8
De noordwestelijke hoek van de baai van Sor-hamma, waar de Morning Rose ten slotte had aangelegd, lag hemelsbreed precies vijf kilometer pal ten noordoosten van de zuidelijkste punt van Bereneiland. De baai zelf, U-vormig en open naar het zuiden, was op de oost-west-as ruim een km breed en van noord naar zuid bijna anderhalve kilometer lang. De oostelijke arm van de haven vormde geen ononderbroken geheel: een klein schiereiland ter lengte van misschien 300 meter werd gevolgd door een ongeveer 200 meter breed, met grotere en kleinere eilandjes bezaaid, stuk open water, waarna zich het veel grotere eiland Makehl, van oost naar west heel smal, zich bijna een kilometer lang uitstrekte tot het zuidelijkste punt, Kapp Roalkvam. Het land was in het noorden en oosten vrij vlak, maar liep naar het oosten tamelijk steil op, zij het nergens hoger dan een kleine heuvel van ongeveer 120 meter hoog halverwege de zijkant van de baai. Hier waren geen hoog optorenende rotswanden zoals de Hamberg Fjell- of de Vogel Fjell-ketens in het zuiden; maar aan de andere kant was hier het hele gebied onder sneeuw bedekt, dikke lagen sneeuw op de noordelijke hellingen en dalingen waar de bleke laagstaande zomerzon en de jagende winden ze onberoerd hadden gelaten. De Sor-hamma was niet alleen de beste, maar vrijwel de enige redelijke ankerplaats op Bereneiland. Als de wind uit het westen blies, bood deze baai de daar schuilende vaartuigen volmaakte bescherming, een bescherming die bij noordelijke wind nauwelijks iets minder was. Ook tegen oostelijke winden, maar dat hing af van de kracht en de precieze richting, bood de baai een redelijke dekking - het gat tussen Kapp Heer en Makehl was hier de beslissende factor, en als de wind uit deze hoek kwam en de nood het hoogst, kon een schip altijd de luwte opzoeken van het eiland Makehl: maar als de wind uit het zuiden blies was een schip volledig overgeleverd aan de genade of ongenade van de Barentsz Zee. En dit was de reden waarom aan boord van de Morning Rose het lossen gepaard ging met een aanvankelijk koortsachtige maar steeds meer aan paniek grenzende activiteit. Bij onze nadering van de Sor-hamma was de wind, die de afgelopen 36 uur langzaam was gaan draaien, met plotselinge en verontrustende snelheid van richting veranderd en kwam tegen de tijd dat we hadden vastgemaakt pal uit het oosten. Nu was de wind een paar graden zuid ten oosten, en nam snel in kracht toe, en de Morning Rose begon de uitwerking daarvan te voelen: de wind behoefde nog maar een paar knopen in kracht toe te nemen of nog een paar graden om te lopen en de positie van de treiler zou onhoudbaar worden. Voor anker zou de Morning Rose de dreigende klap gemakkelijk hebben kunnen afwachten, maar de moeilijkheid was dat de Morning Rose niet voor anker lag. Ze lag vastgemeerd langs een afbrokkelende kalkstenen kade - staal of houtconstructies zouden het in deze stormachtige en barre wateren niet lang hebben uitgehouden - die omstreeks de eeuwwisseling door Lerner en de Deutsche Seefischerei-Verein daar was aangelegd en vervolgens door de expeditie die daar tijdens het Internationale Geofysische Jaar haar basis had ingericht, verbeterd was - als men dat zo mocht noemen. De steiger, die haast overal elders op het noordelijk halfrond zou zijn afgekeurd en voor publiek gebruik verboden, was oorspronkelijk T-vormig geweest, maar de linkerarm van de T was nu vrijwel verdwenen terwijl het middenstuk dat naar de wal leidde aan de zuidelijke kant danig was weggevreten. De Morning Rose begon nu met toenemende kracht tegen deze gevaarlijk vervallen constructie te beuken toen de zuidoostelijke deining haar aan stuurboord begon op te duwen en het stootkusseneffect van de vurenhouten blokken en autobanden langs de kade in toenemende mate illusoir werd. Het geschok en gebonk waarmee de treiler zwaar en herhaaldelijk tegen de steiger sloeg waren voldoende om de aan dek werkende mannen te dwingen zich wankelend vast te grijpen aan alles wat ze maar als steun konden vinden. Het was moeilijk te zeggen wat de uitwerking van dit alles op de Morning Rose zelf was, want afgezien van wat krassen en deuken aan de rompplaten was er niets te zien, maar treilers zijn legendarisch taai en het was onwaarschijnlijk dat ze erg veel schade zou oplopen: maar wat wel veel schade opliep, en zeer zichtbaar bovendien, was de steiger zelf, want er begonnen steeds grotere brokken metselwerk met ontstellende regelmaat in de Sor-hamma te tuimelen, en aangezien het grootste deel van onze brandstofvoorraad, proviand en uitrusting daar nog stond, was het vooruitzicht dat de steiger ogenschijnlijk ieder ogenblik in zee zou kunnen storten niet iets om in alle gemoedsrust onder ogen te zien. Zodra we kort voor het middaguur langszij waren gekomen, was het lossen met grote spoed aangepakt en vlot verlopen, behalve het van boord brengen van de nijdig grommende honden van Judith Haynes. Nog voordat we vastlagen had de achterlaadboom de grote werkboot op het water gezet en drie minuten later was er een slechts iets kleinere boot met een buitenboordmotor gevolgd: deze boten zouden bij ons blijven. Binnen tien minuten had de speciaal versterkte voorlaadboom het vreemd gevormde - om een vlakke onderzijde te verkrijgen overlangs gehalveerde - model van het duikbootmiddenstuk overboord getild en zachtjes in het water laten zakken, waar het gevaarte zonder twijfel dank zij de vier ton ballast aan gietijzer volkomen stabiel bleef drijven. De narigheid begon pas toen het model van de commandotoren in de juiste positie werd neergelaten om op het middenstuk van de duikboot te worden vastgeschroefd. De zaak paste gewoon niet. Goin, Heissman en Stryker, de enige drie die de oorspronkelijke proefneming hadden bijgewoond, zeiden dat de zaak toen volmaakt paste: de zaak paste nu zeer duidelijk allerminst volmaakt. De commandotoren, elliptisch van vorm, was zo geconstrueerd dat hij precies over een tien centimeter hoge opstaande rand midden op het rompstuk paste, maar dat lukte gewoon niet: het bleek dat de onderrand van de commandotoren op een bepaald punt minstens een centimeter verbogen was, een feit dat vrijwel zeker een gevolg was van het gestamp van ons schip tijdens de reis: slechts één onvoldoende strak getrokken sjorring kon die microscopisch kleine vrijheid van verticale beweging hebben toegelaten waardoor die kleine ontwrichting kon zijn ontstaan. De oplossing was eenvoudig - de ontwrichte rand gewoon weer in de juiste vorm hameren - en op een werf met vakbekwame plaatwerkers ter beschikking zou dit waarschijnlijk niet meer dan een kwestie van luttele minuten zijn geweest: maar we hadden noch de technische faciliteiten noch de vakbekwame werklieden ter beschikking en de minuten waren nu al tot uren uitgelopen. Ettelijke malen had de voorlaadboom de onwillige commandotoren op de flens laten zakken, en ettelijke malen was hij weer opgehesen en moeizaam met hamers bewerkt. Verscheidene malen scheen de zaak opeens perfect te passen, alleen kwam men dan telkens weer tot de ontdekking dat de ontwrichting zich op geheimzinnige en plagerige wijze een paar centimeter verder langs de rand had verplaatst. Bovendien werd nu, ondanks het feit dat het duikbootdeel in de flinke luwte van zowel pier als schip lag, het probleem bepaald niet vergemakkelijkt door de kleine golven die rond de boeg van de Morning Rose begonnen te kruipen en het schip aan het schommelen brachten, aanvankelijk zachtjes, maar met steeds meer toenemende kracht, zodat het op elkaar passen van beide constructiedelen al evenzeer afhankelijk werd van het goed gekozen moment als van het hamerwerk. Kapitein Imrie was niet over zijn zenuwen heen van kopzorg, om de eenvoudige reden dat het niet in zijn aard lag om zich door iets over zijn zenuwen heen te laten brengen, maar hoezeer hij zich zorgen maakte bleek duidelijk genoeg uit het feit dat hij niet alleen de lunch had overgeslagen maar sinds onze aankomst in de Sor-hamma zijn krachten zowaar niet eens geschraagd had met iets sterkers dan koffie. Zijn voornaamste zorg, afgezien van het welzijn van de Morning Rose - zijn passagiers konden hem kennelijk geen donder schelen - was het van boord zetten van de resterende deklading omdat, zoals Otto hem nogal onnodig en onaangenaam in herinnering had gebracht, het tot zijn contractuele verplichtingen behoorde om alle passagiers en lading aan land te zetten alvorens naar Hammerfest te vertrekken. En wat kapitein Imrie natuurlijk zo sterk verontrustte was dat, met opkomende duisternis en almaar verslechterend weer, de lading op het voordek nog niet gelost was en niet gelost zou kunnen worden voordat de voorlaadboom niet langer, zoals tot nu toe, volledig in beslag werd genomen door het karwei om de commandotoren boven het middenstuk te laten hangen. Het enige voordeel van kapitein Imries concentratie was dat hij daardoor minder tijd had om zich zorgen te maken over Halliday’s verdwijning. Beter gezegd, hij had daardoor minder tijd om te proberen iets constructiefs in dat opzicht te doen, want ik wist dat die verdwijning hem nog steeds erg hoog zat gezien het feit dat hij zich wel de tijd had gegund om me te vertellen dat het zijn allereerste bedoeling was om direct bij aankomst in Hammerfest contact met de politie op te nemen. Er waren twee dingen die ik op dat moment had kunnen zeggen, maar niet zei. Het eerste was dat ik niet inzag welk praktisch nut hiermee kon zijn gediend - alleen had hij gewoon, veronderstel ik, het gevoel dat hij iets moest doen, wat dan ook, hoe ondoelmatig dat dan ook maar kon zijn: het tweede was dat ik er heel zeker van was dat hij om te beginnen nooit radiocontact met Hammerfest zou kunnen krijgen, ofschoon het op dat moment nauwelijks het goede ogenblik leek om hem te vertellen waarom ik daar zo van overtuigd was. Hij was toen bepaald niet in de juiste ontvankelijke stemming: ik had hoop dat hij dat kort na zijn vertrek van Bereneiland wel zou zijn. Ik ging de krijsende ijzeren loopplank af - de blijkbaar vastgeroeste wieltjes schoven met iedere deining van de Morning Rose heen en weer - en baande me een weg over de oude steiger. Een kleine tractor en een kleine sneeuwjeep - als derde en vierde last van het