ ‘Ik stond net op het punt om weg te gaan.’ Hij hield zijn hoofd achterover en dronk zijn glas snel leeg. ‘Ik zou het vreselijk vinden om voor een misantroop te worden aangezien.’ Ik bracht deze vriend van het mensenras terug naar het hoofdverblijf en telde de daar aanwezigen. 21, mezelf inbegrepen, en dat klopte: de 22ste en laatste, Judith Haynes, lag in diepe bewusteloze sluimering en dat zou nog wel enkele uren duren. Otto wenkte me opnieuw. ‘We hebben, zoals je dat zou kunnen noemen, krijgsraad gehouden,’ zei Otto gewichtig. ‘We zijn tot een conclusie gekomen en zouden graag uw opinie horen.’ ‘Waarom de mijne? Ik ben alleen maar personeel, net als alle anderen hier, behalve natuurlijk, u drieën - en juffrouw Haynes.’ ‘Beschouw uzelf als mededirecteur,’ zei de Graaf minzaam. ‘Tijdelijk en onbezoldigd, natuurlijk.’ ‘We hechten grote waarde aan uw opinie,’ zei Goin afgemeten. ‘Opinie waarover?’ ‘Over onze voorgenomen maatregelen ten aanzien van Allen,’ zei Otto. ‘Ik weet dat volgens de wet iedereen onschuldig wordt geacht tot het tegendeel is bewezen. We willen ook niet onmenselijk zijn, maar eenvoudig om onszelf te beschermen...’ ‘Daar wou ik het juist met u over hebben,’ zei ik, ‘over onszelf beschermen. Daar wou ik met iedereen over praten. In feite zou ik willen voorstellen daar nu meteen iets over te zeggen.’ ‘U stelt voor wat te doen?’ Otto kon, als hij dat wilde, zijn wenkbrauwen op een zeer gebiedende manier optrekken. ‘Ik wou iets zeggen, heel kort maar,’ zei ik. ‘Ik zal niet veel van uw tijd in beslag nemen.’ ‘Dat kan ik niet toestaan,’ zei Otto uit de hoogte. ‘Tenminste, niet tenzij u ons eerst enig idee geeft van wat u wilt zeggen, waarna we het al of niet zullen goedkeuren.’ ‘Uw goedkeuring of niet-goedkeuring doet niet ter zake,’ zei ik onverschillig. ‘Ik heb geen goedkeuring of toestemming nodig als ik iets wil zeggen dat van levensbelang zou kunnen zijn - u weet wel, het verschil tussen leven en sterven.’ ‘Ik verbied het u. Ik zou u willen herinneren aan wat u mij net in herinnering hebt gebracht.’ Otto was de noodzaak vergeten om vertrouwelijke zaken in samenzweerderig gefluister af te handelen en we hadden de onverdeelde aandacht van alle aanwezigen. ‘U behoort tot mijn personeel, meneer.’ ‘En ik zal nu mijn laatste daad verrichten als plichtsgetrouw personeelslid.’ Ik schonk mezelf een flink glas in van Otto’s whisky die, aangezien hij en verscheidene anderen ervan dronken, naar ik aannam zonder levensgevaar gedronken kon worden. ‘Op uw aller gezondheid,’ zei ik, ‘en dat bedoel ik niet luchthartig of in conventionele zin. We zullen, voor we dit eiland verlaten, deze heilwens allemaal hard nodig hebben, en laat elk van ons hopen dat hij of zij niet degene zal zijn die door het lot in de steek wordt gelaten. Wat mijn hoedanigheid als lid van uw personeel betreft, meneer Gerran, u kunt mijn ontslag als van onmiddellijke ingang beschouwen. Ik voel er niets voor om voor idioten te werken. Nog belangrijker, ik voel er niets voor om voor idioten te werken die ook nog schurken zijn.’ Dit had tenminste de uitwerking dat Otto de mond werd gesnoerd, want te oordelen naar de indigo tint op zijn gezicht scheen hij enige moeite met zijn ademhaling te hebben, de Graaf, zag ik, had een licht verwonderde uitdrukking op zijn gezicht, terwijl Goin het strakke gezicht had van iemand die zich van oordeel onthoudt. Ik zei: ‘Ik vertel, dat weet ik, niets nieuws als ik zeg dat deze reis van ons tot dusver uitermate ongelukkig is verlopen. Er heeft zich een reeks tragische en buitengewoon vreemde gebeurtenissen voorgedaan. Allereerst de dood van Antonio. Dit zou een droevig ongeluk kunnen zijn geweest: het kon ook heel goed zijn dat hij het slachtoffer was van een moord met voorbedachten rade of van een ongelukkige moordpoging die tegen iemand anders was gericht. Precies hetzelfde kan worden gezegd van de twee hofmeesters, Moxen en Scott. Gelijksoortige pogingen kunnen al of niet gericht zijn geweest tegen meneer Gerran, meneer Smith, Oakley en de jonge Cecil hier: het enige wat ik met zekerheid kan zeggen is dat als ik niet het geluk had gehad in de buurt te zijn toen ze ziek werden er van deze vier minstens nog drie zouden zijn gestorven. U vraagt zich misschien af waarom ik zo’n ophef maak over wat een eenvoudige, zij het dan dodelijke massavoedselvergiftiging zou kunnen zijn geweest: mijn antwoord hierop is dat ik reden heb om te geloven, zonder het overigens te kunnen bewijzen, dat een dodelijk vergif dat aconitine heet en voorkomt in een bepaalde knolplant die niet van knolselderij is te onderscheiden, op bepaalde momenten aan het avondmaal is toegevoegd dat we hadden kort voordat die mensen ziek werden.’ Ik keek rond om te zien of ik de aandacht van alle aanwezigen had en die had ik: ze waren zo verbluft dat ze niet eens het benul hadden om elkaar aan te zien; Otto’s vloeibare vrijgevigheid was volslagen vergeten, en ze hadden alleen maar ogen voor mij, alleen maar oren voor wat ik zei, en de gemiddelde hoogleraar zou het een paradijselijke droom hebben gevonden - maar de gemiddelde hoogleraar had dan ook zelden het twijfelachtige geluk zijn gehoor op een zo fascinerend onderwerp te trakteren als ik hier kon doen. ‘En toen kregen we de mysterieuze verdwijning van Halliday. Ik ben ervan overtuigd dat de oorzaak van zijn dood twijfelloos zou kunnen worden vastgesteld als er sectie kon worden verricht, maar aangezien ik er al evenzeer van overtuigd ben dat de ongelukkige Halliday ergens op de bodem van de Barentsz Zee ligt, zal dit nooit mogelijk kunnen zijn. Maar ik geloof - en ook dit is alleen maar veronderstelling - dat hij niet aan enige vorm van voedselvergiftiging stierf maar aan ‘n slaapmutsje uit een fles vergiftigde whisky dat voor mij bestemd was.’ Ik keek naar Mary Stuart: wijd open ogen en vaneen wijkende lippen in een wit geschokt gezicht, maar ik was de enige die het zag. Ik trok de kraag van mijn duffelse jekker omlaag en liet hun de indrukwekkend grote veelkleurige buil aan de linkerkant van mijn nek zien. ‘Dit zou ik natuurlijk zelf gedaan kunnen hebben. Of misschien ben ik gewoon uitgegleden en heb me gestoten. Of neem nu die vreemde geschiedenis van de in puin geramde radio. Iemand met een afkeer van radio’s, misschien, en van dergelijke uiterlijke manifestaties van wat we zo graag de vooruitgang noemen, of iemand voor wie het poolgebied gewoon teveel werd en zich ergens op moest afreageren - u weet wel, het equivalent van amok maken in de tropen. Tot dusver allemaal niets dan veronderstelling. Een uitzonderlijke en nog uitzonderlijker