Bereneiland

1

 

Zelfs de minst fijngevoelige en opmerkzame beschouwer van de Morning Rose, in dit stadium van haar lange en veelbewogen leven, moest wel de indruk krijgen dat de naam slecht gekozen was, want als ooit van een schip kon worden gezegd dat ze zo ongeveer, zo niet daadwerkelijk, op haar laatste benen liep, dan gold het wel voor deze schuit. Oorspronkelijk ontworpen als voor de Poolwateren bestemde stoomtreiler, was de Morning Rose - 560 brt., 52 meter lang, 9 dwarsscheeps, en met een diepgang, ongeladen maar volledig voorzien van brandstof en water, van 4,30 meter - al in 1926, het jaar van de Grote Staking, te water gelaten. De Morning Rose was dus al ver voorbij de pensioengerechtigde leeftijd, ze was traag, wankel, gammel tot in al haar krakende botten. Hetzelfde gold voor kapitein Imrie en meester Stokes. De Morning Rose verbruikte kolossale hoeveelheden brandstof die in geen verhouding stonden tot de geproduceerde energie. Hetzelfde gold voor kapitein Imrie en meester Stokes, moutwhisky voor kapitein Imrie, Jamaicarum voor meester Stokes. En daar waren ze nu mee bezig, brandstof innemen met de vastberaden toewijding van degenen die niet zo maar toevallig de leeftijd der sterken hebben bereikt. Voor zover ik zien kon nam het handjevol eters aan de twee lange tafels nauwelijks iets in. Hier was natuurlijk een reden voor, dezelfde reden die de geringe belangstelling voor het diner die avond verklaarde. Het lag niet aan het eten dat, hoewel het in de keukens van het Savoy beslist geen slapeloze nachten zou veroorzaken, alleszins redelijk was, en het had ook niets te maken met enigerlei esthetische bezwaren die onze lading van creatieve kunstenaars zou hebben kunnen koesteren jegens het interieur van de eetsalon dat naar alle maatstaven werkelijk subliem kon worden genoemd: het was een symfonie in teakhouten meubilair en wijnrode tapijten en gordijnen, niet iets, dat men, het zij toegegeven, op de gemiddelde treiler zou verwachten, maar de gemiddelde treiler heeft dan ook, als haar visdagen voorbij zijn - hetgeen voor de Morning Rose in 1956 het geval geweest moest zijn - niet het geluk om tot een van nieuwe motoren voorzien luxejacht te worden omgebouwd, door een scheepsmiljonair nog wel wiens enthousiasme voor de zee slechts geëvenaard werd door zijn totale onkunde van nautische zaken. Nee, de moeilijkheid lag vanavond elders, niet in het schip maar erbuiten. Driehonderd mijl ten noorden van de Poolcirkel, waar we het twijfelachtige geluk hadden ons op dat moment te bevinden, kunnen de weersomstandigheden net zo verrukkelijk vredig zijn als waar ook op aarde, met spiegelgladde, melkachtig witte zeeën die zich van horizon tot horizon uitstrekken onder een koepel van strakgespannen blauw, of van sterren die minder sterren zijn dan wel stukjes bevroren vuur in een zwarte, diepzwarte hemel. Maar die dagen zijn zeldzaam en komen doorgaans alleen voor in die korte periode die op deze hoge breedten voor zomer doorgaan. En wat er aan zomer geweest was, behoorde al lang tot de verleden tijd. We waren nu al ver in oktober, de periode van de klassieke tropische stormen, en net op dat moment was er zo’n echte klassieke tropische schoonheid op komst. Moxen en Scott, de twee hofmeesters, hadden de gordijntjes van de eetsalon voorzichtig dichtgeschoven zodat we niet goed konden zien hoe klassiek het allemaal wel was. We hoefden het helemaal niet te zien. We konden het horen en we konden het voelen. We konden de dreigende doodszang van de storm horen in het want, een hoog, loeiend, atonisch geluid, angstaanjagend en verlaten en griezelig als de klaagroep van een heks. We konden, met monotoon regelmatige tussenpozen, de knallende klappen horen waarmee de stompe boeg van de treiler in de diepe dalen smakte van de steilwandige golven die staag oostwaarts rolden onder de gesel van die felle wind, afkomstig van de uitgestrektheid van de ijskap van Groenland, volle zevenhonderd mijl ver weg. We konden het constant veranderende geluid van de motoren horen als de schroef oprees, bijna boven het water uit; om dan weer diep in de zee te worden gedompeld. En we konden de storm voelen, een feit dat de meeste aanwezigen kennelijk heel wat onaangenamer vonden dan er alleen maar naar te luisteren. Het ene ogenblik leunden we, en dat hing ervan af aan welke kant van de lange tafels we zaten, scherp naar links of rechts opzij als de boeg opsprong en tegen de zijkant van een golf optornde: het volgende ogenblik hingen we weer even scherp naar de andere kant over, als het achterschip, op zijn beurt, hoog werd opgeheven op de kam van dezelfde golf. Om alle ellende en ongemak hiervan nog te verergeren stortten achter de damastgordijntjes de aaneengesloten rijen golven zich brekend in een langzaam maar onheilspellend tumultueuzer wordende watermassa die de voor ieder vissersvaartuig, en dus ook voor de Morning Rose, zo typische neiging om te gaan rollen voortdurend op heftige wijze accentueerde zodat het er veel van weg had dat we in een schuimende molenkolk ronddobberden. De twee verschillende bewegingen, lateraal en transversaal, produceerden gezamenlijk een onaangenaam kurkentrekkereffect. Aangezien ik de afgelopen acht jaren grotendeels op zee had doorgebracht, ervoer ikzelf hoegenaamd geen verontrustende symptomen, maar ik hoefde geen dokter te zijn - wat ik blijkens mijn papieren was - om de symptomen van zeeziekte te onderkennen. Het fletse lachje, de blik angstvallig afgewend van alles wat maar op voedsel leek, het kennelijk geheel opgaan in wat er in het eigen lichaam gebeurde, alle tekenen waren er volop. Zeeziekte - altijd een op de lachspieren werkend onderwerp, tot je er zelf aan ten prooi valt: dan is het opeens helemaal niet grappig meer. Ik had voldoende dramamine uitgedeeld om ze allemaal zo geel als saffraan te maken, maar dramamine is tegen een poolstorm ongeveer net zo effectief als een aspirientje tegen cholera. Ik keek rond, benieuwd wie de eerste zou zijn die wegrende. Antonio, dacht ik, die lange, slanke, tengere, nogal precieuze maar merkwaardig sympathieke Italiaan met die al even woeste als lachwekkende blonde en krullende haardos. Het is een feit dat als iemand dat dieptepunt van misselijkheid nadert, de onvermijdelijke prelude die voorafgaat aan heftig braken, de gelaatskleur een tint krijgt die alleen maar kan worden beschreven als groenachtig: in Antonio’s geval was het meer een tint van appelgroene chartreuse, een vreemde kleur die ik nooit eerder had gezien, maar ik schreef dit toe aan zijn van nature al ziekelijkbleke uiterlijk. In ieder geval viel er niet aan te twijfelen dat dit het echte symptoom van de echte ziekte was: weer zo’n bijzonder zware rolling en Antonio vloog overeind en rende de eetsalon uit - voor zover hij met zijn landrotbenen op dat stampende dek kón rennen - zonder afscheid te nemen of zich te verontschuldigen. De macht van de suggestie is zo groot dat binnen enkele seconden en bij de eerstvolgende rolling drie andere passagiers, twee mannen en een meisje, haastig opstonden en wegliepen. En de macht van de suggestie brengt zulk een sneeuwbaleffect teweeg dat er twee minuten later, behalve kapitein Imrie, meester Stokes en ikzelf, nog maar twee anderen over waren: de heren Gerran en Heissman. Kapitein Imrie en meester Stokes, gezeten aan het hoofd van hun respectieve en nu vrijwel verlaten tafels, sloegen het haastige vertrek van de laatste zeezieke gade, keken elkaar lichtelijk verbaasd aan, schudden het hoofd en gingen door met het innemen van brandstof. Kapitein Imrie, een grote en imposant patriarchale figuur met doordringende blauwe ogen waar hij niet zo erg veel mee kon zien, had een dikke witte haardos, achterovergekamd tot op zijn schouders, en een nog indrukwekkender golvende baard die niet alleen het vlinderdasje dat hij bij voorkeur aan tafel droeg volledig aan het oog onttrok, maar de afgunst van menige bijbelse profeet zou hebben opgewekt: zoals altijd droeg hij een colbert-met-overslag met koperen knopen en de brede witte band van een commandeur van de Koninklijke Marine waartoe hij niet gerechtigd was, en, ten dele verborgen door de grandeur van zijn baard, vier rijen onderscheidingslintjes, waartoe hij wel gerechtigd was. Nu, nog steeds hoofdschuddend, tilde hij zijn fles whisky uit de houder - pas deze avond had ik het deel begrepen van