achterdek van de treiler gelost - waren allebei met sleepsleden uitgerust en iedereen tot zelfs Heissman aan toe hielp mee uitrusting op deze sleden te laden om naar de hutten te worden gesleept die op de rotsglooiing stonden, op nog geen twintig meter afstand van het einde van de steiger. Iedereen hielp niet alleen, ze hielpen energiek: bij een temperatuur van -15 °C is de verleiding om maar wat te beuzelen niet zo erg groot. Ik volgde een van die vrachten naar de hutten. Anders dan de steiger waren de hutten betrekkelijk kortgeleden gebouwd en in goede staat, relikwieën van het jongste Internationale Geofysische Jaar - het kon onmogelijk economisch gerechtvaardigd zijn geweest om ze te demonteren en mee terug te nemen. Ze hadden niet de moderne kapok-, asbest- en aluminiumconstructie zoals die door moderne expedities bij de inrichting van bases in poolstreken wordt toegepast: ze waren gebouwd - zij het dan samengesteld uit kant-en-klare delen - in de lage chaletstijl zoals men die vrij algemeen vindt in de hogere Alpengebieden in Europa. Ze maakten die potige ineengedrongen indruk, alsof ze zich schrapzetten tegen de storm, die het zeer waarschijnlijk leek te maken dat ze er over 100 jaar nog zouden staan. Door mensenhanden vervaardigde bouwsels kunnen, mits ze niet voortdurend aan zware stormen en temperatuurwisseling boven en onder het vriespunt zijn blootgesteld, in de diepvrieskast van het hoge poolgebied vrijwel onbeperkt intact blijven. Er stonden hier in totaal vijf gebouwen, allemaal op vrij grote afstand van elkaar - voor zover de voet van de heuvel achter de glooiing dat toestond. Hoe weinig ik ook van het poolgebied afwist, ik wist genoeg om de reden voor deze verspreide bouw te begrijpen: hier, waar kou de blijvende en dominerende levensfactor is, moet vuur als de grootste vijand worden gezien, want tenzij er chemische brandblusmiddelen bij de hand zijn, die bijna altijd ontbreken, zal een eenmaal uitgebroken brand blijven doorlaaien tot alles wat maar brandbaar wil zijn verteerd is: met ijsblokken richt je niet veel uit als er vlammen geblust moeten worden. Vier kleine loodsen stonden aan de hoeken van een veel groter centraal gebouw. Volgens de vrij duidelijke tekening die Heissman in zijn Olympus-manifest had opgenomen, waren die respectievelijk bestemd voor transportmiddelen, brandstof, proviand en uitrusting: ik was er niet helemaal zeker van wat hij met uitrusting bedoelde. Die vier barakken waren alle vierkant en raamloos. Het centrale en veel grotere gebouw had een eigenaardige zeestervorm met een vijfhoekig middenstuk en vijf driehoekige uitbouwen die allemaal een integraal geheel vormden: het doel van deze eigenaardige vorm was moeilijk te raden, volgens mij moest dit een maximaal warmteverlies teweegbrengen. Het middenstuk diende als woon-, eet- en kookruimte: iedere uitbouw omvatte twee kleine kale kamertjes als slaapgelegenheid. Het geheel werd verwarmd door elektrische met olie gevulde zwarte radiators die aan de wanden waren bevestigd, maar totdat we ons eigen draagbare aggregaat op gang hadden waren we aangewezen op eenvoudige oliekachels: druk-petroleum-lampen zorgden voor de verlichting. Koken, iets dat naar het scheen zou moeten bestaan uit het eindeloos openen en opwarmen van de inhoud van blikjes, moest op een eenvoudige oliebrander gebeuren. Otto had, onnodig te zeggen, geen kok meegebracht: koks kosten geld. Met de opvallende uitzondering van Judith Haynes werkte iedereen, zelfs de nog altijd wat slapjes uitziende Allen, bereidwillig en zo snel als de vreemde en ijzige omstandigheden maar toelieten: ze werkten ook zwijgend en vreugdeloos, want ofschoon niemand enige naar vriendschap neigende banden met Halliday had gehad, had het nieuws van zijn verdwijning nieuwe somberheid en verontrusting betekend voor deze mensen die zich al aan onheilsgevoelens ten prooi wisten nog voor ze zelfs maar een meter hadden gefilmd. Stryker en Lonnie, die nooit iets tegen elkaar zeiden tenzij het dringend nodig was, controleerden alle voorraden, brandstof, olie, voedsel, kleren, pooluitrusting - Otto, wat zijn tekortkomingen ook mochten zijn, stond op grondigheid. Sandy, zichtbaar opgeknapt nu hij vaste grond onder de voeten had, controleerde zijn rekwisieten, Hendriks zijn geluidsapparatuur, de Graaf zijn camera-uitrusting, Eddie zijn elektrische spullen en ikzelf het beetje medische instrumenten dat ik bij me had. Tegen drie uur, toen het al aardig donker begon te worden, hadden we alles weggestouwd, de slaaphokjes ingedeeld en er veldbedden en slaapzakken in gebracht: alle geloste lading was nu van de steiger weggehaald. We staken de oliekachels aan, lieten het aan een gemelijke en mopperende Eddie - met de sombere hulp van De Drie Apostelen - over om het dieselaggregaat op gang te krijgen, en gingen terug naar de Morning Rose, ikzelf omdat ik dringend met Smithy wilde spreken, de anderen omdat ons ‘huis’ nog altijd een grote naargeestige en ijzige ellende was, terwijl de veel versmade Morning Rose nog steeds een betrekkelijke hemel van warmte en comfort bood. Zeer kort na onze terugkomst deden zich in snelle en uiteindelijk ontmoedigende opeenvolging allerlei incidenten voor. Om tien over drie, volkomen onverwacht en tegen alle aanwijzingen in, gleed de commandotoren over de flens van het midscheepstuk. Zes bouten werden onmiddellijk aangedraaid om de toren in positie te houden -er waren er in totaal 24 - en de werkboot zette zich meteen aan het karwei om het logge gevaarte binnen de vrijwel volkomen luwte te slepen van de rechte hoek die gevormd werd door de hoofdsteiger en de noordelijke aftakking daarvan. Om kwart over drie begon het lossen van de voordeklading en dit werd, onder Smithy’s leiding, efficiënt en snel aangepakt. Ten dele omdat ik hem niet bij zijn werk wilde storen, ten dele omdat het op dat moment onmogelijk was om Smithy onder vier ogen te spreken, ging ik benedendeks naar mijn hut, haalde een klein rechthoekig in linnen gewikkeld pakje onder uit mijn dokterstas, deed het in een met een koordje dichttrekbaar duffels zakje, en ging weer naar boven. Dit was om tien voor half vier. Nauwelijks een kwart van de lading was gelost, maar Smithy was er niet. Het leek wel alsof hij op mijn tijdelijke afwezigheid had gewacht om zich naar elders te begeven. En dat hij zich naar elders had begeven was iets waar geen twijfel aan was. Ik vroeg de man aan de lier waar hij naar toe was gegaan, maar de man aan de lier, geheel en al in beslag genomen door een taak die met grote snelheid moest worden verricht, was begrijpelijkerwijs uiterst vaag over Smithy’s doen en laten. Hij was ofwel benedendeks ofwel aan wal gegaan, zei hij, hetgeen ik een wel zeer nuttige opmerking vond. Ik keek in zijn hut, op de brug, in het kaartenhuis, de salon, overal. Geen Smithy. Ik informeerde bij passagiers en bemanningsleden: geen Smithy. Niemand had hem gezien of had enig idee of hij aan boord was dan wel aan wal was gegaan, hetgeen begrijpelijk was omdat de duisternis nu vrijwel volledig was en het felle licht van de schijnwerper die nu opgesteld was om het lossen te vergemakkelijken zware schaduwen over de loopplank wierp zodat iedereen die van boord ging of aan boord kwam er vrijwel zeker van kon zijn onopgemerkt te blijven. Ook kapitein Imrie was nergens te ontdekken. Ik zocht hem weliswaar niet, maar ik zou toch wel hebben verwacht dat hij zeer nadrukkelijk aanwezig zou zijn. De wind was nu vrijwel helemaal naar het zuidoosten omgelopen en nam nog steeds toe, de Morning Rose begon regelmatig tegen de steigerwand te beuken met een opeenvolging van bonkende dreunen en een lawaai van krijsend metaal waarbij Imrie zich normaliter zeker niet onbetuigd zou hebben gelaten in zijn haast om al zijn verdomde passagiers en hun uitrusting kwijt te raken teneinde zijn schip met de grootste spoed veilig in open zee te brengen. Maar hij was nergens te zien. Om halfvier ging ik aan wal en haastte me over de steiger naar de hutten. Ze waren verlaten op de uitrustingsbarak na waar Eddie godslasterlijk bezig was te proberen de diesel op gang te krijgen. Hij keek op toen hij me zag. ‘Niemand kan ooit van me zeggen dat ik gauw klaag, dokter Marlow, maar dit verdomde...’ ‘Heb je meneer Smith gezien? De stuurman?’ ‘Nog geen tien minuten geleden. Kwam even kijken hoe we ervoor stonden. Is er iets...’ ‘Zei hij nog iets?’ ‘Wat zou hij moeten zeggen?’ ‘Over waar hij naar toe ging? Wat hij deed?’ ‘Nee.’ Eddie keek naar de huiverende Drie Apostelen, maar de effen gezichten hielpen niemand iets verder. ‘Bleef daar alleen maar een paar minuten met zijn handen in zijn zakken staan kijken naar wat we aan het doen waren, stelde een paar vragen en wandelde toen weer weg.’ ‘Gezien waar hij naar toe ging?’ ‘Nee.’ Hij keek naar de Drie Apostelen, die eenparig het hoofd schudden. ‘Is er iets aan de hand?’ ‘Niets dringends. Het schip staat op het punt om weer uit te varen en de kapitein zocht hem.’ Als dat niet helemaal overeenkomstig de situatie van het ogenblik was, dan twijfelde ik er niet aan of dat zou binnen enkele minuten wel het geval zijn. Ik verspilde geen tijd aan verder gezoek naar Smithy. Als hij met ogenschijnlijke doelloosheid wat in het kamp had rondgekeken in plaats van nauwkeurig toezicht te houden op de ontruiming van het voordek, zoals dat van hem zou moeten worden verwacht en heel normaal zou zijn geweest, dan had Smithy daar een heel goede reden voor: hij wilde gewoon, hoe kort ook, spoorloos zijn. Om vijf over halfvier kwam ik op de Morning Rose terug. Deze keer was kapitein Imrie nadrukkelijk aanwezig. Ik had hem niet in staat geacht ooit over zijn zenuwen te raken, maar toen ik naar hem keek zoals hij in het felle lichtschijnsel van de open salondeur stond begreep ik dat ik me wat dat betrof best kon hebben vergist. Misschien was ‘over zijn zenuwen’ de verkeerde uitdrukking, maar er viel niet aan te twijfelen dat hij in een hoogst opgewonden toestand en duidelijk razend was. Zijn vuisten waren gebald, wat van zijn gezicht kon worden gezien was rood en wit gevlekt, en zijn lichtblauwe ogen bliksemden. Met prijzenswaardige, zij het dreigende bondigheid herhaalde hij tegenover mij wat hij de laatste paar minuten kennelijk al tegen heel wat mensen gezegd had. Bezorgd over het verslechterende weer - dat was niet precies zoals hij het zei - had hij Allison laten proberen contact met Tunheim te zoeken voor een weerbericht. Dit was Allison niet gelukt. Toen waren hij en Allison tot de ontdekking gekomen dat de zenderontvanger onherstelbaar vernield was. En nog geen uur tevoren was de ontvanger nog in orde geweest - dat had Smith althans gezegd, want hij had toen het laatste weerbericht opgeschreven. Of wat hij het laatste weerbericht noemde. En nu was Smith nergens te vinden. Waar voor de donder was Smith? ‘Hij is aan wal gegaan,’ zei ik. ‘Aan wal? Aan wal? Hoe weet u verdomme dat hij aan wal is gegaan?’ Kapitein Imrie vroeg het niet bepaald vriendelijk, maar hij was dan ook nauwelijks in een vriendelijke stemming. ‘Omdat ik net in het kamp ben geweest en daar met meneer Harbottle, de elektricien, heb gepraat. Meneer Smith was daar net even binnen geweest.’ ‘Even binnen? Hij had bij het lossen van de lading moeten zijn. Wat moest-ie verdomme in het kamp doen?’ ik heb meneer Smith niet gezien,’ legde ik geduldig uit, ‘dus heb ik het hem niet kunnen vragen.’ ‘Wat moest u daar verdomme doen?’ ‘Nu gaat u te ver, kapitein Imrie. Ik ben u geen verantwoording verschuldigd. Ik wou hem voor zijn vertrek alleen nog maar even spreken. We konden nogal goed met elkaar overweg, weet u.’ ‘Ja, dat konden jullie, is het niet?’ vroeg Imrie veelzeggend. Het had niets te betekenen, hij was alleen maar in een stemming om veelzeggend te praten. ‘Allison!’ ‘Kaptein?’ ‘De bootsman. Aan wal om te zoeken. En vlug, ik ga zelf mee.’ Als er ooit enige twijfel had bestaan aan de mate van kapitein Imries bezorgdheid, dan was die er nu niet meer. Hij draaide zich weer naar me om, maar aangezien Otto Gerran en Goin nu naast me stonden was ik er niet zeker van of hij het tegen mij had of niet. ‘En we vertrekken binnen het half uur, met of zonder Smith.’ is dat wel billijk, kapitein?’ vroeg Otto. ‘Misschien is hij alleen maar een eindje gaan wandelen of een beetje verdwaald geraakt - u ziet hoe donker het is.’ ‘Vindt u het niet verdomd gek dat meneer Smith net moest verdwijnen als ik ontdek dat een radio waarmee hij zoals hij beweert nog berichten heeft ontvangen onherstelbaar in de prak is geramd?’ Otto zweeg maar Goin, altijd diplomaat, kwam vol tact tussenbeide, ik geloof dat meneer Gerran gelijk heeft. Misschien is het inderdaad wel een beetje onbillijk wat u doet. Ik geef toe dat de vernieling van uw radio een ernstig en zorgwekkend iets is en zelfs zeer waarschijnlijk, gezien alle geheimzinnige dingen die er de laatste dagen zijn gebeurd, iets heel sinisters. Maar ik geloof dat u er verkeerd aan doet om maar meteen aan te nemen dat meneer Smith er iets mee te maken heeft. Om te beginnen lijkt hij me een veel te intelligente man om zich zo bijzonder in het oog springend aan iets misdadigs schuldig is maken. In de tweede plaats, waarom zou hij, die als uw eerste officier toch heel goed weet van welk vitaal belang uw scheepsradio is, zoiets vernielzuchtigs doen? In de derde plaats, als hij zou proberen de consequenties van zijn daad te ontlopen, waar zou hij in godsnaam op Bereneiland naar toe kunnen vluchten? Ik wil heus niet zoiets eenvoudigs suggereren als een ongeluk of geheugenverlies: ik wil alleen maar de mogelijkheid opperen dat hij misschien verdwaald is geraakt. U zou toch op zijn minst tot de ochtend kunnen wachten.’ Ik zag dat kapitein Imries vuisten zich iets ontspanden, niet veel, heel even maar, en ik wist dat hij, als hij al niet aarzelde dan toch op zijn minst bereid was Goins woorden te overwegen, een toestand van naderende onzekerheid die net zolang duurde als Otto er voor nodig had om ongedaan te maken wat Goin wellicht op het punt had gestaan te bereiken. ‘Dat is het natuurlijk,’ zei hij. ‘Hij is gewoon even wat gaan rondkijken.’ ‘Wat? In het hartstikke donker?’ Het was een overdrijving maar een vergeeflijke. ‘Allison! Oakley! Allemaal. Kom mee!’ Hij dempte zijn stem een paar decibels en zei tegen ons: ik vertrek binnen het half uur, Smith of geen Smith. Hammerfest, heren. Hammerfest en de politie.’ Hij haastte zich de loopplank af, op zijn hielen gevolgd door een stuk of zes mannen. Goin zuchtte, ik denk dat we maar beter een handje kunnen helpen.’ Hij ging weg en Otto, na een korte aarzeling, volgde. Ik niet, ik was hoegenaamd niet van plan een handje te helpen, als Smithy niet gevonden wilde worden dan zou hij niet worden gevonden. In plaats daarvan ging ik benedendeks naar mijn hut, schreef een kort briefje, stak het kleine duffelse zakje bij me en ging op zoek naar Haggerty. Ik moest iemand in vertrouwen nemen, Smithy’s verdomd ongelegen komend verdwijningstrucje had me geen andere keus gelaten, en ik meende het beste op Haggerty te kunnen gokken. Hij was halsstarrig en argwanend en sinds Imrie hem die ochtend had uitgehoord moest hij nog argwanender jegens mij zijn geworden: maar hij was geen dwaas, hij leek me onkreukbaar toe, hij was, dacht ik, ontvankelijk voor een gezaghebbend vertoon van discipline en, bovenal, hij had 27 jaar lang bevelen gehoorzaamd. Het kostte me vijftien minuten heen en weer praten, maar eindelijk stemde hij er sputterend in toe om te doen wat ik hem vroeg. ‘U Iaat me niet voor gek staan, dokter Marlow?’ vroeg hij. ‘Je zou gek zijn als je dat ook maar dacht. Wat zou ik ermee winnen?’ ‘Dat dus, en dat.’ Hij pakte onwillig het kleine duffelse zakje aan. ‘Zodra we veilig los zijn van het eiland.. ‘Ja. Dat, en de brief. Aan de kapitein. Niet eerder.’ ‘U begeeft u wel op glad ijs, dokter Marlow.’ Hij wist niet hoe glad, het zou niet veel schelen of ik brak mijn nek. ‘Kunt u me niet vertellen waar het allemaal om gaat?’ ‘Als ik dat wist, Haggerty, dacht je dat ik dan op dit godvergeten eiland achter zou blijven?’ Voor het eerst glimlachte hij. ‘Nee, meneer, dat geloof ik echt niet.’ Kapitein Imrie en zijn patrouille kwamen slechts een of twee minuten nadat ik weer op het bovendek was terug. Ze kwamen zonder Smithy terug. Ik was niet verbaasd - noch over hun falen om hem te vinden, noch over de korte duur van hun speurtocht - er waren maar twintig minuten verstreken. Bereneiland mag dan op de kaart een uiterst klein stipje in het hoge noorden zijn, maar het beslaat een gebied van bijna 200 km2 en het moet al heel snel tot kapitein Imrie zijn doorgedrongen dat het een kolossale dwaasheid zou zijn om te proberen ook maar een miniem stukje van dat ijzige bergachtige terrein in diepe duisternis te doorzoeken. Zijn vuur om te gaan speuren was al heel gauw gedoofd: maar zijn falen om Smithy te vinden had wel zijn vastbeslotenheid om onmiddellijk te vertrekken versterkt. Nadat hij zich ervan had verzekerd dat de gehele voordeklading gelost was en dat alle uitrusting en persoonlijke eigendommen van het filmgezelschap aan wal waren, schudden hij en meester Stokes ons allemaal hoffelijk maar vluchtig de hand terwijl we aan wal werden geloodst. De laadbomen waren alweer vastgesjord en de meertouwen op een na losgemaakt. Kapitein Imrie was niet van plan zich van zijn voornemen te laten afbrengen. Otto was, terecht, de laatste die van boord ging. Bovenaan de loopplank vroeg hij: ‘Afgesproken dus, kapitein Imrie, over 22 dagen? U komt over 22 dagen terug?’ ik laat u hier heus niet overwinteren, meneer Gerran, wees maar niet bang.’ Nu hij op het punt stond zowel alle geheimzinnigheid als het door hem hartgrondig verfoeide Bereneiland achter zich te laten, scheen kapitein Imrie het gevoel te hebben dat hij zich een wat minder starre houding kon permitteren. ‘22 dagen? Op zijn hoogst. Stel je voor, man, ik kan in 72 uur in Hammerfest en terug zijn. Ik wens u allemaal het allerbeste.’ Hierop gaf kapitein Imrie bevel de loopplank in te trekken en ging de brug op zonder nadere uitleg van zijn raadselachtige opmerking over die 72 uur. Wat hij naar alle waarschijnlijkheid op dat moment in het hoofd had was om inderdaad binnen 72 uur terug te zijn, maar dan, naar zijn toon te oordelen, met een klein regiment zwaarbewapende Noorse politie. Ik maakte me er geen zorgen om: ik was er volkomen zeker van dat, als hij dat inderdaad van plan was, hij voor de nacht om was van gedachten zou veranderen. De navigatielichten flitsten aan en de Morning Rose maakte zich langzaam in noordelijke richting van de steiger los, zwenkte een halve cirkel om en doorkliefde de Sor-hamma, zonder zwaarder motorgeronk snelheid vermeerderend. Opnieuw langs de steiger komend liet kapitein Imrie zijn toeter klinken - alleen de gezagvoerder zou het een sirene hebben genoemd - tot tweemaal toe, een hoog en naargeestig geluid dat bijna onmiddellijk gesmoord werd in de sneeuwdeken: binnen enkele seconden scheen het, was zowel het motorgeronk als het bleke schijnsel van de navigatielichten in de sneeuw en de duisternis verdwenen. We bleven daar allemaal naar het scheen een hele poos staan, ineengedoken tegen de bittere kou en turend in de jachtende sneeuw, alsof we door inspanning van onze wil die lichtjes weer zichtbaar konden maken, het motorgeronk weer hoorbaar. De sfeer was bepaald niet die van reizigers die blij waren op hun langverwachte bestemming te zijn aangekomen, maar eerder die van op een ijzig woestijneiland aan wal gezette bannelingen.