onsamenhangende reeks gewelddadige en tragische gebeurtenissen dus en nu zouden we kunnen zeggen: toeval is een aanvaard aspect van het leven. Jawel, maar toch zeker geen tot in de nde graad vermenigvuldigd toeval als dit; dat zal wel aan het uiterste randje van de waarschijnlijkheidsgrens liggen. Ik geloof wel dat u allemaal zou erkennen, dat als we het bestaan zouden kunnen bewijzen, buiten iedere twijfel, van een zorgvuldig overwogen en zorgvuldig uitgevoerde misdaad, de overige gewelddadige gebeurtenissen niet meer mogen worden beschouwd als veronderstelde toevalligheden maar gezien moeten worden als wat ze dan zouden zijn: welbewust uitgevoerde moorden bij het nastreven van een of ander oogmerk waar we nu nog niet eens naar kunnen gissen, maar dat van overweldigend belang moet zijn.’ Ze erkenden niets, of in ieder geval, als ze in zichzelf wel iets erkenden dan zeiden ze het niet hardop, maar ik geloof eerder dat in dit geval een brein domweg had opgehouden te functioneren, niet ieder brein, er moest een uitzondering zijn, wellicht meer dan een. ‘En dan hebben we deze ene bewezen misdaad,’ vervolgde ik. ‘De nogal stuntelig uitgevoerde moord op Michael Stryker die tegelijkertijd een poging was, en niet eens zo’n erg handige poging, om de jeugdige Allen hier te laten opdraaien voor iets dat hij nooit heeft gedaan. Ik geloof niet dat de moordenaar nu speciaal Allen een kwaad hart toedroeg, in ieder geval niet meer dan hij de mensheid in het algemeen een kwaad hart schijnt toe te dragen: hij wilde gewoon iedere eventuele verdenking van zichzelf afleiden. Ik geloof dat als u allemaal voldoende tijd zou hebben gehad om erover na te denken, u ten slotte allemaal tot de slotsom zou zijn gekomen dat Allen hier onmogelijk iets mee te maken kon hebben gehad: met een dokter in de zaal, als u me de uitdrukking wilt vergeven, had hij geen schijn van kans. Allen zegt dat hij zich niets meer kan herinneren van wat er gebeurd is. Ik geloof hem absoluut. Hij heeft een zware klap op het achterhoofd gehad - de schedel ligt tot op het bot open. Dat hij geen schedelbasisfractuur, zelfs geen hersenschudding heeft opgelopen, is mij volslagen onbegrijpelijk. In ieder geval moet die dreun hem een aanzienlijk tijdje bewusteloos hebben gemaakt. Wat ons tot de veronderstelling brengt dat zijn aanvaller na deze coup de grace nog in voortreffelijke vorm was. Moeten we dan aannemen dat Allen, na buiten westen geslagen te zijn, onmiddellijk opsprong en zijn aanvaller doodsloeg? Daar klopt helemaal niets van. Wat wel kan kloppen, en wat dan ook als de oplossing van het raadsel moet worden gezien, is dat de onbekende van achteren op Allen toesloop en hem uitschakelde, niet met zijn handen, maar met een of ander zwaar en massief voorwerp - vermoedelijk een steen, er liggen er daar genoeg. Na deze daad takelde hij het gezicht van de bewusteloze Allen flink toe, scheurde zijn jas en rukte er een paar knopen af - dat alles om de zeer overtuigende indruk te wekken dat hij gevochten had. Hetzelfde, maar deze keer op dodelijke schaal, gebeurde met Stryker. Ik ben ervan overtuigd dat het niet per ongeluk was dat Allen alleen maar bewusteloos werd geslagen terwijl Stryker werd gedood - onze vriend, die nogal een expert in dergelijke zaken moet zijn, wist precies met hoeveel kracht hij in beide gevallen moest toeslaan, iets dat bij lange na niet zo makkelijk is als u misschien wel zou denken. Vervolgens toog dit monster, in een stomme poging om de indruk te wekken dat Stryker de tegenpartij in het gevecht was geweest, aan het werk om Strykers gezicht net zo toe te takelen als hij het al bij Allen gedaan had: ik laat het aan u over om de boosaardigheid te beoordelen van een man die in staat is om weloverwogen het gezicht van een dode te verminken.’ Ik liet ze hier even over nadenken. De meeste gezichten vertoonden geen afkeer of walging: hun reacties getuigden hoofdzakelijk van verbijstering, er werden geen blikken gewisseld, geen ogen afgewend: hun ogen waren alleen op mij gericht. ‘Stryker had een gescheurde bovenlip, miste een tand, en had een roodachtige blauwe plek op zijn slaap die volgens mij ook door een steen moest zijn veroorzaakt - zeer waarschijnlijk werden alle wonden op deze manier toegebracht om verraderlijke beschadiging van handen of knokkels te voorkomen. Als deze verwondingen in de loop van een gevecht waren opgelopen, zou het slachtoffer zwaar hebben gebloed en vol blauwe plekken hebben gezeten: daar was in dit geval niets van te zien omdat Stryker al dood was en de bloedsomloop tot stilstand was gekomen voordat die wonden werden toegebracht. Bij wijze van naar hij meende hoogst overtuigend sloteffect sloot de moordenaar vervolgens de hand van de dode man om een van de van Allens jas afgerukte knopen. Overigens was er niets te zien van de omgewoelde sneeuw die je toch zou verwachten op een plek waar gevochten is: er waren twee voetsporen die naar de plek voerden waar Stryker lag, een voetspoor dat bij hem vandaan voerde. Geen opwinding, geen verwarring, alleen maar snel, zij het niet erg fraai werk.’ Ik nam nog een teugje van Otto’s whisky - het moest drank uit zijn eigen privé-voorraad zijn want het was voortreffelijk spul - en vroeg toen als een volleerde lector: ‘Zijn er nog vragen?’ Die waren er natuurlijk niet. Het was duidelijk dat ze het allemaal veel te druk hadden zichzelf allerlei dingen af te vragen om nog tijd te hebben mij een vraag te stellen. Ik ging verder: ‘Ik geloof dat u het dus wel met me eens zult zijn dat het nu uitermate onwaarschijnlijk moet worden geacht dat die vier eerdere sterfgevallen een gevolg van onschuldig toeval waren. Ik geloof dat alleen iemand die uitermate onnozel en uitermate naïef is nog zou kunnen geloven dat die sterfgevallen geen verband met elkaar hadden en niet het werk van dezelfde dader waren. Met andere woorden, we hebben een massamoordenaar in ons midden. Een man die ofwel krankzinnig is, een pathologische moordenaar, of een boosaardig of ontaard monster dat met klaarblijkelijke willekeur links en rechts moord om god weet welk doel te bereiken. Het is ook nog mogelijk dat al deze drie typen moordenaars in een en dezelfde man verenigd zijn. Maar wat hij ook is of wie hij ook is, hij bevindt zich nu hier in deze kamer. Ik vraag me af wie van u allen het is?’ Voor het eerst lieten hun ogen mij los en keken ze elkaar snel en vluchtig aan als in de belachelijke hoop dat ze op deze wijze de identiteit van de moordenaar zouden kunnen ontdekken. Geen van allen bestudeerden ze elkaar zo scherp als ik hen over de rand van mijn glas gadesloeg. Als er een paar ogen op de mijne gericht bleef zou dat alleen maar kunnen zijn omdat de eigenaar van dat paar ogen wist wie de moordenaar was en niet de moeite hoefde te nemen om rond te kijken, maar ik wist, al rondkijkend, dat ik geen werkelijke grond voor dat sprankje hoop had, want de moordenaar mocht dan geen groot licht op het gebied van de fysiologie zijn geweest, hij was beslist veel te sluw om in een voor een intelligente man met vijf doden op zijn geweten zeer voor de hand liggende val te lopen. Ik was er zeker van dat er geen enkel paar ogen daar voor me was dat niet heimelijk de kamer rondkeek. Ik wachtte geduldig tot ik aller aandacht weer had. ‘Ik heb er geen idee van wie deze moordzuchtige vriend zou kunnen zijn,’ zei ik, ‘maar ik geloof wel met zekerheid te kunnen zeggen wie het niet is. Met de afwezige juffrouw Haynes mee zijn we met ons tweeëntwintigen in dit huis: voor negen van ons zie ik geen enkele mogelijkheid van verdenking.’ ‘Grote god!’ mompelde Goin. ‘Genadige god! Dit is monsterachtig, dokter Marlow, ongelooflijk. Een van ons hier, een van de mensen die we kennen, een van onze vrienden heeft het bloed van vijf mensen aan zijn handen? Het kan niet waar zijn! Het kan gewoon niet waar zijn!’ ‘Behalve dat u weet dat het waar moet zijn,’ zei ik. Goin gaf geen antwoord. ‘Om te beginnen, ikzelf sta buiten verdenking, niet omdat ik wéét dat ik buiten verdenking sta - dat zouden we allemaal kunnen beweren - maar omdat er twee vijandelijke daden tegen mijn persoontje gepleegd zijn, waarvan er een met dodelijke bedoelingen. Verder was ik bezig meneer Smith hier binnen te brengen toen Stryker vermoord en Allen gewond werd.’ Dit laatste was de waarheid maar niet de hele waarheid, maar alleen de moordenaar zelf zou dat weten en aangezien hij het toch al op me voorzien had was zijn opinie onbelangrijk omdat hij die onmogelijk kon uitspreken. ‘Meneer Smith staat buiten verdenking omdat hij niet alleen op het ogenblik van de moord bewusteloos was, maar ook omdat hij bijna aan de activiteiten van de gifmenger bezweken was en het nauwelijks waarschijnlijk is dat hij zichzelf zou hebben vergiftigd.’ ‘Dat pleit dan mij ook vrij, dokter Marlow!’ Het was de gebarsten falsetstem van de Hertog, schor van opwinding. ‘Ik was het niet, ik kon nooit. ..’ ‘Inderdaad, Cecil, jij was het niet. Afgezien van het feit dat jij ook slachtoffer van de vergiftiging was, geloof ik niet - nou ja, ik wil je niet kleineren, maar het lijkt me wel heel onwaarschijnlijk dat jij dat rotsblok zou hebben kunnen optillen dat gebruikt werd om Stryker te vermoorden. Meneer Gerran staat ook boven verdenking: niet alleen werd hij vergiftigd maar hij was hier in deze kamer op het moment van Strykers dood. Allen, dat heb ik u al uiteengezet, kon er niets mee van doen hebben gehad en evenmin meneer Goin hier, al zult u dat dan op mijn woord móeten aannemen.’ ‘Wat betekent dat, dokter Marlow?’ Goin vroeg het met vaste stem. ‘Toen u het lijk van Stryker zag werd u zo wit als de spreekwoordelijke doek. Mensen kunnen allerlei dingen met hun lichaam doen, maar ze kunnen niet naar believen de bloedstroom door de opperhuid aan- of uitschakelen. Als u voorbereid was geweest op wat u te zien zou krijgen, zou u niet bleek zijn geworden. Dat werd u wel. Dus u was er niet op voorbereid. Onze twee Mary’s hier zullen we moeten uitschakelen omdat het voor allebei de meisjes fysiek onmogelijk zou zijn geweest om Stryker met dat rotsblok te hebben aangevallen. En juffrouw Haynes komt vanzelfsprekend helemaal niet in aanmerking. Zodat er, als ik goed geteld heb, in totaal dertien potentiële verdachten overblijven.’ Ik keek de kamer rond en telde. ‘Dat klopt. Dertien. Laten we hopen dat het voor een van u wat je noemt een ongeluksgetal wordt.’ ‘Dokter Marlow,’ zei Goin. ‘Ik geloof dat u zou moeten overwegen uw ontslag in te trekken.’ ‘Dat doe ik dan bij deze. Ik begon me toch al af te vragen wat ik eigenlijk voor de kost zou moeten doen.’ Ik keek naar mijn nu lege glas, toen naar Otto. ‘Nu ik weer terug ben van weggeweest, om zo te zeggen, zou ik zo vrij mogen zijn...’ ‘Natuurlijk, natuurlijk.’ Otto, die er verslagen uitzag, liet zich zwaar op een gelukkig stevige kruk vallen en voor zover het voor een dikke zware kerel mogelijk was om er als een lekgeprikte ballon uit te zien, zag hij er als een lekgeprikte ballon uit. ‘Lieve god, dit is afschuwelijk. Een van ons hier is een moordenaar. Een van ons hier heeft vijf mensen vermoord!’ Hij rilde, hoewel de temperatuur inmiddels tot flink boven het vriespunt gestegen was. ‘Vijf mensen. Dood. En de man die het gedaan heeft, is hier!’ Ik stak een sigaret op, nam nog een slokje van Otto’s whisky en wachtte op een paar verdere bijdragen aan de conversatie. Buiten was de wind in kracht toegenomen en liet nu een hoog en naargeestig geloei horen waar je akelig van werd, een kreunend geloei dat bij tussenpozen bij het aanzwellen en afnemen van de windvlagen opliep tot een griezelig en spookachtig geluid: iedereen scheen er naar te luisteren, gespannen naar te luisteren, een ijselijk toepasselijke litanie voor de angst en het afgrijzen die zich van hen meester maakten, een passend requiem voor de dode Stryker. Er verstreek een hele minuut en niemand zei iets, zodat ik ten slotte de conversatielast maar weer op me nam. ‘Het zal u niet zijn ontgaan wat dit allemaal impliceert,’ zei ik. ‘Tenminste niet, als u net zoveel tijd hebt gehad om erover na te denken als ik. Stryker is dood - en er zijn nog vier doden. Wie zou deze mensen dood willen hebben? Waarom moesten ze dood? Zit er een reden, een doel achter die moorden? Hebben we een psychopathische moordenaar in ons midden? Heeft hij er iets mee op het oog, is het doel bereikt? Zo niet -of als de moordenaar een psychopaat is - wie van ons wordt dan zijn volgende slachtoffer? Wie wordt er vannacht vermoord? Wie gaat vanavond naar zijn slaapverblijf in de wetenschap dat iemand, een krankzinnige moordenaar misschien, ieder ogenblik kan binnenkomen - of misschien zijn eigen kamergenoot met een mes of een wurgend kussen op zijn terugkomst zit te wachten? Ik zou zelfs denken dat de mogelijkheid van een hutgenoot misschien wel het allerwaarschijnlijkst is - want wie zou zoiets voor de hand liggends doen? Behalve, natuurlijk, een krankzinnige. Dus staan we allemaal, om zo te zeggen, voor een slapeloze nacht. Misschien kunnen we het allemaal één nacht volhouden. Maar 22 nachten - kunnen we dat 22 nachten volhouden? Is er iemand van ons hier die er zeker van kan zijn dat hij nog in leven zal zijn als de Morning Rose terugkomt?’ Uit de gezichten en de doodse stilte die deze laatste vraag begroetten leek duidelijk dat niemand bereid was een dergelijke zekerheid uit te spreken. Toen ik er zelf wat dieper over nadacht, in plaats van alleen maar die anderen te vragen dat te doen, realiseerde ik me dat de vraag over het voortbestaan veel meer en veel sterker op mijzelf van toepassing was dan op de anderen, want als de moordenaar geen psychopaat was die willekeurig toesloeg al naar het hem inviel, maar een ijskoude en berekenende moordenaar was met één bepaald doel voor ogen, dan was ik ervan overtuigd dat ik als eerste op zijn lijstje stond. Ik geloofde geen moment dat enige poging om mij uit de weg te ruimen zou worden ondernomen als onderdeel van de vooraf weloverwogen plannen van de moordenaar, maar uitsluitend omdat ik een bedreiging voor die plannen vormde. ‘En hoe gaan we ons van nu af aan gedragen?’ vroeg ik. ‘Vallen we nu uiteen in twee groepen, de negen erkend onschuldigen die met een wijde boog en blikken vol argwaan om de dertien potentieel schuldigen heenlopen ook al zal dit iets vreselijks zijn voor, laten we zeggen, twaalf van die dertien? Zullen we als water en olie zijn, hardnekkig weigerend ons te vermengen? En dan uw filmplannen voor morgen. Meneer Gerran en de Graaf, geloof ik, gaan morgen de rotsen op, een onschuldige en potentiële slechterik - zal meneer Gerran ervoor zorgen dat hij in ieder geval nog een onschuldige bij zich heeft om het oog te houden op wat er achter hem gebeurt? Heissman gaat met de werkboot op verkenning uit naar mogelijke locaties langs de Sor-hamna en misschien nog een beetje verder zuidelijk. Ik meen dat Jungbeck en Hayter hier hebben aangeboden met hem mee te gaan. Drie mensen dus van de groep wier onschuld niet is bewezen. Is er ook maar één wit schaap bereid om met een boze wolf mee te gaan die misschien terugkomt met de droevige mededeling dat het arme schaap over de rand van een rotswand is getuimeld en dat de arme kerel ondanks heldhaftige reddingspogingen ellendig is omgekomen? En die prachtige rotswanden aan het zuiden van het eiland - één klein duwtje op het juiste moment, één handig voetbeweginkje - nou ja, 480 meter is een behoorlijke val, vooral als je bedenkt dat het een loodrechte val is. Een verbijsterend en moeilijk probleem heren?’ ‘Dit is belachelijk,’ zei Otto luid, ‘absoluut belachelijk.’ ‘Is dat zo?’ vroeg ik. ‘Jammer dat we Strykers mening daar niet over kunnen vragen. Of de meningen van Antonio, Halliday, Moxen en Scott. Als uw bleke geest toekijkt, meneer Gerran, terwijl u door een gat in de bevroren sneeuw omlaag wordt geduwd - denkt u dat u het dan nog steeds belachelijk zal vinden?’ Otto huiverde en strekte zijn hand uit naar de fles. ‘Wat moeten we in godsnaam doen?’ ‘Geen idee,’ zei ik. ‘U hebt gehoord wat ik daarnet tegen meneer Goin zei. Ik ben weer teruggekeerd tot de positie van werknemer, ik heb niet mijn hele vermogen in deze film gestoken zoals ik meneer Goin tegen kapitein Imrie hoorde zeggen dat u gedaan had. Ik ben bang dat dit een beslissing is die op directieniveau zal moeten worden genomen - nou ja, door de drie directeuren die nog tot het nemen van beslissingen in staat zijn.’ ‘Zou onze werknemer zo vriendelijk willen zijn ons te zeggen wat hij bedoelt?’ Goin probeerde te glimlachen maar het lachje kwam niet van harte. ‘Wilt u al uw scènes hier op het eiland nog gaan filmen of wilt u dat niet? De beslissing is aan u. Als we allemaal permanent hier in dit huis blijven, met doorlopend minstens zes mensen die wakker zijn, kijkend met al hun ogen en luisterend met al hun oren, dan is er een redelijke kans dat we allemaal nog betrekkelijk gezond zijn tegen de tijd dat de 22 dagen om zijn. Aan de andere kant betekent dat natuurlijk dat u geen meter kunt filmen en al uw geïnvesteerde geld kwijt bent. Het is een probleem waar ikzelf niet graag voor zou staan. Uitstekende whisky die u hier hebt, meneer Gerran.’ ‘Ik zie dat het u smaakt.’ Otto zou graag een scherpe klank in zijn stem hebben gelegd, maar hij kwam niet verder dan een klank van bezorgdheid. ‘Nou niet zo krenterig doen.’ Ik schonk mezelf nog eens in. ‘Dit zijn ogenblikken waarin iemands ziel op de proef wordt gesteld.’ Ik luisterde eigenlijk niet naar Otto. Ik luisterde nauwelijks naar mezelf. Al een keer eerder sinds ons vertrek uit Wiek, toen de Graaf iets gezegd had over te veel gegeten knolselderij, hadden bepaalde woorden het effect gehad van het aansteken van de lont van een voetzoeker: er flitste een opeenvolging van gedachten los die achter elkaar te voorschijn rolden in een zo snel tempo dat mijn brein ze haast niet kon registreren, en nu was hetzelfde opnieuw gebeurd, alleen waren de woorden deze keer ontketend door iets wat ikzelf gezegd had. Ik werd me ervan bewust dat de Graaf iets zei, vermoedelijk tegen mij. Ik zei: ‘Neem me niet kwalijk, zat een beetje in gedachten.’ ‘Dat zie ik.’ De Graaf keek me peinzend aan. ‘Het is allemaal heel mooi om alle verantwoordelijkheid af te wentelen, maar wat zou u doen?’ Hij glimlachte. ‘Als ik u opnieuw als tijdelijk en onbezoldigd directeur zou engageren?’ ‘Da’s makkelijk,’ zei ik, en het antwoord kwam vlot - als resultaat van mijn gedachtegang van de laatste 30 seconden. ‘Ik zou goed opletten wat er achter mijn rug gebeurt en doorgaan met die rotfilm.’ ‘Precies.’ Otto knikte, en hij, de Graaf en Goin keken elkaar met klaarblijkelijke voldoening aan. ‘Maar nu, op dit moment, wat zou u doen?’ ‘Wanneer gaan we eten?’ ‘Eten?’ Otto knipperde met zijn ogen. ‘O, tegen achten, zou ik zo zeggen.’ ‘En nu is het vijf uur. Dus nog drie uur. Mooie tijd om een tukje te gaan doen. En ik zou niemand adviseren naar me toe te komen, voor een aspirientje of met een mes in de hand, want ik voel me echt erg zenuwachtig.’ Smithy schraapte zijn keel. ‘Zou ik worden neergeslagen als ik nu om een aspirientje vroeg of om iets sterkers om in slaap te komen? Ik heb een gevoel alsof m’n kop op een slagershakblok heeft gelegen.’ ‘Ik kan zorgen dat je binnen tien minuten slaapt. Maar bedenk wel, als je dan wakker wordt, zul je je nog een verdomd stuk beroerder voelen.’ ‘Onmogelijk. Dus ik waag het erop. Ik loop wel even met u mee.’ Eenmaal binnen mijn slaaphokje omklemde ik de handgreep van het kleine vierkante van dubbele glasruiten voorziene raam en maakte het met enige moeite open. ‘Kan je dat met jouw raam ook doen?’ ‘Wat dacht u? Geen bedden toegewezen voor ongenode gasten.’ ‘Des te beter. Haal maar een veldbed, en zet het hier neer. Je kan er een uit de kamer van Judith Haynes lenen.’ ‘Natuurlijk,’ zei hij, ‘daar is er een over.’