die zestig centimeter hoge smeedijzeren constructie die naast zijn stoel op de vloer van de salon was vastgeschroefd - vulde zijn glas bijna helemaal en voegde er de te verwaarlozen hoeveelheid water aan toe die nodig was om het tot aan de rand vol te maken. Het was juist op dit ogenblik, dat de Morning Rose ongewoon steil oprees op de kam van een golf, zo een onmogelijk lange poos bleef hangen, en toen naar voren en opzij helde om met een daverende klap tegen de volgende golf te smakken. Kapitein Imrie morste geen druppeltje: hij had net zo goed in de gelagkamer van de Mainbrace in Huil kunnen zitten, waar ik hem voor het eerst ontmoet had. Hij sloeg de helft van de inhoud van zijn glas in één teug achterover en pakte zijn pijp. Kapitein Imrie was de kunst om op zee gracieus te dineren al lange tijd meester. De heer Gerran kennelijk niet. Hij staarde met een verdrietige trek op zijn gelaat omlaag naar zijn lamskotelet, spruitjes, aardappeltjes en glas Rijnwijn die zich niet bevonden waar ze zich hoorden te bevinden -alles lag op zijn servet en zijn servet lag op zijn schoot. Dit was, in alle bescheidenheid, een crisis, en van Otto Gerran kon nauwelijks worden gezegd dat hij op zijn allerbest was wanneer hij met enigerlei soort crisis werd geconfronteerd. Maar voor de jonge Moxen, de hofmeester, was dit iets heel gewoons: met zijn eigen servet behulpzaam gereed en met behulp van een plastic bakje dat hij schijnbaar uit het niets te voorschijn had getoverd, toog hij aan het werk om de schade te herstellen terwijl Gerran met een uitdrukking van verbaasde walging omlaag staarde. Zoals hij daar zat, zag Otto Gerran, afgezien van zijn merkwaardig smalle, puntige schedel die uitwaaierde in brede, vlezige kaken, eruit alsof hij gemodelleerd was in een van die standaardgietvormen waaruit de overgrote meerderheid van het mensdom voortkomt: pas als hij opstond, een prestatie die hij met grote moeite en zo min mogelijk volvoerde, merkte je hoe voorbarig deze misvatting was. Gerran mat in zijn schoenen met opgehoogde zolen eenmetervijfenvijftig, woog tweehonderd vijfenveertig pond en kwam, behoudens zijn uitermate slecht passende kleren - je zou denken dat de kleermaker het gewoon maar had opgegeven - de menselijke bolvorm meer nabij dan ik ooit gezien had. Hij had geen nek, lange slanke gevoelige handen en de kleinste voeten die ik ooit bij een man van zijn omvang gezien heb. Toen de reddingsoperatie voltooid was, keek Gerran naar Imrie op. Zijn gelaatskleur was paarsbruin, meer paars dan bruin. Dit betekende niet dat hij woedend was, want Gerran toonde nooit woede en werd algemeen geacht daartoe niet in staat te zijn: paarsbruin was voor hem al even normaal als de perzik-en-crèmekleur van de mythische Engelse roos. Zijn hartaanval was al minstens vijftien jaar over tijd. ‘Werkelijk, kapitein Imrie, dit is belachelijk.’ Voor een man van zijn kolossale omvang had Gerran een verrassend hoge stem: dat wil zeggen, verrassend als je geen medicus was. ‘Moeten we in deze vreselijke storm blijven doorvaren?’ ‘Storm?’ Kapitein Imrie zette zijn glas neer en keek Gerran vol oprecht ongeloof aan. ‘Zei u "storm"? Zo’n windstootje als dit?’ Hij keek naar de tafel waar ik met meester Stokes aan zat. ‘Windkracht zeven, dacht u niet, meneer Stokes? Tegen acht aan, misschien?’ Meester Stokes schonk nog wat rum in zijn glas, leunde achterover en dacht na. Hij was evenzeer van schedel- en gezichtshaar verstoken als kapitein Imrie er overmatig mee begiftigd was. Met zijn glanzende schedel, verwrongen bruin gezicht vol duizenden rimpeltjes, en lange magere hals leek hij zo oud en leeftijdloos als een zeeschildpad. Hij bewoog zich ook ongeveer met dezelfde snelheid voort. Hij en kapitein Imrie waren samen naar zee gegaan - aan boord van een mijnenveger, ongelooflijk lang geleden: gedurende de Eerste Wereldoorlog - en ze waren samen blijven varen tot ze tien jaar geleden officieel met pensioen waren gegaan. Niemand, aldus de legende, had hen elkaar ooit anders horen aanspreken dan als kapitein Imrie en meneer Stokes. Sommigen zeiden dat ze, onder vier ogen, wel eens de termen schipper en meester (meester Stokes was de hoofdmachinist) gebruikten, maar dit werd weggewimpeld als een ongegrond en lasterlijk gerucht dat geen van beiden recht deed wedervaren. Er gingen enkele ogenblikken voorbij, en toen deed meester Stokes mededeling van de conclusie waartoe hij na rijp beraad gekomen was. ‘Zeven’ zei hij. ‘Zeven’. Kapitein Imrie aanvaardde het oordeel zonder enige aarzeling alsof een orakel gesproken had, en schonk zijn glas opnieuw vol: ik dankte de goden, welke dan ook, voor de oneindig geruststellende aanwezigheid van Smithy, de stuurman, op de brug. ‘Ziet u nou wel, meneer Gerran? Niks aan de hand.’ Aangezien Gerran zich op dat moment wanhopig vastklampte aan een tafel die helde met een hoek van dertig graden, gaf hij geen antwoord. ‘Een storm? Lieve help, lieve help. Ha, ik weet nog die eerste keer dat meneer Stokes en ik met de "Morning Rose" naar de visgronden bij het Bereneiland gingen, de allereerste treiler die ooit in die wateren ging vissen en met volle ruimen terugkwam. Dat was in 1928, geloof ik.’ ‘1929,’ zei meester Stokes. ‘1929.’ Kapitein Imrie richtte zijn helderblauwe ogen op Gerran en Johann Heissman, een kleine, magere, bleke man met een blijvend verontruste gelaatsuitdrukking: Heissmans handen lagen nooit stil. ‘Nou, dat was wat je noemt een storm! We waren samen met een treiler uit Aberdeen, de naam ben ik vergeten. ..’ ‘De Jean Plaidy,’ zei meester Stokes. ‘De Jean Plaidy. Machinepech bij windkracht tien. Twee uren lag ze dwars op de golven, het duurde twee uur voor we een lijn aan boord konden krijgen. Haar schipper - haar schipper -’ ‘MacAndrew, John MacAndrew.’ ‘Dank u, meneer Stokes, brak zijn nek. Hebben zijn schuit - en hem met zijn gebroken nek in spalken - dertig uur lang gesleept bij windkracht tien, waarvan vier bij windkracht elf. Man, die zee had je es motte zien. Ik zal je zeggen, het waren bergen, die golven, gewoon bergen. De boeg tien meter omhoog en omlaag, omhoog en omlaag, en maar dwars overrollen uur na uur, terwijl iedereen behalve meneer Stokes en ik z’n ingewanden uitkotste.. .’ Hij zweeg abrupt toen Heissman haastig opstond en de salon uitrende. ‘Is uw vriend niet in orde, meneer Gerran?’ ‘Zouden we niet kunnen bijdraaien of hoe heet dat wat jullie doen,’ vroeg Gerran. ‘Of gauw ergens gaan schuilen?’ ‘Schuilen? Schuilen waarvoor? Stel je voor, ik weet nog...’ ‘Meneer Gerran en zijn gezelschap hebben niet hun hele leven op zee doorgebracht, kapitein,’ zei ik. ‘Da’s waar, da’s waar. Bijdraaien? Met bijdraaien zet je die golven niet stil. En de dichtstbijzijnde schuilplaats is Jan Mayen - en da’s driehonderd mijl naar het westen - tegen de bui in.’ ‘We zouden voor de bui uit kunnen gaan. Dat zou het toch zeker wat makkelijker maken?’ ‘Aye, dat zouden we kunnen doen. Ze zou dan wat vaster gaan liggen, geen twijfel an. Als u dat wilt, meneer Gerran, u weet wat er in het contract staat - de gezagvoerder moet alle orders opvolgen voor zover ze de schuit niet in gevaar brengen.’ ‘Mooi, mooi. Vooruit dan.’ ‘U beseft, natuurlijk, meneer Gerran, dat dit windje nog wel eens een dag of zo zou kunnen aanhouden?’ Met verlossing uit de huidige ellende praktisch voor de deur veroorloofde Gerran zich een flauw glimlachje. ‘We hebben de grillen van moeder natuur niet in de hand, kapitein.’ ‘En dat we een draai van bijna negentig naar het oosten zullen moeten maken?’ ‘In uw veilige handen, kapitein.’ ‘Ik geloof niet dat u het helemaal begrijpt. Het zal ons twee, misschien drie dagen kosten. En als we naar het oosten gaan, het weer ten noorden van Kaap Noord is meestal slechter dan hier. Het zou wel eens kunnen wezen dat we Hammerfest moeten binnenlopen om te schuilen. Kan ons wel een week kosten, meer misschien. Ik weet niet hoeveel honderden ponden het u per dag kost om schip en bemanning te huren en uw eigen cameraploeg en al die acteurs en actrices te betalen - ik heb wel eens gehoord dat sommigen van die mensen die jullie sterren noemen in de tijd van een scheet een fortuin kunnen verdienen. . .’ Kapitein Imrie zweeg en duwde zijn stoel achteruit. ‘Wat klets ik? Geld betekent niks voor een man als u bent. Als u me even wilt excuseren, dan ga ik de brug bellen.’ ‘Wacht.’ Gerran leek geschrokken. Zijn vrekkigheid was in de hele filmwereld legendarisch en kapitein Imrie had - niet onopzettelijk, dacht ik - zijn teerste snaar geraakt. ‘Een week! Een hele week achterop?’ ‘Als we geluk hebben.’ Kapitein Imrie schoof zijn stoel weer naar de tafel toe en strekte zijn hand uit naar de whisky. ‘Maar ik ben al drie dagen kwijt. De Orkney’s, de zee, de "Morning Rose" - nog geen meter gefilmd.’ Gerrans handen waren niet te zien, maar het zou me niet verbaasd hebben als hij ze zat te wringen. ‘En uw regisseur en cameramensen vier dagen lang lekker lui op hun rug,’ zei kapitein Imrie vol medeleven. Het was onmogelijk te zeggen of er achter de overvloedige weelde van snor en baard een lachje schuilging. ‘De grillen van moeder natuur, meneer Gerran.’ ‘Drie dagen,’ herhaalde Gerran. ‘Misschien nog een week. En dat met een budget voor drieëndertig dagen, uit en thuis.’ Otto Gerran zag er ziek uit, het was duidelijk dat zowel de toestand van zijn maag als van zijn filmfinanciën hem zwaar op de proef stelde. ‘Hoe ver is het naar Bereneiland, kapitein Imrie?’ ‘Driehonderd mijl, als het een beetje meezit. Achtentwintig uur, als we onze topsnelheid kunnen aanhouden.’ ‘Die kunt u toch aanhouden?’ ‘Ik dacht niet aan de "Morning Rose". Die kan alles aan. Het gaat om uw mensen, meneer Gerran. Ik heb niks tegen ze, natuurlijk, maar ik heb zo’n idee dat ze zich meer thuis voelen op een waterfiets in een vakantievijvertje.’ ‘Ja, natuurlijk, natuurlijk.’ Het was duidelijk te zien dat dit aspect van de zaak nog maar net tot hem was doorgedrongen. ‘Dokter Marlow, u moet tijdens uw jaren bij de Marine heel wat gevallen van zeeziekte hebben behandeld.’ Hij zweeg even, maar toen ik dat niet ontkende, ging hij door: ‘Hoelang duurt het voor mensen van dit soort ziekte hersteld zijn?’ ‘Hangt ervan af hoe ziek ze zijn.’ Ik had hier nooit over nagedacht, maar het leek me een heel logisch antwoord. ‘Hoelang ze ziek zijn geweest en hoe erg. Negentig barre minuten tijdens een reisje over het Kanaal en je bent in tien minuten weer kiplekker. Vier dagen in een storm op de Atlantische Oceaan en je hebt er net zo lang voor nodig om weer rechtop te kunnen lopen.’ ‘Maar mensen gaan niet echt dood aan zeeziekte, is het wel?’ ‘Daar heb ik nog nooit van gehoord.’ Ondanks al zijn gebruikelijke besluiteloosheid en vrij veelvuldige stunteligheid waardoor de mensen geneigd waren hem uit te lachen - heimelijk, natuurlijk, en achter zijn rug - was Otto, realiseerde ik me voor het eerst en met vage gevoelens van verbazing, in staat tot een vastbeslotenheid die wel eens aan roekeloosheid zou kunnen grenzen. Heeft iets met geld te maken, veronderstelde ik. ‘Dat wil zeggen, niet aan de ziekte zelf. Maar als iemand die al een hartkwaal heeft, ernstig astmapatiënt is, aan bronchitis lijdt en maagzweren heeft - nou ja, als zo iemand zeeziek wordt, dan zou hij er weleens aan kunnen bezwijken.’ Hij zweeg een paar ogenblikken, terwijl hij in gedachten vermoedelijk snel de lichamelijke conditie van spelers en filmploeg naging, en toen zei hij: ‘Ik moet toegeven dat ik een beetje bezorgd ben over onze mensen. Ik vraag me af of u ze eens zou willen bekijken, gewoon even een snel onderzoek? Gezondheid is verdomme wel iets belangrijker dan de winst - ha! winst, in deze tijd zeker! - die we met deze rotfilm zouden kunnen maken. Ik ben er zeker van dat u het als arts daar van harte mee eens bent.’ ‘Natuurlijk,’ zei ik. ‘Ik zal het meteen doen.’ Otto moest iets hebben dat hem tot de befaamde organisator had gemaakt die hij de laatste twintig jaar geworden was, en je moest wel bewondering hebben voor deze kolossale en allerminst bewonderenswaardige hypocrisie die daar duidelijk een deel van was. Hij had me in alle opzichten in de tang. Ik had gezegd dat zeeziekte alleen niet dodelijk was, zodat hij, als ik categorisch zou moeten verklaren dat iemand van zijn ploeg niet in een toestand was om opgewassen te zijn tegen verdere excessen van weer en wind, zou aandringen op bewijs van het bestaan van de een of andere kwaal, die, in samenhang met zeeziekte potentieel dodelijk zou kunnen zijn, een bewijs dat ik, om te beginnen, bijzonder moeilijk zou kunnen leveren gezien de beperkte onderzoekfaciliteiten die me aan boord ter beschikking stonden, en dat in de tweede plaats gewoon onmogelijk zou zijn omdat ieder lid van de filmploeg voor het vertrek uit Engeland aan een streng medisch onderzoek onderworpen was geweest met het oog op de verzekering: als ik ze allemaal kerngezond zou verklaren, zou Otto ons met alle kracht naar Bereneiland voortjagen, zonder acht te slaan op de lichamelijke ellende van ‘onze mensen’ over wie hij zich zogenaamd zo bezorgd maakte, daarmee een aanzienlijke besparing aan tijd en geld boekend: en mocht het onwaarschijnlijke geval zich voordoen dat een hunner onverhoopt onder onze handen zou sterven, nu ja, dan zou ik, als de man die het sein op veilig had gezet, ter verantwoording worden geroepen. Ik leegde mijn glas inferieure cognac die Otto in zulke magere beetjes liet uitschenken, en stond op. ‘U bent straks nog hier?’ ‘Ja. Erg vriendelijk van u, dokter, bedankt voor uw medewerking.’ ‘Graag gedaan,’ zei ik.

*** 

Ik begon Smithy wel sympathiek te vinden, ofschoon ik hem nauwelijks kende of iets van hem wist: ‘t zag er niet naar uit dat ik hem ooit zou leren kennen, niet goed, tenminste. Dat ik hem ooit beroepshalve zou leren kennen, was ondenkbaar: ik had nog nooit een onwaarschijnlijker gegadigde voor een doktersspreekkamer gezien als deze Smithy met zijn lengte van ruim eenmetervijfentachtig en gewicht van minstens tweehonderd pond. ‘In de eerste-hulp-kast daar.’ Smithy knikte naar een kast in een hoek van de vaag verlichte stuurhut. ‘Kapitein Imrie’s eigen privé-elixer. Uitsluitend voor noodgevallen.’ Ik trok een van de zes flessen tevoorschijn die door met vilt beklede veerklemmen op hun plaats werden gehouden, en bekeek de fles onder de lamp van de kaartentafel. Mijn achting voor Smithy steeg opnieuw. Op zo’n zeventig graden noorderbreedte en aan boord van een aftandse treiler, hoe fraai ook omgebouwd, verwacht je nu eenmaal geen Otard-Dupuy VSOP te vinden. ‘Wat noemt u een noodgeval?’ vroeg ik. ‘Dorst.’ Ik schonk wat van de Otard-Dupuy in een klein glas en bood het Smithy aan die zijn hoofd schudde en me gadesloeg terwijl ik de cognac keurde en toen met gepaste eerbied het glas liet zakken. ‘Om dit aan dorst te verspillen, zei ik, ‘is een misdaad tegen de natuur. Kapitein Imrie zal niet erg blij zijn als hij hier boven komt en mij bezig vindt zijn speciale reservevoorraad soldaat te maken.’ ‘Kapitein Imrie is een man die naar vaste regels leeft. En een van de meest vaste daarvan is dat hij nooit tussen acht uur ‘s avonds en acht uur ‘s morgens op de brug komt. Oakley - da’s de bootsman - en ik doen om beurten de nachtwacht. Geloof me, op die manier is het voor ons allemaal veiliger. Wat voert u naar de brug, dokter, afgezien van uw trefzekere speurneus om VSOP te lokaliseren?’ ‘Plicht. Ik wil me van de weersgesteldheid vergewissen alvorens me te vergewissen van de gezondheid van de loonslaven van meneer Gerran. Hij is bang dat ze weleens als vliegen zouden kunnen sterven als we onder deze omstandigheden op deze koers blijven doorvaren.’ De omstandigheden, had ik opgemerkt, schenen nog te verslechteren, want het gedrag van de ‘Morning Rose’, met name de mate waarin ze stampte en rolde was nu beslist onplezieriger dan totnogtoe: misschien kwam het alleen maar door de hoogte van de brug maar dat geloofde ik toch niet. ‘Meneer Gerran had u thuis moeten laten en zijn koffiedikkijkster of waarzegster mee moeten nemen.’ Smithy, een erg bedaarde man, ontwikkeld en kennelijk intelligent, scheen altijd een beetje geamuseerd te zijn. ‘Wat het weer betreft, het weerbericht van zes uur was zoals het meestal voor deze streken is, vaag en niet erg bemoedigend. Ze hebben’, voegde hij er ten overvloede aan toe, niet zo erg veel weerstations in deze buurt.’ ‘Wat denkt u ervan?’ ‘Er komt geen verbetering.’ Het weer had voor hem afgedaan, en hij glimlachte. ‘Ik ben niet zo’n erg gezellige prater maar wie heeft dat met die Otard-Dupuy nog nodig? Neem er een uurtje uw gemak van en ga meneer Gerran dan vertellen dat al zijn loonslaven, zoals u ze noemt, op het achterdek een dansfeest houden.’ ‘Ik heb zo’n vermoeden dat meneer Gerran erg argwanend is en dat wel eens met eigen ogen zou willen zien. Niettemin - als ik zo vrij mag zijn?’ ‘Ga uw gang.’ Ik schonk mezelf nog eens in en zette de fles weer in de kast. Smithy was, zoals hijzelf al gezegd had, niet erg spraakzaam, maar de stilte beviel met best. Opeens vroeg hij: ‘U bent van de marine, is ‘t niet, Doe?’ ‘Geweest.’ ‘En nu dit?’ ‘Een beschamende afgang. Vindt u niet?’ ‘Eén-nul.’ Ik kon vaag het wit van zijn tanden zien toen hij in het halfduister glimlachte. ‘Medisch wangedrag, penicilline aan de inlanders verpatst of alleen maar dronken bij een operatie?’ ‘Nee, niet zo iets buitenissigs. Insubordinatie is het woord dat ze gebruikten.’ ‘Precies. Ik ook.’ Een pauze. ‘Die meneer Gerran van u. Alles in orde met hem?’ ‘Volgens de verzekeringskeuring wel.’ ‘Dat bedoel ik niet.’ ‘U kan niet van me verwachten dat ik kwaadspreek over mijn werkgever.’ Opnieuw dat vaag zichtbare geblikker van witte tanden. ‘Nou ja, dat is ook een soort antwoord op mijn vraag. Maar, nou ja, kijk, de vent moet kierewiet zijn - of is dat een beledigende term?’ ‘Alleen voor psychiaters. Daar praat ik niet mee. Ik vind kierewiet een prima woord. Maar ik zou u erop moeten wijzen dat meneer Gerran een zeer goede naam heeft.’ ‘Als gek?’ ‘Dat ook. Maar ook als filmmaker, producer heet dat.’ ‘Wat is dat voor een producer die met de winter voor de deur een filmploeg meeneemt naar Bereneiland?’ ‘Meneer Gerran wil realisme.’ ‘Meneer Gerran zou z’n bol eens goed moeten laten nakijken. Heeft hij er enig idee van hoe het daar is in deze tijd van het jaar?’ ‘Hij is ook een man met een droom.’ ‘Geen plaats voor dromers in de Barentsz Zee. Hoe die Amerikanen het ooit hebben klaargespeeld om een man op de maan te zetten. ..’ ‘Onze vriend Otto is geen Amerikaan. Hij komt uit Midden-Europa. Als je makers van dromen zoekt of handelaars in dromen dan kun je ze daar vinden - aan de bovenloop van de Donau.’ ‘En de grootste schurken en zwendelaars van Europa?’ ‘Je kan niet alles hebben.’ ‘Hij is een heel eind van de Donau vandaan.’ ‘Otto moest in grote haast weg op een moment dat massa’s mensen in grote haast weg moesten. Dat was het jaar voor de oorlog. Vond zijn weg naar Amerika - waar anders - toen naar Hollywood - alweer, waar anders? Je mag van Otto zeggen wat je wil - en ik ben bang dat een heleboel mensen dat gewoon doen - maar hij heeft een bewonderenswaardig herstellingsvermogen. Hij liet in Wenen een bloeiend filmbedrijf achter en kwam in Californië met niet meer dan wat hij aan zijn lijf had.’ ‘Dat is niet zo weinig.’ ‘Het was toen. Ik heb foto’s gezien. Geen hazewindhond, maar nog altijd zowat 90 pond minder dan wat hij nu weegt. Maar hoe dan ook, binnen een paar jaar - hoofdzakelijk, hoor ik, door op het psychologisch juiste moment van anti-nazisme op anti-communisme over te schakelen -boerde Otto geweldig in de Amerikaanse filmindustrie op basis van een handjevol misselijk makende super-patriottische films, die de critici tot wanhoop en het publiek tot vervoering brachten. Halverwege de jaren vijftig, toen hij voelde aankomen dat de cinematografische zon in Hollywood onderging - je kan dat niet zien maar hij heeft een eigen ingebouwde radar - slonk Otto’s aanbidding voor zijn vaderland al net zo hard als zijn bankrekening en hij verhuisde naar Londen waar hij een aantal avant-gardefilms maakte die de critici tot vervoering, het publiek tot wanhoop en Otto in schulden brachten.’ ‘U schijnt uw Otto te kennen’, zei Smithy. ‘Iedereen die de eerste vijf bladzijden van het prospectus naar deze laatste film heeft gelezen zou zijn Otto kennen. Ik zal u een exemplaar geven. Geen woord over de film, alleen maar Otto. Natuurlijk nergens woordjes als "misselijkmaken" en "wanhoop" en u zult een beetje tussen de regels door moeten lezen. Maar het staat er allemaal in.’ ‘Ik zou graag zo’n exemplaar willen lezen.’ Smithy dacht even na en vroeg toen: ‘Als hij zo in de schuld zit waar komt dan het geld vandaan? Om deze film te maken, bedoel ik.’ ‘Uw beschermde leventje. Een filmproducer zit altijd het dikst in de slappe was als de deurwaarders zich buiten de hekken van de studio verdringen - gehuurde studio, natuurlijk. Wie geeft het geweldigste feest van het hele jaar in het Savoy Hotel, als de banken hun krediet opzeggen en de verzekeringsmaatschappijen hun ultimatums sturen? Onze vriend de grote filmproducer. Het is zo iets als een natuurwet. Blijft u maar liever bij uw schepen, meneer Smith’, voegde ik er vriendelijk aan toe. ‘Smithy’. zei hij. ‘Dus van wiens geld speelt uw vriend mooi weer?’ ‘Niet mijn vriend. Mijn werkgever. Ik heb er geen idee van. Erg gesloten over geldzaken, onze Otto.’ ‘Maar iemand moet er toch zijn. Die hem steunt, bedoel ik.’ ‘Vast wel.’ Ik zette mijn glas neer en stond op. ‘Bedankt voor de gastvrijheid.’ ‘Zelfs nadat hij een hele reeks fiasco’s heeft geproduceerd? Lijkt me gek. Op z’n minst verdacht.’ ‘De filmwereld, Smithy, wemelt van gekke en verdachte mensen.’ Eigenlijk wist ik niet of dit al dan niet waar was, maar als deze scheepslading op enigerlei wijze representatief was voor de filmindustrie, leek het me een zeer redelijke veronderstelling. ‘Of misschien heeft hij gewoon het beste verhaal aller tijden te pakken gekregen.’ ‘Het scenario. Daar zou je misschien best eens gelijk in kunnen hebben, Smithy — maar dat zou je dan meneer Gerran persoonlijk moeten vragen. Afgezien van Heissman, die het geschreven heeft, is Gerran de enige die het heeft gelezen.’ Het was geen factor geweest van de hoogte van de brug. Toen ik naar buiten ging om aan de loefzijde de stuurboordladder af te gaan - er waren op die oude stoomtreiler geen verbindingen binnendoor tussen brug en dek - twijfelde ik er niet meer aan dat het weer inderdaad verslechterd was en zelfs aanzienlijk verslechterd, een feit dat vermoedelijk allang duidelijk zou zijn geweest voor iedereen wiens belangstelling voor de heersende weersomstandigheden niet was geconfronteerd met de oneerlijke uitdaging van Otard-Dupuy. Zelfs aan deze theoretisch beschutte zijde van het schip was de kracht van de bitter koude wind zodanig dat ik me met beide handen aan de sporten van de ladder moest vastklemmen: en met de nu dolzinnig en heftig rollende Morning Rose in zwaaien van bijna 50° - wat al erg genoeg was, maar ik was eens op een kruiser geweest die zwaaien van 100° maakte en ook dat had ik overleefd - had ik best nog een paar armen kunnen gebruiken. Zelfs in de zwartste nacht, en dit was onweerlegbaar een van de zwartste, is het op zee nooit helemaal donker: het moge dan nooit mogelijk zijn om precies de horizonlijn te onderscheiden waar zee en lucht elkaar ontmoeten, maar doorgaans kan je altijd wel een paar graden boven of onder de horizonlijn kijken en met zekerheid zeggen dat daar lucht en hier zee is: want de zee is altijd donkerder dan de lucht. Deze nacht was het volslagen onmogelijk om zoiets te zeggen en dit kwam niet doordat de woest rollende Morning Rose een hoogst onstabiel uitkijkplatform was en ook niet doordat de van het oosten uit aanrollende hoge golven de horizon wel uitermate vormeloos maakten: nee, het kwam allemaal doordat er deze nacht voor het eerst, nog niet ondoordringbaar maar toch wel dicht genoeg om het zicht tot drie kilometer te beperken, een ijsnevel op het zeeoppervlak lag, dat merkwaardige verschijnsel dat men in Noorwegen aantreft waar de ijzige landwinden over de warme fjordwateren trekken of, zoals hier, waar de warme Atlantische lucht over het poolwater trok. Het enige wat ik kon zien, en dat was meer dan genoeg, was dat nu de koppen van de golven, aan lijzijde witgeaderd, werden afgesneden en dat de rollende massa’s zeewater over het voordek van de Morning Rose sloegen, zodat het witte en ijzige schuim aan stuurboord sissend in zee terugsloeg. Een nacht voor warme pantoffels en de open haard. Ik draaide me om en wilde naar de kajuit doorlopen maar botste tegen iemand op die achter de ladder stond en zich daar steunzoekend aan vastklemde. Het gezicht kon ik niet zien want dat ging helemaal schuil achter in de wind wapperend haar, maar, ik hoefde het niet te zien, er was er maar één aan boord met die lange strokleurige krullen en dat was Mary-lief: als ik mocht kiezen wie ik op de Morning Rose het liefst tegen het lijf zou lopen, zou ik mijn keus altijd op Mary-lief hebben laten vallen. ‘Mary-lief’, niet ‘Mary Liefje’. Ik had haar die naam gegeven om haar te onderscheiden van Gerrans scriptgirl die Mary Darling heette. Mary-lief heette eigenlijk Mary Stuart maar ook dat was niet haar werkelijke naam: Ilone Wisniowecki, zo was ze gedoopt, maar heel wijselijk was ze tot de conclusie gekomen dat die naam nu niet bepaald haar grootste troef was om in de filmwereld vooruit te komen. Waarom ze ten slotte een Schotse naam gekozen had wist ik niet: misschien vond ze Stuart gewoon leuk klinken. ‘Mary-lief,’ zei ik, ‘zo laat en met dit weer nog buiten?’ Ik strekte mijn hand uit en streelde even haar wang. Wij dokters kunnen ons van alles permitteren. De huid was ijskoud. ‘Je kan die voorliefde voor frisse lucht ook een beetje te ver drijven. Kom mee, naar binnen.’ Ik nam haar bij de arm - het verbaasde me nauwelijks toen ik merkte dat ze hevig rilde -en ze liep heel volgzaam met me mee. De kajuitdeur gaf rechtstreeks toegang tot de bar die, hoewel vrij smal, over de hele breedte van het schip liep. Achterin bevond zich een ingebouwde kast waarin de drank bewaard werd achter twee glas-in-lood deuren: de barkast was permanent op slot en de sleutel zat in Otto Gerrans zak. ‘U hoeft me niet als een arrestant op te brengen, dokter.’ Zoals gewoonlijk praatte ze met een zachte lage stem. ‘Er zijn grenzen en ik stond trouwens toch op het punt om naar binnen te gaan.’ ‘Wat moest je trouwens daarbuiten doen?’ ‘Zien dokters dat niet altijd meteen?’ Ze wees op de middelste knoop van haar zwarte leren jas en daar maakte ik uit op dat haar ingewanden niet al te vriendelijk reageerden op de rollende capriolen van de Morning Rose. Maar ik begreep ook dat zelfs als de zee spiegelglad was geweest, ze toch daarbuiten op dat ijskoude dek zou hebben gestaan: ze praatte niet veel met de anderen en de anderen niet veel met haar. Ze streek haar verwarde haren uit haar gezicht en ik zag dat ze erg bleek was en dat de uitputting zich onder de bruine ogen op de huid begon af te tekenen. Haar Slavisch gezicht - ze was Letlandse maar gezien de hoge jukbeenderen daarom niet minder Slavisch, dacht ik - was erg mooi, een feit dat vrijuit werd toegegeven en geringschattend haar enige pré werd genoemd. Haar laatste twee films - haar enige twee films -waren volgens zeggen rampen van de allergrootste orde geweest. Ze was een zwijgzaam meisje, koel en zich gereserveerd op een afstand houdend, en ik mocht haar wel, hetgeen me een eenzame eenmansminderheid maakte. ‘Dokters zijn niet onfeilbaar,’ zei ik, ‘tenminste, deze niet.’ Ik keek haar op mijn beste klinische manier scherp aan. ‘Wat doet een meisje als jij eigenlijk in deze streken op dit drijvende museum?’ Ze aarzelde. ‘Da’s een persoonlijke vraag.’ ‘Het medische beroep is een en al persoonlijke vraag. Hoe is het met uw hoofdpijn? Uw maagzweer? Uw slijmbeursontsteking? We weten van geen ophouden.’ ‘Ik heb geld nodig.’ ‘Wij allebei.’ Ik glimlachte tegen haar maar zij glimlachte niet terug, dus ging ik weg en liep de kajuitstrap af naar het eerste tussendek. Hier bevond zich de voornaamste passagiersaccommodatie van de Morning Rose, twee rijen hutten aan weerskanten van de van voor naar achter lopende middengang. Hier waren vroeger de visruimen geweest en hoewel het hele schip bij de verbouwing uitgestoomd, uitgezwaveld en gedesinfecteerd was, stonk het hier nog akelig sterk naar levertraan die te lang in de zon heeft gelegen. Onder gewone omstandigheden was de hele atmosfeer hier al om misselijk van te worden: in deze stormachtige situatie was de stank bepaald niet bevorderlijk voor een snel herstel van zeeziekte. Ik klopte op de eerste deur aan stuurboordkant en ging naar binnen. Johann Heissman, languit en roerloos ter kooi, leek op een kruising tussen een rustend krijgsman en een middeleeuwse bisschop die poseerde voor het stenen beeld dat ten eeuwigen dage het deksel van zijn sarcofaag zou sieren. En inderdaad, met zijn magere wasachtige vingers ineengestrengeld op zijn smalle borst, zijn spitse wasachtige neus naar het plafond wijzend en zijn merkwaardig transparante oogleden gesloten, scheen het beeld van de graftombe in dit geval bijzonder toepasselijk: maar het was een bedrieglijk beeld, want een man overleeft geen twintig jaar in een Sovjet-dwangarbeiderskamp in Oost-Siberië om zo maar aan mal-de-mer te bezwijken. ‘Hoe voelt u zich, meneer Heissman?’ ‘Oh, God!’ Hij sloeg zijn ogen open zonder me aan te kijken, kreunde en sloot ze weer. ‘Hoe voel ik me!’ ‘Het spijt me. Maar meneer Gerran maakt zich bezorgd. . .’ ‘Otto Gerran is een razende idioot.’ Ik vatte het niet op als een aanwijzing van een plotselinge verbetering in zijn fysieke toestand, maar er was geen twijfel aan, ditmaal was zijn stem veel krachtiger. ‘Een zotte gek! Een krankzinnige!’ Hoewel ik in stilte toegaf dat Heissmans diagnose wel zo ongeveer juist was, onthield ik me van commentaar, zij het niet uit gepaste eerbied voor mijn werkgever. Otto Gerran en Johann Heissman waren veel te lang bevriend geweest: ik paste er wel voor op om me op het gladde ijs te wagen dat wellicht tussen hen in lag. Ze kenden elkaar al, voor zover ik had kunnen nagaan uit de tijd toen ze zo’n 40 jaar geleden samen op een of andere obscuur Midden-Europees gymnasium zaten, en waren op het moment van de Anschluss, in 1938, gezamenlijk eigenaar van een betrekkelijk bloeiende filmstudio in Wenen. Het was op dit punt in ruimte en tijd dat ze plotseling, drastisch en, leek het toen, voorgoed, uiteengingen, want terwijl Gerrans onfeilbare instinct zijn vluchtende voetstappen naar Hollywood geleid had, was Heissman ongelukkigerwijs volkomen de verkeerde kant op gevlucht en was pas drie jaar geleden, tot volslagen verrassing van allen die hem gekend hadden en hem al een kwart eeuw dood hadden gewaand, op ongelooflijke wijze opgedoken uit de bittere diepten van zijn langdurige Siberische winter. Hij had Gerran opgespoord en nu scheen hun vriendschap weer even hecht als ooit. Aangenomen werd dat Gerran alles van het hoe en waarom van Heissmans verloren jaren afwist, en als dit inderdaad zo was dan was hij de enige die daar iets van wist, want Heissman sprak, begrijpelijk genoeg, nooit over zijn verleden. Er waren over deze twee mannen slechts twee dingen met zekerheid bekend - dat Heissman, die een twaalftal vooroorlogse scenario’s op zijn naam had staan, de drijvende kracht achter deze tocht naar het poolgebied was, en dat Gerran hem volledig deelgenoot had gemaakt in zijn firma, Olympus Productions. Met het oog op dit alles, leek het mij beter op mijn tellen te passen en mijn commentaar op Heissmans commentaar wijselijk voor me te houden. ‘Als er iets is dat u nodig hebt, meneer Heissman...’ ‘Ik heb niets nodig.’ Hij sloeg zijn transparante oogleden weer open en keek me ditmaal aan met woedende bleekgrijze bloeddoorlopen ogen. ‘Bewaar uw behandeling voor die schoft Gerran.’ ‘Behandeling?’ ‘Hersenoperatie.’ Hij liet vermoeid zijn oogleden zakken en werd weer een middeleeuwse bisschop, dus ik ging maar weg en klopte op de volgende deur. In deze hut bevonden zich twee mannen, de een duidelijk zwaar ziek, de ander al even duidelijk hoegenaamd niet ziek. Neal Divine, de regisseur van het gezelschap, had een rustende houding in het aangezicht van de dood aangenomen, die treffende gelijkenis vertoonde met die van Heissman, en ofschoon hij zelfs op geen mijlen na in gezichtsbereik van de dood was, viel er niet aan te twijfelen dat hij inderdaad erg zeeziek was. Hij keek me aan, forceerde een bleek glimlachje dat half verontschuldiging, half herkenning was, en wendde de blik toen weer af. Ik had met hem te doen zoals hij daar lag, maar eigenlijk had ik al met hem te doen gehad van het ogenblik af dat hij aan boord van de Morning Rose stapte. Hij was een man die helemaal opging in zijn vak, mager, holwangig, nerveus en eeuwig balancerend op wat het scherp van martelende beslissingen scheen te zijn, een man die vrijwel onhoorbaar liep en vrijwel onhoorbaar praatte alsof hij voortdurend bang was dat de goden hem zouden horen. Het zou een maniertje zonder enige betekenis kunnen zijn maar dat geloofde ik niet: geen twijfel aan, hij koesterde een niet aflatende angst voor Gerran, die geen enkele moeite deed om het feit te verhullen dat hij hem als man net zozeer verachtte als hij hem als kunstenaar bewonderde. Waarom Gerran, ontegenzeglijk een man van hoge intelligentie, zich zo moest gedragen, wist ik niet. Misschien behoorde hij tot die verre van kleine groep mensen die er zulk een onuitputtelijke voorraad wrok jegens de mensheid in het algemeen op na houden dat ze geen gelegenheid voorbij laten gaan om er iets van te spuien op de zwakken, de deemoedigen of degenen die niet in de positie zijn om terug te slaan. Misschien was het een persoonlijke kwestie. Ik kende geen van beiden of hun respectieve achtergrond goed genoeg om een passend oordeel te vormen. ‘Aha. Hier is onze grote medicijnman,’ zei een schorre stem achter me. Ik draaide me bedaard om en keek naar de in pyjama geklede man die rechtop in zijn kooi zat, zich met de linkerhand aan een aan het wandschot hangende lus vasthoudend terwijl hij met de andere al even stevig de hals van een whiskyfles omklemde die voor driekwart leeg was. ‘Omhoog gaat het schip en omlaag gaat het schip maar niets zal de goede herder weerhouden van zijn verzorgende taak voor zijn zieke kudde. Drink je een slokje na de maaltijd met me mee, brave man?’ ‘Straks, Lonnie, straks.’ Lonnie Gilbert wist en ik wist en we wisten allebei dat de ander wist dat straks te laat zou zijn, zeven centimeter whisky in Lonnies handen hadden net zoveel hoop op overleving als het laatste schuimpje op het theemiddagje van de dominee, maar aan de conventies en de eer was voldaan. ‘Je was niet aan het diner, dus ik dacht...’ ‘Diner!’ Hij zweeg, onderzocht het woord dat hij zo juist had uitgesproken op stembuiging en intonatie, kwam tot de conclusie dat de geëigende minachting eraan ontbroken had en herhaalde het woord. ‘Diner! Ik heb niets tegen het varkensvoer zelf, wat wel smakelijk genoeg zal zijn voor lieden die mijn esoterisch gehemelte ontberen. Het gaat me om het uur waarop het wordt opgediend. Barbaars. Zelfs Atilla de Hun. . .’ ‘Je bedoelt dat je nog maar nauwelijks je aperitief hebt ingeschonken of de bel gaat?’ ‘Precies. Wat moet een man dan doen?’ Uit de mond van onze bejaarde productieleider was deze vraag zuiver retorisch. Ondanks de helderblauwe babykijkers en onberispelijke uitspraak was Lonnie sinds hij aan boord van de Morning Rose was gestapt niet nuchter geweest: het was in brede kring de vraag of hij de laatste jaren ooit wel eens nuchter was geweest. Niemand - Lonnie het minst van allemaal — scheen zich hierom te bekommeren, maar dit was niet omdat niemand zich om Lonnie bekommerde. Bijna alle mensen zijn in meerdere of mindere mate afhankelijk van hun eigen aard. Lonnie, nu oud wordend na een heel leven in de filmerij, was bezeten van een zeldzaam talent dat nooit tot bloei was gekomen en dit nu ook nooit meer doen zou, want hij was vervloekt - of gezegend - met onvoldoende drang en meedogenloosheid om de top te bereiken, en de mensheid heeft om allerlei niet altijd lofwaardige redenen de neiging haar mislukkelingen te koesteren: en Lonnie, werd gezegd, sprak nooit kwaad van anderen en ook dit verdiepte de genegenheid die iedereen voor hem voelde behalve de minderheid die uit gewoonte van iedereen kwaadsprak. ‘Ik geloof niet dat ik het erg zou vinden om met dat probleem te worden geconfronteerd,’ zei ik. ‘Hoe voel je je?’ ‘Ik?’ Hij hield zijn kale kop vijfenveertig graden achterover, kantelde de fles, liet de fles weer zakken en veegde een paar druppels drank uit zijn grijze baard. ‘Nooit van mijn leven ziek geweest. Gepekeld vlees bederft niet.’ Hij hield zijn hoofd scheef. ‘Aha.’ ‘Aha, wat?’ Hij zat te luisteren, dat zag ik wel, maar ik hoorde helemaal niets behalve de klappen van de boeg tegen de woedende golven en de metaalachtige trommelende vibratie van de oude stalen romp die iedere plons omlaag vergezelde. ‘De zachte fluitklanken uit sprookjesland!’ zei Lonnie. ‘Luister! De Verkondigers der Engelen.’ Ik luisterde en deze keer hoorde ik het ook. Ik had het al vele malen gehoord, en met staag toenemend afgrijzen, sinds ik aan boord van de Morning Rose was gestapt, een krijsende kakofonie die niets minder scheen te verkondigen dan armageddon. De drie veroorzakers van dit krankzinnige ketelhuiskabaal, Josh Hendriks jeugdige geluidsassistenten, waren dan misschien niet muzikaal stokdoof maar hun klassieke muzikale opleiding kon nauwelijks als voltooid worden beschouwd aangezien ze geen van drieën een noot muziek konden lezen. John, Luke en Mark waren alle drie produkten uit dezelfde eigentijdse gietvorm, met golvend haar tot op hun schouders en met kleren aan die het vermoeden wekten dat ze de wasmand van een goeroe hadden geplunderd. Al hun vrije tijd brachten ze door met opnameapparatuur, gitaar, drums en xylofoon in de recreatiesalon in het voorschip, waar ze repeteerden, schijnbaar dag en nacht, om zich voor te bereiden op het grote ogenblik van de doorbraak in de popmuziekwereld, waarin ze zich heel toepasselijk wilden presenteren als ‘De Drie Apostelen’. ‘Ze hadden de passagiers op een avond als deze wel mogen sparen.’ ‘Je onderschat ons onsterfelijk trio, beste jongen. Het feit dat jij misschien de erbarmelijkste musicus bent die er bestaat, belet je niet een hart van goud te hebben. Ze hebben de passagiers uitgenodigd om naar hen te komen luisteren, in de hoop dat dit hun lijden misschien zou verzachten.’ Hij sloot zijn ogen toen een rauw gebrul met een hoge toon van gillend gekrijs als van een dier in doodsnood buiten de deur door de gang echode. ‘Het concert schijnt te zijn begonnen.’ ‘Hun psychologisch inzicht is buiten kijf,’ zei ik. ‘Na dat kabaal is een poolstorm iets lieflijks als een zomermiddag aan de Theems.’ ‘Je doet ze onrecht aan.’ Lonnie verminderde het peil in de fles opnieuw met een paar centimeters, nestelde zich toen wat behaaglijker in zijn kooi ten teken dat de audiëntie was afgelopen. ‘Ga zelf maar kijken.’ Dus ging ik zelf kijken en ik had ze inderdaad onrecht aangedaan. De Drie Apostelen, omringd door die warwinkel van microfoons, versterkers, luidsprekers en geheimzinnige elektronische apparatuur zonder welke de moderne troubadours niet willen en - nog belangrijker -niet kunnen werken, stonden op een laag platform in een hoek van de recreatiesalon en hielden zich met opmerkelijk gemak in evenwicht naar het scheen grotendeels dank zij het feit dat hun lichaamskronkelingen, al evenzeer onafscheidelijk bij hun kunst behorend als de elektronische hulpmiddelen, heel goed schenen te synchroniseren met het gestamp en gerol van de Morning Rose. Nogal conservatief, zij het vreemd uitgedost in blauwe spijkerbroeken en psychedelische kaftans, en welhaast in houdingen van vurige geloofsijver over hun microfoons gebogen, deden de drie jeugdige geluidsassistenten hun uiterste best, en te oordelen naar het weinige dat te zien was van de extase op gezichten die telkens weer grotendeels schuilgingen achter wild zwaaiende manen, was het duidelijk dat zij zelf vonden dat hun uiterste best het sublieme benaderde. Ik vroeg me heel even af hoe engelen er zouden uitzien met koptelefoons op, maar wijdde toen mijn aandacht aan het publiek. Er zaten in totaal vijftien mensen, tien leden van de productiegroep en vijf van de spelers. Zeker twaalf van hen waren er heel duidelijk allerberoerdst aan toe, maar hun lijden werd tijdelijk naar de achtergrond gedrongen door de betovering die bij lange na niet aan vervoering grensde, teweeggebracht door De Drie Apostelen die nu een muzikaal crescendo hadden bereikt vergezeld van wat een of andere nieuwe vorm van de sint-vitusdans scheen te zijn. Ik voelde een hand op mijn schouder en keek om. Het was Charles Conrad. Conrad was 30 jaar oud en zou de mannelijke hoofdrolspeler in de film zijn, nog geen ster met een grote naam maar toch wel bezig een indrukwekkende internationale reputatie op te bouwen. Hij was opgewekt en op een ruige manier knap, met dik bruin haar dat voortdurend over zijn ogen viel: hij had ogen van het blauwste blauw en glinsterend-witte volmaakte tanden - net als zijn naam, echt - die een tandarts in vervoering of diepe wanhoop zouden hebben gebracht, al naar gelang deze in de eerste plaats geïnteresseerd was in de esthetische dan wel de economische aspecten van zijn beroep. Hij was onveranderlijk vriendelijk, hoffelijk en attent, of dit zijn natuur dan wel berekening was viel onmogelijk te zeggen. Hij hield zijn holle hand bij mijn oor, knikte naar de musici en vroeg: ‘Uw contract vermeldt ook luisteren naar die muziek?’ ‘Nee. Hoezo? Het uwe wel?’ ‘Solidariteit van de werkende klasse.’ Hij glimlachte en keek me aan met een vreemd taxerende blik in zijn ogen. ‘Een beetje minachting voor de komedianten, niet?’ ‘Ze komen er wel overheen. Trouwens, ik zeg altijd tegen mijn patiënten dat een verzetje net zo goed is als een uurtje rust.’ De muziek hield abrupt op en ik liet mijn stem zo’n 50 decibels dalen. ‘Maar je kunt het ook te ver doordrijven, weet u. Overigens ben ik aan het werk. Meneer Gerran maakt zich een beetje bezorgd over jullie allemaal.’ ‘Hij wil zijn kudde in prima conditie op de veemarkt afgeleverd zien?’ ‘Nou ja, ik veronderstel dat jullie allemaal voor hem een vrij behoorlijke investering vertegenwoordigen.’ ‘Investering? Ha! Weet u dat die kromme ouwe vrek van een bierton ons niet alleen tegen uitverkoopprijzen heeft maar ons bovendien geen cent zal uitbetalen voor alle opnamen klaar zijn?’ ‘Nee, dat wist ik niet.’ Ik zweeg even. ‘We leven in een democratie, meneer Conrad, het land van de vrije mensen. Jullie hoeven je niet op de slavenmarkt te verkopen.’ ‘Dat had u gedacht. Wat weet u van de filmindustrie?’ ‘Niets.’ ‘Klaarblijkelijk. Die bevindt zich op het diepste dieptepunt van haar hele geschiedenis. Ongeveer 80 % van de technici en acteurs is werkloos. Ik werk liever voor een paar centen dan dat ik van honger omkom.’ Hij keek me woedend aan, toen kreeg zijn aangeboren goede humeur weer de overhand. ‘Zeg hem dat zijn steun en toeverlaat, die onovertrefbare hoofdrolspeler Charles Conrad, fit en gezond is, niet gelukkig, let wel, alleen maar fit en gezond. Om gelukkig te zijn zou ik hem overboord moeten zien vallen.’ ‘Ik zal het hem zeggen.’ Ik keek de salon rond. De Drie Apostelen verkwikten zich genadiglijk aan gemberbier: de meeste toehoorders verkwikten zich op gelijke wijze, zij het met een duidelijke behoefte aan iets sterkers dan gemberbier. Ik zei tegen Conrad: ‘Dit stelletje haalt de markt wel.’ ‘Snelle massadiagnose?’ ‘Het vergt oefening. Het spaart ook tijd. Wie ontbreken er?’ ‘Nou. . .’ Hij keek rond. ‘Om te beginnen Heissman...’ ‘Ik heb hem gezien. En Neal Divine ook. En Lonnie en Mary Stuart - niet dat ik haar hier zou hebben verwacht.’ ‘Onze Slavische ingebeelde schoonheid, niet?’ ‘Met dat "schoonheid" ga ik akkoord. Maar je hoeft niet ingebeeld te zijn om mensen te ontlopen.’ ‘Ik mag haar ook.’ Ik keek hem aan. Ik had hem maar twee keer gesproken. Heel kort. Ik kon zien dat hij meende wat hij zei. Hij zuchtte: ‘Ik wou dat zij mijn tegenspeelster was in plaats van onze eeuwige Mata Hari.’ ‘Kan het zijn dat u op de verrukkelijke juffrouw Haynes doelt?’ ‘Dat kan en dat doe ik,’ zei hij somber. ‘Femmes fatales maken me doodmoe. Het zal u opvallen dat ze hier niet aanwezig is. Ik wed dat ze in bed ligt met die twee verdomde flapoorhonden van haar, alle drie een appelflauwte nabij en beneveld door reukzout.’ ‘Wie ontbreekt er nog meer?’ ‘Antonio.’ Hij glimlachte weer. ‘Volgens de Graaf - zijn hutgenoot -is Antonio in extiemis en zal waarschijnlijk de nacht niet meer halen.’ ‘Hij ging nogal haastig de eetsalon uit.’ Ik liep bij Conrad weg en ging bij de Graaf aan diens tafeltje zitten. De Graaf, met een mager arendsgezicht, zwart streepsnorretje, lijnrechte zwarte wenkbrauwen en recht-achterovergeborsteld grijzend haar, scheen in meer dan redelijke gezondheid te verkeren. Hij hield een zeer goed gevuld glas cognac in zijn hand en ik wist ook zonder ernaar te vragen dat het de allerbeste cognac zou zijn die maar te krijgen was, want de Graaf was een erkend connaisseur op ieder gebied, van blondjes tot kaviaar, net zo’n veeleisende perfectionist in het najagen van de goede dingen des levens als in de uitoefening van zijn taak, hetgeen er wellicht toe had bijgedragen hem te maken tot wat hij was, de beste cameraman van het land en vermoedelijk van Europa. Evenmin behoefde ik me af te vragen waar hij die cognac vandaan had: geruchten wilden dat hij Otto Gerran al heel lang kende, of althans lang genoeg om zijn eigen privé-voorraden mee te nemen als hij met Otto op safari ging. Graaf Tadeusz Leszczynski - zoals niemand hem ooit noemde omdat niemand die naam kon uitspreken -had heel wat van het leven geleerd sinds hij in september 1939 overijld en voorgoed zijn reusachtige Poolse landgoederen had achtergelaten. ‘Goedenavond, Graaf,’ zei ik, ‘u ziet er tenminste gezond en wel uit.’ ‘Tadeusz voor mijn vrienden. In voortreffelijke gezondheid, mag ik met genoegen zeggen. Ik neem de juiste profylactische voorzorgen.’ Hij klopte even op de nauwelijks merkbare bobbel in zijn jasje. ‘Ook een voorbehoedmiddeltje? Uw penicilline en aureomycine zijn alleen maar heksenbrouwseltjes voor de gelovigen.’ ‘Het spijt me, ik ben op ziekenbezoek. Meneer Gerran wil weten hoe ziek dit weer de mensen maakt.’ ‘Ha! Onze Otto zelf blaakt van gezondheid?’ ‘Gaat wel.’ ‘Een mens kan niet alles hebben.’ ‘Conrad vertelde me dat ik misschien eens naar uw hutgenoot Antonio zou moeten gaan kijken.’ ‘Wat Antonio nodig heeft is een prop in zijn mond, een dwangbuis en een kinderjuffrouw. In die volgorde. Rolt almaar heen en weer, kotst de hele vloer onder, kreunend en krijsend als een ongelovige die gevierendeeld wordt.’ De Graaf rimpelde zijn kieskeurige neus. ‘Hoogst onaangenaam.’ ‘Dat kan ik me heel goed voorstellen.’ ‘Voor een fijngevoelig iemand, begrijpt u wel.’ ‘Natuurlijk.’ ‘Ik moest gewoon die hut uit.’ ‘Ja. Ik zal eens naar hem gaan kijken.’ Ik had nog maar net mijn stoel achteruit geschoven tot zover de bevestigingsketting dat toeliet, toen Michael Stryker op een stoel naast me kwam zitten. Stryker, deelgenoot in Olympus Productions, combineerde de twee - normaliter afzonderlijke - functies van decorontwerper en toneelmeester. Gerran liet nooit een gelegenheid voorbijgaan om te bezuinigen. Stryker was een lange, donkere en onmiskenbaar knappe man met een kwiek snorretje en zou gemakkelijk voor een filmidool van de jaren dertig kunnen worden aangezien als hij niet die moderne lange en slordige haren had, die bijna geheel het zijden truitje bedekte dat hij bij voorkeur droeg. Hij leek keihard, was ontegenzeggelijk cynisch, en te oordelen naar het weinige dat ik over hem gehoord had, volslagen amoreel. Hij genoot bovendien het twijfelachtige voorrecht Gerrans schoonzoon te zijn. ‘We zien u zelden aan boord op dit late uur, dokter,’ zei hij. Hij schroefde een lange zwarte Russische sigaret in een onyxpijpje met alle precisie van een mecanicien die bezig was de nokkenas in een Rolls Royce-motor te monteren, hield het toen tegen het licht omhoog om het resultaat te inspecteren. ‘Erg vriendelijk om u bij het vulgus te voegen. Esprit de corps en zo meer.’ Hij stak zijn sigaret aan, blies een wolk zwarte rook over de tafel en keek me taxerend aan. ‘Bij nader aanzien, nee. U bent niet het esprit de corpstype. We moeten dat min of meer wel zijn. U niet. Ik geloof niet dat u dat ooit zou kunnen. Te koel, te gereserveerd, te klinisch, te zeer de-kat-uit-de-boom-kijker - een eenling. Klopt dat?’ ‘Het is een redelijke omschrijving van een arts.’ ‘Hier in officiële hoedanigheid, niet?’ ‘Lijkt me wel, ja.’ ‘Ik wed dat die ouwe geit u gestuurd heeft.’ ‘Meneer Gerran heeft me inderdaad gestuurd.’ Het werd me in toenemende mate duidelijk dat het hoogst onwaarschijnlijk was dat Otto Gerrans naaste medewerkers ooit het voorrecht zouden opeisen zijn opneming in de Zaal der Beroemdheden te bepleiten. ‘Die ouwe geit bedoel ik.’ Stryker keek peinzend naar de Graaf. ‘Een vreemde en ongewenste bezorgdheid van de kant van onze Otto, vind je ook niet, Tadeusz? Ik vraag me af wat daar nou weer voor leugens achter zitten?’ De Graaf haalde een zilveren flacon te voorschijn, schonk zichzelf opnieuw een royale hoeveelheid cognac in, glimlachte en zei niets. Ik zei ook niets omdat ik al tot de conclusie was gekomen dat ik het antwoord op die vraag wist: later kon ik het mezelf, terugziend, niet eens kwalijk nemen, en deed dit dan ook niet, want ik was tot een conclusie gekomen op basis van de enige feiten die me toen ter beschikking stonden. Ik zei tegen Stryker: ‘Juffrouw Haynes is hier niet. Is alles goed met haar?’ ‘Nee, ik ben bang dat ze geen zeebenen heeft. Ze is er behoorlijk beroerd aan toe maar wat kan een man doen? Ze smeekt om kalmerende slaapmiddelen en vraagt me almaar u te roepen, maar ik moest natuurlijk nee zeggen.’ ‘Waarom?’ ‘Beste kerel, ze leeft op verdovende middelen al van het moment af dat we aan boord van dit verdomde helleschip kwamen.’ Het was maar goed voor zijn gezondheid, dacht ik, dat kapitein Imrie en meester Stokes niet aan dezelfde tafel zaten. ‘Het ene ogenblik haar eigen zeeziektetabletten, dan de pillen die u hebt uitgedeeld, peppillen daar tussendoor en maagtabletten als dessert. Nou, u weet wat er zou gebeuren als ze bovenop die rotzooi ook nog kalmerende middelen of nog meer narcotica innam.’ ‘Nee, dat weet ik niet. Vertel het me.’ ‘Wat?’ ‘Drinkt ze? Zwaar, bedoel ik?’ ‘Drinken? Nee, ik bedoel, ze drinkt nooit iets.’ Ik zuchtte. ‘Waarom blijven schoenmakers nooit bij hun eigen leest? Ik laat de filmerij aan jullie over, laten jullie dan de geneeskunst aan mij over. Iedere eerstejaars medische student zou je kunnen vertellen -nou ja, laat maar. Weet ze wat voor tabletten ze vandaag genomen heeft en hoeveel - niet dat het er zoveel kunnen zijn geweest want anders was ze nu allang bewusteloos.’ ‘Dat zou ik me kunnen indenken.’ Ik schoof mijn stoel achteruit. ‘Dan slaapt ze binnen een kwartier.’ ‘Weet u dat zeker? Ik bedoel...?’ ‘Welke hut heeft ze?’ ‘Eerste rechts in de gang.’ ‘En u?’ vroeg ik de Graaf. ‘Eerste links.’ Ik knikte, stond op, ging weg, klopte op de eerste deur rechts en ging in antwoord op een nauwelijks hoorbaar gemompel naar binnen. Judith Haynes zat rechtop in haar bed, met, zoals Conrad al voorspeld had, een hond aan weerskanten naast zich - twee nogal mooie en fraai verzorgde cocker-spaniëls: ik bespeurde echter geen spoor van reukzout. Ze knipperde me toe met haar eigenlijk wel heel mooie ogen en gaf me een flauw glimlachje, zowel bevend als dapper. Mijn hart bleef op zijn plaats. ‘Erg vriendelijk van u om even te komen, dokter.’ Ze had zo’n donkere stroperige stem, net zo doelmatig in privé-intimiteit als in een donkere bioscoopzaal. Ze had een roze doorstikt bedjasje aan dat hevig vloekte met de kleur van haar haren, en hoog om haar hals een groene chiffonsjaal die dat niet deed. Haar gezicht was zo wit als albast. ‘Michael zei dat u niet zou kunnen helpen.’ ‘Meneer Stryker was overmatig bezorgd.’ Ik ging op de rand van de matras zitten en nam haar pols. De cocker-spaniël naast me gromde diep in zijn keel en ontblootte zijn tanden. ‘Als die hond me bijt sla ik ‘m tot moes.’ ‘Rufus zou geen vlieg kwaad doen, nietwaar, Rufus, schatje?’ Ik maakte me geen zorgen om vliegen maar ik zweeg en ze vervolgde met een droevig glimlachje: ‘Bent u allergisch voor honden, dokter Marlow?’ ‘Ik ben allergisch voor hondenbeten.’ Het glimlachje vervaagde tot haar gezicht alleen nog maar droevig was. Ik wist niets over Judith Haynes behalve wat ik uit de tweede hand gehoord had, en aangezien alles wat ik behoord had afkomstig was van haar collega’s in het vak liet ik ongeveer 90% van wat mij verteld was weg: het enige wat ik tot dusver met redelijke zekerheid over de filmwereld te weten was gekomen, was dat kwaadsprekerij, huichelarij, dubbelhartigheid, insinuaties en karaktermoord een zo integraal deel van het conversatiepatroon vormden dat het volslagen onmogelijk was om te weten waar de waarheid eindigde en vervalsing begon. De enige veilige leidraad, had ik ontdekt, was om maar aan te nemen dat de waarheid vrijwel onmiddellijk eindigde. Juffrouw Haynes, zo werd gezegd, beweerde 24 jaar te zijn en had dat al, met het grootste gezag, veertien jaar beweerd. Dit, zo werd duister gezegd, verklaarde haar voorkeur voor chiffonsjaals, want het was daar dat de ontbrekende jaren voor de dag kwamen: maar het was ook heel goed mogelijk dat ze gewoon van chiffonsjaals hield. Al even gezaghebbend werd verklaard dat ze een volslagen kreng was, met als enige verzachtende omstandigheid dat ze zo volkomen verknocht was aan haar twee cocker-spaniëls en zelfs dit achterbakse compliment werd gekenmerkt door de opmerking dat ze als menselijk wezen toch wel iets of iemand moest hebben om van te houden, iets of iemand die haar enige genegenheid teruggaf. Ze had het met katten geprobeerd, werd gezegd, maar dat was op niets uitgelopen: de katten gaven haar blijkbaar geen liefde terug. Maar één ding was onbetwistbaar: juffrouw Haynes, lang, slank, met prachtig kastanjebruin haar en de klassieke schoonheid van Griekse beeldhouwwerken, kon, zo werd algemeen erkend, hoegenaamd niet toneelspelen. Niettemin was ze een bijzonder grote kassa attractie: daar zorgde de combinatie van een droevige vorstelijke gelaatsuitdrukking, die haar handelsmerk was, en het verbluffende contrast van haar sombere privé-leven wel voor. Evenmin werd haar carrière op enigerlei merkbare wijze gehinderd door de feiten dat ze de dochter was van Otto Gerran, die ze volgens zeggen verfoeide, de vrouw van Michael Stryker, die ze volgens zeggen haatte, en deelgenote in Olympus Productions.  Er mankeerde voor zover ik kon zien niet veel aan haar fysieke toestand. Ik vroeg haar hoeveel tabletten van allerlei soort ze in de loop van de dag geconsumeerd had en na hier een poosje hulpeloos over te hebben nagedacht en het aantal te hebben opgesomd met de welgeschapen en spits toelopende wijsvinger van haar rechterhand op de welgeschapen spits toelopende vingers van haar linkerhand - ze had de naam ponden en dollars te kunnen optellen met de snelheid en accuratesse van een IBM-computer - gaf ze me een paar schattingen en in ruil daarvoor gaf ik haar een paar tabletjes met instructies ten aanzien van hoeveelheid en tijdstip van inneming, en ging toen weg. Ik schreef de honden geen kalmerende middelen voor - ze leken me prima in orde. De hut die door de Graaf en Antonio werd bewoond, lag pal tegenover deze aan de andere kant van de gang. Ik klopte tweemaal, zonder antwoord, ging naar binnen en zag waarom er geen antwoord was gekomen: Antonio was daar wel degelijk, maar ik had tot sint-juttemis kunnen kloppen en Antonio zou me niet hebben gehoord, Antonio zou nooit meer iets horen. Wat erg, om van de Via Veneto via Mayfair te komen en dan zo’n afschuwelijke dood in de Barentsz Zee: voor de vrolijke en lachende Antonio zou er nooit een goede of passende of geëigende plaats zijn geweest om dood te gaan, want als ik ooit een man had ontmoet die van het leven hield dan was het wel Antonio: en dat dit vertroetelde wezen uit de wellustige salons van de hoofdsteden van Europa in deze sombere en onbeschrijfelijk bittere omgeving moest sterven was zo ongerijmd dat het schokkend was, zo onwerkelijk dat het alle geloof en begrip te boven ging. Maar daar lag hij, pal voor me, aan mijn voeten, heel reëel en heel erg dood. De hut was vol van de zuurzoete geur van misselijkheid en het fysieke bewijs van die misselijkheid was overal. Antonio lag niet in zijn kooi maar op het vloerkleed ernaast. Zijn hoofd onmogelijk ver achterover gebogen tot het een rechte hoek maakte met zijn lichaam. Er was bloed, veel bloed, nog niet gestold, op zijn mond en op de vloer bij zijn mond. Het lichaam was in een haast onmogelijke houding verwrongen, armen en benen grotesk uitgezwaaid, de knokkels ivoorkleurig. Almaar heen en weer rollend, had de Graaf gezegd, ziek, een man die gevierendeeld werd, en daarmee had hij het niet zover mis gehad, want Antonio was gestorven zoals een man sterft die gevierendeeld wordt. In folterende pijn. Zo zeker als wat moest hij het hebben uitgeschreeuwd, ook al zou zijn keel de meeste tijd gesmoord zijn, hij moest hebben geschreeuwd. Dat moest wel, hij zou zich niet hebben kunnen bedwingen: maar met het oorverdovende gekrijs van De Drie Apostelen zou niemand zijn kreten hebben gehoord. En opeens herinnerde ik me het gekrijs dat ik gehoord had toen ik met Lonnie Gilbert in diens hut had zitten praten, en ik voelde de haartjes achterin mijn nek kriebelen: ik had het verschil moeten weten tussen de hoge falsetstem van een beatzanger en de schreeuw van een in marteling stervende man. Ik knielde naast hem neer, onderzocht het lijk vluchtig, niet meer constaterend dan iedere leek zou hebben gedaan, sloot zijn starende ogen en strekte toen, gedachtig aan het optreden van rigor mortis, de verwrongen ledematen met een gemak dat me vaag verbaasde. Toen ging ik de hut uit, sloot de deur af en aarzelde maar heel even alvorens de sleutel in mijn zak te laten glijden: als de Graaf inderdaad zo fijngevoelig was als hij beweerde, zou hij maar al te blij zijn dat ik de sleutel bij me had gestoken.