***
De sfeer in de grote woonhut was al niet veel beter. De oliekachels functioneerden voortreffelijk en Eddie had het dieselaggregaat op gang zodat de zwarte radiators aan de wanden warm begonnen te worden, maar de uitwerking van tien jaar diepvries kon niet in het tijdsbestek van een uur worden overwonnen: de temperatuur daarbinnen was nog steeds beneden nul. Niemand ging naar de hem toegewezen slaaphokjes, om de eenvoudige en doorslaggevende reden dat het daar aanzienlijk kouder was dan in de centrale woonruimte. Niemand scheen met iemand anders te willen praten. Heissman begon aan een schoolmeesterachtige en naar het zich liet aanzien uitvoerige lezing over het leven onder arctische omstandigheden, een onderwerp waarover hij dank zij zijn langdurige en intieme kennismaking met Siberië vermoedelijk met unieke deskundigheid kon praten, maar er waren geen luisteraars; het was zelfs de vraag of hij zelf luisterde. Toen begonnen hij, Otto en Neal Divine aan een nogal onsamenhangende bespreking van hun plannen voor - weersomstandigheden voorbehouden - de filmopname van de volgende dag, maar klaarblijkelijk stond zelfs daar hun hoofd niet helemaal naar. Het was ten slotte Conrad die de vinger op de bron van de algemene malaise legde, of, juister gezegd, de gedachte onder woorden bracht die iedereen door het hoofd speelde met de mogelijke uitzondering van mijzelf. Hij zei tegen Heissman: in het poolgebied heb je, ‘s winters, zaklantaarns nodig, klopt dat?’ ‘Klopt.’ ‘Die hebben we?’ ‘Volop, natuurlijk. Hoezo?’ ‘Omdat ik er een wil hebben. Ik wil naar buiten. We zijn hier nu, allemaal, hoelang al binnen, ik weet het niet, minstens 20 minuten, en wie zal zeggen of er daar buiten niet iemand ziek is of gewond ligt of door de vorst bevangen of misschien gevallen is en een been gebroken heeft.’ ‘O, kom nou, kom nou, nu sla je toch wel een beetje door, Charles,’ zei Otto, ‘meneer Smith is me altijd voorgekomen als een man die voortreffelijk in staat is om voor zichzelf te zorgen.’ Otto zou waarschijnlijk hetzelfde hebben gezegd als hij had toegekeken terwijl Smithy door een ijsbeer vermorzeld werd: omdat Otto zowel naar aard en lichaamsbouw geen man was om onnodig lijfelijk ook maar ergens bij betrokken te raken. ‘Als u dat werkelijk niets kan schelen, waarom zegt u dat dan niet ronduit?’ Dit was voor mij een nieuwe kant van Conrad en hij ging ten koste van mij op zijn onderwerp door. ‘Ik zou hebben gedacht dat u toch wel de eerste zou zijn geweest om dit naar voren te brengen, dokter Marlow.’ En inderdaad zou ik de eerste kunnen zijn geweest, als ik niet aanzienlijk meer over Smithy had geweten dan hij. ‘Ik vind het niet erg om de tweede te zijn,’ zei ik vriendelijk. Ten slotte gingen we allemaal naar buiten, met uitzondering van Otto die klaagde zich niet lekker te voelen, en Judith Haynes die ronduit verklaarde dat het allemaal onzin was en dat meneer Smith heus wel zou komen opdagen als hij daar zin in had, een mening die ik met haar deelde maar om heel andere redenen dan de hare. We waren allemaal toegerust met een sterke zaklantaarn en spraken af zo dicht mogelijk bij elkaar te blijven, of wanneer we afdwaalden op zijn laatst binnen 30 minuten terug te zijn. De groep trok in een wijde boog de glooiing op die de Sor-hamma naar het noorden afsloot. Althans, dat deden de anderen. Ik liep linea recta naar de uitrustingsbarak waar het dieselaggregaat er geruststellend op los sputterde, want het was onwaarschijnlijk dat iemand me zou missen - iedereen zou zich vermoedelijk alleen maar van zijn naaste buurman bewust zijn - en waar kon ik deze wilde ganzenjacht beter uitzitten dan op de warmste en meest beschutte plek die ik maar kon vinden. Met gedoofde zaklantaarn om mijn aanwezigheid niet te verraden opende ik de deur van de barak, ging naar binnen, sloot de deur achter me, nam een stap naar voren en vloekte luid toen ik over een betrekkelijk zacht voorwerp struikelde en bijna languit op de plankenvloer tuimelde. Ik herstelde me, draaide me om en knipte mijn lantaarn aan. Er lag een man op de vloer uitgestrekt en met een volkomen gemis aan verbazing zag ik dat het Smithy was. Hij bewoog zich grommend, kwam half overeind, hees moeizaam een arm op om zijn ogen tegen het felle licht van de zaklantaarn te beschutten, zakte toen weer achterover, ogen dicht, arm slap langs zijn zij. Er zat bloed op zijn linkerwang. Hij bewoog zich onrustig, rolde van de ene kant op de andere en kreunde op die zachte manier van iemand die nog maar net op de grens van het bewustzijn is. ‘Erg veel pijn, Smithy?’ vroeg ik. Hij kreunde. ‘Op die plek waar je je wang me een handvol bevroren sneeuw hebt opengekrabt?’ vroeg ik. Hij bleef roerloos liggen en staakte zijn gekreun. ‘Het komediespel kunnen we beter voor later in het programma bewaren,’ zei ik koel. ‘Wil je intussen zo vriendelijk zijn om op te staan en me uit te leggen waarom je je als een onmondige idioot hebt gedragen?’ Ik zette de lantaarn op de aggregaat-ommanteling zodat de lichtbundel omhoog scheen. Veel licht hadden we zodoende niet, maar net genoeg om Smithy’s zorgvuldig uitdrukkingsloze gezicht te kunnen zien terwijl hij overeind krabbelde. ‘Wat bedoelt u?’ vroeg hij. ‘PQS 182131, James R. Huntingdon, Golders Green en Beiroet, momenteel ten onrechte bekend als Joseph Rank Smith, die bedoel ik.’ ‘O, en ik ben zeker de onmondige idioot die u bedoelde,’ zei Smithy. ‘Het zou leuk zijn als ik ook wist met wie ik sprak.’ ‘Dokter Marlow,’ zei ik. Zijn gezicht bleef zorgvuldig zonder enige uitdrukking. ‘Vier jaar en vier maanden geleden toen we jou uit je luizenbaantje als eerste officier op die gammele Libanese tanker weghaalden, geloofden we nog dat jij een toekomst bij ons had. Een veelbelovende toekomst. Dat dachten we zelfs vier maanden geleden nog. Maar nu ben ik er lang niet zeker meer van.’ Smithy glimlachte maar het ging niet van harte. ‘U kunt me niet op staande voet ontslaan, lijkt me een beetje moeilijk op Bereneiland.’ ik kan jou overal ontslaan als ik dat wil, al is het in de kleinste negorij,’ zei ik zakelijk. ‘Nou, laat horen.’ ‘U had me wel eens mogen laten weten wie u was.’ Smithy’s stem klonk gekwetst en ik geloof dat ik in zijn plaats ook gekwetst zou zijn. ‘Ik begon een vermoeden te krijgen. Ik wist niet dat er buiten mij nog iemand anders aan boord was.’ ‘Je werd niet geacht dat te weten. Je werd niet geacht iets te vermoeden. Je werd alleen maar geacht precies te doen wat je gezegd was. Dat alleen en meer niet. Herinner jij je de laatste regel van je schriftelijke instructies nog? Die was onderstreept. Een citaat van Milton. Ik heb het onderstreept.’ ‘ "Ook zij hebben nut die alleen maar wachtend klaarstaan," ‘ zei Smithy. ‘Erg flauw vond ik het toen ik het las.’ ik heb maar een beperkte opleiding gehad,’ zei ik. ‘Waar het om gaat is, bleef je wachtend klaarstaan? Om den donder niet! Je orders waren zo eenvoudig en duidelijk als orders maar konden zijn. Blijf voortdurend aan boord van de Morning Rose tot iemand contact met je opneemt. Verlaat onder geen enkele omstandigheid het schip, zelfs niet om even aan wal te stappen. Doe geen, herhaal, geen poging om op eigen initiatief op onderzoek uit te gaan, probeer niet iets te ontdekken, gedraag je elk ogenblik als de stereotiepe koopvaardij-officier. Dit heb je niet gedaan. Ik wou je aan boord van dat schip hebben, Smithy. Ik had je - nu aan boord nodig. En waar ben je - verstopt in een godvergeten hut op Bereneiland. Waarom kon je je in godsnaam niet aan een paar doodeenvoudige instructies houden?’ ‘Goed. Mijn fout. Maar ik dacht dat ik alleen was. Een zaak kan door omstandigheden veranderen, waar of niet? Er gaan vier kerels op geheimzinnige manier de pijp uit en voor vier andere scheelt het niet veel - wel verdomme, moet ik dan maar blijven klaarstaan en niks doen? Mag ik dan geen enkel initiatief nemen, mag ik niet eens zelf nadenken?’ ‘Niet voor het je gezegd wordt. En kijk wat je me nou geleverd hebt - nou ben ik een hand kwijt. De Morning Rose was mijn andere hand en die heb jij afgehakt. Ik wou die schuit ieder uur van dag en nacht achter de hand hebben. Ik kan die schuit ieder ogenblik nodig hebben - en nou ben ik haar kwijt. Is er iemand aan boord van die verdomde treiler die in het holst van de nacht ook maar even buitengaats positie zou kunnen houden, of haar bij vliegende storm de Sor-hamma binnen zou kunnen brengen? Je weet verdomd goed dat er nou niemand is die dat kan. Kapitein Imrie zou haar niet eens op een mooie zomermiddag de Clyde kunnen opvaren.’ ‘Hebt u dan een radio bij u? Om contact met die treiler op te nemen?’ ‘Natuurlijk. In mijn dokterstas ingebouwd - gewoon een politiezendertje maar met voldoende actieradius.’ ‘Lijkt me een beetje moeilijk om contact met de Morning Rose op te nemen nu die zender aan boord in gruzelementen ligt.’ ‘Gelijk heb je,’ zei ik. ‘En hoe komt het dat dat ding in gruzelementen ligt? Omdat jij op de brug hardop en uitvoerig begon te praten over om hulp roepen via die zender en zo nodig alarmeren van de Atlantische strijdkrachten van de NATO, terwijl al die tijd een gehaaide jongen op de brugvleugel ieder woord van jou stond af te luisteren. Ik weet het, want er waren verse voetsporen in de sneeuw - nou ja, mijn eigen voetsporen, maar opnieuw gebruikt, als je me kan volgen. Dus wat deed onze gehaaide knaap? Precies - hij sloop weg om een moker te gaan halen.’ ik had wat dat betreft wat voorzichtiger moeten zijn, denk ik. Ik wil u wel mijn excuses aanbieden als u dat wilt, maar ik zie niet goed in wat we daar in dit stadium mee opschieten.’ ‘Ik sta zelf nauwelijks op de nominatie voor een eervolle vermelding wegens verdienstelijk werk, dus laten we maar niet over excuus praten. Nu jij hier bent - nou ja, nu hoef ik ook niet zo scherp op te letten wat er achter mijn rug gebeurt.’ ‘Dus ze hebben het op u gemunt - wie die zij dan ook mogen zijn?’ ‘Wie die zij dan ook zijn is voor mij geen vraag meer.’ Ik vertelde hem in het kort alles wat ik wist, niet alles wat ik meende te weten of vermoedde te weten, want ik zag er het nut niet van in om Smithy net zo in verwarring te brengen als ikzelf was. Ik vervolgde: ‘Alleen maar om te voorkomen dat we elkaars plannen doorkruisen, laten we afspreken dat ik het sein geef voor iedere actie die door mij - of ons - nodig wordt geacht. Ik hoef nauwelijks te zeggen dat jou dat van geen enkel initiatief berooft als en zodra je fysiek bedreigd wordt of meent te worden. In dat geval heb je bij voorbaat mijn permissie om iedereen neer te slaan.’ ‘Da’s prettig om te weten.’ Voor het eerst liet Smithy een kort glimlachje zien. ‘Het zou nog prettiger zijn om te weten wie het is die ik waarschijnlijk zal moeten neerslaan. Het zou nog prettiger zijn om te weten wat u, als ik goed gis een of andere hoofdambtenaar van het Ministerie van Financiën, en ik, maar een heel klein ambtenaartje, eigenlijk op dit verdomde eiland moeten uitvoeren.’ ‘De voornaamste zorg van het Ministerie van Financiën is geld, altijd geld, in welke vorm dan ook, en daarom zijn we hier. Het gaat in dit geval niet om ons geld, geen Engels geld, maar wat we internationaal vuil geld noemen, en alle leden van de Centrale Banken werken op dit gebied heel nauw samen.’ ‘Als je zo arm bent als ik,’ zei Smithy, ‘bestaat er niet zoiets als vuil geld.’ ‘Zelfs een onderbetaald ambtenaartje als jij zou met zijn vingers van deze vuiligheid afblijven. Dit is allemaal op kwalijke wijze verkregen winst, illegale roofbuit uit de dagen van de Tweede Wereldoorlog. Al dit geld is met bloed bemachtigd en wat ervan is opgediept - en dat is maar een fractie van het totaal - is bijna steevast ten koste van veel bloed opgediept. Zelfs nog in de lente van 1945 was Duitsland nog altijd een land vol onschatbare kostbaarheden: tegen de zomer van dat jaar was de kast vrijwel leeg. Zowel de overwinnaars als de overwonnenen legden hun kleverige vingers op ieder denkbaar voorwerp van waarde dat ze maar onder ogen kregen, goud, edelstenen, oude meesters, effecten -Duitse bankobligaties die 40 jaar geleden zijn uitgegeven hebben nog altijd hun waarde behouden - en verdwenen in iedere denkbare richting. Ik hoef nauwelijks te zeggen dat geen van de betrokkenen het nodig vond om hun laatstverworven bezittingen bij de bevoegde autoriteiten te melden.’ Ik keek op mijn horloge. ‘Je bezorgde vrienden speuren op dit moment Bereneiland naar jou af - althans een klein stukje van het eiland. Een speurtochtje van een half uur. Over ongeveer vijftien minuten zal ik je bewusteloze lijf naar binnen moeten dragen.’ ‘Zo te horen lijkt het me allemaal nogal een saaie boel,’ zei Smith. ‘Al deze roofbuit, bedoel ik. Was er veel?’ ‘Het hangt er maar vanaf wat je veel noemt. Geschat wordt dat de geallieerden - en als ik "geallieerden" zeg bedoel ik net zo goed Engeland en Amerika als de veelgesmade Russen - kans hebben gezien ongeveer tweederde van het totaal in handen te krijgen. Dus hielden de nazi’s en hun sympathisanten nog zo’n armzalig derde deeltje over, en de voorzichtige schatting van dat derde deeltje - voorzichtige schatting, zeg ik - is dat het ongeveer 350 miljoen bedraagt. Pond Sterling, begrijp je wel.’ ‘Dus een miljard dollar in totaal?’ ‘Een paar miljoentjes meer of minder.’ ‘Die kinderlijke opmerking over dat het me saai in de oren klonk. Schrap die maar.’ ‘Akkoord. Nou is deze roofbuit hier en daar op een paar heel vreemde plaatsen terechtgekomen. Iets ervan staat, onvermijdelijk, op bankrekeningen onder geheim nummer. Iets ervan ligt - daar is geen twijfel aan - in de vorm van specie in een paar van de allerdiepste Oostenrijkse bergmeren en kon tot nog toe onmogelijk worden geborgen. Ik weet dat er twee Raphaëls in de kelderzaal van een miljonair in Buenos Aires hangen, een Michelangelo in Rio de Janeiro, verscheidene doeken van Hals en Rubens in een illegale collectie in New York, en een Rembrandt in Londen. De eigenaars van die schilderijen zijn mensen die lid waren van of nauwe betrekkingen onderhielden met de regeringen dan wel de gewapende strijdkrachten van de betrokken landen: de betrokken regeringen kunnen op geen enkele manier ingrijpen en waarschijnlijk zijn ze er niet bijzonder op gebrand om in te grijpen, wellicht zijn ze uiteindelijk zelf de begunstigden. Nog pas kort geleden, eind 1970, kwam een internationaal kartel op de markt met een waarde van ong. 75 miljoen dollar aan volkomen rechtsgeldige Duitse effecten die in de jaren dertig waren uitgegeven, en ze probeerden dit pakket achtereenvolgens op de Londense, de Newyorkse, en de Züricher beurs van de hand te doen, maar de Federale Bank van Duitsland weigerde die papieren te verzilveren tot de rechtmatige eigenaar kon worden geïdentificeerd. De kern van deze zaak was namelijk dat het een publiek geheim is dat die effecten in 1945 uit de kluizen van de Reichsbank waren gehaald door een speciale eenheid van het Rode Leger die inmiddels te boek staat als de enige gelegaliseerde militaire inbrekersbende in de geschiedenis. Maar dat is om zo te zeggen alleen maar het topje van de ijsberg; het leeuwendeel van dit reusachtige fortuin blijft verborgen omdat de oorlog nog te dicht achter ons ligt en de mensen - de illegale bezitters - nog steeds te bang zijn om hun schatten in valuta om te wisselen. Er is een speciaal Italiaans overheidsbureau dat zich uitsluitend bezighoudt met het opsporen van dergelijke schatten, en het hoofd van deze dienst, een zekere professor Siviero schat dat er nog minstens 700 oude meesters, waarvan vele van vrijwel onschatbare waarde, spoorloos zijn, terwijl een andere expert, Simon Wiesenthal van de Oostenrijkse Joodse Documentatiedienst vrijwel hetzelfde zegt - dit is overigens dezelfde man die vele gevluchte hoge nazi’s heeft opgespoord en beweert dat er nog altijd talloze voormalige hooggeplaatste SS-officieren zijn die in weelde leven dank zij honderden over heel Europa verspreide geheime bankrekeningen. Siviero en Wiesenthal zijn de erkende wettige experts op het stuk van deze moderne schatgraverij. Helaas is het bekend dat er ook nog een paar lieden zijn - beslist niet meer dan drie of vier - die op dit gebied evenveel of misschien zelfs nog meer deskundigheid bezitten, maar die jammer genoeg de hoogstaande principes missen van hun collega’s, als dat het juiste woord is, die aan de goede kant van de wet werken. Hun namen zijn bekend maar ze zijn ongrijpbaar omdat ze voor zover bekend nooit enig misdrijf hebben gepleegd, zelfs geen frauduleuze omwisseling van aandelen, omdat de aandelen altijd prima in orde zijn, en het recht van eigendom altijd bewezen wordt. Niettemin zijn ze op internationaal niveau opererende misdadigers. De bekwaamste en succesvolste van deze heren hebben we hier bij ons op Bereneiland. Zijn naam is Johann Heissman.’ ‘Heissman!’ ‘Niemand anders. Een hoogst begaafde knaap, onze Johann.’ ‘Maar Heissman! Hoe kan dat? Heissman? Hoe kan dat nou kloppen? Het is pas twee jaar.. .’ ‘Ik weet ‘t. Het is pas twee jaar geleden dat Heissman zo spectaculair uit Siberië ontsnapte en in Londen aankwam, luidkeels verwelkomd door tv-camera’s, meters krantenkolommen en kilometers rode loper, en sindsdien heeft hij zich uitsluitend beziggehouden met zijn oude liefde, de filmmakerij, dus hoe kan het in godsnaam Heissman zijn? Nou, het kan Heissman zijn en het is Heissman omdat onze Johann wat je noemt een bijzonder gewiekste knaap is. We hebben vastgesteld dat hij kort voor de oorlog samen met Otto in Wenen een filmstudio dreef, en dat ze zelfs op hetzelfde gymnasium in St. Pölten zijn geweest, dat niet zo erg ver van Wenen ligt. We weten dat Heissman op het moment van de Anschluss de verkeerde kant op vluchtte terwijl Otto de goede kant oprende, en we weten dat Heissman op grond van zijn communistische sympathieën een zeer welkome gast in het Derde Rijk was. Wat er toen volgde was een van die ongelooflijk ingewikkelde activiteiten als dubbel- en zelfs driedubbelspion zoals die tijdens de oorlog in Midden-Europa zo veelvuldig voorkwamen. Heissman kreeg blijkbaar kans naar Rusland te ontsnappen, waar zijn sympathieën welbekend waren, en werd toen naar Duitsland teruggestuurd waar hij opdracht kreeg alle mogelijke misleidende maar nog wel aanvaardbare militaire inlichtingen aan de Russen door te geven.’ ‘Waarom? Waarom deed hij dat?’ ‘Omdat zijn vrouw en twee kinderen gelijk met hem gevangen waren genomen. Reden genoeg?’ Smithy knikte. ‘Toen het einde van de oorlog kwam en de Russen Berlijn overrompelden en de Duitse spionage archieven overhoop haalden, ontdekten ze wat Heissman in werkelijkheid gedaan had, en stuurden hem naar Siberië.’ ‘Ik zou zo hebben gedacht dat ze hem pardoes zouden hebben neergeschoten.’ ‘Dat zouden ze ook hebben gedaan als dat ene kleine feitje er niet was geweest. Ik heb je al verteld dat Heissman een bijzonder gewiekste
***
knaap was en dat hij een driedubbelspion was. Heissman werkte in feite en daadwerkelijk gedurende de hele oorlog voor de Russen. Vier jaar lang stuurde hij trouw zijn misleidende rapporten naar zijn bazen en ofschoon hij zelfs de hulp van de Duitse geheime dienst had bij de voorbereiding van zijn gecodeerde berichten, kwamen zij er nooit achter dat Heissman de hele tijd heimelijk zijn eigen code gebruikte. De Russen moffelden hem aan het einde van de oorlog gewoon weg voor zijn eigen veiligheid en stuurde hem zogenaamd naar Siberië. Volgens onze informaties is hij nooit in Siberië geweest: we geloven dat zijn vrouw en twee getrouwde dochters nog steeds zeer comfortabel in Moskou wonen.’ ‘En hij is sindsdien voor de Russen blijven werken?’ Smithy zag er een beetje verbluft uit en ik voelde wel met hem mee want Heissmans meesterlijke dubbelhartigheid was niet makkelijk te begrijpen. ‘In zijn huidige hoedanigheid. Gedurende zijn acht jaren in zogenaamde Siberische gevangenschap is Heissman in allerlei vermommingen gesignaleerd in Noord- en Zuid-Amerika, Zuid-Afrika, Israël en, je kan het geloven of niet, in het Savoy Hotel in Londen. We weten, maar kunnen niet bewijzen, dat al die reizen op de een of andere manier in verband stonden met de berging van nazischatten voor zijn Russische bazen - je moet niet vergeten dat Heissman de hoogste relaties had opgebouwd met de Partei, de SS en de Gestapo. Hij was op haast unieke manier de aangewezen man voor deze taak. Sinds zijn "ontsnapping" uit Siberië heeft hij in Europa twee films gemaakt, een in Piemonte, waar een oude weduwe een aanklacht indiende dat er een paar verfomfaaide oude schilderijen van de zolder van haar schuur gestolen waren, de andere in de Provence, waar een oude plattelandsadvocaat de politie in de arm nam omdat er een paar documentenkistjes uit zijn kantoor waren verdwenen. Of die schilderijen en die documentenkistjes enige waarde hadden, weten we niet: nog minder kunnen we beide verdwijningen in verband met Heissman brengen.’ ‘Dit is akelig veel om zo maar in één keer te verwerken,’ klaagde Smithy. ‘Ja, dat kan je wel zeggen.’ ‘Mag ik roken?’ ‘Vijf minuten. Dan zal ik je aan je voeten hier weg moeten slepen.’ ‘Aan de schouders, als het u hetzelfde is.’ Smithy stak zijn sigaret op en dacht even na. ‘Dus wat u moet uitdokteren is wat Heissman hier op Bereneiland uitvoert.’ ‘Daarom zijn we hier.’ ‘U hebt er geen idee van?’ ‘Geen flauw idee. Geld, het moet om geld gaan. Dit zou de laatste plek op aarde zijn die ik met geld in verband zou brengen en misschien is dat verband er ook helemaal niet. Misschien is dit alleen maar een halte onderweg naar het geld. Johann, en ik neem aan dat je dat inmiddels wel zult hebben begrepen, volgt merkwaardige kronkelweggetjes.’ ‘Zou er een samenhang met het filmgezelschap kunnen zijn? Met zijn oude vriend Gerran? Of zou hij ze alleen maar gebruiken?’ ‘Ik heb er gewoon geen flauw idee van.’ ‘En Mary Stuart? Het meisje van die heimelijke ontmoeting? Hoe zou dat zitten?’ ‘Zelfde antwoord. We weten erg weinig van haar. We weten haar eigenlijke naam - ze heeft nooit geprobeerd die te verbloemen - haar leeftijd, haar geboorteplaats, en we weten dat ze Letse is - of in ieder geval uit het land komt dat vroeger Letland heette voordat de Russen het in bezit namen. We weten ook - en die inlichting hebben we niet van haar - dat alleen haar moeder Letse was. Haar vader was Duitser.’ ‘Ah! In het leger misschien? Gestapo? ss?’ ‘Dat is de voor de hand liggende veronderstelling waar we achter moeten zien te komen. Maar we weten het niet. Volgens haar immigratiepapieren zijn haar ouders dood.’ ‘Dus haar antecedenten zijn ook nagegaan?’ ‘We hebben van iedereen hier die met Olympus Productions in verband stond de antecedenten laten nagaan. We hadden ons de moeite net zo goed kunnen besparen.’ ‘Dus geen feiten. Enige vermoedens, ingevingen?’ ‘Ingevingen zijn geen handelsartikel voor mij.’ ‘Daar had ik op de een of andere manier al zo’n vermoeden van.’ Smithy trapte zijn sigaret uit. ‘Voor we gaan zou ik graag twee erg onaangename gedachten willen noemen die net bij me zijn opgekomen. Ten eerste. Johann Heissman is een op grote schaal opererende en erg succesrijke internationale werker, klopt dat?’ ‘Hij is een internationale misdadiger.’ ‘Een andere naam voor hetzelfde beestje. Wat ik bedoel is dat die jongens als het maar even mogelijk is geweld vermijden, is het niet zo?’ ‘Volkomen waar. Afgezien van alle andere bezwaren, het is beneden hun waardigheid.’ ‘En hebt u Heissman ooit horen noemen in verband met geweld?’ ‘Voor zover ik weet niet.’ ‘Maar we hebben de afgelopen paar dagen aardig wat daden van geweld gezien. Dus als het Heissman niet is, wie is dan de man achter dat hardhandige optreden?’ ‘Ik zeg niet dat het Heissman niet is. De vos kan zijn streken veranderen. Hij kan, om god weet wat voor redenen, in een zo hoogst ongewone situatie terechtkomen dat hij geen andere keus heeft dan zijn toevlucht tot geweld te nemen. Misschien heeft hij, weten we veel, hardhandige medewerkers die de zaken niet per se op dezelfde manier hoeven aan te pakken als hij. Of misschien is het iemand die helemaal niets met hem te maken heeft.’ ‘Daar hou ik van,’ zei Smithy. ‘Gewone rechttoe-rechtaan antwoorden. En dan is er nog dat tweede punt dat misschien aan uw aandacht is ontsnapt. Als uw vrienden het op u gemunt hebben is de kans groot dat ze ook op mij loeren. Die luistervink op de brug.’ ‘Dat punt is niet aan mijn aandacht ontsnapt. En niet vanwege die brug, ofschoon dat misschien wel iets was om even bij stil te staan, maar omdat jij opzettelijk van het schip gedrost bent. Wat de anderen ook mogen denken, een van die lui — of misschien wel meer - zal er geheid van overtuigd zijn dat je het opzettelijk deed. Jij wordt in de gaten gehouden, Smithy.’ ‘Zodat als u me straks daar naar binnen sleept niet iedereen vol oprecht medelijden met die arme ouwe Smithy zal zijn? Sommigen zouden de bonafides van mijn verwondingen wel eens in twijfel kunnen trekken?’ ‘Ze zullen niks in twijfel trekken. Ze zullen het verdomd goed weten. Maar we moeten doen alsof.’ ‘Misschien wilt u af en toe ook wel eens kijken wat er achter mijn rug gebeurt?’ ‘Ik heb al genoeg aan m’n kop, maar ik zal het proberen.’ Ik pakte Smithy onder de oksels, en trok hem, hoofd slap opzij hangend, hielen en handen door de sneeuw slepend, zo voort tot op nog geen vijf meter van de deur van het hoofdverblijf twee lichtbundels van zaklantaarns op ons gericht werden. ‘Dus u hebt hem gevonden?’ Het was Goin, in gezelschap van Jungbeck. ‘Ah, wat een geweldige kerel bent u!’ Zelfs in mijn inmiddels hypergevoelige oren klonk Goins reactie oprecht. ‘Ja. Ongeveer 400 meter hiervandaan.’ Ik haalde snel en hijgend adem om hen enig idee te geven van wat het moest zijn geweest om zo’n 180 pond dood gewicht die hele afstand over met sneeuw bedekt ongelijkmatig terrein te slepen. ‘Vond ‘m onderin een ravijn. Wilt u mij even een handje helpen?’ Ze hielpen me een handje. We sleurden hem naar binnen, haalden een veldbed en strekten hem daar op uit. ‘Goeie god, goeie god, goeie god!’ Otto wrong zijn handen, de gefolterde uitdrukking op zijn gezicht als getuigenis van de nieuwe last die nu was toegevoegd aan het toch al zo ondraaglijke gewicht van het kruis dat hij reeds torste. ‘Wat is er met de arme kerel gebeurd?’ De enige andere aanwezige in de woonruimte, Judith Haynes, had geen aanstalten gemaakt om van de oliekachel weg te gaan die ze monopoliseerde, het scheen voor haar zo doodgewoon te zijn dat er een bewusteloze werd binnengebracht dat ze het niet eens de moeite waard vond om ook maar een wenkbrauw op te trekken. ‘Weet ik niet,’ zei ik hijgend. ‘Zware val gemaakt, denk ik, met zijn hoofd tegen een rotsblok geslagen. Daar zag het tenminste naar uit.’ ‘Hersenschudding?’ ‘Mogelijk.’ Ik tastte met mijn vingertoppen door zijn haar, vond een plek op de schedel die niet anders aanvoelde dan overal elders, en zei: ‘Aha!’ Vol verontruste verwachting keken ze me aan. ‘Cognac,’ zei ik tegen Otto. Ik haalde mijn stethoscoop te voorschijn, voerde de hele noodzakelijke komedie op, en speelde het klaar de reutelende, kreunende Smithy met een paar mondjes cognac tot leven te brengen. Voor iemand zonder toneelervaring gaf hij een opmerkelijke voorstelling weg, met als climax een gesmoorde reeks vloeken en een uitdrukking van gemengde verbijstering en ellende toen ik hem voorzichtig vertelde dat de Morning Rose zonder hem was weggevaren. In de loop van ons komediespel kwamen de meeste andere speurders in groepjes van twee of drie binnen. Ik sloeg ze allemaal zorgvuldig maar ongemerkt gade, zoekend naar een gelaatsuitdrukking die op iets anders wees dan verrassing of opluchting, maar ik had mezelf de moeite kunnen besparen: als zich onder hen iemand bevond die noch verrast noch opgelucht was, dan had hij zijn gevoelens en gezichtsspieren voldoende in bedwang om niets te laten merken. Ik zou niet anders hebben moeten verwachten. Na ongeveer tien minuten verplaatste onze bezorgdheid van een zich nu snel opknappende Smithy naar het feit dat twee deelnemers aan de speurtocht, Allen en Stryker, nog steeds niet terug waren. Na de gebeurtenissen van die ochtend leek de afwezigheid van juist die twee me nogal toevallig; na vijftien minuten leek het me vreemd, en na twintig minuten vond ik het ronduit onheilspellend, een gevoel dat duidelijk door bijna alle aanwezigen werd gedeeld. Judith Haynes had haar pioniersrechten op haar oliekachel opgegeven en liep met korte, zenuwachtige pasjes almaar handenwringend heen en weer. Ze bleef voor me staan. ‘Het bevalt me niet, het bevalt me niet!’ Haar stem was gespannen en verontrust, het kon komedie zijn geweest, maar ik dacht van niet. ‘Waar blijft hij? Waarom komt hij niet terug? Hij is daar buiten met die knul Allen. Er is iets niet in orde. Ik weet dat het zo is, ik weet het.’ Toen ik geen antwoord gaf, vroeg ze: ‘Gaat u niet naar buiten om hem te zoeken?’ "Net zoals u naar buiten ging om naar meneer Smith hier te zoeken,’ zei ik. Het was niet erg aardig van me, maar ik voelde me dan ook niet altijd in de stemming om zo erg aardig tegen andere mensen te zijn zoals Lonnie. ‘Misschien komt uw man wel terug als hij er zin in heeft.’ Ze keek me aan zonder iets te zeggen, met prevelende lippen die niets zeiden, geen echte vijandigheid in haar gezicht, en ik realiseerde me voor de tweede keer die dag dat de haat die ze volgens de geruchten tegen haar man koesterde, in werkelijkheid alleen maar een gerucht was en dat er, hoe diep begraven ook, toch wel ergens een of andere vorm van bezorgdheid voor hem in haar leefde. Ze wendde zich af en ik greep naar mijn zaklantaarn. ‘Daar gaan we dan maar weer,’ zei ik. ‘Nog liefhebbers?’ Conrad, Jungbeck, Hayter en Hendriks gingen met me mee. Er waren vrijwilligers genoeg maar ik redeneerde dat we, als we met te veel mensen gingen, niet alleen elkaar in de weg zouden lopen, maar dat dan ook de kans des te groter werd dat er iemand anders verdwaald zou raken. Direct nadat we buiten waren gekomen verspreidden we ons, maar niet meer dan hooguit vier of vijf meter van elkaar, en gingen op zoek in noordelijke richting. Al binnen dertig seconden vonden we Allen: of juister gezegd hij vond ons, want hij zag onze zaklantaarns - hij was de zijne kwijtgeraakt - en kwam uit de sneeuw en duisternis naar ons toe wankelen. ‘Gestruikeld,’ was het enige woord dat hij eruit kon brengen, hij stond op zijn benen te zwaaien als iemand die stomdronken of volkomen uitgeput was, en toen hij probeerde iets te zeggen was zijn stem gesmoord en verwrongen. Hij rilde als een man met hoge koorts. Het scheen niet alleen zinloos maar zelfs wreed om hem in die toestand uit te horen, dus we loodsten hem haastig naar binnen. Ik bekeek hem terwijl we hem op een kruk bij een oliekacheltje neerzetten en ik hoefde niet tweemaal of erg nauwkeurig te kijken om te zien dat dit niet bepaald Allens dag was geweest. Allen was kennelijk weer in gevecht geweest en de schade die hem deze keer was toegebracht woog minstens op tegen het letsel dat hij die ochtend al had opgelopen. Hij had twee lelijke wonden boven wat tot dusver zijn onbeschadigde oog was geweest, een gehavende en ontvelde rechterwang, en hij bloedde zowel uit zijn neus als uit zijn mond, bloed dat in de kou al gestold was: maar zijn ernstigste letsel was een zeer diepe wond achterop zijn hoofd, waar de schedel tot op het bot openlag. Iemand had de jeugdige Allen wat je noemt goed afgetuigd. ‘En wat is er nou deze keer weer met je gebeurd?’ vroeg ik. Hij huiverde toen ik zijn gezicht begon schoon te maken. ‘Of moet ik vragen, weet je wat er met je gebeurd is?’ ‘Ik weet niet,’ zei hij schor. Hij schudde zijn hoofd en hield scherp zijn adem in toen hij een pijnscheut in hoofd of nek voelde. ‘Ik weet het niet. Ik weet het niet meer.’ ‘Je hebt geknokt, jochie,’ zei ik. ‘Alweer. Iemand heeft je afgetuigd, en grondig ook.’ ‘Dat weet ik. Ik voel het. Ik kan het me niet meer herinneren. Eerlijk waar, ik weet het niet meer. Ik - ik weet gewoon niet wat er gebeurd is.’ ‘Maar je moet hem hebben gezien,’ zei Goin overredend. ‘Wie het ook was, je moet van aangezicht tot aangezicht met hem hebben gestaan. God allemachtig, je hemd is gescheurd en er zijn een paar knopen van je jas. En hij moet voor je hebben gestaan toen hij je dit aandeed. Je moet toch op z’n minst een glimp van hem hebben opgevangen.’ ‘Het was donker,’ mompelde Allen. ‘Ik zag niks. Ik voelde niks. Het enige wat ik weet was dat ik duizelig bijkwam in de sneeuw met pijn aan mijn achterhoofd. Ik wist dat ik bloedde en - alsjeblieft, ik weet echt niet wat er gebeurd is!’ ‘Jawel, dat weet je wel, dat weet je wel!’ Judith Haynes had zich naar voren gedrongen. De verandering die in haar gezicht had plaatsgevonden, was al net zo verbazingwekkend als lelijk, en ofschoon haar gedrag van deze ochtend me ten dele op iets van deze aard had voorbereid, en ofschoon deze uitdrukking anders was dan wat ik toen op haar verwrongen gezicht had gezien, was het nog altijd iets beangstigends om naar te kijken. De felrode streep van de mond was verdwenen, de lippen waren weggetrokken en hadden haar tanden ontbloot, de groene ogen waren niet meer dan spleetjes en de huid leek onnatuurlijk strak over haar jukbeenderen gespannen. Ze krijste hem toe: ‘Verdomde leugenaar die je bent! Jij wou wraak nemen, nietwaar? Vuile kleine schoft die je bent, wat heb je met mijn man gedaan? Hoor je me? Hoor je me? Wat heb je met hem gedaan, verdomme? Waar is hij? Waar heb je hem laten liggen?’ Allen keek in halfangstige verbazing naar haar op, schudde toen vermoeid zijn hoofd. ‘Het spijt me, juffrouw Haynes, ik weet niet wat...’ Ze haakte haar vingers met de lange nagels tot klauwen en sprong op hem af, maar daar had ik op gewacht. Evenals Goin en Conrad. Ze vocht als een gevangen wild beest, Allen scheldwoorden toekrijsend, bedaarde toen plotseling terwijl ze met schorre, hijgende snikken ademhaalde. ‘Toe nou, toe nou, Judith,’ zei Otto. ‘Er is geen. ..’ ‘Hou op met je "toe nou" tegen mij, stomme ouwe zak!’ krijste ze. Kinderlijk respect was kennelijk niet het sterkste punt van Judith Haynes, maar Otto, ofschoon duidelijk zenuwachtig, aanvaardde de scheldkanonnade van zijn dochter als iets heel natuurlijks. ‘Waarom probeer je er liever niet achter te komen wat dit jonge zwijn mijn man heeft aangedaan? Waarom doe je dat niet? Waarom doe je dat niet!’ Ze worstelde om haar armen te bevrijden en toen ze zich probeerde los te rukken ontglipte ze ons. Ze pakte een zaklantaarn en rende naar de deur. ‘Hou haar tegen,’ zei ik. Hayter en Jungbeck, allebei robuuste mannen, blokkeerden haar de weg. ‘Laat me gaan, laat me eruit,’ schreeuwde ze. Hayter noch Jungbeck ging een pas opzij en ze draaide zich met een ruk naar mij om. ‘Wie ben jij verdomme om. . . Ik wil naar buiten om Michael te zoeken.’ ‘Het spijt me, juffrouw Haynes,’ zei ik, ‘u bent niet in een toestand om naar wie dan ook te gaan zoeken. U zou gewoon in het wilde weg rondhollen, zonder ook maar enig spoor na te laten, en binnen vijf minuten zou u ook verdwaald zijn en misschien wel voorgoed. Als u nog even geduld hebt, gaan wij op pad.’ Ze nam drie snelle stappen naar Otto, met gebalde vuisten, haar tanden opnieuw ontbloot. ‘Laat je hem mij zo behandelen?’ Dit met een vernietigende blik in mijn richting. ‘Slappeling die je bent! Iedereen kan over je lopen!’ Otto knipperde zenuwachtig met zijn ogen maar zei niets. ‘Ben ik verdomme je dochter niet? Ben jij verdomme de baas niet? God allemachtig, wie heeft het hier voor het zeggen? Jij of Marlow?’ ‘Je vader natuurlijk,’ zei Goin, ‘maar zonder oneerbiedig tegenover dokter Marlow te willen zijn, we huren geen waakhond om ons alleen maar te laten afblaffen. Hij is een dokter en we zouden wel dwaas zijn als we ons op medisch gebied niet naar hem voegden.’ ‘Wil je soms beweren dat ik een medisch geval ben?’ Alle kleur was uit haar wangen weggetrokken en ze was lelijker dan ooit. ‘Is dat zo? Bedoel je dat? Een geval van geestelijke gestoordheid soms?’ De hemel weet dat ik het Goin niet kwalijk zou hebben genomen als hij ronduit ‘ja’ had gezegd en het daarbij had gelaten. Maar Goin was veel te evenwichtig en diplomatiek om zoiets ooit te zeggen, en bovendien was het duidelijk dat hij een dergelijke crisis wel eens eerder had meegemaakt. Hij zei, rustig, maar niet neerbuigend: ‘Dat bedoel ik helemaal niet. Natuurlijk ben je in de war, natuurlijk ben je van streek, per slot van rekening is het je man die vermist wordt. Maar ik ben het met dokter Marlow eens dat jij niet de aangewezen persoon bent om hem te gaan zoeken. We zullen hem des te eerder hier terug hebben als jij met ons meewerkt, Judith.’ Ze aarzelde, nog steeds halverwege tussen hysterie en woede, wendde zich toen met een ruk af. Ik plakte een pleister op de wond op Allens hoofd en zei: ‘Dat is wel voldoende tot ik terugkom. Ik ben bang dat ik een paar lokken zal moeten wegscheren en die wond zal moeten hechten.’ Op weg naar de deur bleef ik staan en zei zachtjes tegen Goin: ‘Hou haar uit de buurt van Allen, wilt u.’ Goin knikte. ‘En hou haar in godsnaam ook uit de buurt van Darling Mary.’ Hij keek me aan met alle verbazing waartoe hij maar in staat was. ‘Dat kind?’ ‘Dat kind. Zij is de volgende op het lijstje van de attenties van juffrouw Haynes. Dat wil zeggen, als juffrouw Haynes voldoende gekalmeerd is om op die gedachte te komen.’ Ik ging weg in gezelschap van hetzelfde viertal van daarnet. Conrad, de laatste die naar buiten kwam, sloot de deur achter zich en zei: ‘Jezus! Mijn charmante tegenspeelster. Wat een feeks is dat!’ ‘Ze is een beetje overstuur,’ zei ik sussend. ‘Een beetje overstuur! De hemel geve dat ik in het buitenland zit als ze ooit echt kwaad wordt. Wat denk u dat er verdomme met Stryker gebeurd kan zijn?’ ‘Ik heb er geen idee van,’ zei ik, en omdat het donker was hoefde ik mijn woorden niet met een eerlijk gezicht te bekrachtigen. Ik liep wat dichter naar hem toe zodat de anderen, al wat uitgezwermd om rond te speuren, ons niet konden horen. ‘Nu we toch een stel rare snuiters onder elkaar zijn, hoop ik dat een raar verzoek van een andere rare snuiter niet in verkeerde aarde valt.’ ‘U stelt me teleur, dokter. Ik dacht dat u en ik twee van de heel weinige min of meer normale mensen hier waren.’ ‘Naar de hier geldende maatstaven is iedere middelmatige rare snuiter normaal. Weet u iets van Lonnies verleden?’ Hij zweeg even. Vroeg toen: ‘Hij heeft een verleden?’ ‘We hebben allemaal een verleden. Als u denkt dat ik een crimineel verleden bedoel, nee. Een crimineel verleden heeft Lonnie niet. Ik zou alleen weleens willen weten of hij getrouwd was of zoiets. Dat is alles.’ ‘Waarom vraagt u het hem zelf niet?’ ‘Als ik het hem zelf zou kunnen vragen zou ik het dan aan u vragen?’ Weer zweeg hij even. ‘Uw naam is echt Marlow, dokter?’ ‘Marlow, altijd geweest. Christoffel Marlow: paspoort, geboortebewijs, rijbewijs - ze zijn het er allemaal over eens.’ ‘Christoffel Marlow? Net als de toneelschrijver, niet?’ ‘Mijn ouders hadden literaire neigingen.’ ‘Hmmm.’ Hij zweeg weer. ‘Weet u nog wat er met uw naamgenoot is gebeurd - voor zijn dertigste verjaardag door een vriend in de rug gestoken?’ ‘Stil maar. Mijn dertigste verjaardag is al lang iets uit het grijze verleden.’ ‘En u bent werkelijk dokter?’ ‘Ja.’ ‘En u bent ook nog iets anders?’ ‘Ja.’ ‘Lonnie. Huwelijkse staat, kinderen of niet. U kunt op Conrads discretie vertrouwen.’ ‘Bedankt,’ zei ik. We gingen uiteen. We liepen in noordelijke richting, en wel om twee redenen - de wind, en dus de sneeuw, hadden we in de rug en dus kwamen we in die richting makkelijker vooruit, en Allen was uit die richting komen aanwankelen. Ondanks Allens bewering dat hij zich niets herinnerde van wat er gebeurd was, leek het me waarschijnlijk dat we Stryker ook ergens in die richting zouden vinden. En dat bleek ook zo te zijn. ‘Hier! Hierheen!’ Ondanks het smorende effect van de sneeuw klonk Hendriks schreeuw merkwaardig hoog en schor. ‘Ik heb hem gevonden, ik heb hem gevonden!’ Hij had hem inderdaad gevonden. Michael Stryker lag voorover met het gezicht in de sneeuw, armen en benen bijna in volkomen symmetrie uitgestrekt. Beide handen waren tot vuisten gebald. In de sneeuw, naast zijn linkerschouder, lag een gladde ovale steen die zo groot was - het ding moest minstens 30 kg hebben gewogen - dat rolkei misschien een betere benaming was. Ik bukte me diep over deze kei, hield het licht van mijn zaklantaarn er dichtbij, en zag meteen de paar donkere haartjes in de donkere en geronnen bloedvlek. Bewijs als er bewijs nodig was, maar ik had er toch al niet aan getwijfeld dat dit het voorwerp was dat gebruikt was om Strykers achterhoofd te verbrijzelen. Hij moest op slag dood zijn geweest. ‘Hij is dood!’ zei Jungbeck ongelovig. ‘Morsdood,’ zei ik. ‘En vermoord!’ ‘Dat ook.’ Ik probeerde hem op zijn rug te wentelen maar Conrad en Jungbeck moesten al hun niet onaanzienlijke gewicht inschakelen voordat dit lukte. Zijn bovenlip was van de neus af gescheurd, er ontbrak een tand en hij had een eigenaardige rode en rauw uitziende plek op zijn rechterslaap. ‘God allemachtig, die twee moeten wel geknokt hebben,’ zei Jungbeck schor. ‘Ik zou niet hebben gedacht dat die knul Allen daartoe in staat was.’ ‘Ik ook niet,’ zei ik. ‘Allen?’ vroeg Conrad. ‘Ik zou erop hebben gezworen dat hij de waarheid vertelde. Zou hij - nou ja, denkt u dat het gebeurd zou kunnen zijn toen hij aan geheugenverlies leed?’ ‘Er kunnen alle mogelijke gekke dingen gebeuren als je een dreun op je kop hebt gehad,’ zei ik. Ik keek naar de grond rondom de dode man, er waren daar voetafdrukken, niet veel, al vervaagd door de jachtsneeuw: uit die hoek hoefden we niet veel hulp te verwachten. Ik zei: ‘Laten we hem terugbrengen.’ Dus droegen we de dode man naar het kamp terug en dat was, ondanks het ongelijke terrein en de sneeuw in ons gezicht, niet zo’n moeilijk karwei als men wel zou denken, en wel om dezelfde reden waarom het mij zo’n moeite had gekost om hem om te wentelen - de ledematen waren al verstijfd - niet door rigor mortis, want daarvoor was hij nog niet lang genoeg dood, maar als gevolg van de intense kou. We legden hem in de sneeuw buiten het hoofdverblijf. Ik zei tegen Hendriks: ‘Ga naar binnen en vraag Goin om een fles cognac - zeg dat ik je heb teruggestuurd om die fles te halen, dat we die cognac nodig hebben om op de been te blijven.’ Het was wel het laatste dat ik ooit zou hebben aanbevolen om iemand in de bittere kou hier buiten warm te houden, maar het was het enige dat me zo gauw te binnen schoot. ‘Zeg tegen Goin - zachtjes - dat-ie hier buiten komt.’ Goin, zich er duidelijk van bewust dat er iets niet in orde was, kwam onverschillig naar buiten drentelen en sloot onverschillig de deur achter zich, maar er was niets onverschilligs aan zijn reactie toen hij Stryker daar zag liggen, het gehavende en marmerwitte gezicht als een doodskop in het felle licht van verscheidene zaklantaarns. Goins eigen gezicht was in het van de sneeuw teruggekaatste lichtschijnsel duidelijk genoeg te zien. De verbijsterde uitdrukking op zijn gezicht kon gespeeld zijn geweest: niet echter dat wegtrekken van het bloed waardoor zijn gezicht bijna net zo bleek was als dat van Stryker. ‘Jezus Christus!’ fluisterde hij. ‘Dood?’ Ik zei niets, draaide met Conrads en Jungbecks hulp de dode man alleen maar opnieuw om. Dit keer was het nog moeilijker. Goin maakte een vreemd keelgeluid maar reageerde verder helemaal niet, ik veronderstel dat hij niet meer kon reageren, hij bleef daar gewoon staan staren terwijl de jachtende sneeuw het windjak, en genadiglijk ook de gapende wond in het achterhoofd van de dode man met een witte laag bedekte. We bleven daar, naar het scheen een hele poos, zo zwijgend op de dode man staan neerstaren: ik besefte, bijna onbewust, dat de steeds meer naar het zuiden omlopende wind in kracht toenam, want de steeds dichter wordende sneeuw joeg nu vrijwel horizontaal over de grond: ik wist de temperatuur niet, maar die moest minstens -30 °C zijn geweest. Ik was me er vaag van bewust dat ik trilde van de kou: om me heen kijkend zag ik dat de anderen dat ook deden. Onze adem bevroor zodra hij met de ijzige lucht in contact kwam, maar de wind blies de ijzige damp weg voor hij zich kon vormen. ‘Een ongeluk?’ vroeg Goin schor. ‘Zou het een ongeluk kunnen zijn geweest?’ ‘Nee,’ zei ik. ‘Ik heb de kei gezien die gebruikt werd om zijn schedel in te slaan.’ Goin maakte weer dat merkwaardige keelgeluid, en ik ging door: ‘We kunnen hem hier niet laten liggen en we kunnen hem niet naar binnen brengen. Ik stel voor dat we hem in de tractorloods leggen.’ ‘Ja, ja, de tractorloods,’ zei Goin. Hij wist werkelijk niet wat hij zei. ‘En wie gaat het Judith Haynes vertellen?’ vervolgde ik. God alleen wist dat ik er niets voor voelde om dat te doen. ‘Wat?’ Hij was nog steeds versuft. ‘Wat zei u?’ ‘Zijn vrouw. Het zal haar moeten worden verteld.’ Als arts veronderstelde ik dat ik het was die het zou moeten doen, maar de beslissing werd me uit handen genomen. De deur werd abrupt opengerukt en Judith Haynes, de twee honden aan weerskanten naast haar enkels, stond daar afgetekend tegen het licht dat uit de deuropening straalde, met Otto en de Graaf vaag zichtbaar achter haar. Ze bleef daar een poosje staan, beide handen elk tegen een deurpost, volkomen roerloos en voor zover ik zien kon zonder enige uitdrukking op haar gezicht, liep toen als een slaapwandelaarster naar voren en boog zich over haar echtgenoot heen. Na een paar ogenblikken richtte ze zich op, keek als verwonderd om zich heen, richtte toen vragend haar ogen op mij, maar slechts heel even, want de vragende ogen rolden in de kassen omhoog en ze zeeg ineen en viel slap dwars over Strykers lichaam voordat ik of iemand anders haar kon opvangen. Conrad en ik, met Goin achter ons aan, brachten haar naar binnen en legden haar op het veldbed waar nog maar zo kort geleden Smithy op had gelegen. De cocker-spaniëls moesten er met geweld van worden weerhouden om bij haar te kruipen. Haar gezicht was krijtwit en ze haalde nauwelijks adem. Ik hief haar rechterooglid op en mijn duim voelde geen enkel verzet: het was alleen maar een automatische reactie van me geweest, het was niet eens in me opgekomen dat de flauwte niet echt was. Ik werd me ervan bewust dat Otto vlak naast me stond, met grote ogen en iets openhangende mond, zijn handen ineengeklemd tot de ivoren knokkels te zien waren. ‘Is er niets met haar?’ vroeg hij schor. ‘Zal ze...’ ‘Ze komt wel weer bij,’ zei ik. ‘Reukzout,’ zei hij. ‘Misschien...’ ‘Nee.’ Reukzout, om haar in versneld tempo weer tot de bittere realiteit terug te brengen die ze onder ogen zou moeten zien. ‘En Michael? Mijn schoonzoon? Hij is - ik bedoel. ..’ ‘U hebt hem gezien,’ zei ik bijna geïrriteerd. ‘Hij is dood, natuurlijk.’ ‘Maar hoe - maar hoe...’ ‘Hij is vermoord.’ Er volgden een paar onwillekeurige uitroepen, het geschokte inhouden van de adem, toen een stilte, en het verstrijken van de seconden werd geaccentueerd door het gesis van de Coleman-lampen. Ik nam niet eens de moeite om op te kijken om te zien wat ieders individuele reactie zou kunnen zijn, want ik wist nu wel dat ik op die manier niets te weten zou komen. Ik keek alleen maar naar de bewusteloze vrouw en wist niet wat ik ervan moest denken. Stryker, de stoere, vlotte, cynische Stryker was, op zijn manier, doodsbang voor deze vrouw geweest. En waarom? Om de macht die ze als Otto’s dochter had uitgeoefend, zijn wetenschap dat zijn bestaan volledig afhing van de onberekenbare grillen - en ik kon me er een paar van indenken - van Judith Haynes? Of om haar pathologische jaloezie die naar ik nu wel wist onmiskenbaar bestond, om haar ongeremde vlagen van ordinaire felheid die konden variëren van irrationeel gekrijs tot dolzinnige razernij, of hield ze hem de dreiging boven het hoofd van een of andere naamloze chantage die hem onmiddellijk op de knieën kon brengen? Had hij, op zijn manier, zelfs van zijn vrouw gehouden en tegen alle hopeloze hoop in gehoopt dat ze ooit nog iets van zijn liefde zou beantwoorden en was hij daarom bereid geweest iedere belediging, iedere vernedering te slikken in de hoop dit of iets daarvan te verwezenlijken? Ik zou het nooit weten, maar de vragen waren trouwens toch louter academisch, nu Stryker me geen zorgen meer baarde, ik overdacht ze alleen maar omdat ik me afvroeg op welke wijze ze enig licht zouden kunnen werpen op de volslagen onverwachte reactie van Judith Haynes op Strykers dood. Ze had hem veracht, ze moest hem hebben veracht om zijn afhankelijkheid van haar, zijn zwakheid, zijn deemoedige aanvaarding van beledigingen, de angst die hij voor mij had laten blijken, om de leegheid en loosheid die achter een zo indrukwekkend mannelijke fa?ade schuilgingen. Maar had ze tegelijkertijd van hem gehouden, hem liefgehad om wat hij geweest was of had kunnen zijn, of was ze alleen maar troosteloos om het verlies van haar geliefkoosde zondebok, de enige ziel ter wereld op wie ze met zekerheid wist haar nukken en grillen in onbeschaamde ongeremdheid te kunnen spuien? Zelfs zonder dat ze zich daarvan bewust was, was hij misschien een integraal, een onmisbaar deel van haar bestaan geworden, een arglistig ingeweven draad in het weefsel van haar wezen, altijd afhankelijk, altijd aanwezig, altijd bij de hand als ze hem het meest nodig had zelfs al was dat alleen maar om het grauwe gif te absorberen dat haar brein aanvrat. Zelfs de meest bezoedelde hoeksteen kan het meest vervallen gebouw steunen: neem die steen weg en het huis stort in. De traumatische reactie op Strykers dood zou, paradoxaal genoeg, de doorslaggevende manifestatie kunnen zijn van een volledige en onverbeterlijke zelfzuchtigheid: het tot nu toe niet gerealiseerde besef dat ze de beklagenswaardigste van alle wezen was, een volslagen eenzaam mens. Judith Haynes bewoog zich even en haar ogen knipperden open. De herinnering kwam terug en ze huiverde. Ik hielp haar in zittende houding en ze keek versuft om zich heen. ‘Waar is hij?’ Ik moest me inspannen om de woorden te horen. ‘Alles is goed, juffrouw Haynes,’ zei ik, en alleen maar om die onnozele opmerking wat meer kracht te geven: ‘We zullen voor hem zorgen.’ ‘Waar is hij?’ kreunde ze. ‘Hij is mijn man, mijn man. Ik wil hem zien.’ ‘Beter van niet, juffrouw Haynes.’ Goin kon verrassend zachtmoedig zijn. ‘Zoals dokter Marlow zegt, we zullen alles verzorgen. Je hebt hem al gezien en het heeft geen zin...’ ‘Breng hem binnen. Breng hem binnen.’ Een levenloze stem maar een onbedwingbare wil. ‘Ik moet hem zien.’ Ik stond op en liep naar de deur. De Graaf versperde me de weg. Zijn scherp getekend, aristocratisch gezicht weerspiegelde een mengeling van afkeer en afgrijzen. ‘Dat kunt u niet doen. Het is te afgrijselijk.’ ‘Wat dacht u dat ik het vond?’ Ik voelde me razend, maar ik weet dat mijn stem niet zo klonk, ik geloof dat er in mijn stem alleen maar vermoeidheid doorklonk. ‘Als ik hem niet binnenbreng, gaat zij gewoon weer naar buiten. En het lijkt me geen gunstige nacht om buiten te zijn.’ Dus brachten we hem naar binnen, weer met ons drieën: Jungbeck, Conrad en ik, en we legden hem op zijn rug zodat de verschrikkelijke wond in het achterhoofd niet te zien was. Judith Haynes stond van haar veldbed op, liep langzaam als een slaapwandelaarster naar hem toe en zonk op haar knieën. Roerloos bleef ze zo een poosje naar hem zitten kijken, toen strekte ze haar hand uit en streelde zachtjes het gewonde gezicht. Niemand zei iets, niemand bewoog zich. Niet zonder inspanning trok ze zijn rechterarm dicht tegen zijn zijde aan, wilde hetzelfde doen met zijn linkerarm, maar merkte dat de vuist nog steeds gebald was en wrong zijn hand voorzichtig open. Er lag een bruin cirkelvormig voorwerp in de palm van zijn hand. Ze nam het eruit, legde het in de palm van haar eigen hand, richtte zich op -nog steeds op haar knieën - en zwaaide langzaam in een halve cirkel rond om ons te laten zien wat ze in haar hand had. Toen, haar hand naar hem uitgestrekt, keek ze Allen aan. We keken allemaal Allen aan. De bruinieren knoop in haar hand kwam overeen met de paar knopen die nog aan Allens gescheurde jas zaten.